- Arrest van 31 mei 2011

31/05/2011 - 98/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

- Artikel 132bis van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

- De ontstentenis van een mechanisme dat waarborgen biedt die vergelijkbaar zijn met die welke gepaard gaan met de toekenning van een afwijking van het gewestplan bij de afgifte van een stedenbouwkundige vergunning, waardoor de uitbater van een bestaande installatie die dateert van vóór het gewestplan en later wordt beschermd, een afwijking kan aanvragen van de in het gewestplan voorgeschreven bestemming van de plaatsen, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de rechters J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey en P. Nihoul, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter R. Henneuse,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij arrest nr. 205.827 van 25 juni 2010 in zake Jean-Philippe Tondeur tegen het Waalse Gewest, tussenkomende partij : de nv « Seti », waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 2 juli 2010, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 132bis, eerste lid, van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het de afgifte van een milieuvergunning met toepassing van de artikelen 113 en 127 van het voormelde Wetboek enkel mogelijk maakt indien dergelijke afwijkingen vooraf zijn toegestaan door een vergunning afgegeven in het kader van de politie inzake stedenbouw, terwijl de exploitatie die het voorwerp uitmaakt van de aangevraagde milieuvergunning en die dergelijke afwijkingen noodzakelijk zou maken, geen onder de politie inzake stedenbouw ressorterende vergunning vereist ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1.1. Artikel 132bis van het Waalse Wetboek van ruimtelijke ordening, stedenbouw en patrimonium (hierna : WWROSP) bepaalt, in de versie die van toepassing is op het voor de Raad van State hangende geschil :

« De afwijkingen die zijn toegestaan in toepassing van afdeling 2 en afdeling 9 van dit hoofdstuk, zijn van toepassing op de handelingen die onder andere wetgevingen met betrekking tot hetzelfde ontwerp ressorteren.

Het is toegestaan om de activiteiten die toegelaten zijn bij een vergunning die is afgegeven vóór de inwerkingtreding van een plan en die niet beantwoorden aan de voorschriften ervan, verder te zetten tot en met de afloop van de geldigheidstermijn van bedoelde vergunning. De hernieuwing van bedoelde toelating kan worden toegestaan door de bevoegde overheid zolang dat verenigbaar blijft met de algemene bestemming van het betrokken gebied, van diens architectonisch karakter en de stedenbouwkundige optie die bedoelde voorschriften inhouden ».

De prejudiciële vraag heeft betrekking op het eerste lid van die bepaling.

B.1.2. De in die bepaling beoogde afdeling 2 bestaat uit de artikelen 110 tot 114 van het WWROSP. Het opschrift ervan luidt « Afwijkingen » en maakt deel uit van hoofdstuk III (« Vergunningsaanvragen, beslissingen en beroepen ») van titel V (« Stedenbouwkundige vergunningen en attesten ») van boek I (« Bepalingen betreffende de organisatie van de ruimtelijke ordening en de stedenbouw ») van dat Wetboek.

De artikelen 110 tot 113 bepalen dat afwijkingen, met name van het gewestplan, kunnen worden toegekend bij de afgifte van een stedenbouwkundige vergunning. Artikel 114 preciseert de procedure voor het aanvragen en toekennen van de afwijkingen. In het algemeen kunnen de afwijkingen inzake stedenbouw alleen uitzonderlijkerwijs worden toegestaan door de Regering of de gemachtigde ambtenaar.

Afdeling 9 van hetzelfde hoofdstuk, in de versie van het WWROSP die op het voor de Raad van State hangende geschil van toepassing is, met het opschrift « Vergunningen aangevraagd door een publiekrechtelijk persoon of betreffende werken van algemeen nut, indiening en behandeling van de aanvragen », bevatte alleen artikel 127.

B.2.1. Artikel 132bis van het WWROSP, dat deel uitmaakt van afdeling 11 (« Vergunningen in verband met andere administratieve diensten ») van het voormelde hoofdstuk III, strekt ertoe het lot te regelen van bepaalde « gemengde projecten » waarvan de verwezenlijking vereist dat zowel een akte die valt onder de politie inzake stedenbouw als een akte die valt onder een andere politie, bijvoorbeeld de milieupolitie, wordt verkregen.

B.2.2. De meeste gemengde projecten waarvan de verwezenlijking vereist dat een stedenbouwkundige vergunning en een milieuvergunning worden toegekend, zijn onderworpen aan de regeling van de eenmalige vergunning, bedoeld in artikel 81, § 1, van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning. Alleen de projecten met betrekking tot tijdelijke inrichtingen, proefinrichtingen of onroerende goederen bedoeld in artikel 109 van het WWROSP (de « onroerende goederen die op de beschermingslijst staan, beschermd zijn, gelegen zijn in een in artikel 209 van het Wetboek bedoeld beschermingsgebied of in een locatie opgenomen in de inventaris van de archeologische locaties bedoeld in artikel 233 ») kunnen niet het voorwerp uitmaken van een eenmalige vergunning. De regeling van de eenmalige vergunning is niet van toepassing op het project dat het voorwerp uitmaakt van het voor de Raad van State hangende geschil, daar het betrokken goed is opgenomen in de inventaris van het architectonisch erfgoed van België en is gelegen binnen de omtrek van het beschermd gebied van de « Slag van Waterloo ».

B.2.3. In beginsel kan een milieuvergunning alleen worden afgegeven wanneer die in overeenstemming is met de plannen van aanleg die een verordenende kracht hebben. Een dergelijke vergunning kan dus niet worden afgegeven voor een activiteit die niet in overeenstemming is met de bestemming van het gebied waarin de exploitatie zich bevindt, behalve indien een afwijking van het gewestplan is aangevraagd en verkregen.

B.2.4. Het is mogelijk om een afwijking van het gewestplan te verkrijgen op basis van de artikelen 110 tot 112 van het WWROSP in de hypothese van een gemengd project dat de afgifte van een eenmalige vergunning vereist overeenkomstig artikel 97, derde lid, derde streepje, van het decreet van 11 maart 1999.

B.2.5. Voor de gemengde projecten waarop de regeling van de eenmalige vergunning niet van toepassing is, namelijk die welke zowel de toekenning van een stedenbouwkundige vergunning als die van een milieuvergunning vereisen, creëert het in het geding zijnde artikel 132bis, wanneer een afwijking van de stedenbouwkundige regels noodzakelijk is, het verband tussen de stedenbouwkundige vergunning en de milieuvergunning. De afwijking kan worden toegekend in de stedenbouwkundige vergunning op basis van de artikelen 110 tot 114 of 127 van het WWROSP, en is, krachtens het voormelde artikel 132bis, van toepassing op de aanvraag voor een milieuvergunning met betrekking tot hetzelfde project.

B.3. Uit de overwegingen van het arrest waarin de vraag aan het Hof wordt gesteld, blijkt dat het voor de Raad van State hangende geschil betrekking heeft op een milieuvergunning die is afgegeven voor een exploitatie, te dezen een discotheek, die niet in overeenstemming is met de bestemming tot landbouwgebied bepaald in het gewestplan. De Raad van State heeft geoordeeld dat de stedenbouwkundige vergunning die eerder is toegekend met toepassing van artikel 111 van het WWROSP en bepaalde verbouwingen toestaat, geen verband hield met de exploitatie ervan als discotheek, zodat die afwijking, bij ontstentenis van handelingen « met betrekking tot hetzelfde ontwerp » in de zin van het voormelde artikel 132bis, die is verleend met toepassing van artikel 111, niet van toepassing is op de aanvraag tot een milieuvergunning die is ingediend met het oog op de regularisatie van de exploitatie van de discotheek.

B.4. In de memorie van toelichting bij het ontwerpdecreet met betrekking tot artikel 132bis wordt gepreciseerd :

« Uit de rechtspraak blijkt dat de administratieve handelingen die niet vallen onder de politie inzake stedenbouw en ruimtelijke ordening in overeenstemming moeten zijn met de regels inzake ruimtelijke ordening en de plannen van aanleg wanneer zij vanzelfsprekend onder het toepassingsgebied ervan vallen.

Wanneer de aanvraag het voorwerp uitmaakt van een stedenbouwkundige vergunning of een verkavelingsvergunning, geldt de afwijking die is verleend in het kader van het onderzoek van de stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning voor de vergunningen die zijn toegekend voor hetzelfde project in het kader van andere wetgevingen, behoudens eventuele bijzondere bepalingen. De toegekende afwijkingen gelden ook voor de aan de aangifte onderworpen handelingen.

Wanneer de handeling die onder een andere wetgeving valt, kan worden onderzocht of afgegeven los van een stedenbouwkundige vergunning of bouwvergunning en het project een stedenbouwkundige of verkavelingsvergunning vereist, vraagt de verzoeker die een afwijking wil genieten, eerst de stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning aan.

Wanneer geen enkele stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning vereist is, zijn de voorschriften van de plannen en reglementen zonder afwijking van toepassing » (Parl. St., Waals Parlement, 2001-2002, nr. 309/1, p. 52-53).

Voorts wordt gepreciseerd dat « de afwijkingen bedoeld in artikel 132bis betrekking hebben op een project, met andere woorden een verrichting die ook en in de eerste plaats een stedenbouwkundige vergunning vereist waarvan de aanvraag en de afgifte in het kader van de afwijking precies de voorwaarde is die het mogelijk maakt dat de afwijking vervolgens geldt voor de handelingen die onder andere polities vallen [...] » (ibid., p. 52).

B.5. In de prejudiciële vraag wordt het Hof verzocht het verschil in behandeling te onderzoeken dat zou voortvloeien uit de in het geding zijnde bepaling tussen de projecten die, voor de verwezenlijking ervan, zowel een stedenbouwkundige vergunning als een milieuvergunning vereisen, en de projecten waarvoor enkel een milieuvergunning nodig is. Wanneer de geplande exploitatie niet in overeenstemming is met de voorschriften van het gewestplan, kan een afwijking worden aangevraagd en verkregen wanneer de twee vergunningen noodzakelijk zijn, terwijl het, in de hypothese waarin enkel een milieuvergunning is vereist, niet mogelijk is een afwijking te verkrijgen van de bestemming van het in het gewestplan gedefinieerde perceel.

B.6.1. Het in het geding zijnde verschil in behandeling berust op het criterium van het soort van vergunning die wordt aangevraagd, waarbij de afwijking van het gewestplan alleen kan worden aangevraagd en verkregen wanneer een stedenbouwkundige vergunning moet worden afgegeven.

B.6.2. Het is niet irrelevant om, in een vergunning, een afwijking van de voorschriften van het gewestplan alleen te laten toestaan door de overheid die daartoe bevoegd is, namelijk de gemachtigde ambtenaar of de Regering zelf. In tegenstelling tot de procedure voor het onderzoek van een aanvraag tot milieuvergunning, waarbij de gemachtigde ambtenaar slechts een advies uitbrengt over de verenigbaarheid van het project dat een milieuvergunning vergt met de voorschriften van het gewestplan, vereist de procedure met betrekking tot de stedenbouwkundige vergunning dat de afwijking wordt toegekend of geweigerd door de overheid die ertoe is gemachtigd zich uit te spreken over de stedenbouwkundige belangen van het project.

Bovendien biedt de procedure van het onderzoek van een aanvraag tot milieuvergunning geen procedurele waarborgen die gelijkwaardig zijn aan die waarin artikel 114 van het WWROSP voorziet voor de aanvragen tot stedenbouwkundige vergunning die een afwijking van het gewestplan inhouden.

B.6.3. Om die redenen is het verantwoord dat de decreetgever een inmenging in de politie inzake stedenbouw door een andere overheid heeft willen voorkomen, na afloop van een verschillende procedure, teneinde de samenhang te verzekeren voor het hele stedenbouwkundig beleid in het Waalse Gewest.

B.7.1. Niettemin doet zich een moeilijkheid voor in het specifieke geval van de exploitatie van een activiteit of installatie die, op het ogenblik dat die is begonnen, niet was onderworpen aan en bijgevolg niet in strijd was met de voorschriften van een gewestplan en geen milieuvergunning vereiste.

Indien, tijdens de exploitatie, een gewestplan wordt aangenomen dat de exploitatie in een gebied situeert waarvan de bestemming die activiteit of die installatie niet toelaat, en indien die exploitatie later wordt gerekend tot de activiteiten die voortaan een milieuvergunning vereisen, kan die laatste, aangezien zij moet voldoen aan het intussen aangenomen gewestplan, alleen worden afgegeven mits een afwijking van dat gewestplan wordt toegestaan. In die hypothese bevindt de uitbater, die geen stedenbouwkundige vergunning moet verkrijgen om een exploitatie voort te zetten die op stedenbouwkundig vlak regelmatig was op het ogenblik dat die is aangevat, zich in de onmogelijkheid om een dergelijke afwijkende milieuvergunning te verkrijgen.

B.7.2. De uitbater die zich bevindt in de in B.7.1 beschreven situatie, wordt anders behandeld dan de uitbater die, omdat hij een vergelijkbare exploitatie wil aanvatten, een stedenbouwkundige vergunning moet aanvragen en bij die gelegenheid een afwijking kan vragen van de voorschriften van het gewestplan en die bijgevolg kan laten gelden voor de milieuvergunning. Niets verantwoordt dat verschil in behandeling, dat derhalve strijdig is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

B.8.1. De in B.7.2 vastgestelde discriminatie vindt haar oorsprong evenwel niet in artikel 132bis van het WWROSP, maar wel in de ontstentenis van een mechanisme dat waarborgen biedt die vergelijkbaar zijn met die welke gepaard gaan met de toekenning van een afwijking van het gewestplan bij de afgifte van een stedenbouwkundige vergunning, waardoor de uitbater van een bestaande installatie die dateert van vóór het gewestplan en later wordt beschermd, een afwijking kan aanvragen van de in het gewestplan voorgeschreven bestemming van de plaatsen.

B.8.2. Het staat aan de Waalse decreetgever om die discriminatie te verhelpen.

B.9. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

- Artikel 132bis van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

- De ontstentenis van een mechanisme dat waarborgen biedt die vergelijkbaar zijn met die welke gepaard gaan met de toekenning van een afwijking van het gewestplan bij de afgifte van een stedenbouwkundige vergunning, waardoor de uitbater van een bestaande installatie die dateert van vóór het gewestplan en later wordt beschermd, een afwijking kan aanvragen van de in het gewestplan voorgeschreven bestemming van de plaatsen, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 31 mei 2011.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

R. Henneuse.

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag betreffende artikel 132bis, eerste lid, van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium, gesteld door de Raad van State. Bestuursrecht

  • Stedenbouw en ruimtelijke ordening

  • Waals Gewest

  • Gemengd project

  • Afwijking van het plan van aanleg.