- Arrest van 12 mei 2011

12/05/2011 - 71/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof verwerpt de beroepen.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en R. Henneuse, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Snappe, P. Nihoul en F. Daoût, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging

a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 31 mei 2010 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 1 juni 2010, is beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 103 van de programmawet van 23 december 2009 (Afroming van de reserves van de plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen), bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 30 december 2009, door de vzw « Plaatselijk Werkgelegenheidsagentschap van Vilvoorde », met maatschappelijke zetel te 1800 Vilvoorde, Schapulierstraat 25, de vzw « Plaatselijk Werkgelegenheidsagentschap van Beerse », met maatschappelijke zetel te 2340 Beerse, Kapelstraat 1, de vzw « Plaatselijk Werkgelegenheidsagentschap van Gavere », met maatschappelijke zetel te 9890 Gavere, Grote Markt 1, en de vzw « Plaatselijk Werkgelegenheidsagentschap van Temse », met maatschappelijke zetel te 9140 Temse, Kasteelstraat 84.

b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 3 juni 2010 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 4 juni 2010, is beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 102 van dezelfde programmawet door de voornoemde vzw « Plaatselijk Werkgelegenheidsagentschap van Vilvoorde », de voornoemde vzw « Plaatselijk Werkgelegenheidsagentschap van Beerse », de voornoemde vzw « Plaatselijk Werkgelegenheidsagentschap van Gavere », de vzw « Plaatselijk Werkgelegenheidsagentschap van Damme », met maatschappelijke zetel te 8340 Damme, Dorpsstraat 122, de vzw « Plaatselijk Werkgelegenheidsagentschap van Rijkevorsel », met maatschappelijke zetel te 2310 Rijkevorsel, Molenstraat 5, en de voornoemde vzw « Plaatselijk Werkgelegenheidsagentschap van Temse ».

c. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 28 juni 2010 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 29 juni 2010, heeft de vzw « Agence locale pour l'Emploi de Liège », met maatschappelijke zetel te 4000 Luik, rue Féronstrée 129, beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 102 tot 104 van dezelfde programmawet.

Die zaken, ingeschreven onder de nummers 4943, 4953 en 4980 van de rol van het Hof, werden samengevoegd.

(...)

II. In rechte

(...)

B.1. De bestreden bepalingen vormen hoofdstuk 2 (« Afroming van de reserves van de plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen ») van titel 7 (« Werk ») van de programmawet van 23 december 2009.

De artikelen 102 tot 104 van die wet bepalen :

« Art. 102. De plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen, opgericht overeenkomstig artikel 8 van de besluitwet van 28 december 1944, zijn verplicht om gedurende het eerste kwartaal van 2011 een éénmalig vast bedrag uit de traditionele activiteiten, dat bestemd is voor het globaal beheer van de sociale zekerheid, te storten aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid.

De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, en na advies van het Beheerscomité van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening, zoals bedoeld in artikel 1 van de wet van 25 april 1963 betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut voor sociale zekerheid en sociale voorzorg en artikel 2 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, de criteria en de modaliteiten tot bepaling van het éénmalig vast bedrag uit de traditionele activiteiten per plaatselijk werkgelegenheidsagentschap en de uitvoeringsmodaliteiten.

Art. 103. De plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen, opgericht overeenkomstig artikel 8 van de besluitwet van 28 december 1944, die overeenkomstig artikel 8bis van dezelfde besluitwet en artikel 2, § 2, van de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen een sui-generis-afdeling hebben opgericht, zijn verplicht om gedurende het eerste kwartaal van 2011 een éénmalig vast bedrag uit de dienstencheques-activiteiten, dat bestemd is voor het globaal beheer van de sociale zekerheid, te storten aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid.

De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, en na advies van het Beheerscomité van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening, zoals bedoeld in artikel 1 van de wet van 25 april 1963 betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut voor sociale zekerheid en sociale voorzorg en artikel 2 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, de criteria en de modaliteiten tot bepaling van het éénmalig vast bedrag uit de dienstencheques-activiteiten per plaatselijk werkgelegenheidsagentschap.

Art. 104. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2010 ».

B.2. De wetgever beoogt met de bestreden bepalingen de reserves ontstaan uit de traditionele activiteiten (artikel 102) alsook uit de dienstencheques-activiteiten (artikel 103) van de plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen af te romen, teneinde daarmee nieuwe tewerkstellingsmaatregelen te financieren (Parl. St., Kamer, 2009-2010, DOC 52-2278/001, p. 52).

B.3. Het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap wordt opgericht door een gemeente of een groep van gemeenten, in de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk. Het agentschap is, in samenwerking met de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, bevoegd voor de organisatie en de controle van activiteiten die men niet aantreft in de reguliere arbeidscircuits. Het gaat om begeleidende maatregelen ten gunste van bepaalde categorieën van werklozen, die de voormelde activiteiten verrichten ten behoeve van een persoon die daarom verzoekt (de gebruiker). De activiteiten worden uitgeoefend in het kader van een pwa-arbeidsovereenkomst met het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap (de werkgever) en worden door de gebruiker betaald in de vorm van pwa-cheques. De activiteiten moeten voor de werkloze het karakter behouden van een bijkomende activiteit. De plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen ontvangen van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening een tegemoetkoming in de oprichtings- en werkingskosten.

Naast die oorspronkelijke activiteiten is het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap, wanneer het daarvoor een bijzondere afdeling (« sui generis -afdeling » genoemd) opricht, eveneens bevoegd om buurtwerken of buurtdiensten te leveren in het kader van de regeling waarin door de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen is voorzien. Het gaat om activiteiten die betrekking hebben op thuishulp van huishoudelijke aard en die worden uitgeoefend in het kader van een arbeidsovereenkomst voor dienstencheques. Naar het voorbeeld van het pwa-stelsel betaalt de gebruiker de activiteiten in de vorm van dienstencheques. Anders dan in het pwa-stelsel is de arbeidsovereenkomst voor dienstencheques evenwel niet voorbehouden aan een bepaalde categorie van werknemers en een bepaalde categorie van werkgevers, maar staat zij in beginsel open voor alle personen. De werkgever ontvangt bovenop de waarde van de dienstencheque een aanvullend bedrag dat door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening wordt betaald.

B.4. Alvorens de aangevoerde middelen te onderzoeken, dient het Hof de in het geding zijnde maatregel te kwalificeren.

De maatregel verplicht de plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen ertoe een « éénmalig vast bedrag » uit de traditionele activiteiten (artikel 102) en uit de dienstencheques-activiteiten (artikel 103) te storten aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid.

Volgens de verzoekende partijen houdt hij een onteigening of een belasting in. Volgens de Ministerraad gaat het om een socialezekerheidsbijdrage.

Hoewel de maatregel kenmerken vertoont van zowel belastingen als socialezekerheidsbijdragen, stemt hij in wezen overeen met de verplichting tot terugbetaling van een toelage die niet is aangewend voor de doeleinden waarvoor zij is verleend. De bestreden bepalingen houden derhalve slechts de bevestiging in, ten aanzien van de plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen, van de algemene regel die in artikel 57 van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit en in artikel 123 van de wet van 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de federale Staat is vervat.

B.5. Het eerste middel in de zaken nrs. 4943 en 4953 is afgeleid uit de schending van artikel 16 van de Grondwet. Dat artikel bepaalt dat niemand van zijn eigendom kan worden ontzet dan ten algemenen nutte, in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald en tegen een billijke en voorafgaande schadeloosstelling.

De onteigening biedt de overheid de mogelijkheid om voor doeleinden van algemeen nut de beschikking te krijgen over in beginsel onroerende goederen die niet middels de gewone wijzen van eigendomsoverdracht kunnen worden verworven.

De verplichting tot terugbetaling van een toelage die niet is aangewend voor de doeleinden waarvoor zij is verleend, is vreemd aan de eigendomsberoving bedoeld in artikel 16 van de Grondwet.

Het eerste middel in de zaken nrs. 4943 en 4953 is niet gegrond.

B.6. Het tweede middel in de zaken nrs. 4943 en 4953 en het derde middel in de zaak nr. 4980 zijn in hoofdzaak afgeleid uit de schending van artikel 170, § 1, van de Grondwet. Dat artikel bepaalt dat geen belasting ten behoeve van de Staat kan worden ingevoerd dan door een wet.

Aangezien de in het geding zijnde maatregel de verplichte terugbetaling van een toelage is, missen de middelen die ervan uitgaan dat de bestreden bepalingen een belasting invoeren grondslag.

Het tweede middel in de zaken nrs. 4943 en 4953 en het derde middel in de zaak nr. 4980 zijn niet gegrond.

B.7. Het derde middel in de zaken nrs. 4943 en 4953 is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Die artikelen waarborgen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Het eerste middel in de zaak nr. 4980 is afgeleid uit de schending van dezelfde artikelen, al dan niet in samenhang gelezen met het vertrouwensbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel, de vrijheid van handel en nijverheid en artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

Hoewel de bestreden bepalingen enkel tot de plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen zijn gericht, volgt uit artikel 57 van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit en uit artikel 123 van de wet van 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de federale Staat dat ook andere rechtspersonen ertoe zijn gehouden de toelagen terug te betalen die niet zijn aangewend voor de doeleinden waarvoor zij werden verleend. De bestreden bepalingen doen derhalve niet de aangevoerde verschillen in behandeling ontstaan en kunnen evenmin, doordat zij slechts de bevestiging inhouden van de algemene regel die reeds in de voormelde bepalingen is vervat, worden geacht op discriminerende wijze afbreuk te doen aan het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel.

In de veronderstelling dat de bestreden bepalingen een inmenging in het recht op eigendom, gewaarborgd door artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, zouden inhouden, verbreken zij niet het billijke evenwicht tussen de vereisten van het algemeen belang en van de bescherming van het recht van eenieder op het ongestoorde genot van de eigendom. Tijdens de parlementaire bespreking van de bestreden bepalingen heeft de bevoegde minister verklaard dat het uitvoeringsbesluit rekening zal houden met de individuele situatie van elk plaatselijk werkgelegenheidsagentschap en inzonderheid met het bedrag van de reserves, de schulden en het aantal gebruikte cheques (Hand., Kamer, 2009-2010, PLEN 129, 15 december 2009, pp. 7-8).

Meer bepaald moet worden aangenomen dat het « éénmalig vast bedrag » slechts kan slaan op de toelagen waarvan na controle, op basis van objectieve gegevens, is komen vast te staan dat zij niet werden aangewend voor de doeleinden waarvoor zij werden verleend. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt bovendien dat de wetgever slechts heeft beoogd een gedeelte van de reserves van de plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen af te romen (Parl. St., Kamer, 2009-2010, DOC 52-2278/001, pp. 51-52), zodat hun werking niet op onevenredige wijze wordt belemmerd.

Voor het overige moet worden opgemerkt dat, wanneer een wetgever een machtiging verleent, aangenomen dient te worden - behoudens aanwijzingen in de tegenovergestelde zin - dat hij de gemachtigde enkel de bevoegdheid verleent om die machtiging aan te wenden in overeenstemming met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Het staat aan de administratieve en aan de justitiële rechter na te gaan in welke mate de gemachtigde de hem toegekende machtiging te buiten zou zijn gegaan.

Daaruit volgt dat de bestreden bepalingen niet op discriminerende wijze afbreuk doen aan het eigendomsrecht. Evenmin blijkt in welk opzicht de vrijheid van handel en nijverheid op discriminerende wijze zou kunnen zijn geschonden.

Het derde middel in de zaken nrs. 4943 en 4953 en het eerste middel in de zaak nr. 4980 zijn niet gegrond.

B.8. Het tweede middel van de verzoekende partij in de zaak nr. 4980 is afgeleid uit de schending van de bevoegdheidverdelende regels.

Aangezien de in het geding zijnde maatregel de verplichte terugbetaling van een toelage is, kan de wetgever niet worden geacht zijn bevoegdheid te hebben overschreden.

Het tweede middel in de zaak nr. 4980 is niet gegrond.

B.9. Het vierde middel in de zaak nr. 4980 is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 105 en 108 van de Grondwet. De laatstgenoemde artikelen bepalen dat de Koning slechts kan optreden wanneer daarvoor een wettelijke grondslag voorhanden is (artikel 105) en dat zijn optreden in overeenstemming moet zijn met de « wetten » (artikel 108).

Het Hof is niet bevoegd een bepaling te censureren die de bevoegdheidsverdeling tussen de wetgevende macht en de uitvoerende macht zou schenden, tenzij die schending indruist tegen de regels inzake de bevoegdheidsverdeling tussen de Staat, de gemeenschappen en de gewesten of tenzij de wetgever, door de uitvoerende macht op te dragen een maatregel te nemen die niet onder zijn bevoegdheid valt, aldus een categorie van personen uitsluit van het optreden van een democratisch verkozen vergadering, waarin de Grondwet uitdrukkelijk voorziet.

Op grond van de bestreden artikelen bepaalt de Koning « de criteria en de modaliteiten tot bepaling van het éénmalig vast bedrag » uit de traditionele activiteiten (artikel 102) en uit de dienstencheques-activiteiten (artikel 103) dat aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid moet worden gestort.

Zoals reeds werd vastgesteld, druist die machtiging niet in tegen de bevoegdheidverdelende regels. Evenmin wordt aangetoond dat zij een aangelegenheid betreft die door de Grondwet aan de wet is voorbehouden.

Het vierde middel in de zaak nr. 4980 is niet gegrond.

Om die redenen,

het Hof

verwerpt de beroepen.

Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 12 mei 2011.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

M. Bossuyt.

Vrije woorden

  • Beroepen tot vernietiging van de artikelen 102, 103 en 104 van de programmawet van 23 december 2009 (Afroming van de reserves van de plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen), ingesteld door de vzw « Plaatselijk Werkgelegenheidsagentschap van Vilvoorde » en anderen. Sociaal recht

  • Sociale zekerheid

  • Financiering -Eénmalig vast bedrag per plaatselijk werkgelegenheidsagentschap

  • 1. Uit de traditionele activiteiten

  • 2. Uit de dienstencheques-activiteiten

  • 3. Kwalificatie

  • Verplichte terugbetaling van een toelage die niet is aangewend voor de doeleinden waarvoor zij is verleend. # Rechten en vrijheden

  • Eigendomsrecht

  • Onteigening.