- Arrest van 12 mei 2011

12/05/2011 - 73/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

De prejudiciële vragen behoeven geen antwoord.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Snappe, P. Nihoul en F. Daoût, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter R. Henneuse,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging

Bij arrest van 7 mei 2010 in zake het Fonds voor de beroepsziekten tegen Eric Maraite, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 17 mei 2010, heeft het Arbeidshof te Luik de volgende prejudiciële vragen gesteld :

1. « Schendt artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek, in de interpretatie volgens welke het aanvangspunt van de vijfjarige verjaringstermijn - waaraan die bepaling, bij gebrek aan een andere door de wetgever vastgestelde termijn, de vordering onderwerpt tot betaling van de vergoedingen voor blijvende arbeidsongeschiktheid die verschuldigd zijn als schadeloosstelling voor een beroepsziekte die is erkend in het kader van de op 3 juni 1970 gecoördineerde wet - moet worden bepaald op de respectieve vervaldata van de genoemde vergoedingen die vervallen zijn vóór de in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing waarbij uitspraak is gedaan over de datum van erkenning van de beroepsziekte, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat het zou leiden tot een verschillende behandeling van :

- enerzijds, de door een beroepsziekte getroffen werknemers uit de privésector,

- en, anderzijds, de door een beroepsziekte getroffen werknemers uit de overheidssector, voor wie de verjaringstermijn van de vordering tot betaling van de vergoedingen voor blijvende arbeidsongeschiktheid pas begint te lopen op de dag waarop de betwiste administratieve rechtshandeling ter kennis werd gebracht, met toepassing van artikel 20 van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector ? »;

2. « Schendt artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek, toegepast op de verjaring van de vordering tot betaling van de vergoedingen voor blijvende arbeidsongeschiktheid die verschuldigd zijn als schadeloosstelling voor een beroepsziekte die is erkend in het kader van de op 3 juni 1970 gecoördineerde wet, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat het zou leiden tot een verschillende behandeling van :

- enerzijds, de door een beroepsziekte getroffen werknemers uit de privésector, van wie de vordering, bij gebrek aan een andere door de wetgever vastgestelde termijn, onderworpen is aan de vijfjarige verjaring met toepassing van het genoemde artikel 2277;

- en, anderzijds, de door een beroepsziekte getroffen werknemers uit de overheidssector, voor wie de verjaringstermijn van de vordering tot betaling van de genoemde vergoedingen drie jaar bedraagt met toepassing van artikel 20 van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. Artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt :

« Termijnen van altijddurende renten en van lijfrenten,

Die van uitkeringen tot levensonderhoud,

Huren van huizen en pachten van landeigendommen,

Interesten van geleende sommen, en, in het algemeen, al hetgeen betaalbaar is bij het jaar of bij kortere termijnen,

Verjaren door verloop van vijf jaren ».

Die bepaling maakt deel uit van afdeling IV (« Enige bijzondere verjaringen ») van hoofdstuk V (« Tijd die voor de verjaring vereist is ») van titel XX (« Verjaring ») van boek III (« Op welke wijze eigendom verkregen wordt ») van dat Wetboek. Zij heeft tot doel te voorzien in een bijzondere verjaringstermijn voor bepaalde vorderingen tot betaling.

De verjaring vormt, zoals de betaling, een van de wijzen waarop de verbintenissen tenietgaan (artikel 1234 van het Burgerlijk Wetboek). De betaling onderstelt een schuld (artikel 1235, eerste lid, van hetzelfde Wetboek).

B.2. In de regel kan het Hof niet de normen bepalen die van toepassing zijn op het voor de verwijzende rechter hangende geschil.

Wanneer de prejudiciële vraag betrekking heeft op bepalingen die klaarblijkelijk niet op dat geschil van toepassing zijn, onderzoekt het Hof de grondwettigheid ervan evenwel niet.

B.3. Uit de motieven van de verwijzingsbeslissing en het rechtsplegingsdossier blijkt dat de verwijzende rechter wordt verzocht zich uit te spreken over de gegrondheid van een aanvraag tot vergoeding ingediend bij het Fonds voor de beroepsziekten en, in het bijzonder, te bepalen vanaf welke datum de aanvrager recht heeft op een jaarlijkse vergoeding voor zijn arbeidsongeschiktheid, die sedert de aanvang blijvend is.

B.4. De vaststelling van die datum wordt echter niet geregeld bij de in het geding zijnde bepaling, maar bij artikel 35, tweede lid, van de op 3 juni 1970 gecoördineerde wetten « betreffende de preventie van beroepsziekten en de vergoeding van de schade die uit die ziekten voortvloeit » - zoals gewijzigd bij artikel 33 van de wet van 29 april 1996 « houdende sociale bepalingen » -, dat bepaalt :

« Wanneer de arbeidsongeschiktheid van in de beginne blijvend is, wordt een jaarlijkse vergoeding toegekend van 100 pct. bepaald naar de graad van de blijvende ongeschiktheid, te rekenen vanaf het begin van de ongeschiktheid; de vergoeding zal evenwel niet vroeger kunnen ingaan dan honderdtwintig dagen voor de datum van het indienen van de aanvraag ».

De eerste deelzin van die bepaling drukt een beginsel uit waarop de tweede een uitzondering vaststelt.

Bij zijn arrest nr. 25/2007 van 30 januari 2007 heeft het Hof beslist dat artikel 35, tweede lid, van de voormelde wet van 3 juni 1970 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, in zoverre het bepaalt dat de vergoeding niet vroeger kan ingaan dan 120 dagen vóór de datum van het indienen van de aanvraag.

Teneinde zich te conformeren aan dat arrest dienen de rechtscolleges in beginsel, naar het voorbeeld van de verwijzende rechter, te beslissen het deel van die wetsbepaling dat ongrondwettig is verklaard, en dat sindsdien niet is gewijzigd, niet toe te passen.

De vaststelling van schending vervat in het arrest nr. 25/2007 heeft evenwel geen betrekking op de eerste deelzin van die bepaling, die dus toepasbaar blijft, zodat de jaarlijkse vergoeding die daarin wordt beoogd, wordt toegekend « te rekenen vanaf het begin van de [blijvende arbeidsongeschiktheid] », zonder dat nog van dat beginsel kan worden afgeweken door die toekenning in de tijd te beperken.

B.5. Uit hetgeen voorafgaat, vloeit voort dat de in het geding zijnde bepaling te dezen klaarblijkelijk niet van toepassing is.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

De prejudiciële vragen behoeven geen antwoord.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 12 mei 2011.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

R. Henneuse.

Vrije woorden

  • Prejudiciële vragen betreffende artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door het Arbeidshof te Luik. Sociaal recht

  • Sociale zekerheid

  • Beroepsziekten

  • Arbeidsongeschiktheid

  • Schadeloosstelling

  • Aanvang.