- Arrest van 18 mei 2011

18/05/2011 - 74/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

- Artikel 114 van de wet van 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de federale Staat schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

- De ontstentenis van een wetsbepaling die voorziet in een vijfjarige verjaring van de vordering tot terugbetaling van wedden die ten onrechte werden betaald door de gemeenten, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en R. Henneuse, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey en F. Daoût, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij vonnis van 21 mei 2010 in zake de gemeente Maasmechelen tegen Vital Boyen, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 28 mei 2010, heeft de Vrederechter van het kanton Maasmechelen de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 114 van de wet van 22 mei 2003 houdende de organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de Federale Staat (B.S. 3 juli 2003) de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet doordat de bepaling erin voorziet dat inzake wedden, voorschotten daarop en vergoedingen of uitkeringen, die een toebehoren van de wedden vormen of ermee gelijkstaan, de door de Staat ten onrechte uitbetaalde sommen voorgoed vervallen zijn aan hen die ze hebben ontvangen, als de terugbetaling daarvan niet gevraagd werd binnen een termijn van vijf jaar te rekenen van de eerste januari van het jaar van de betaling bij een ter post aangetekende brief met vermelding van het totale bedrag van de teruggevorderde som met per jaar, de opgave van de ten onrechte uitgevoerde betalingen, de bepalingen in strijd waarmee de betalingen zijn gedaan, terwijl de voorgeschreven verjaring niet van toepassing is op bedragen van dezelfde aard die betaald worden door de Gemeente ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1.1. Artikel 114 van de wet van 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de federale Staat bepaalt :

« § 1. Inzake salarissen, voorschotten daarop en vergoedingen, toelagen of uitkeringen, die een toebehoren van de salarissen vormen of ermee gelijkstaan, zijn de door de in artikel 2 bedoelde diensten ten onrechte uitbetaalde sommen voorgoed vervallen aan hen die ze hebben ontvangen, als de terugbetaling daarvan niet is gevraagd binnen een termijn van vijf jaar te rekenen van de eerste januari van het jaar van de betaling.

§ 2. Om geldig te zijn moet deze vraag tot terugbetaling ter kennis van de schuldenaar worden gebracht bij een ter post aangetekende brief met vermelding van :

1° het totale bedrag van de teruggevraagde som met, per jaar, de opgave van de ten onrechte uitgevoerde betalingen;

2° de bepalingen in strijd waarmede de betalingen zijn gedaan.

Te rekenen vanaf de afgifte van de aangetekende brief aan de post kan het onverschuldigde bedrag worden teruggevorderd gedurende tien jaar.

§ 3. De in § 1 vastgestelde termijn wordt verlengd tot tien jaar wanneer de onverschuldigde sommen zijn verkregen door bedrieglijke handelingen of door valse of bewust onvolledige verklaringen ».

B.1.2. Artikel 2 van de voormelde wet van 22 mei 2003 bepaalt :

« Voor de toepassing van deze wet wordt onder ' diensten ' verstaan de administraties, instellingen en ondernemingen van de federale Staat, behorende tot een van de volgende categorieën :

1° het algemeen bestuur, dat alle federale overheidsdiensten hergroepeert;

2° de administraties met beheersautonomie maar zonder rechtspersoonlijkheid, ' administratieve diensten met boekhoudkundige autonomie ' genaamd;

3° de overheidsinstellingen met rechtspersoonlijkheid, ' administratieve openbare instellingen ' genaamd, met uitzondering van de openbare instellingen van sociale zekerheid van de categorie D van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut en van de openbare instellingen van sociale zekerheid bedoeld in het koninklijk besluit van 3 april 1997 houdende maatregelen met het oog op de responsabilisering van de openbare instellingen van sociale zekerheid;

4° de ondernemingen met een handels-, industrieel of financieel karakter, met een vorm van autonomie maar zonder rechtspersoonlijkheid, ' staatsbedrijven ' genaamd ».

B.2. In de parlementaire voorbereiding van de artikelen 113 en 114 van de wet van 22 mei 2003 wordt de volgende toelichting verstrekt :

« Ingevolge de rechtspraak van het Arbitragehof, die in het advies van de Raad van State is geciteerd, stelt de Regering voor inzake verjaring in principe en voor alle overheden van de ' Staat ' het gemeen recht van toepassing te maken behalve voor onterecht uitbetaalde salarissen, vergoedingen, toelagen, en dergelijke. De bron van dergelijke schuldvorderingen is immers zo specifiek voor de overheidssector dat niet naar het gemeen recht kan worden verwezen.

[...]

Artikel 114 betreft een quasi letterlijke overname van artikel 106 van de gecoördineerde wetten op de rijkscomptabiliteit, met dien verstande dat ook hier de woorden ' in artikel 2 opgesomde instellingen ' worden vervangen door ' de in artikel 2 bedoelde diensten ' » (Parl. St., Kamer, 2001-2002, DOC 50-1870/001, p. 139).

B.3. Vóór de inwerkingtreding van de wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring bedroeg de gemeenrechtelijke verjaringstermijn dertig jaar. Het nieuwe artikel 2262bis, § 1, van het Burgerlijk Wetboek, ingevoegd door voormelde wet, bepaalt dat de persoonlijke rechtsvorderingen verjaren door verloop van tien jaar, met uitzondering van de rechtsvorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid, die verjaren door verloop van vijf jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon, waarbij die vorderingen in ieder geval verjaren door verloop van twintig jaar vanaf de dag volgend op die waarop het feit waardoor de schade is veroorzaakt, zich heeft voorgedaan. Wanneer de rechtsvordering vóór de inwerkingtreding van de wet van 10 juni 1998 is ontstaan, bepaalt artikel 10 van die wet bij wijze van overgangsmaatregel dat de nieuwe verjaringstermijnen waarin zij voorziet pas lopen vanaf haar inwerkingtreding.

B.4. Aangezien voor de gemeenten in geen bijzondere verjaringstermijn is voorzien wat betreft hun vorderingen tot terugbetaling van ten onrechte uitbetaalde wedden, voorschotten daarop en vergoedingen, toelagen of uitkeringen, die een toebehoren van de wedden vormen of ermee gelijkstaan, verjaren die vorderingen te hunnen aanzien overeenkomstig de gemeenrechtelijke bepalingen na tien jaar, terwijl soortgelijke vorderingen van de Staat overeenkomstig het in het geding zijnde artikel 114, § 1, na vijf jaar verjaren.

B.5. In het arrest nr. 35/2002 van 13 februari 2002 heeft het Hof geoordeeld dat artikel 7, § 1, van de wet van 6 februari 1970 betreffende de verjaring van schuldvorderingen ten laste of ten voordele van de Staat en de provinciën, dat artikel 106, § 1, van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 17 juli 1991, vormt, - het in het geding zijnde artikel 114, § 1, is in analoge bewoordingen gesteld - de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt doordat het niet van toepassing is op de verjaring van schuldvorderingen tot terugbetaling van wedden die door de gemeenten ten onrechte werden betaald :

« B.1. Artikel 7, § 1, van de wet van 6 februari 1970 betreffende de verjaring van schuldvorderingen ten laste of ten voordele van de Staat en de provinciën vormt thans artikel 106, § 1, van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 17 juli 1991, dat bepaalt :

' Inzake wedden, voorschotten daarop en vergoedingen of uitkeringen, die een toebehoren van de wedden vormen of ermede gelijkstaan, zijn de door de Staat ten onrechte uitbetaalde sommen voorgoed vervallen aan hen die ze hebben ontvangen, als de terugbetaling daarvan niet gevraagd werd binnen een termijn van vijf jaar te rekenen van de eerste januari van het jaar van de betaling.

De in het eerste lid vastgestelde termijn wordt tot dertig jaar opgevoerd, wanneer de onverschuldigde sommen werden verkregen door bedrieglijke handelingen of door valse of welbewust onvolledige verklaringen '.

Krachtens artikel 71, § 1, van de bijzondere financieringswet van 16 januari 1989 is die bepaling van overeenkomstige toepassing op de gemeenschappen en de gewesten. Aangezien voor de gemeenten daarentegen in geen enkele verjaringstermijn is voorzien, verjaren hun schuldvorderingen na dertig jaar, krachtens artikel 2262 van het Burgerlijk Wetboek.

B.2. Daaruit volgt dat de terugvordering van bedragen die een gemeenteambtenaar ten onrechte heeft ontvangen verjaart na dertig jaar, terwijl de terugvordering van bedragen die ten onrechte zijn ontvangen door een ambtenaar van de Staat, een gemeenschap, een gewest of een provincie, na een periode van vijf jaar verjaart.

B.3. In tegenstelling tot wat de Ministerraad stelt, bevinden de ambtenaren van de Staat of een provincie en de gemeenteambtenaren van wie ten onrechte betaalde wedden teruggevorderd worden zich in vergelijkbare situaties. Alhoewel de comptabiliteit van de gemeenten niet is onderworpen aan de controle van het Rekenhof, heeft dat verschil geen invloed op de situatie van hun ambtenaren.

B.4. Het Hof dient in de huidige zaak niet te onderzoeken of het verantwoord is de tegen de gemeenten gerichte vorderingen te onderwerpen aan een andere verjaringstermijn dan de vorderingen tegen andere overheden. Het dient zich enkel af te vragen of het redelijk verantwoord is de vorderingen van gemeenten tegen hun ambtenaren tot terugbetaling van ten onrechte betaalde wedden aan de dertigjarige verjaring te onderwerpen, terwijl de andere voormelde overheden tegen hun ambtenaren dienen op te treden binnen een termijn van vijf jaar.

B.5. De vijfjarige verjaring die van toepassing is op vorderingen door de Staat, de gemeenschappen, de gewesten en de provincies tegen hun ambtenaren is weliswaar de tegenhanger van de verjaring van de tegen diezelfde overheden gerichte vorderingen. De toepassing van dezelfde verjaring op de twee vorderingen wordt voor beide vorderingen echter anders verantwoord. Hoewel de verjaring geldig voor de overheden door redenen van gezond beheer van de openbare financiën werd verantwoord, blijkt uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 5 maart 1952, waarbij de in het geding zijnde bepaling in de wet van 15 mei 1846 op de Rijkscomptabiliteit werd ingevoerd, dat de verjaring geldig voor hun ambtenaren eveneens werd verantwoord door de bekommernis om de schadelijke gevolgen van de terugvordering van de ten onrechte betaalde maar gewoonlijk te goeder trouw door de belanghebbenden ontvangen sommen te beperken (Parl. St., Kamer, 1950-1951, nr. 435, pp. 1 en 2).

B.6. Ongetwijfeld is in beide gevallen de voor de schuldvorderingen van de overheid geldende verjaringstermijn dezelfde is als de op haar schulden van toepassing zijnde verjaringstermijn : de ambtenaar van een gemeente kan gedurende dertig jaar optreden tegen de gemeente zoals de gemeente gedurende dertig jaar tegen hem kan optreden. Die gelijklopende termijnen kunnen echter niet het in het geding zijnde verschil in behandeling verantwoorden : de wetgever heeft door het mogelijk te maken dat van een gemeenteambtenaar wedden die hem meestal bij vergissing werden uitbetaald gedurende dertig jaar kunnen worden teruggevorderd, terwijl een ambtenaar van de Staat, van een gemeenschap, van een gewest of van een provincie na vijf jaar aan elke vordering ontsnapt, ten aanzien van de eerstgenoemde een maatregel genomen die niet redelijk is verantwoord.

B.7. De vraag dient bevestigend te worden beantwoord ».

B.6. In dat arrest diende het Hof zich uit te spreken over de vraag of het redelijk verantwoord is de vorderingen van gemeenten tegen hun ambtenaren tot terugbetaling van ten onrechte betaalde wedden aan de dertigjarige verjaring te onderwerpen, terwijl de andere voormelde overheden tegen hun ambtenaren dienen op te treden binnen een termijn van vijf jaar. De voorliggende vraag verschilt van die welke in dat arrest werd beantwoord in zoverre thans een gemeenrechtelijke verjaringstermijn van tien in plaats van dertig jaar aan de orde is.

Dat verschil is evenwel niet van dien aard dat de overwegingen van het arrest nr. 35/2002 niet op de voorliggende zaak kunnen worden toegepast. Immers, hoewel thans de gemeenrechtelijke verjaringstermijn van tien jaar aan de orde is, blijft de vaststelling dat die termijn, wat de vorderingen van de gemeente tot terugbetaling van ten onrechte betaalde wedden aan haar ambtenaren betreft, het dubbele bedraagt van die welke geldt voor vorderingen van de Staat tot terugbetaling van ten onrechte betaalde wedden aan zijn ambtenaren.

De toelichting in de parlementaire voorbereiding volgens welke de bron van de vorderingen van de Staat tot terugbetaling van ten onrechte betaalde wedden zo specifiek is voor de overheidssector dat niet naar het gemeen recht kan worden verwezen, verantwoordt niet dat die afwijkende regeling enkel ten aanzien van ambtenaren van de Staat, en niet ten aanzien van ambtenaren van een gemeente zou gelden.

Dat verschil in behandeling heeft onevenredige gevolgen wat de gemeenteambtenaren betreft, aangezien de vordering tot terugbetaling van wedden die hun onterecht zijn betaald, betrekking heeft op periodiek uitbetaalde geldsommen waarvan het bedrag toeneemt naarmate de tijd verstrijkt, en waarop, indien die sommen dienen te worden terugbetaald, in beginsel de kortere verjaringstermijn vastgelegd in artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek bijgevolg van toepassing zou moeten zijn; de terugvordering van wedden die gedurende lange tijd onterecht zijn betaald, kan immers betrekking hebben op bedragen die, op termijn, een dermate grote schuld zijn geworden dat die de schuldenaar zouden kunnen ruïneren.

Om dezelfde redenen als die welke in het voormelde arrest zijn aangegeven, is het in het geding zijnde verschil in behandeling niet redelijk verantwoord.

B.7. Die discriminatie vindt haar oorsprong evenwel niet in de in het geding zijnde bepaling, maar in de ontstentenis van een wetsbepaling die van toepassing is op de gemeenten en voorziet in een vijfjarige verjaring van de termijn voor de terugvordering van de onterecht betaalde wedden.

B.8. Uit hetgeen voorafgaat, vloeit voort dat het aangeklaagde verschil in behandeling niet is gesitueerd in artikel 114 van de wet van 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de federale Staat, zodat de prejudiciële vraag ontkennend dient te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

- Artikel 114 van de wet van 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de federale Staat schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

- De ontstentenis van een wetsbepaling die voorziet in een vijfjarige verjaring van de vordering tot terugbetaling van wedden die ten onrechte werden betaald door de gemeenten, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 18 mei 2011.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

M. Bossuyt.

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag betreffende artikel 114 van de wet van 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de federale Staat, gesteld door de Vrederechter van het kanton Maasmechelen. Openbare financiën

  • Rijkscomptabiliteit

  • Schuldvorderingen ten voordele van de Staat en de gemeenten

  • Schuldvorderingen tot terugbetaling van ten onrechte betaalde wedden

  • Verjaringstermijn

  • 1. Door de Staat betaalde wedden

  • Vijfjarige verjaring

  • 2. Door de gemeenten betaalde wedden

  • Tienjarige verjaring.