- Arrest van 18 mei 2011

18/05/2011 - 79/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Artikel 71, 4°, van de wet van 26 april 2002 houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter R. Henneuse,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij arrest nr. 204.707 van 3 juni 2010 in zake Marcel Staelen tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 17 juni 2010, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 71 van de wet van 26 april 2002 houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het de hernieuwing verbiedt van het mandaat van een personeelslid dat de zware straf van de inhouding van wedde heeft ondergaan terwijl die straf, krachtens artikel 79 van dezelfde wet, niet de mogelijkheid met zich meebrengt om het mandaat voortijdig te beëindigen en terwijl, in geval van een strengere zware straf, slechts tot de voortijdige beëindiging van het mandaat kan worden besloten door toedoen van de politieraad ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1.1. Artikel 71 van de wet van 26 april 2002 « houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten » bepaalt :

« Onder voorbehoud van de toepassing van artikel 66, komt uitsluitend in aanmerking voor de aanwijzing voor een mandaat het personeelslid dat :

1° met één van de graden bekleed is en, in voorkomend geval, houder is van een brevet of voldoet aan de vereiste inzake leeftijd en anciënniteit, die als toekenningsvoorwaarden voor het vacante mandaat gelden;

2° geen evaluatie met eindvermelding ' onvoldoende ' heeft;

3° zich bevindt in een administratieve stand waar het zijn aanspraken op bevordering en baremische loopbaan kan doen gelden;

4° geen zware tuchtstraf heeft opgelopen die nog niet is uitgewist;

5° de leeftijd van zestig jaar niet heeft bereikt.

Met uitzondering van de titularissen van het mandaat van adjunct-inspecteur-generaal, mag de titularis van een mandaat een ander mandaat solliciteren op voorwaarde dat hij zijn huidige mandaat sedert ten minste drie jaar uitoefent.

De voorwaarde bedoeld in het eerste lid, 5°, is niet van toepassing op de titularis van een mandaat die de hernieuwing ervan vraagt en die in dat raam een evaluatie met vermelding ' goed ' verkrijgt ».

B.1.2. Artikel 79 van dezelfde wet, zoals vervangen bij de wet van 20 juni 2006, bepaalt :

« Het mandaat kan voortijdig worden beëindigd wanneer de mandaathouder een schorsing bij tuchtmaatregel of een zwaardere tuchtstraf oploopt. Die maatregel wordt genomen nadat de betrokkene werd gehoord ».

Die nieuwe bepaling werd in de parlementaire voorbereiding als volgt verantwoord :

« Een mandaat kan thans slechts vroegtijdig worden beëindigd wanneer de betrokkene, op basis van een evaluatie, geen voldoening schenkt in het ambt. Vanuit de bekommernis van administratieve vereenvoudiging en transparantie, is het verder voortaan voor de bevoegde overheid toegelaten om het lopende mandaat te beëindigen wanneer de mandaathouder het voorwerp uitmaakt van een zware tuchtstraf van schorsing of nog erger. De elementaire rechten van de mandaathouder moeten weliswaar worden gerespecteerd; daarom werd expliciet voorzien dat hij voorafgaand moet worden gehoord » (Parl. St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-2332/001, p. 20).

B.1.3. De artikelen 4 en 5 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten bepalen :

« Art. 4. De lichte tuchtstraffen zijn :

1° de waarschuwing;

2° de blaam.

Art. 5. De zware tuchtstraffen zijn :

1° de inhouding van wedde;

2° de schorsing bij tuchtmaatregel van ten hoogste drie maanden;

3° de terugzetting in weddeschaal;

4° het ontslag van ambtswege;

5° de afzetting ».

B.1.4. Artikel VII.III.104 van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten bepaalt :

« In de gevallen bedoeld in artikel 79 van de wet van 26 april 2002, kan het mandaat slechts door Ons worden beëindigd op verzoek van de in artikel VII.III.88 bedoelde overheid en nadat de minister of zijn afgevaardigde de mandaathouder heeft gehoord ».

Artikel VII.III.88 van hetzelfde koninklijk besluit bepaalt :

« De mandaathouder richt het in artikel VII.III.87 bedoelde verzoek of de mededeling tot hetzij :

1° de gemeente- of politieraad wat het mandaat van korpschef betreft;

[...] ».

B.2.1. Aan het Hof wordt een vraag gesteld over de bestaanbaarheid met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet van artikel 71, 4°, van de in het geding zijnde wet in zoverre die bepaling de hernieuwing verbiedt van een mandaat van de korpschef van een plaatselijke politiezone tegen wie de zware tuchtstraf van de inhouding van wedde is uitgesproken terwijl, krachtens artikel 79 van de in het geding zijnde wet, alleen zwaardere tuchtstraffen ertoe kunnen leiden dat een dergelijk mandaat voortijdig wordt beëindigd, op voorwaarde dat de betrokken politieraad een eensluidend advies uitbrengt.

B.2.2. Volgens de Ministerraad zou de prejudiciële vraag geen antwoord behoeven omdat zij niet zou verwijzen naar de bepaling die ten grondslag ligt aan de eventuele discriminatie en in zoverre daarin niet zou worden gepreciseerd welke categorieën van rechtsonderhorigen het voorwerp uitmaken van een dergelijke discriminatie.

In tegenstelling met wat de Ministerraad betoogt, is artikel 71, 4°, van de in het geding zijnde wet wel degelijk de basis van het bekritiseerde verschil in behandeling. Die bepaling legt immers, als automatisch gevolg van de uitspraak van een nog niet uitgewiste zware tuchtstraf, de onontvankelijkheid op van elke aanvraag tot hernieuwing van het mandaat van de aldus veroordeelde persoon. Bovendien blijkt duidelijk uit de prejudiciële vraag welke categorieën van politieambtenaren het Hof met elkaar moet vergelijken.

De exceptie wordt verworpen.

B.3. Krachtens artikel 184 van de Grondwet komt het de federale wetgever toe de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, vast te stellen, met inbegrip van de gevolgen die het begaan van tuchtrechtelijke fouten op de loopbaan van de ambtenaar kan hebben. Daartoe beschikt de wetgever over een ruime beoordelingsmarge. Het Hof zou de door hem genomen maatregelen slechts kunnen afkeuren indien zij het gevolg zijn van een klaarblijkelijk onredelijke beoordeling.

B.4.1. Te dezen is het klaarblijkelijk niet onredelijk ervan uit te gaan dat in tegenstelling met de niet-hernieuwing van het mandaat, de voortijdige beëindiging ervan slechts kan worden uitgesproken in geval van een zwaardere tuchtstraf dan de inhouding van wedde. Het is immers logisch dat de zwaarste tuchtrechtelijke overtredingen voor de dader ervan ongunstigere, met name geldelijke, gevolgen met zich kunnen meebrengen. Bovendien is het volkomen verantwoord toe te laten onmiddellijk het mandaat te beëindigen dat wordt uitgeoefend door de persoon die wordt bestraft voor de zwaarste tekortkomingen op het vlak van tucht.

Voor het overige past die gradatie van de gevolgen verbonden aan het begaan van een tuchtrechtelijke overtreding in de logica van de wetgeving met betrekking tot de tuchtregeling van de personeelsleden van de politiediensten. Artikel 11 van de voormelde wet van 13 mei 1999 bepaalt immers dat de tuchtstraf van de inhouding van wedde geen andere geldelijke gevolgen mag hebben, wat uitsluit dat zij leidt tot het ontnemen, in de loop van het mandaat, van de wegens de uitoefening van dat mandaat toegekende weddebijslag.

B.4.2. Het is evenmin zonder redelijke verantwoording de Koning ertoe te hebben gemachtigd voorwaarden vast te stellen voor de voortijdige beëindiging van het mandaat van korpschef van een plaatselijke politiezone en Hem zodoende te hebben toegelaten daartoe het eensluidende advies van de politieraad te eisen. In tegenstelling met de niet-hernieuwing van een mandaat aan het eind ervan, kan de voortijdige beëindiging van het mandaat immers plotse en onvoorzienbare verstoringen in de organisatie en het beheer van de politiediensten met zich meebrengen. De vereiste eerbiediging van het beginsel van de continuïteit van de openbare dienst verantwoordt, in die omstandigheden, dat het opleggen van een tuchtstraf - ook al is zij zwaarder dan de inhouding van wedde - niet automatisch leidt tot het stopzetten van het lopende mandaat.

B.5. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 71, 4°, van de wet van 26 april 2002 houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 18 mei 2011.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

R. Henneuse.

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag over artikel 71 van de wet van 26 april 2002 houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten, gesteld door de Raad van State. Geïntegreerde politiedienst

  • Tuchtregeling voor politieambtenaren

  • Tuchtstraffen

  • Voortijdige beëindiging van het mandaat

  • Voorwaarden.