- Arrest van 18 mei 2011

18/05/2011 - 87/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Artikel 82, tweede lid, van de faillissementswet van 8 augustus 1997 schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J. Spreutels en F. Daoût, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter R. Henneuse,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij vonnis van 17 juni 2010 in zake de nv « Fortis Bank » tegen V.B., waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 8 juli 2010, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Charleroi de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schenden de bepalingen van artikel 82, tweede lid, van de faillissementswet van 8 augustus 1997, zoals zij van kracht zijn sinds 28 augustus 2008, geïnterpreteerd in die zin dat de verschoonbaarheid van de gefailleerde de echtgenoot van de gefailleerde automatisch bevrijdt van de hoofdelijke verbintenissen die deze echtgenoot met de gefailleerde heeft aangegaan, zonder een onderscheid te maken tussen het vermogen van de echtgenoot zoals het vóór het vonnis van verschoonbaarheid bestond en het vermogen dat werd gevormd na het vonnis van verschoonbaarheid, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat zij een discriminatie creëren tussen :

a) enerzijds, de gefailleerde, die door het vonnis van faillietverklaring buiten het bezit is gesteld van zijn goederen en wiens goederen door de curator te gelde zijn gemaakt en, anderzijds, diens echtgenoot wiens eigen vermogen uit de failliete boedel wordt gehouden en die niet door de schuldeisers kan worden vervolgd terwijl dat eigen vermogen tot algemene waarborg strekt met toepassing van de artikelen 7 en 8 van de hypotheekwet;

b) enerzijds, de echtgenoot van de gefailleerde en, anderzijds, de andere natuurlijke personen die zich ertoe hebben verbonden de schuld van de gefailleerde af te lossen door een zakelijke zekerheid te verlenen of door zich persoonlijk zeker te stellen, doordat in het eerste geval niet in een bevrijding is voorzien en doordat in het tweede geval een bevrijding slechts kan worden toegekend onder de voorwaarden en volgens de vormvoorschriften van de artikelen 72bis en 72ter van de faillissementswet en met inachtneming van de procedure die is voorgeschreven bij artikel 80 van de faillissementswet, waarbij de schuldeiser behoorlijk wordt opgeroepen en gehoord ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1.1. Artikel 82, tweede lid, van de faillissementswet van 8 augustus 1997 bepaalt :

« De echtgenoot van de gefailleerde die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van zijn echtgenoot, of de voormalige echtgenoot die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld die zijn voormalige echtenoot tijdens de duur van het huwelijk was aangegaan, wordt ingevolge de verschoonbaarheid van die verplichting bevrijd ».

B.1.2. De prejudiciële vraag heeft betrekking op de bestaanbaarheid met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet van het voormelde artikel 82, tweede lid, geïnterpreteerd in die zin dat het de echtgenoot van een verschoonbaar verklaarde gefailleerde automatisch bevrijdt van de hoofdelijke verbintenissen die beiden hebben aangegaan en in die zin dat het op die manier het vermogen van de eerstgenoemde veiligstelt, ongeacht of dat vermogen vóór of na het vonnis van verschoonbaarheid is gevormd : de echtgenoot zou aldus anders worden behandeld dan, enerzijds, de gefailleerde wiens goederen te gelde zijn gemaakt nadat hij door het vonnis van faillietverklaring buiten het bezit ervan is gesteld en, anderzijds, de andere natuurlijke personen die, doordat zij zich ertoe hebben verbonden de schulden van de gefailleerde af te lossen, een zakelijke zekerheid hebben verleend en geen bevrijding kunnen verkrijgen, of een persoonlijke zekerheid en dan enkel overeenkomstig de artikelen 72bis, 72ter en 80 van de wet van 8 augustus 1997 een bevrijding kunnen verkrijgen.

B.2. Uit het dossier van de rechtspleging in het bodemgeschil blijkt dat de verschoonbaar verklaarde gefailleerde en zijn echtgenoot gehuwd zijn onder het stelsel van tot de aanwinsten beperkte gemeenschap en dat de verbintenis die de echtgenoot heeft aangegaan, een lening waarborgde die aan de echtgenoten werd toegekend ten behoeve van het handelsbedrijf van de verschoonbaar verklaarde gefailleerde. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die hypothese.

B.3.1. De Ministerraad voert aan dat de prejudiciële vraag geen antwoord behoeft in zoverre zij betrekking heeft op het verschil in behandeling tussen de gefailleerde en zijn echtgenoot; hij doet gelden dat de vraag niet pertinent zou zijn, daar het krachtens artikel 98 van de wet van 8 augustus 1997 is - dat niet door de prejudiciële vraag wordt beoogd en dat voorafgaat aan de in het geding zijnde bepaling - dat het eigen vermogen van de echtgenoot van de gefailleerde, die samen met die laatste hoofdelijk aansprakelijk is, afgeschermd is tegen de schuldeisers.

De eisende partij voor de verwijzende rechter voert aan dat artikel 82, tweede lid, niet van toepassing is op de echtgenoot van de verschoonbaar verklaarde gefailleerde wanneer de echtgenoot, net zoals de gefailleerde, in hoofdzaak is gecrediteerd en daardoor houder is van een eigen verbintenis.

B.3.2. Het staat aan de verwijzende rechter de bepalingen vast te stellen die op het aan hem voorgelegde geschil van toepassing zijn; de partijen zijn niet gemachtigd om die keuze ter discussie te stellen voor het Hof. Het Hof zou zich overigens enkel van een antwoord op de gestelde vraag kunnen onthouden indien het antwoord op die vraag klaarblijkelijk niet nuttig zou zijn voor de oplossing van dat geschil.

B.3.3. Aangezien de prejudiciële vraag verwijst naar het automatisch gevolg van de verschoonbaarheid van de gefailleerde voor de situatie van de echtgenoot van de gefailleerde, die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van die laatste, en aangezien die kwestie wordt geregeld door de bepaling die de verwijzende rechter ter toetsing aan het hof voorlegt, kan het bezwaar van de Ministerraad niet worden aangenomen.

Aangezien de in het geding zijnde bepaling geen onderscheid creëert naar gelang van de aard van de door de echtgenoot aangegane verbintenis en de verwijzende rechter niet verwijst naar een situatie waarin die echtgenoot persoonlijk aansprakelijk zou zijn voor een andere schuld dan die van zijn echtgenoot, die door de in het geding zijnde bepaling wordt beoogd, kan het bezwaar van de eisende partij voor de verwijzende rechter evenmin worden aangenomen.

B.4. De in het geding zijnde bepaling maakt deel uit van de faillissementswetgeving die in essentie ertoe strekt een billijk evenwicht tot stand te brengen tussen de belangen van de schuldenaar en de belangen van de schuldeisers.

De verklaring van verschoonbaarheid vormt voor de gefailleerde een gunstmaatregel die hem in staat stelt zijn activiteiten op een aangezuiverde basis te hervatten, en zulks niet alleen in zijn belang maar ook in het belang van zijn schuldeisers of sommigen onder hen die belang erbij kunnen hebben dat hun schuldenaar zijn activiteiten op een dergelijke basis hervat, waarbij het voortzetten van een handels- of industriële activiteit bovendien het algemeen belang kan dienen (Parl. St., Kamer, 1991-1992, nr. 631/1, pp. 35 en 36).

De wetgever, die van oordeel is dat « de mogelijkheid tot herstel [...] utopisch [blijft] indien [de gefailleerde] de last van het passief moet blijven dragen », heeft gemeend dat « het [...] immers niet te verantwoorden [is] dat het in gebreke blijven van de schuldenaar als gevolg van omstandigheden waarvan hij het slachtoffer is, hem verhindert andere activiteiten te verrichten » (Parl. St., Kamer, 1991-1992, nr. 631/13, p. 50).

Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever « op een evenwichtige wijze rekening [heeft willen] houden met de gecombineerde belangen van de gefailleerde zelf, van de schuldeisers, de werknemers en de economie in zijn geheel » en voor een menselijke regeling heeft willen zorgen die de rechten van alle betrokken partijen in acht neemt (Parl. St., Kamer, 1991-1992, nr. 631/13, p. 29).

B.5. Bij zijn arrest nr. 69/2002 van 28 maart 2002 heeft het Hof geoordeeld dat artikel 82 van de faillissementswet, zoals van toepassing vóór het werd vervangen bij artikel 29 van de wet van 4 september 2002 « tot wijziging van de faillissementswet van 8 augustus 1997, het Gerechtelijk Wetboek en het Wetboek van vennootschappen », niet bestaanbaar was met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het op geen enkele wijze een rechter toestond de echtgenoot van de verschoonbaar verklaarde gefailleerde van zijn verbintenis te bevrijden.

B.6.1. Ingevolge dat arrest heeft de wetgever, bij de wet van 4 september 2002, in artikel 82 van de faillissementswet een tweede lid ingevoegd, volgens hetwelk de echtgenoot van de gefailleerde « die zich persoonlijk aansprakelijk heeft gesteld » voor de schuld van de gefailleerde, ingevolge de verschoonbaarheid wordt bevrijd van die verplichting.

B.6.2. Het Hof heeft geoordeeld dat die bepaling onverenigbaar was met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie in zoverre de echtgenoot die krachtens een fiscale bepaling gehouden is tot een belastingschuld met de gefailleerde, door de verschoonbaarverklaring niet kon worden bevrijd van de verplichting tot betaling van die schuld (arrest nr. 78/2004 van 12 mei 2004 en arrest nr. 6/2005 van 12 januari 2005). Om hieraan tegemoet te komen bepaalde artikel 82, tweede lid, van de faillissementswet, zoals vervangen bij artikel 2 van de wet van 2 februari 2005 tot wijziging van artikel 82, tweede lid, van de faillissementswet van 8 augustus 1997, dat de echtgenoot van de gefailleerde die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van deze laatste, ingevolge de verschoonbaarheid bevrijd wordt van die verplichting.

B.7. Artikel 82, tweede lid, bevrijdt de echtgenoot en de voormalige echtgenoot van een verschoonbaar verklaarde gefailleerde, die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van de gefailleerde, van die verplichting.

Het Hof dient te onderzoeken of die maatregel een discriminatie inhoudt ten aanzien van de verschoonbaar verklaarde gefailleerde en de personen die zich ertoe hebben verbonden de schulden van de gefailleerde te betalen door het vormen van een zakelijke of persoonlijke zekerheid.

Daarbij dient rekening te worden gehouden, enerzijds, met de economische en sociale doelstellingen van de in het geding zijnde maatregel en, anderzijds, met de ter zake geldende beginselen van het burgerlijk vermogensrecht volgens welke « alle overeenkomsten die wettig zijn aangegaan [...] degenen die deze hebben aangegaan, tot wet [strekken] » (artikel 1134, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek) en « ieder die persoonlijk verbonden is, [...] gehouden [is] zijn verbintenissen na te komen, onder verband van al zijn goederen, hetzij roerende, hetzij onroerende, zo tegenwoordige als toekomstige » (artikel 7 van de hypotheekwet van 16 december 1851).

B.8. Aan de gefailleerde wordt, via het mechanisme van verschoonbaarheid, de mogelijkheid geboden om, krachtens artikel 82, eerste lid, van de wet van 8 augustus 1997, te ontsnappen aan vervolging door de schuldeisers. Die gunst, die krachtens de in het geding zijnde bepaling de echtgenoot tot voordeel is, heeft echter niet tot strekking, noch tot doel het faillissement of de andere gevolgen ervan op losse schroeven te zetten. Aangezien de buitenbezitstelling en de tegeldemaking van de goederen van de gefailleerde deel uitmaken van die gevolgen, bevinden de gefailleerde en zijn echtgenoot zich - ongeacht of het vermogen van die laatste dat van vóór of na de verschoonbaarverklaring is -, gelet op de hoedanigheid van handelaar van de gefailleerde, in wezenlijk verschillende situaties die het eerste aspect van het in B.1.2 uiteengezette verschil in behandeling verantwoorden.

B.9. De uitbreiding van de gevolgen van de verschoonbaarheid tot de echtgenoot die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van de gefailleerde, werd ingevoerd, niet om discriminatie te vermijden op het vlak van de solidariteit die uit het huwelijk is ontstaan, maar omdat, in geval van gemeenschap van goederen, de inkomsten van de gefailleerde uit een nieuwe beroepsactiviteit in het gemeenschappelijke vermogen terechtkomen (artikel 1405, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek). Vervolgingen op de goederen van de echtgenoot - ongeacht of het gaat om de goederen die hij bezit op het ogenblik van het vonnis over de verschoonbaarheid, dan wel om de goederen die hij daarna heeft verworven -, ingesteld door de schuldeisers van de gefailleerde, zouden de inkomsten van de gefailleerde uit zijn nieuwe activiteiten kunnen raken, wat strijdig zou zijn met het nagestreefde doel.

Zulk een risico dient niet in aanmerking te worden genomen met betrekking tot de personen, andere dan de echtgenoot, die een zakelijke of persoonlijke zekerheid hebben verleend; die personen hebben overigens, alvorens die zekerheid te verlenen, over een beoordelingsvrijheid kunnen beschikken waarover de echtgenoot wiens verbintenis een voorwaarde is voor de toekenning van een door zijn echtgenoot aangevraagde lening niet in dezelfde mate beschikt. Het verschil in behandeling is bijgevolg, wat het in B.1.2 vermelde tweede aspect ervan betreft, niet zonder verantwoording.

B.10. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 82, tweede lid, van de faillissementswet van 8 augustus 1997 schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 18 mei 2011.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

R. Henneuse.

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag betreffende artikel 82, tweede lid, van de faillissementswet van 8 augustus 1997, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Charleroi. Handelsrecht

  • Faillissement

  • Verschoonbaarheid

  • Echtgenoot of ex-echtgenoot die zich persoonlijk aansprakelijk stelt voor de schuld van de gefailleerde.