- Arrest van 18 mei 2011

18/05/2011 - 85/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey en P. Nihoul, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter R. Henneuse,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging

Bij arrest van 25 juni 2010 in zake de stad Bergen tegen Edouard Deschamps, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 5 juli 2010, heeft het Hof van Beroep te Bergen de volgende prejudiciële vragen gesteld :

« 1) Schenden de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met het beginsel van het geheim van de stemming dat ten grondslag ligt aan de aanneming van sommige administratieve besluiten door collegiale organen, en met artikel 100, vierde lid, van de Nieuwe Gemeentewet, in zoverre zij de collegiale bestuursorganen die ertoe gehouden zijn een besluit te nemen dat voortvloeit uit een geheime stemming, dezelfde verplichtingen inzake uitdrukkelijke motivering zouden opleggen als de individuele bestuursorganen of de collegiale organen die ertoe gemachtigd zijn een besluit te nemen op basis van besprekingen ?

2) Schenden de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met het beginsel van het geheim van de stemming dat ten grondslag ligt aan de aanneming van sommige administratieve besluiten door collegiale organen, en met artikel 100, vierde lid, van de Nieuwe Gemeentewet, in zoverre zij zouden vereisen dat een gemeenteraad die zich heeft moeten uitspreken op basis van een geheime stemming, in de hoofdtekst van de handeling als uitdrukkelijke motivering alle redenen aangeeft waarom hij, in het kader van een vergelijking van titels en verdiensten van kandidaten met een soortgelijk profiel, heeft gekozen voor een van de kandidaten en niet voor de anderen ?

3) Schenden de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met het beginsel van het geheim van de stemming dat ten grondslag ligt aan de aanneming van sommige administratieve besluiten door collegiale organen, en met artikel 100, vierde lid, van de Nieuwe Gemeentewet, in zoverre zij een besluit op grond van artikel 100, vierde lid, van de Nieuwe Gemeentewet genomen van de gemeenteraad, die na een vergelijking van de titels en verdiensten tussen twee kandidaten met een soortgelijk profiel, zich anders heeft uitgesproken dan na afloop van een vorige vergelijking van hun titels en verdiensten, op grond van een ontoereikende uitdrukkelijke motivering onregelmatig zouden maken om de enige reden dat de handeling niet uitdrukkelijk aangeeft welke motieven de gemeenteraad ertoe hebben gebracht van mening te veranderen ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1.1. De artikelen 1 tot 4 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen bepalen :

« Artikel 1. Voor de toepassing van deze wet moeten worden verstaan onder :

- Bestuurshandeling :

De eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur;

- Bestuur :

De administratieve overheden als bedoeld in artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

- Bestuurde :

Elke natuurlijke of rechtspersoon in zijn betrekkingen met het bestuur.

Art. 2. De bestuurshandelingen van de besturen bedoeld in artikel 1 moeten uitdrukkelijk worden gemotiveerd.

Art. 3. De opgelegde motivering moet in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. Zij moet afdoende zijn.

Art. 4. De bij deze wet voorgeschreven motiveringsplicht is niet van toepassing indien de motivering van de handeling :

1° de uitwendige veiligheid van de Staat in het gedrang kan brengen;

2° de openbare orde kan verstoren;

3° afbreuk kan doen aan de eerbied voor het privéleven;

4° afbreuk kan doen aan de bepalingen inzake de zwijgplicht ».

B.1.2. Artikel 100, vierde lid, van de Nieuwe Gemeentewet, dat in het Waalse Gewest artikel L1122-27 van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie is geworden, bepaalt :

« Er wordt enkel over voordrachten van kandidaten, benoemingen in betrekkingen, indisponibiliteitsstellingen, preventieve schorsingen in het belang van de dienst en tuchtstraffen bij geheime stemming beslist, bij volstrekte meerderheid van de stemmen ».

B.2. Uit de elementen van het geding en uit de motivering van de verwijzingsbeslissing blijkt dat het Hof wordt gevraagd of de artikelen 2 en 3 van de voormelde wet van 29 juli 1991 in strijd zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in die interpretatie dat zij vereisen dat een besluit dat een collegiaal orgaan met toepassing van artikel 100, vierde lid, van de Nieuwe Gemeentewet bij geheime stemming heeft genomen, de motieven moet aangeven waarom dat orgaan ertoe is gebracht, wanneer het zoals te dezen gaat om een akte van benoeming, een kandidaat boven een andere te verkiezen.

B.3.1. De voordelen van de uitdrukkelijke motivering worden in de parlementaire voorbereiding van de wet van 29 juli 1991 als volgt beschreven :

« De bestuurde wordt door de motivering niet alleen in kennis gesteld van de redenen die ten grondslag liggen aan de bestuurshandeling, maar hij krijgt bovendien de mogelijkheid om met kennis van zaken een gesprek aan te gaan met het bestuur dat de handeling heeft verricht ten einde de beslissing eventueel ' om te buigen '. In geval van beroep kan de verzoeker die de motivering van een bestreden handeling kent, beter zijn rechtsmiddelen voorbereiden. En tot slot is de motivering een waarborg dat de zaak op een ernstige en onpartijdige wijze zal worden onderzocht.

Voor het bestuur heeft de motivering tot gevolg dat de betrekkingen met de bestuurden vlotter verlopen en dat het zich meer op zijn overtuigingskracht dan op dwangmiddelen kan verlaten. De motivering vergemakkelijkt tevens de controle van de hogere of de toezichthoudende overheid op het ondergeschikte bestuur » (Parl. St., Senaat, B.Z. 1988, nr. 215-1, pp. 1 en 2).

In dezelfde parlementaire voorbereiding wordt, in de volgende bewoordingen, het doel van het wetsvoorstel uiteengezet :

« Het is de bedoeling van de indiener van dit wetsvoorstel om, door middel van een afzonderlijke wetgeving, in het Belgisch administratief bestel het algemene principe in te voeren van de uitdrukkelijke motiveringsplicht voor de bestuurshandelingen als tegenhanger van het fundamentele recht van de bestuurde om de gronden te kennen van de beslissing die op hem betrekking heeft » (ibid., p. 8).

B.3.2. Uit de parlementaire voorbereiding van de voormelde wet blijkt dat die verplichting van de uitdrukkelijke motivering, zoals de Raad van State herhaaldelijk in herinnering heeft gebracht, eveneens betrekking heeft op de besluiten die bij geheime stemming zijn genomen (ibid., nr. 215-3, pp. 21 en 22).

In het advies dat hij heeft uitgebracht over een wetsvoorstel dat ertoe strekte de voormelde wet van 29 juli 1991 te wijzigen, teneinde de bestuurshandelingen waarvan de aanneming krachtens de wet bij geheime stemming gebeurt, van het toepassingsgebied ervan uit te sluiten, wetsvoorstel dat niet is aangenomen, heeft de Raad van State eraan herinnerd :

« Het doel van een geheime stemming is immers de leden van het collegiaal orgaan te beschermen tegen iedere druk van binnenuit of van buitenaf ut singuli. Wat geheim gehouden moet blijven worden, is datgene wat ieder lid van het collegiaal orgaan ertoe gebracht heeft te stemmen zoals het heeft gestemd. Het lid moet dus niet zeggen waarom het zo gestemd heeft, maar dat neemt niet weg dat de beslissing die na de stemming is genomen gewettigd moet kunnen worden door motieven die blijken uit het administratief dossier (materiële motivering), die, wegens de verplichting tot uitdrukkelijke motivering, overgenomen moeten worden in de beslissing » (Parl. St., Kamer, 2002-2003, DOC 50-2336/002, p. 7).

B.4. De situatie van het collegiale orgaan dat ertoe is gehouden een besluit bij geheime stemming te nemen, met toepassing van artikel 100, vierde lid, van de Nieuwe Gemeentewet, verschilt, ten aanzien van de verplichting om de bestuurshandelingen te motiveren, in wezen niet van die van de individuele of collegiale organen van de administratieve overheden die besluiten nemen op basis van beraadslagingen die niet geheim zijn. Hoewel het juist is dat de geheime stemming zich verzet tegen de openbaarmaking van de persoonlijke standpunten van ieder lid van de gemeenteraad, is het niet met die vereiste onverenigbaar dat het door het collegiale orgaan zelf genomen besluit de motieven aangeeft die aan de basis ervan liggen. Immers, de uitdrukkelijke motivering van een individuele administratieve handeling bestaat in het aangeven, in de handeling, van de overwegingen in rechte en in feite die ten grondslag liggen aan het besluit, en niet in het naast elkaar plaatsen van de individuele standpunten van ieder lid van het collegiale orgaan. De wettelijke verplichting van de geheime stemming wordt niet verzwakt door de wettelijke verplichting om het aldus genomen collegiaal administratief besluit uitdrukkelijk te motiveren.

B.5. De veralgemening van de verplichting tot uitdrukkelijke motivering voor de administratieve overheden, ingesteld bij de wet van 29 juli 1991, is een recht van de bestuurde, aan wie aldus een bijkomende waarborg wordt geboden tegen bestuurshandelingen met individuele strekking die willekeurig zouden zijn.

Gelet op het met de wet van 29 juli 1991 nagestreefde doel vermeld in B.3.1 en B.3.2, kan niet worden aanvaard dat een persoon die zich kandidaat heeft gesteld voor een betrekking, geheel of gedeeltelijk wordt belet de motieven te kennen die aan de basis liggen van een hem betreffend besluit om de enige reden dat dat besluit bij geheime stemming is genomen. Hij bevindt zich immers in dezelfde situatie als die van iedere bestuurde die zich kandidaat heeft gesteld voor een benoeming.

B.6. De prejudiciële vragen dienen ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 18 mei 2011.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

R. Henneuse.

Vrije woorden

  • Prejudiciële vragen over de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, gesteld door het Hof van Beroep te Bergen. Bestuursrecht

  • Bestuurshandeling

  • Besluit bij geheime stemming door een collegiaal orgaan genomen

  • Uitdrukkelijke motiveringsplicht