- Arrest van 18 mei 2011

18/05/2011 - 88/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Artikel 106, § 2, van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 17 juli 1991, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het bepaalt dat het onverschuldigde bedrag gedurende dertig jaar kan worden teruggevorderd.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey en F. Daoût, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter R. Henneuse,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij vonnis van 8 september 2010 in zake de Franse Gemeenschap tegen Anne-Marie Lecomte, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 17 september 2010, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Charleroi de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 106, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit het bepaalde in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en de beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie in zoverre het de Franse Gemeenschap, in geval van onverschuldigde betaling, in staat stelt de verjaring van de terugvordering met een aangetekend schrijven te stuiten en de vijfjarige verjaring in een dertigjarige verjaring om te zetten, terwijl de terugvordering van de werkgever uit de privésector onderworpen is aan de vijfjarige verjaring ingesteld bij artikel 15 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, die verjaring niet met een aangetekend schrijven kan worden gestuit en niet in een dertigjarige verjaring kan worden omgezet, en alle persoonlijke vorderingen onderworpen zijn aan een tienjarige verjaring ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1.1. De prejudiciële vraag betreft artikel 106, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit; artikel 106, §§ 1 en 2, bepaalt :

« § 1. Inzake wedden, voorschotten daarop en vergoeding of uitkeringen, die een toebehoren van de wedden vormen of ermede gelijkstaan, zijn de door de Staat ten onrechte uitbetaalde sommen voorgoed vervallen aan hen die ze hebben ontvangen, als de terugbetaling daarvan niet gevraagd is binnen een termijn van vijf jaar te rekenen van de eerste januari van het jaar van de betaling.

De in het eerste lid vastgestelde termijn wordt tot dertig jaar opgevoerd, wanneer de onverschuldigde sommen zijn verkregen door bedrieglijke handelingen dan wel door valse of bewust onvolledige verklaringen.

§ 2. Om geldig te zijn moet deze aanvraag tot terugbetaling ter kennis van de schuldenaar gebracht worden bij een ter post aangetekend schrijven met vermelding van :

1° het totale bedrag van de teruggevraagde som met, per jaar de opgave van de ten onrechte uitgevoerde betalingen;

2° de bepalingen in strijd waarmede de betalingen zijn gedaan.

Te rekenen vanaf de aangifte van de aangetekende brief kan het onverschuldigde bedrag gedurende dertig jaar worden teruggevorderd ».

B.1.2. Die bepalingen zijn ontstaan uit artikel 7, §§ 1 en 2, van de wet van 6 februari 1970 betreffende de verjaring van schuldvorderingen ten laste van of ten voordele van de Staat en de provinciën, gewijzigd bij artikel 61, 1°, van de wet van 24 december 1976 betreffende de budgettaire voorstellen 1976-1977. Zij komen voortaan voor in artikel 114 van de wet van 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de federale Staat. Zij zijn ook vermeld in artikel 16 van de wet van 16 mei 2003 tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof.

B.1.3. Uit het vonnis waarbij de zaak bij het Hof aanhangig is gemaakt, blijkt dat het geding voor de verwijzende rechter een door de Franse Gemeenschap ingestelde vordering betreft waarbij die partij de veroordeling van een gepensioneerde leerkracht vordert tot terugbetaling van ten onrechte uitbetaalde weddetoelagen.

B.2. De verwijzende rechter vraagt aan het Hof of de in het geding zijnde bepaling bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij een verschil in behandeling zou instellen tussen de personeelsleden die de bij de in het geding zijnde bepaling bedoelde sommen verschuldigd zijn en de bij artikel 15 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten bedoelde werknemers uit de privésector : de rechtsvordering tot terugvordering van het onverschuldigde bedrag verjaart in de beide gevallen na vijf jaar maar in het eerste geval alleen kan de verjaring worden gestuit door het versturen van een aangetekend schrijven dat tot gevolg heeft dat de verjaringstermijn op dertig jaar wordt gebracht.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de prejudiciële vraag

B.3.1. De Franse Gemeenschapsregering voert aan dat de prejudiciële vraag onontvankelijk is in zoverre zij het Hof niet in staat stelt het aan zijn toetsing onderworpen verschil in behandeling te bepalen omdat zij niet verwijst naar een categorie van personen waarmee diegenen zouden kunnen worden vergeleken op wie de in het geding zijnde bepaling van toepassing is.

B.3.2. Alhoewel de prejudiciële vraag niet uitdrukkelijk gewag maakt van de categorieën van personen onder wie een verschil in behandeling zou worden ingesteld, blijkt zowel uit de motivering van het vonnis waarbij de vraag wordt gesteld als uit de formulering van die vraag, dat de verwijzende rechter aan het Hof het verschil in behandeling voorlegt dat voortvloeit uit de toepassing van de onderscheiden verjaringstermijnen van de in het geding zijnde bepaling en van artikel 15 van de voormelde wet van 3 juli 1978.

B.3.3. De Franse Gemeenschapsregering voert aan dat de prejudiciële vraag ook onontvankelijk is in zoverre zij uitgaat van een interpretatie volgens welke artikel 15 van de wet van 3 juli 1978 van toepassing is op de rechtsvordering tot terugvordering van lonen die onrechtmatig aan de werknemer werden uitbetaald na het eindigen van de arbeidsovereenkomst, terwijl die bepaling slechts van toepassing is op de rechtsvorderingen « die uit een arbeidsovereenkomst ontstaan »; zij doet gelden dat het Hof van Cassatie heeft beslist dat de rechtsvordering tot terugvordering van sommen die onrechtmatig aan een werknemer werden uitbetaald na het eindigen van de overeenkomst, geen rechtsvordering is die, in de zin van die bepaling, uit die overeenkomst ontstaat (Cass., 18 december 2006, Arr. Cass., 2006, nr. 658).

B.3.4. Artikel 15 van de wet van 3 juli 1978 bepaalt :

« De rechtsvorderingen die uit de overeenkomst ontstaan, verjaren één jaar na het eindigen van deze overeenkomst of vijf jaar na het feit waaruit de vordering is ontstaan, zonder dat deze termijn één jaar na het eindigen van deze overeenkomst mag overschrijden.

In geval van toepassing van artikel 39bis verjaart de rechtsvordering die uit de niet-betaling van de opzeggingsvergoeding ontstaat, één jaar na de laatste effectieve maandelijkse betaling door de werkgever ».

B.3.5. De door de Franse Gemeenschapsregering aangevoerde exceptie van onontvankelijkheid is gegrond op een kritiek van de interpretatie van de verwijzende rechter van een bepaling waarmee hij rekening houdt om een vraag te stellen aan het Hof. Het komt de partijen niet toe een dergelijke interpretatie te wijzigen.

Ten gronde

B.4. Artikel 15 van de voormelde wet van 3 juli 1978 stelt de verjaringstermijn vast op vijf jaar, te rekenen vanaf de feiten die aanleiding geven tot de vordering. De wetgever was evenwel van oordeel dat het niet opportuun was de werknemer en de werkgever bloot te stellen « aan gedingen die een aanvang zouden kunnen nemen vele jaren nadat de uitvoering van de overeenkomst een einde heeft genomen » (Pasin., 1900, p. 95; Parl. St., Kamer, 1953, nr. 543, p. 7; Parl. St., Senaat, 1953-1954, nr. 170, p. 12). Hij heeft daarom een tweede termijn vastgesteld, die één jaar na het eindigen van de overeenkomst afloopt.

B.5.1. Zelfs indien het door de essentiële verschillen tussen beide in B.2 vermelde categorieën van werknemers verantwoord is dat zij aan verschillende systemen kunnen worden onderworpen, bevinden zij zich niettemin in vergelijkbare situaties. In beide gevallen worden ten onrechte betaalde wedden teruggevorderd van de betrokken werknemers.

B.5.2. In haar memorie doet de Franse Gemeenschapsregering gelden dat de in het geding zijnde bepaling geen verschil in behandeling instelt tussen de Staat, de gemeenschap of het gewest en de privéwerkgever, aangezien zowel de ene als de andere, in geval van stuiting van de verjaring, een rechtsvordering kunnen instellen binnen een onbeperkte termijn, dat de dagvaarding de verjaring stuit en dat de beslissing waarbij uitspraak zou worden gedaan over die vordering, zelf een nieuwe verjaringstermijn opent zodat de termijn waaraan de vordering is onderworpen zonder weerslag zou zijn.

B.5.3. Hoewel de dagvaarding voor het gerecht de verjaring stuit en een rechterlijke beslissing een verjaringstermijn kan openen, blijft het feit dat de vordering de verjaring slechts zal kunnen stuiten en slechts ontvankelijk zal zijn indien zij wordt ingesteld binnen de termijnen die daartoe zijn bepaald. De in het geding zijnde bepaling en artikel 15 van de wet van 3 juli 1978 voorzien weliswaar in een termijn van vijf jaar. In het eerste geval betreft het de termijn die in de loop waarvan de op basis van artikel 15 van de wet van 3 april 1978 uitgeoefende vordering tot terugvordering van het onverschuldigde bedrag moet worden ingesteld. In het tweede geval gaat het evenwel om de termijn waarbinnen de in de in het geding zijnde bepaling bedoelde verzending van het aangetekend schrijven een termijn van dertig jaar opent om de vordering tot terugvordering van het onverschuldigde bedrag uit te oefenen, zodat de personen op wie die twee bepalingen van toepassing zijn, verschillend worden behandeld.

B.6. Hoewel het wenselijk kan voorkomen dat de verjaringstermijnen inzake rechtsvorderingen tot terugvordering van het onverschuldigde bedrag zoveel als mogelijk worden geharmoniseerd, zou van discriminatie slechts sprake kunnen zijn indien het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die verschillende verjaringstermijnen, gepaard zou gaan met een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken partijen.

B.7. De parlementaire voorbereiding van de wet van 6 februari 1970, waaruit de in het geding zijnde bepaling is voortgekomen, geeft aan dat de dertigjarige verjaring waarin die wet voorziet, werd ingevoerd om de ambtenaren die schuldenaar zouden zijn van onverschuldigde sommen, het risico van een beslaglegging te besparen :

« Door voor de terugvordering van het onverschuldigd betaalde een termijn te bepalen die door hernieuwing kan opgevoerd worden tot dertig jaar te rekenen vanaf de datum van afgifte van het aangetekende schrijven, waarbij de terugbetaling wordt gevraagd, is ook het draconische karakter verholpen van de huidige bepalingen ten opzichte van de schuldenaars die zich niet, ook zelfs niet op afkorting, van hun schuld kunnen kwijten, vóór het verstrijken van de vervaltermijn van vijf jaar, en die daardoor het risico van een beslaglegging liepen » (Parl. St., Kamer, 1964-1965, nr. 971/1, p. 9).

De in het oorspronkelijke ontwerp (ibid., p. 17) vervatte verplichting om de terugvordering om de vijf jaar te hernieuwen, werd vervolgens opgeheven om te vermijden de taak van het Bestuur te bezwaren (ibid., 1966-1967, nr. 408/5, p. 12).

B.8.1. De vijfjarige verjaring waarin is voorzien bij de in het geding zijnde bepaling is die welke op algemene wijze van toepassing is op de rechtsvorderingen tot terugvordering van het niet-verschuldigde. De dertigjarige verjaring waarin is voorzien bij dezelfde bepaling stemde overeen met de gemeenrechtelijke verjaring zoals die gold toen die bepaling werd aangenomen.

B.8.2. Terwijl de dertigjarige verjaring evenwel een regel van residuële aard is geworden, veeleer dan de wettelijke uitdrukking van wat het algemeen belang vereist, bepaalt het nieuwe artikel 2262bis, § 1, van het Burgerlijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring, dat de persoonlijke rechtsvorderingen verjaren door verloop van tien jaar, met uitzondering van de rechtsvorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid, die verjaren door verloop van vijf jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon, waarbij die vorderingen in ieder geval verjaren door verloop van twintig jaar vanaf de dag volgend op die waarop het feit waardoor de schade is veroorzaakt, zich heeft voorgedaan.

B.8.3. Bovendien hebben artikel 114 van de wet van 23 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de federale Staat en artikel 16 van de wet van 16 mei 2003 « tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof », het voormelde artikel 7 van de wet van 6 februari 1970 gewijzigd om de termijn gedurende welke het onverschuldigde bedrag kan worden teruggevorderd na het versturen van de in die bepaling bedoelde aangetekende brief, te verkorten van dertig tot tien jaar.

B.8.4. Die evolutie maakt het niet langer mogelijk het in het geding zijnde verschil in behandeling te verantwoorden : door toe te laten gedurende dertig jaar van een openbaar ambtenaar wedden terug te vorderen die hem, zoals te dezen, per vergissing werden uitbetaald, terwijl een contractueel werknemer na vijf, en zelfs na één jaar, ontsnapt aan elke vraag tot terugbetaling, heeft de wetgever, ten aanzien van de eerste, een maatregel genomen die niet redelijkerwijs verantwoord is.

B.8.5. De in artikel 15 van de wet van 3 april 1978 bepaalde termijn van vijf jaar kan weliswaar worden verlengd via verjaringstuitende handelingen zoals de dagvaarding voor het gerecht, het bevel tot betaling of het beslag, zodat het niet-verschuldigde kan worden teruggevorderd na de termijn waarin die bepaling voorziet. Dergelijke handelingen zijn echter heel wat zwaardere formaliteiten dan het verzenden van een eenvoudige aangetekende brief waarin de in het geding zijnde bepaling voorziet, en de verlenging van de verjaringstermijn is afhankelijk van de herhaalde hernieuwing van die stuitende handelingen.

B.9. De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 106, § 2, van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 17 juli 1991, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het bepaalt dat het onverschuldigde bedrag gedurende dertig jaar kan worden teruggevorderd.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 18 mei 2011.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

R. Henneuse.

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag betreffende artikel 106, § 2, van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 17 juli 1991, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Charleroi. Openbare financiën

  • Rijkscomptabiliteit

  • Schuldvordering ten voordele van de Staat, de gemeenschappen en de gewesten

  • Wedden die door de gemeenschap ten onrechte werden betaald

  • Terugvordering van ten onrechte betaalde bedragen

  • Verjaringstermijn.