- Arrest van 18 mei 2011

18/05/2011 - 76/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

- Artikel 7, § 1, van de wet van 6 februari 1970 betreffende de verjaring van schuldvorderingen ten laste of ten voordele van de Staat en de provinciën, dat artikel 106, § 1, van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 17 juli 1991, vormt, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

- De ontstentenis van een wetsbepaling die voorziet in een vijfjarige verjaring van de vordering tot terugbetaling van wedden die ten onrechte werden betaald door de gemeenten of door de meergemeentelijke politiezones, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en R. Henneuse, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey en F. Daoût, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging

1. Bij vonnis van 17 mei 2010 in zake de politiezone Deinze-Zulte tegen Mario Verzele, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 4 juni 2010, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Gent de volgende prejudiciële vragen gesteld :

« Schendt artikel 7, § 1, van de wet van 6 februari 1970 betreffende de verjaring van schuldvorderingen ten laste of ten voordele van de Staat en de provinciën de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet, doordat die bepaling erin voorziet dat ` inzake wedden, voorschotten daarop en vergoedingen of uitkeringen die een toebehoren van de wedden vormen of ermede gelijkstaan (...) de door de Staat ten onrechte uitbetaalde sommen voorgoed vervallen zijn aan hen die ze hebben ontvangen, als de terugbetaling daarvan niet gevraagd werd binnen een termijn van vijf jaar te rekenen van de eerste januari van het jaar van de betaling', terwijl de voorgeschreven verjaring niet van toepassing is op bedragen van dezelfde aard die betaald worden door een meergemeentelijke politiezone, welke slechts voorgoed vervallen aan hen die ze hebben ontvangen door het verstrijken van de gemeenrechtelijke verjaringstermijn inzake persoonlijke vorderingen (art. 2262bis, § 1 B.W.) ?

En indien een schending van het gelijkheidsbeginsel wordt weerhouden : schendt artikel 7, § 1, van de wet van 6 februari 1970 de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet aangezien volgens artikel 7, § 1, van de wet op de Rijkscomptabiliteit de verjaringstermijn ingaat op de eerste januari van het jaar van de betaling, daar waar ter zake het onverschuldigd karakter van de betaalde voorschotten slechts na geruime tijd is komen vast te staan ? ».

2. Bij vonnis van 17 mei 2010 in zake de stad Deinze tegen Mario Verzele, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 4 juni 2010, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Gent de volgende prejudiciële vragen gesteld :

« Schendt artikel 7, § 1, van de wet van 6 februari 1970 betreffende de verjaring van schuldvorderingen ten laste of ten voordele van de Staat en de provinciën de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet, doordat die bepaling erin voorziet dat ` inzake wedden, voorschotten daarop en vergoedingen of uitkeringen die een toebehoren van de wedden vormen of ermede gelijkstaan (...) de door de Staat ten onrechte uitbetaalde sommen voorgoed vervallen zijn aan hen die ze hebben ontvangen, als de terugbetaling daarvan niet gevraagd werd binnen een termijn van vijf jaar te rekenen van de eerste januari van het jaar van de betaling `, terwijl de voorgeschreven verjaring niet van toepassing is op bedragen van dezelfde aard die betaald worden door de gemeente, welke slechts voorgoed vervallen aan hen die ze hebben ontvangen door het verstrijken van de gemeenrechtelijke verjaringstermijn inzake persoonlijke vorderingen (art. 2262bis, § 1 B.W.) ?

En indien een schending van het gelijkheidsbeginsel wordt weerhouden : schendt artikel 7, § 1, van de wet van 6 februari 1970 de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet aangezien volgens artikel 7, § 1, van de wet op de Rijkscomptabiliteit de verjaringstermijn ingaat op de eerste januari van het jaar van de betaling, daar waar ter zake het onverschuldigd karakter van de betaalde voorschotten slechts na geruime tijd is komen vast te staan ? ».

Die zaken, ingeschreven onder de nummers 4950 en 4951 van de rol van het Hof, werden samengevoegd.

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. Artikel 7, § 1, van de wet van 6 februari 1970 betreffende de verjaring van schuldvorderingen ten laste of ten voordele van de Staat en de provinciën vormt artikel 106, § 1, van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 17 juli 1991, dat bepaalt :

« Inzake wedden, voorschotten daarop en vergoedingen of uitkeringen, die een toebehoren van de wedden vormen of ermede gelijkstaan, zijn de door de Staat ten onrechte uitbetaalde sommen voorgoed vervallen aan hen die ze hebben ontvangen, als de terugbetaling daarvan niet gevraagd werd binnen een termijn van vijf jaar te rekenen van de eerste januari van het jaar van de betaling.

De in het eerste lid vastgestelde termijn wordt tot dertig jaar opgevoerd, wanneer de onverschuldigde sommen werden verkregen door bedrieglijke handelingen of door valse of welbewust onvolledige verklaringen ».

Die bepaling is thans opgenomen in artikel 114 van de wet van 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de federale Staat. Zij is tevens terug te vinden, wat de gemeenschappen en de gewesten betreft, in artikel 16 van de wet van 16 mei 2003 tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof.

B.2. Vóór de inwerkingtreding van de wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring bedroeg de gemeenrechtelijke verjaringstermijn dertig jaar. Het nieuwe artikel 2262bis, § 1, van het Burgerlijk Wetboek, ingevoegd door voormelde wet, bepaalt dat de persoonlijke rechtsvorderingen verjaren door verloop van tien jaar, met uitzondering van de rechtsvorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid, die verjaren door verloop van vijf jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon, waarbij die vorderingen in ieder geval verjaren door verloop van twintig jaar vanaf de dag volgend op die waarop het feit waardoor de schade is veroorzaakt, zich heeft voorgedaan. Wanneer de rechtsvordering vóór de inwerkingtreding van de wet van 10 juni 1998 is ontstaan, bepaalt artikel 10 van die wet bij wijze van overgangsmaatregel dat de nieuwe verjaringstermijnen waarin zij voorziet pas lopen vanaf haar inwerkingtreding.

B.3. Aangezien voor de meergemeentelijke politiezones en de gemeenten in geen bijzondere verjaringstermijn is voorzien wat betreft hun vorderingen tot terugbetaling van ten onrechte uitbetaalde wedden, voorschotten daarop en vergoedingen, toelagen of uitkeringen, die een toebehoren van de wedden vormen of ermee gelijkstaan, verjaren die vorderingen te hunnen aanzien overeenkomstig de gemeenrechtelijke bepalingen na tien jaar, terwijl soortgelijke vorderingen van de Staat overeenkomstig het in het geding zijnde artikel 7, § 1, na vijf jaar verjaren.

B.4. In het arrest nr. 35/2002 van 13 februari 2002 heeft het Hof geoordeeld :

« B.1. Artikel 7, § 1, van de wet van 6 februari 1970 betreffende de verjaring van schuldvorderingen ten laste of ten voordele van de Staat en de provinciën vormt thans artikel 106, § 1, van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 17 juli 1991, dat bepaalt :

' Inzake wedden, voorschotten daarop en vergoedingen of uitkeringen, die een toebehoren van de wedden vormen of ermede gelijkstaan, zijn de door de Staat ten onrechte uitbetaalde sommen voorgoed vervallen aan hen die ze hebben ontvangen, als de terugbetaling daarvan niet gevraagd werd binnen een termijn van vijf jaar te rekenen van de eerste januari van het jaar van de betaling.

De in het eerste lid vastgestelde termijn wordt tot dertig jaar opgevoerd, wanneer de onverschuldigde sommen werden verkregen door bedrieglijke handelingen of door valse of welbewust onvolledige verklaringen '.

Krachtens artikel 71, § 1, van de bijzondere financieringswet van 16 januari 1989 is die bepaling van overeenkomstige toepassing op de gemeenschappen en de gewesten. Aangezien voor de gemeenten daarentegen in geen enkele verjaringstermijn is voorzien, verjaren hun schuldvorderingen na dertig jaar, krachtens artikel 2262 van het Burgerlijk Wetboek.

B.2. Daaruit volgt dat de terugvordering van bedragen die een gemeenteambtenaar ten onrechte heeft ontvangen verjaart na dertig jaar, terwijl de terugvordering van bedragen die ten onrechte zijn ontvangen door een ambtenaar van de Staat, een gemeenschap, een gewest of een provincie, na een periode van vijf jaar verjaart.

B.3. In tegenstelling tot wat de Ministerraad stelt, bevinden de ambtenaren van de Staat of een provincie en de gemeenteambtenaren van wie ten onrechte betaalde wedden teruggevorderd worden zich in vergelijkbare situaties. Alhoewel de comptabiliteit van de gemeenten niet is onderworpen aan de controle van het Rekenhof, heeft dat verschil geen invloed op de situatie van hun ambtenaren.

B.4. Het Hof dient in de huidige zaak niet te onderzoeken of het verantwoord is de tegen de gemeenten gerichte vorderingen te onderwerpen aan een andere verjaringstermijn dan de vorderingen tegen andere overheden. Het dient zich enkel af te vragen of het redelijk verantwoord is de vorderingen van gemeenten tegen hun ambtenaren tot terugbetaling van ten onrechte betaalde wedden aan de dertigjarige verjaring te onderwerpen, terwijl de andere voormelde overheden tegen hun ambtenaren dienen op te treden binnen een termijn van vijf jaar.

B.5. De vijfjarige verjaring die van toepassing is op vorderingen door de Staat, de gemeenschappen, de gewesten en de provincies tegen hun ambtenaren is weliswaar de tegenhanger van de verjaring van de tegen diezelfde overheden gerichte vorderingen. De toepassing van dezelfde verjaring op de twee vorderingen wordt voor beide vorderingen echter anders verantwoord. Hoewel de verjaring geldig voor de overheden door redenen van gezond beheer van de openbare financiën werd verantwoord, blijkt uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 5 maart 1952, waarbij de in het geding zijnde bepaling in de wet van 15 mei 1846 op de Rijkscomptabiliteit werd ingevoerd, dat de verjaring geldig voor hun ambtenaren eveneens werd verantwoord door de bekommernis om de schadelijke gevolgen van de terugvordering van de ten onrechte betaalde maar gewoonlijk te goeder trouw door de belanghebbenden ontvangen sommen te beperken (Parl. St., Kamer, 1950-1951, nr. 435, pp. 1 en 2).

B.6. Ongetwijfeld is in beide gevallen de voor de schuldvorderingen van de overheid geldende verjaringstermijn dezelfde is als de op haar schulden van toepassing zijnde verjaringstermijn : de ambtenaar van een gemeente kan gedurende dertig jaar optreden tegen de gemeente zoals de gemeente gedurende dertig jaar tegen hem kan optreden. Die gelijklopende termijnen kunnen echter niet het in het geding zijnde verschil in behandeling verantwoorden : de wetgever heeft door het mogelijk te maken dat van een gemeenteambtenaar wedden die hem meestal bij vergissing werden uitbetaald gedurende dertig jaar kunnen worden teruggevorderd, terwijl een ambtenaar van de Staat, van een gemeenschap, van een gewest of van een provincie na vijf jaar aan elke vordering ontsnapt, ten aanzien van de eerstgenoemde een maatregel genomen die niet redelijk is verantwoord.

B.7. De vraag dient bevestigend te worden beantwoord ».

B.5.1. In dat arrest diende het Hof zich uit te spreken over de vraag of het redelijk verantwoord is de vorderingen van gemeenten tegen hun ambtenaren tot terugbetaling van ten onrechte betaalde wedden aan de dertigjarige verjaring te onderwerpen, terwijl de andere voormelde overheden tegen hun ambtenaren dienen op te treden binnen een termijn van vijf jaar. De voorliggende vraag verschilt van die welke in dat arrest werd beantwoord in zoverre thans een gemeenrechtelijke verjaringstermijn van tien in plaats van dertig jaar aan de orde is.

B.5.2. Dat verschil is evenwel niet van dien aard dat de overwegingen van het arrest nr. 35/2002 niet op de voorliggende zaken kunnen worden toegepast. Immers, hoewel thans de gemeenrechtelijke verjaringstermijn van tien jaar aan de orde is, blijft de vaststelling dat die termijn, wat de vorderingen van gemeenten en van meergemeentelijke politiezones tot terugbetaling van ten onrechte betaalde wedden aan haar ambtenaren betreft, het dubbele bedraagt van die welke geldt voor vorderingen van de Staat tot terugbetaling van ten onrechte betaalde wedden aan zijn ambtenaren.

Dat verschil in behandeling heeft onevenredige gevolgen wat de ambtenaren van de gemeenten en van de meergemeentelijke politiezones betreft, aangezien de vordering tot terugbetaling van wedden die hun onterecht zijn betaald, betrekking heeft op periodiek uitbetaalde geldsommen waarvan het bedrag toeneemt naarmate de tijd verstrijkt, en waarop, indien die sommen dienen te worden terugbetaald, in beginsel de kortere verjaringstermijn vastgelegd in artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek bijgevolg van toepassing zou moeten zijn; de terugvordering van wedden die gedurende lange tijd onterecht zijn betaald, kan immers betrekking hebben op bedragen die, op termijn, een dermate grote schuld zijn geworden dat die de schuldenaar zouden kunnen ruïneren.

Om dezelfde redenen als in het voormelde arrest is het in het geding zijnde verschil in behandeling niet redelijk verantwoord.

B.6. Die discriminatie vindt haar oorsprong evenwel niet in de in het geding zijnde bepaling, maar in de ontstentenis van een wetsbepaling die van toepassing is op de gemeenten of op de meergemeentelijke politiezones en voorziet in een vijfjarige verjaring van de termijn voor de terugvordering van de onterecht betaalde wedden.

B.7. Uit hetgeen voorafgaat, vloeit voort dat het aangeklaagde verschil in behandeling niet is gesitueerd in artikel 7, § 1, van de wet van 6 februari 1970 betreffende de verjaring van schuldvorderingen ten laste of ten voordele van de Staat en de provinciën, zodat de eerste prejudiciële vraag ontkennend dient te worden beantwoord.

B.8. Aangezien de verwijzende rechter de tweede prejudiciële vraag enkel stelt in de hypothese dat het Hof de eerste prejudiciële vraag bevestigend zou beantwoorden, behoeft de tweede vraag geen antwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

- Artikel 7, § 1, van de wet van 6 februari 1970 betreffende de verjaring van schuldvorderingen ten laste of ten voordele van de Staat en de provinciën, dat artikel 106, § 1, van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 17 juli 1991, vormt, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

- De ontstentenis van een wetsbepaling die voorziet in een vijfjarige verjaring van de vordering tot terugbetaling van wedden die ten onrechte werden betaald door de gemeenten of door de meergemeentelijke politiezones, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 18 mei 2011.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

M. Bossuyt.

Vrije woorden

  • Prejudiciële vragen over artikel 7, § 1, van de wet van 6 februari 1970 betreffende de verjaring van schuldvorderingen ten laste of ten voordele van de Staat en de provinciën, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Gent. Openbare financiën

  • Rijkscomptabiliteit

  • Schuldvorderingen ten voordele van de Staat en de gemeenten

  • Schuldvorderingen tot terugbetaling van ten onrechte betaalde wedden

  • Verjaringstermijn

  • 1. Door de Staat betaalde wedden

  • Vijfjarige verjaring

  • 2. Door de gemeenten of door de meergemeentelijke politiezones betaalde wedden

  • Tienjarige verjaring.