- Arrest van 18 mei 2011

18/05/2011 - 77/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Artikel 80, zesde lid, van de faillissementswet van 8 augustus 1997 schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en R. Henneuse, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey en P. Nihoul, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij arrest van 27 mei 2010 in zake de nv « ING België » tegen Annick Tans en Gerardus Hofenk, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 4 juni 2010, heeft het Hof van Beroep te Antwerpen de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt het artikel 80, 6de lid Faill.W., dat voorziet dat schuldeisers vervroegd uitspraak kunnen vragen over de eventuele bevrijding van de natuurlijke personen die zich kosteloos persoonlijk zeker hebben gesteld voor de gefailleerde, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, vaststellend dat er discriminatie bestaat tussen :

1) de bedoelde zekerstellers die een verzoek tot bevrijding hebben ingediend bij toepassing van artikel 72bis en artikel 72ter Faill.W. en tegenover dewelke de schuldeiser vermag de in artikel 80, 6de lid Faill.W., bedoelde vervroegde procedure tot eventuele bevrijding te voeren, derwijze de schorsing, voorzien door artikel 24bis Faill.W., van de middelen van tenuitvoerlegging, ten laste van de natuurlijke personen die zich persoonlijk zeker stelden voor de gefailleerde gebeurlijk wordt opgeheven;

2) bij interpretatie van het artikel 80, 6de lid Faill.W., volgens dewelke tegen de persoonlijke zekerstellers die het verzoek tot bevrijding bij toepassing van artikel 72bis en artikel 72ter niet hebben ingediend de procedure tot vervroegde uitspraak over de eventuele bevrijding vooralsnog niet kan gevoerd worden, bij gebreke aan ingediend verzoek tot bevrijding, derwijze deze zekerstellers verder kunnen genieten van de opschorting van de middelen van tenuitvoerlegging, voorzien door artikel 24bis Faill.W., in acht genomen dat deze zekerstellers vooralsnog de mogelijkheid hebben tot indiening van het verzoek tot bevrijding waar de Wet geen termijn voor indiening voorziet.

En waarbij de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet worden geschonden bij interpretatie van artikel 80, 6de lid Faill.W. volgens dewelke de vervroegde uitspraak over de eventuele bevrijding van de natuurlijke personen die zich kosteloos persoonlijk zeker hebben gesteld voor de gefailleerde door de schuldeiser kan gevraagd worden wanneer de bedoelde zekerstellers het verzoek tot bevrijding bij toepassing van artikel 72bis en artikel 72ter Faill.W. nog niet hebben ingediend derwijze ze eventueel niet meer kunnen genieten van de opschorting van de middelen van tenuitvoerlegging voorzien door artikel 24bis Faill.W. ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1.1. Het verwijzende rechtscollege vraagt of artikel 80, zesde lid, van de faillissementswet van 8 augustus 1997 (hierna : faillissementswet) bestaanbaar is met het beginsel van de gelijkheid en niet-discriminatie gewaarborgd door de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

B.1.2. Artikel 80, zesde lid, van de faillissementswet, zoals ingevoegd bij de wet van 20 juli 2005, bepaalt :

« De schuldeisers bedoeld in artikel 63, tweede lid, en de personen die de verklaring bedoeld in artikel 72ter aflegden, kunnen vanaf zes maanden na de datum van het vonnis van faillietverklaring de rechtbank verzoeken om uitspraak te doen over de bevrijding van deze laatsten. Er wordt gehandeld zoals bepaald in het derde en vierde lid ».

De in het geding zijnde bepaling past in het kader van de faillissementswetgeving, meer bepaald wat de gevolgen van de faillietverklaring betreft voor de personen die zich kosteloos persoonlijk zeker hebben gesteld voor een schuld van de gefailleerde.

B.1.3. Artikel 24bis van de faillissementswet, waarnaar in de prejudiciële vraag ook wordt verwezen, bepaalt :

« Vanaf hetzelfde vonnis [van faillietverklaring] worden, de middelen van tenuitvoerlegging ten laste van de natuurlijke persoon die zich kosteloos persoonlijk zeker stelde voor de gefailleerde, opgeschort.

[...] ».

B.1.4. De prejudiciële vraag refereert voorts aan de artikelen 72bis en 72ter van de faillissementswet, die bepalen :

« Art. 72bis. Om te kunnen genieten van de bevrijding, moeten de natuurlijke personen die zich kosteloos persoonlijk zeker hebben gesteld voor de gefailleerde ter griffie van de rechtbank van koophandel een verklaring neerleggen, waarin zij bevestigen dat hun verbintenis niet in verhouding met hun inkomsten en hun patrimonium is.

Hiertoe worden de personen verwittigd via bekendmaking in het Belgisch Staatsblad en via een aangetekende brief tegen ontvangstmelding die de curators hen sturen zodra deze personen bekend zijn en die de tekst van dit artikel en van de artikelen 72ter en 80 bevat.

Art. 72ter. De verklaring van elke persoon vermeldt zijn identiteit, zijn beroep en zijn woonplaats.

De persoon voegt bij zijn verklaring :

1° de kopie van zijn laatste aangifte in de personenbelasting;

2° het overzicht van alle activa of passiva die zijn patrimonium vormen;

3° elk ander stuk dat van aard is om precies de staat weer te geven van zijn bestaansmiddelen en lasten.

Ze wordt bij het faillissementsdossier gevoegd ».

B.1.5. De in geding zijnde bepaling verwijst zowel naar de personen die de in het voormelde artikel 72ter bedoelde verklaring hebben afgelegd, als naar de schuldeisers « bedoeld in artikel 63, tweede lid » van de faillissementswet, dat bepaalt :

« Elke schuldeiser die geniet van een persoonlijke zekerheidstelling vermeldt dit in zijn aangifte van schuldvordering of uiterlijk binnen zes maanden vanaf de datum van het vonnis van faillietverklaring, tenzij het faillissement eerder werd afgesloten, en vermeldt naam, voornaam en adres van de natuurlijke persoon die zich kosteloos persoonlijk zeker heeft gesteld voor de gefailleerde, bij gebrek waaraan deze bevrijd is ».

B.2.1. Al de geciteerde bepalingen zijn ingevoegd bij de wet van 20 juli 2005 tot wijziging van de faillissementswet van 8 augustus 1997 en houdende diverse fiscale bepalingen (hierna : wet van 20 juli 2005).

B.2.2. De wetgever heeft met de wet van 20 juli 2005 bepaalde door het Hof vastgestelde ongrondwettigheden willen verhelpen. Die wet voorziet in een procedure waardoor de persoonlijke borg niet langer automatisch, maar door de rechter kan worden bevrijd van zijn verbintenis ten aanzien van de schuldeiser van de gefailleerde, op voorwaarde dat de rechter onderzoekt of de persoon zich « kosteloos » persoonlijk zeker stelde en zijn onvermogen niet frauduleus organiseerde en dat hij vaststelt dat die verbintenis niet in verhouding is met zijn inkomsten en zijn vermogen.

B.2.3. Artikel 80, vijfde lid, van de faillissementswet, dat aan de in het geding zijnde bepaling voorafgaat, maakt het de gefailleerden mogelijk de rechtbank te verzoeken vervroegd uitspraak te doen over de verschoonbaarheid vanaf zes maanden na het vonnis van faillietverklaring, dus zonder de gehele afwikkeling van het faillissement af te wachten.

Daarbij aansluitend, bepaalt artikel 80, zesde lid, van de faillissementswet dat ook « de schuldeisers bedoeld in artikel 63, tweede lid » alsook « de personen die de verklaring bedoeld in artikel 72ter aflegden » vanaf zes maanden na de datum van het vonnis van faillietverklaring de rechtbank kunnen verzoeken om uitspraak te doen over de bevrijding « van deze laatsten ». Hierna wordt dit het verzoek tot « vervroegde bevrijding » genoemd.

B.3. In de interpretatie die het verwijzende rechtscollege geeft aan de in het geding zijnde bepaling, kan maar om de vervroegde bevrijding worden verzocht van de personen die zich kosteloos persoonlijk zeker hebben gesteld indien zij de in artikel 72ter van de faillissementswet bedoelde verklaring hebben afgelegd. De appellante voor het verwijzende rechtscollege klaagt aan dat zij zodoende wordt verhinderd om vervroegd uitsluitsel te krijgen over de mogelijkheid om degene die zich zeker heeft gesteld aan te spreken voor de openstaande schuld, terwijl de middelen van tenuitvoerlegging tegen die persoon zijn opgeschort vanaf het vonnis van faillietverklaring krachtens artikel 24bis van de faillissementswet.

Zonder dat het nodig is de vraag al te letterlijk op te nemen of te herformuleren, gaat het Hof ervan uit dat het dient te oordelen of artikel 80, zesde lid, van de faillissementswet in die interpretatie discriminerend is voor de bedoelde schuldeisers, die de vervroegde bevrijding niet kunnen vragen omdat zij worden geconfronteerd met een persoon die geen verklaring waarin artikel 72ter van de faillissementswet voorziet, heeft afgelegd, in vergelijking tot de schuldeisers die vervroegd uitsluitsel kunnen krijgen over de eventuele bevrijding van de persoon die zich kosteloos persoonlijk zeker heeft gesteld omdat die reeds de verklaring waarin artikel 72ter van de faillissementswet voorziet, heeft afgelegd.

B.4.1. De Ministerraad en de appellante voor het verwijzende rechtscollege voeren aan dat de prejudiciële vraag uitgaat van een onjuiste interpretatie van artikel 80, zesde lid, van de faillissementswet. Volgens hen kunnen ook de schuldeisers die een persoonlijke zekerheid genieten, op grond van die bepaling de rechtbank verzoeken om uitspraak te doen over de vervroegde bevrijding, en zulks ongeacht of persoon die zich kosteloos persoonlijk zeker heeft gesteld voor de gefailleerde de in artikel 72ter van de faillissementswet bedoelde verklaring heeft afgelegd.

B.4.2. Het staat in de regel aan de verwijzende rechter om de bepalingen die hij van toepassing acht, te interpreteren, onder voorbehoud van een kennelijk verkeerde lezing van de in het geding zijnde bepaling.

Het verwijzende rechtscollege gaat niet uit van een kennelijk verkeerde lezing van artikel 80, zesde lid, van de faillissementswet, dat, zoals gesteld in B.2.3, bepaalt dat de vervroegde bevrijding « van deze laatsten » kan worden gevraagd, waarbij « deze laatsten » ziet op « de personen die de verklaring bedoeld in artikel 72ter aflegden ». Het verwijzende rechtscollege stelt niet dat de schuldeisers de vervroegde bevrijding niet kunnen vragen, maar wel dat de vervroegde bevrijding niet kan worden gevraagd ten aanzien van de personen die de bedoelde verklaring niet hebben afgelegd.

Het Hof antwoordt op de prejudiciële vraag rekening houdend met de interpretatie die het verwijzende rechtscollege aan de in het geding zijnde bepaling geeft.

B.5. Bij zijn arrest nr. 179/2006 van 29 november 2006 heeft het Hof het beroep tot vernietiging tegen de artikelen 2 tot 7, 9 en 10 van de wet van 20 juli 2005 verworpen.

Daarbij heeft het Hof onder meer geoordeeld :

« B.8.4. Bovendien heeft de wetgever in de mate van het mogelijke ervoor gezorgd de nadelen van de procedure voor de schuldeisers te beperken, vermits hij, in artikel 80, zesde lid, van de wet van 8 augustus 1997, gewijzigd bij artikel 7, 2°, van de wet van 20 juli 2005, heeft bepaald dat de schuldeisers die een persoonlijke zekerheid genieten en die de verklaringen hebben afgelegd bedoeld in artikel 63 van de wet van 8 augustus 1997, zes maanden na het vonnis van faillietverklaring de rechtbank kunnen verzoeken om uitspraak te doen over de bevrijding van de kosteloze persoonlijke borg ».

Het heeft zich evenwel niet uitgesproken over de mogelijkheid voor de schuldeisers om de vervroegde bevrijding te vragen bij ontstentenis van de in artikel 72ter van de faillissementswet bedoelde verklaring.

B.6.1. De in het geding zijnde bepaling is, samen met het derde tot en met vijfde lid van het huidige artikel 80 van de faillissementswet, het resultaat van een amendement dat tijdens de parlementaire voorbereiding van de wet van 20 juli 2005 is ingediend (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1811/006, pp. 3-4, en ibid., DOC 51-1811/007, pp. 8-9).

B.6.2. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever de gefailleerden in soms jarenlang aanslepende faillissementsprocedures heeft willen bevrijden van de onzekerheid over hun eventuele verschoning door hun de mogelijkheid te geven om op een tijdstip vóór de afsluiting van het faillissement - maar ten vroegste zes maanden na het vonnis van faillietverklaring - de rechtbank te verzoeken om te worden verschoond, zodat zij dan een nieuwe zelfstandige activiteit kunnen beginnen of loontrekkende kunnen worden zonder een beslag op hun opbrengsten of inkomsten te moeten vrezen.

Om analoge redenen heeft de wetgever het mogelijk gemaakt dat vervroegd uitsluitsel zou worden gegeven over de bevrijding van de natuurlijke personen die zich kosteloos persoonlijk zeker hebben gesteld voor een schuld van de gefailleerde.

De vervroegde uitspraak over de verschoning kan enkel door de gefailleerde worden gevraagd. Daarentegen blijkt uit de tekst zelf van de in het geding zijnde bepaling dat de vervroegde bevrijding zowel door de schuldeisers kan worden gevraagd als door de personen die zich zeker hebben gesteld en die meer bepaald overeenkomstig artikel 72ter van de faillissementswet een verklaring hebben afgelegd ter griffie van de rechtbank van koophandel.

B.7. Het Hof wordt ondervraagd over het verschil in behandeling, in de door de verwijzende rechter gegeven interpretatie, tussen de schuldeisers van de gefailleerde, al naargelang de zekerheidsstelling waarop zij zich beroepen uitgaat van iemand die de in artikel 72ter van de faillissementswet bedoelde verklaring heeft afgelegd.

In de door de verwijzende rechter gegeven interpretatie van de in het geding zijnde bepaling kunnen enkel de schuldeisers die beschikken over een zekerheidstelling vanwege een persoon die deze verklaring heeft afgelegd, verzoeken om de vervroegde bevrijding.

B.8.1. Het verschil in behandeling berust op het criterium van het al dan niet voorhanden zijn van de in artikel 72ter van de faillissementswet bedoelde verklaring. Dat criterium is relevant in het licht van het doel van de wetgever, die heeft gewild dat de natuurlijke personen die zich kosteloos persoonlijk zeker hebben gesteld voor een schuld van de gefailleerde konden worden bevrijd indien het verhaal van de schuldeiser niet in verhouding is met hun inkomsten en hun patrimonium. De wetgever heeft tevens gewild dat die personen, analoog aan de mogelijkheid tot vervroegde verschoning voor de gefailleerde op grond van artikel 80, vijfde lid, van de faillissementswet, de vervroegde bevrijding kunnen verkrijgen op grond van het in het geding zijnde zesde lid.

Het staat aan die personen om af te wegen of de mogelijkheid om vervroegd bevrijd te worden, opweegt tegen het risico niet of slechts ten dele bevrijd te worden en de bij artikel 24bis van de faillissementswet gegeven bescherming te verliezen die bestaat in de schorsing van de middelen van tenuitvoerlegging. De tweede zin van artikel 24bis van de faillissementswet, zoals ingevoegd bij wet van 20 juli 2006, bepaalt namelijk dat « wanneer de persoonlijke borg door de rechtbank niet volledig van zijn verplichting is ontslagen, de schuldeisers [...] opnieuw het recht [verkrijgen] om individueel een vordering op zijn goederen in te stellen ».

B.8.2. In de interpretatie die het verwijzende rechtscollege geeft aan de in het geding zijnde bepaling, kunnen ook de betrokken schuldeisers wel de vervroegde bevrijding van de betrokken personen vragen, maar zij kunnen dat enkel als die personen de bedoelde verklaring hebben afgelegd.

Die maatregel doet, in het licht van de beoogde doelstelling die in B.6.2 is vermeld, geen kennelijk onevenredige gevolgen ontstaan ten aanzien van de betrokken schuldeisers. Hun nadeel bestaat erin dat zij niet op eigen initiatief de vervoegde bevrijding kunnen vragen, maar zij zullen hoe dan ook uitsluitsel krijgen over de (gehele of gedeeltelijke) bevrijding van de personen die zich tegenover hen kosteloos persoonlijk zeker hebben gesteld op het ogenblik dat het faillissement wordt afgesloten. Overigens kan, zoals tijdens de parlementaire voorbereiding van de in het geding zijnde bepaling is gesteld, de rechter beslissen geen gevolg te geven aan het verzoek om vervroegde bevrijding, wanneer onvoldoende gegevens beschikbaar zijn of wanneer een gerechtelijk onderzoek gaande is (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1811/007, p. 9).

B.9. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 80, zesde lid, van de faillissementswet van 8 augustus 1997 schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 18 mei 2011.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

M. Bossuyt.

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag betreffende artikel 80, zesde lid, van de faillissementswet van 8 augustus 1997, gesteld door het Hof van Beroep te Antwerpen. Handelsrecht

  • Faillissement

  • Verschoonbaarheid

  • Natuurlijke persoon die zich kosteloos borg stelt

  • 1. Verzoek tot vervroegde bevrijding door de schuldeisers

  • Voorwaarden

  • Verklaring van de borg

  • 2. Onevenredige verbintenis

  • 3. Opschorting van de middelen van tenuitvoerlegging tegen de borg.