- Arrest van 18 mei 2011

18/05/2011 - 84/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

De prejudiciële vragen behoren niet tot de bevoegdheid van het Hof.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en R. Henneuse, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Snappe, P. Nihoul en F. Daoût, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging

Bij arrest van 22 juni 2010 in zake Mohamed Dahmane tegen de vzw « K. Racing Club Genk », waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 28 juni 2010, heeft het Arbeidshof te Antwerpen de volgende prejudiciële vragen gesteld :

« - Schendt artikel 4, lid 4, van de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat uit de toepassing ervan volgt dat de betaalde sportbeoefenaar die zijn voor bepaalde tijd gesloten arbeidsovereenkomst verbreekt vóór het verstrijken van de termijn ervan en wiens jaarloon meer dan 98.526,10 EUR bedraagt, in voorkomend geval een beëindigingsvergoeding dient te betalen die kan oplopen tot 36 maanden loon, daar waar de bediende die in dezelfde situatie verkeert maar die onder de toepassing valt van de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978 een beëindigingsvergoeding van maximaal 12 maanden loon dient te betalen ?

- Schendt artikel 4, lid 4, van de wet van 24 februari 1978 artikel 23 van de Grondwet en meer in het bijzonder het recht op vrije arbeid, doordat uit de toepassing ervan beëindigingsvergoedingen worden bepaald die kunnen oplopen tot 36 maanden loon ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. Artikel 4 van de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars bepaalt :

« De arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars voor een bepaalde tijd gesloten, moet schriftelijk worden gesteld in evenveel exemplaren als er belanghebbenden zijn ondertekend door elke partij. Een exemplaar dient aan de sportbeoefenaar ter hand gesteld te worden.

Is er geen geschrift dat beantwoordt aan de voorschriften van het voorgaande lid of is geen exemplaar ervan aan de sportbeoefenaar overhandigd, dan gelden voor deze overeenkomst de bepalingen van artikel 5.

De duur van de arbeidsovereenkomst mag niet meer dan vijf jaar bedragen. Zij zijn hernieuwbaar.

Werd de overeenkomst gesloten voor een bepaalde tijd dan heeft de benadeelde partij wegens het verbreken daar van zonder dringende reden voor het verstrijken van de termijn, recht op een vergoeding gelijk aan het bedrag van het tot het verstrijken van die termijn verschuldigd loon. Deze vergoeding mag echter niet meer belopen dan het dubbel van die bepaald in artikel 5, lid 2 ».

B.2. De verwijzende rechter wenst van het Hof te vernemen of het laatste lid van die bepaling de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet schendt doordat het tot gevolg heeft dat de vergoeding die een betaalde sportbeoefenaar bij het verbreken van een voor bepaalde tijd gesloten arbeidsovereenkomst aan zijn werkgever verschuldigd is, kan oplopen tot het bedrag van 36 maanden loon.

B.3. Artikel 4, vierde lid, van de wet van 24 februari 1978 beperkt zich ertoe te bepalen dat de vergoeding gelijk is aan het bedrag van het loon dat verschuldigd is tot het verstrijken van de termijn van de arbeidsovereenkomst, zonder dat zij evenwel meer kan bedragen dan het dubbel van de vergoeding bepaald in artikel 5, tweede lid, van dezelfde wet.

B.4. Artikel 5, tweede lid, van de wet van 24 februari 1978 bepaalt :

« Indien de overeenkomst voor onbepaalde tijd werd gesloten, is de partij die de overeenkomst verbreekt zonder dringende reden of zonder de bepalingen van het eerste lid van dit artikel in acht te nemen gehouden tot de betaling van een vergoeding waarvan het bedrag door de Koning zal worden bepaald op advies van het bevoegd Nationaal Paritair Comité. Bij ontstentenis van een koninklijk besluit is het bedrag van die vergoeding gelijk aan het lopende loon overeenstemmend met de nog verschuldigde lonen tot het einde van het sportseizoen met een minimum van 25 pct. van het jaarloon ».

B.5. Artikel 1 van het koninklijk besluit van 13 juli 2004 tot vaststelling van het bedrag van de vergoeding bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars bepaalt :

« Indien de overeenkomst voor onbepaalde tijd werd gesloten, is de partij die de overeenkomst verbreekt zonder dringende reden of zonder de bepalingen van het eerste lid van artikel 5 van de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars in acht te nemen, gehouden de andere partij een vergoeding te betalen gelijk aan het lopend loon en de voordelen verworven krachtens overeenkomst, overeenstemmend met :

1° indien het jaarlijks loon niet hoger is dan 15.106,00 euro :

- vier en een halve maand indien de overeenkomst wordt verbroken tijdens de eerste twee jaren na de aanvang van deze overeenkomst;

- drie maanden indien de overeenkomst wordt verbroken vanaf het derde jaar na de aanvang van deze overeenkomst;

2° indien het jaarlijks loon hoger is dan 15.106,00 euro zonder 24.631,52 euro te overschrijden :

- zes maanden indien de overeenkomst wordt verbroken tijdens de eerste twee jaren na de aanvang van deze overeenkomst;

- drie maanden indien de overeenkomst wordt verbroken vanaf het derde jaar na de aanvang van deze overeenkomst;

3° zes maanden indien het jaarlijks loon hoger is dan 24.631,52 euro zonder 32.842,03 euro te overschrijden;

4° twaalf maanden indien het jaarlijks loon hoger is dan 32.842,03 euro zonder 98.526,10 euro te overschrijden;

5° achttien maanden indien het jaarlijks loon 98.526,10 euro overschrijdt ».

B.6. Wanneer een wettelijke regeling verwijst naar de nadere uitwerking ervan in een uitvoeringsbesluit, dient te worden bepaald aan welk van beide normen het in het geding zijnde grondwettigheidsbezwaar kan worden toegeschreven.

B.7. De eerste prejudiciële vraag betreft het verschil in behandeling tussen betaalde sportbeoefenaars, op wie de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars van toepassing is, en de bedienden, voor wie de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten geldt.

Artikel 40, § 1, van de laatstgenoemde wet bepaalt :

« Is de overeenkomst voor bepaalde tijd of voor een duidelijk omschreven werk aangegaan, dan is de partij die de overeenkomst beëindigt zonder dringende reden vóór het verstrijken van de termijn, gehouden de andere partij een vergoeding te betalen, die gelijk is aan het bedrag van het loon dat verschuldigd is tot het bereiken van die termijn, zonder echter het dubbel te mogen overtreffen van het loon dat overeenstemt met de duur van de opzeggingstermijn, die in acht had moeten worden genomen, indien de overeenkomst zonder tijdsbepaling was gesloten ».

Artikel 82, § 3, derde lid, van dezelfde wet bepaalt :

« Indien de opzegging wordt gegeven door de bediende, mag de opzeggingstermijn niet langer zijn dan vier en een halve maand indien het jaarlijks loon hoger is dan 16 100 EUR zonder 32 200 EUR te overschrijden, noch langer dan zes maanden indien het jaarlijks loon 32 200 EUR overschrijdt ».

Uit die bepalingen volgt dat de vergoeding die een bediende bij het verbreken van een voor bepaalde tijd gesloten arbeidsovereenkomst aan zijn werkgever verschuldigd is, maximaal kan oplopen tot het bedrag van 12 maanden loon.

Uit de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars kan evenwel niet worden afgeleid dat de sportbeoefenaars op dat punt gunstiger of minder gunstig worden behandeld dan de bedienden onderworpen aan de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten. Die vaststelling vloeit enkel voort uit het voormelde koninklijk besluit van 13 juli 2004. Het in het geding zijnde verschil in behandeling dient derhalve aan dat koninklijk besluit te worden toegeschreven, waarvan de bestaanbaarheid met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door de verwijzende rechter zelf dient te worden beoordeeld.

Aan die vaststelling wordt geen afbreuk gedaan door het gegeven dat het vergelijkingspunt, meer bepaald de regeling voor bedienden, in een wetskrachtige norm is neergelegd. De verwijzende rechter is immers bevoegd om te oordelen of een koninklijk besluit, zonder objectieve en redelijke verantwoording, aan de sportbeoefenaars een voordeel ontzegt dat de wetgever aan een andere categorie van personen heeft toegekend.

Daaruit volgt dat niet het Hof, maar de verwijzende rechter zelf, bevoegd is om zich over het in het geding zijnde verschil in behandeling uit te spreken.

B.8. De tweede prejudiciële vraag betreft de verenigbaarheid van de in het geding zijnde bepaling met het recht op de vrije keuze van beroepsarbeid, zoals gewaarborgd bij artikel 23 van de Grondwet.

Aan het recht op de vrije keuze van beroepsarbeid kunnen beperkingen worden gesteld, op voorwaarde dat die redelijk zijn verantwoord en niet onevenredig zijn met het nagestreefde doel.

Aangezien de omvang van de vergoeding, die een doorslaggevend element is in de beoordeling van de evenredigheid van de beperking, enkel op grond van het koninklijk besluit van 13 juli 2004 kan worden vastgesteld en niet op grond van de in het geding zijnde wetsbepaling, is het Hof niet bevoegd om op de tweede prejudiciële vraag te antwoorden.

B.9. Met toepassing van artikel 159 van de Grondwet, komt het de verwijzende rechter toe de bepalingen van het koninklijk besluit buiten toepassing te laten in zoverre zij niet in overeenstemming zouden zijn met de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

De prejudiciële vragen behoren niet tot de bevoegdheid van het Hof.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 18 mei 2011.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

M. Bossuyt.

Vrije woorden

  • Prejudiciële vragen over artikel 4, vierde lid, van de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars, gesteld door het Arbeidshof te Antwerpen. Prejudiciële vraag

  • Onbevoegdheid van het Hof

  • Getoetste norm

  • Koninklijk besluit. # Sociaal recht

  • Arbeidsrecht

  • Arbeidsovereenkomsten

  • Verbreking van een voor bepaalde tijd gesloten overeenkomst

  • 1. Door een betaalde sportbeoefenaar

  • 2. Door een bediende

  • 3. Verbrekingsvergoeding

  • Omvang.