- Arrest van 31 mei 2011

31/05/2011 - 91/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het hof zegt voor recht :

Artikel 1409bis van het Gerechtelijk Wetboek schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het niet op automatische wijze de volledige of gedeeltelijke onvatbaarheid voor beslag oplegt voor de inkomsten die in die bepaling worden beoogd en overeenkomstig de artikelen 1409, § 1, en 1411 van hetzelfde Wetboek worden berekend.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey en P. Nihoul, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter R. Henneuse,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij arrest van 27 mei 2010 in zake Jean Berger tegen Thierry Giot en anderen, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 2 juni 2010, heeft het Hof van Beroep te Luik de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Bestaat er een discriminatie die strijdig is met het gelijkheidsbeginsel dat wordt gewaarborgd in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, tussen, enerzijds, de situatie van de beslagene die, teneinde te verkrijgen dat wordt erkend dat de schadevergoedingen tot herstel van een inkomensverlies te wijten aan arbeidsongeschiktheid ingevolge een ongeval van gemeen recht niet vatbaar zijn voor beslag, bij artikel 1409bis van het Gerechtelijk Wetboek verplicht wordt om opmerkingen te formuleren binnen de zeer korte termijn van vijf dagen bedoeld in artikel 1408, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek, waarbij overigens tegen de beslissing van de beslagrechter geen hoger beroep kan worden ingesteld, en, anderzijds, de situatie van de beslagene met betrekking tot vergelijkbare schadevergoedingen die een inkomensverlies compenseren dat voortvloeit uit een arbeidsongeschiktheid en die worden beschermd bij artikel 1410, § 1, 4° en 5°, en § 2, 4° en 5°, van het Gerechtelijk Wetboek, zonder dat de beslagene tot enige formaliteit wordt gedwongen ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling

B.1.1. Artikel 1409bis van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt :

« De schuldenaar die niet beschikt over inkomsten als bedoeld in artikel 1409, kan voor hem en zijn gezin de noodzakelijke inkomsten behouden welke berekend worden overeenkomstig de artikelen 1409, § 1, en 1411.

Iedere aanspraak van de schuldenaar, steunend op het eerste lid, wordt aan de beslagrechter voorgelegd overeenkomstig artikel 1408, § 3. Deze kan de duur beperken tijdens welke deze inkomsten van de schuldenaar niet voor beslag vatbaar zijn ».

B.1.2. Artikel 1408, § 3, van hetzelfde Wetboek bepaalt :

« De moeilijkheden inzake de toepassing van dit artikel worden beslecht door de beslagrechter op grond van het proces-verbaal van beslaglegging, waarin de opmerkingen van de beslagene, op straffe van verval aan de gerechtsdeurwaarder mee te delen, hetzij op het tijdstip van het beslag, hetzij binnen vijf dagen na de betekening van de eerste akte van beslag, worden aangetekend.

Bij de neerlegging ter griffie van een afschrift van het proces-verbaal van beslaglegging door de gerechtsdeurwaarder of door de meest gerede partij, binnen vijftien dagen na de overhandiging van het afschrift van dat proces-verbaal of, indien daartoe grond bestaat, van de betekening van het beslag aan de schuldenaar, bepaalt de beslagrechter dag en uur van het onderzoek en de regeling van de moeilijkheden, de schuldeiser en de schuldenaar vooraf gehoord of opgeroepen. De griffier roept de partijen op en verwittigt de instrumenterende gerechtsdeurwaarder.

De procedure kan niet worden voortgezet indien de in het vorige lid bedoelde neerlegging van het afschrift van het proces-verbaal niet heeft plaatsgehad.

De vordering schorst de vervolging, doch de goederen blijven onder beslag totdat uitspraak is gedaan.

De beslagrechter doet uitspraak bij voorrang boven alle andere zaken, zowel in aanwezigheid als bij ontstentenis van de partijen; zijn beschikking is niet vatbaar voor verzet of hoger beroep; de rechtspleging kan onmiddellijk worden hervat ».

B.1.3. Artikel 1410, §§ 1 en 2, van hetzelfde Wetboek bepaalt :

« § 1. Artikel 1409, § 1bis, § 2 en § 3, vindt bovendien toepassing op :

[...]

4° de uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid en de invaliditeitsuitkeringen betaald krachtens de wetgeving op de ziekte- en invaliditeitsverzekering of de wet van 16 juni 1960 die onder meer de maatschappelijke prestaties waarborgt ten gunste van de gewezen werknemers van Belgisch-Congo en Ruanda-Urundi en de wetgeving betreffende de overzeese sociale zekerheid;

5° de uitkeringen, renten en toelagen betaald krachtens de wetgeving op de vergoeding van de schade uit arbeidsongevallen of beroepsziekten, de genoemde wet van 16 juni 1960 of verzekeringsovereenkomsten aangegaan bij toepassing van de wetgeving op de overzeese sociale zekerheid, met uitzondering van het gedeelte van de uitkering bedoeld in § 2, 4°, van dit artikel;

[...]

§ 2. De volgende schuldvorderingen zijn niet vatbaar voor overdracht of beslag ten laste van de rechthebbende :

[...]

4° het gedeelte van de vergoedingen uitgekeerd krachtens de wetgeving op de vergoeding van schade uit arbeidsongevallen die 100 pct. overschrijdt en toegekend wordt aan zwaar verminkten wier toestand de hulp van een andere persoon volstrekt en normaal vergt, evenals de bedragen toegekend voor de behoefte aan andermans hulp krachtens de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994;

5° de bedragen uit te keren :

1. aan de rechthebbende van geneeskundige verstrekkingen als tegemoetkoming ten laste van de verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen of krachtens de wet van 16 juni 1960 of de wetgeving betreffende de overzeese sociale zekerheid;

2. als kosten voor geneeskundige, heelkundige, farmaceutische en verplegingszorgen of als kosten voor prothesen en orthopedische toestellen aan een door een arbeidsongeval of een beroepsziekte getroffen persoon krachtens de wetgeving betreffende de arbeidsongevallen of de beroepsziekten;

[...] ».

B.1.4. In de versie ervan die van toepassing is op het voor het verwijzende rechtscollege hangende geschil, bepaalde artikel 1409 van hetzelfde Wetboek :

« § 1. Bedragen uitgekeerd ter uitvoering van een arbeidsovereenkomst, een leerovereenkomst, een statuut, een abonnement, alsmede die welke worden uitgekeerd aan personen die tegen loon onder het gezag van een ander persoon arbeid verrichten buiten een arbeidsovereenkomst en het vakantiegeld betaald krachtens de wetgeving op de jaarlijkse vakantie, kunnen onbeperkt overgedragen of in beslag genomen worden, voor het gedeelte van hun totaal bedrag boven 1 130 euro per kalendermaand.

Het gedeelte van die bedragen boven 937 euro en tot ten hoogste 1.033 euro per kalendermaand, kan niet worden overgedragen of in beslag genomen voor meer dan 30 % in totaal, het gedeelte boven 1.033 euro en tot ten hoogste 1.130 euro per kalendermaand, kan niet worden overgedragen of in beslag genomen voor meer dan 40 % in totaal; het gedeelte boven 872 euro en tot ten hoogste 937 euro per kalendermaand, kan niet worden overgedragen of in beslag genomen voor meer dan een vijfde in totaal.

Het gedeelte van genoemde bedragen dat 872 euro per kalendermaand niet te boven gaat, is niet vatbaar voor overdracht of beslag.

Wanneer de personen, bedoeld in het eerste lid, een kind of meerdere kinderen ten laste hebben, worden de bedragen vermeld in de voorgaande leden verhoogd met 53 euro per kind ten laste. De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad wat moet verstaan worden onder kind ten laste.

Hij bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad eveneens de regels voor de bewijsvoering, erin begrepen de bewijskracht en de geldigheidsduur van de bewijzen alsook de regels van rechtspleging. Daartoe kan Hij, tot 31 december 2004, wettelijke bepalingen uitvaardigen en wijzigen, zelfs inzake aangelegenheden die de Grondwet uitdrukkelijk aan de wet voorbehoudt, met uitsluiting van de aangelegenheden waarvoor de meerderheid voorgeschreven in artikel 4, derde lid, van de Grondwet wordt vereist. Vóór 1 januari 2005 dient de Koning bij de Kamer van volksvertegenwoordigers een wetsontwerp in ter bekrachtiging van de besluiten uitgevaardigd krachtens dit lid en die wettelijke bepalingen uitvaardigen of wijzigen. De besluiten die vóór 1 januari 2006 niet worden bekrachtigd hebben geen uitwerking.

§ 1bis. Inkomsten uit andere activiteiten dan deze bedoeld in § 1, kunnen onbeperkt overgedragen of in beslag genomen worden, voor het gedeelte van hun totaal bedrag boven 1.130 euro per kalendermaand.

Het gedeelte van die bedragen boven 937 euro en tot ten hoogste 1.130 euro per kalendermaand, kan niet worden overgedragen of in beslag genomen voor meer dan twee vijfde in totaal; het gedeelte boven 872 euro en tot ten hoogste 937 euro per kalendermaand, kan niet worden overgedragen of in beslag genomen voor meer dan een vijfde in totaal.

Het gedeelte van die bedragen dat 872 euro per kalendermaand niet te boven gaat, is niet vatbaar voor overdracht of beslag.

Wanneer personen die inkomsten genieten, bedoeld in het eerste lid, één of meer kinderen ten laste hebben, worden de bedragen vermeld in de voorgaande leden verhoogd met 53 euro per kind ten laste. De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit wat moet verstaan worden onder kind ten laste.

Hij bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad eveneens de regels voor de bewijsvoering, erin begrepen de bewijskracht en de geldigheidsduur van de bewijzen alsook de regels van rechtspleging. Daartoe kan Hij, tot 31 december 2004 wettelijke bepalingen uitvaardigen en wijzigen, zelfs inzake aangelegenheden die de Grondwet uitdrukkelijk aan de wet voorbehoudt met uitsluiting van de aangelegenheden waarvoor de meerderheid voorgeschreven in artikel 4, derde lid, van de Grondwet wordt vereist. Voor 1 januari 2005 dient de Koning bij de Kamer van volksvertegenwoordigers een wetsontwerp in ter bekrachtiging van de besluiten uitgevaardigd krachtens dit lid en die wettelijke bepalingen uitvaardigen of wijzigen. De besluiten die voor 1 januari 2006 niet worden bekrachtigd hebben geen uitwerking.

§ 2. Elk jaar past de Koning de in § 1 en § 1bis bepaalde bedragen aan, rekening houdend met het indexcijfer van de consumptieprijzen van de maand november van elk jaar.

Voor de bedragen vermeld in de eerste drie leden van § 1 en § 1bis is het aanvangsindexcijfer dat van de maand november 1989. Voor het bedrag vermeld in het vierde lid van § 1 en § 1bis is het aanvangsindexcijfer dat van de maand van de publicatie in het Belgisch Staatsblad van de wet van 24 maart 2000 tot wijziging van de artikelen 1409, 1409bis, 1410 en 1411 van het Gerechtelijk Wetboek, met het oog op de aanpassing van het bedrag van het loon dat niet vatbaar is voor overdracht of beslag.

Elke verhoging of verlaging van het indexcijfer brengt een verhoging of verlaging van de bedragen met zich mee, overeenkomstig de volgende formule : het nieuwe bedrag is gelijk aan het basisbedrag, vermenigvuldigd met het nieuwe indexcijfer en gedeeld door het aanvangsindexcijfer. Het resultaat wordt afgerond tot het hogere honderdtal.

Het aldus aangepaste laatste bedrag mag evenwel nooit lager zijn dan het bedrag bepaald bij artikel 2, § 1, 1°, van de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum, dat van kracht zal zijn op 1 januari van het jaar volgend op de aanpassing, afgerond tot het hogere duizendtal.

Binnen de eerste vijftien dagen van de maand december van elk jaar, worden de nieuwe bedragen bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad . Zij worden van kracht vanaf 1 januari van het jaar volgend op hun aanpassing.

§ 3. De Koning kan bovendien de in § 1 en § 1bis bepaalde bedragen na advies van de Nationale Arbeidsraad aanpassen, rekening houdend met de economische toestand.

Het besluit treedt in werking op 1 januari van het jaar na dat waarin het is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad ».

B.1.5. Volgens het verwijzende rechtscollege vallen de krachtens artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek geïnde schadevergoedingen onder de toepassingssfeer van artikel 1409bis van het Gerechtelijk Wetboek en dient de schuldenaar die op grond van die bepaling voor hem en zijn gezin de noodzakelijke inkomsten wenst te behouden, binnen de termijn van vijf dagen vastgesteld in artikel 1408, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek, zijn opmerkingen voor te leggen teneinde te laten erkennen dat de door hem geïnde vergoedingen niet vatbaar zijn voor beslag. Het is in die interpretatie dat het Hof de prejudiciële vraag beantwoordt.

Ten gronde

B.2. Het Hof wordt ondervraagd over het verschil in behandeling tussen, enerzijds, de schuldenaar-beslagene die krachtens artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek schuldeiser is van een schadevergoeding ter compensatie van het inkomensverlies dat te wijten is aan een arbeidsongeschiktheid ingevolge een ongeval van gemeen recht en, anderzijds, de schuldenaar-beslagene die schuldeiser is van één van de vergoedingen bedoeld in artikel 1410, § 1, 4° en 5°, en § 2, 4° en 5°, van het Gerechtelijk Wetboek : terwijl de eerste categorie van personen krachtens artikel 1409bis, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek binnen de termijn van vijf dagen vastgesteld in artikel 1408, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek zijn opmerkingen moet voorleggen teneinde te laten erkennen dat de door die categorie van personen geïnde vergoedingen niet vatbaar zijn voor beslag, is de beperking van de inbeslagneming van de vergoedingen bedoeld in artikel 1410, § 1, 4° en 5°, en § 2, 4° en 5°, van het Gerechtelijk Wetboek automatisch.

B.3.1. Ofschoon de prejudiciële vraag zowel artikel 1410, § 1, 4° en 5°, als artikel 1410, § 2, 4° en 5°, van het Gerechtelijk Wetboek beoogt, blijkt uit de motieven van de verwijzingsbeslissing dat de situatie van de schuldenaar-beslagene die een schadevergoeding tot herstel van een inkomensverlies te wijten aan arbeidsongeschiktheid geniet, enkel dienstig kan worden vergeleken met die van de schuldenaar-beslagene die een van de vergoedingen geniet die zijn vermeld in artikel 1410, § 1, 4° en 5°, van het Gerechtelijk Wetboek.

Artikel 1410, § 2, 5°, van het genoemde Wetboek betreft immers niet een vergoeding die bestemd is om het inkomensverlies te wijten aan een blijvende ongeschiktheid te compenseren, maar de sommen die moeten worden betaald als terugbetaling van geneeskundige kosten of geneeskundige verstrekkingen. De in artikel 1410, § 2, 4°, bedoelde vergoeding heeft betrekking op een geval dat dermate bijzonder is dat het niet vergelijkbaar is met de situatie waarin de schuldenaar-beslagene, appellant voor de verwijzende rechter, zich bevindt.

B.3.2. Het Hof onderzoekt dus het in het geding zijnde verschil in behandeling slechts in het licht van de procedurale regeling die is ingevoerd ten aanzien van de vergoedingen bedoeld in artikel 1410, § 1, 4° en 5°, van het Gerechtelijk Wetboek.

B.4.1. In het wetsontwerp dat heeft geleid tot de wet van 14 januari 1993 « tot wijziging van titel I, voorafgaande regels, en titel III, gedwongen tenuitvoerlegging, van deel V van het Gerechtelijk Wetboek inzake het bewarend beslag en de middelen tot tenuitvoerlegging en tot wijziging van artikel 476 van de wet van 18 april 1851 betreffende het faillissement, de bankbreuk en het uitstel van betaling », waarbij artikel 1409bis werd ingevoegd in het Gerechtelijk Wetboek, bepaalde dat artikel dat de schuldenaar die niet beschikt over de in artikel 1409 van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde inkomsten, de noodzakelijke inkomsten kan behouden « die door de beslagrechter worden vastgesteld ». Die bepaling werd in de parlementaire voorbereiding als volgt verantwoord :

« Artikel 1409 voorziet alleen in de bescherming van de bedragen uitgekeerd aan personen die tegen loon onder het gezag van een ander persoon arbeid verrichten. Ook degenen die enkel over andere inkomsten, zonder bepaling van hun oorsprong, beschikken, moeten, naar het voorbeeld van de inkomsten bedoeld in artikel 1409, gevrijwaard worden tegen beslag » (Parl. St., Kamer, 1989-1990, nr. 1114/1, p. 5).

B.4.2. Tijdens de bespreking van het wetsontwerp kwam de vraag aan bod of het niet wenselijk zou zijn dat alle schuldenaars, ongeacht de oorsprong van hun inkomsten, aanspraak kunnen maken op de bescherming die voortvloeit uit artikel 1409 van het Gerechtelijk Wetboek (Parl. St., Kamer, 1989-1990, nr. 1114/6, pp. 7 en 15). Bijgevolg werd artikel 3 van het wetsontwerp, dat artikel 1409bis van het Gerechtelijk Wetboek invoegt, bij amendement vervangen door de bestaande tekst, luidens welke iedere aanspraak van een schuldenaar die niet beschikt over inkomsten zoals bedoeld in artikel 1409 van het Gerechtelijk Wetboek en die voor hem en zijn gezin de noodzakelijke inkomsten wenst te behouden, door de beslagrechter wordt beslecht overeenkomstig artikel 1408, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek. Dat amendement werd als volgt verantwoord :

« De geschillen met betrekking tot de toepassing van het voorgestelde artikel 1409bis, eerste lid, worden door de beslagrechter beslecht overeenkomstig de bij het voorgestelde artikel 1408, § 3, bepaalde procedure.

Aangezien het beslag op inkomsten gewoonlijk plaatsvindt bij wijze van derdenbeslag, gaat de duur van vijf dagen in op de dag van aanzegging van het derdenbeslag. Derhalve is het belangrijk dat de akte van derdenbeslag de voorgestelde artikelen 1409bis en 1408, § 3, overneemt.

De rechter kan de niet-vatbaarheid voor beslag waarop de schuldenaar zich krachtens het eerste lid kan beroepen, beperken in de tijd.

De schuldenaar moet een staat van zijn inkomsten voorleggen, zodat hij in geen enkel geval het voordeel van de voorgestelde bepaling geniet wanneer hij over nog andere inkomsten beschikt » (Parl. St., Kamer, 1989-1990, nr. 1114/4, p. 6).

B.4.3. Tijdens de bespreking in commissie werd hieraan nog het volgende toegevoegd :

« Artikel 3 bepaalt dat ook de schuldenaar die geen loon of weddetrekkende is, de voor hem en zijn gezin noodzakelijke inkomsten kan behouden.

Zoals gewijzigd door het Regeringsamendement nr. 18 (Stuk nr. 1114/4), bepaalt genoemd artikel daarenboven dat deze inkomsten worden berekend overeenkomstig de artikelen 1409 en 1411.

De beslagrechter kan evenwel de termijn tijdens welke deze inkomsten niet voor beslag vatbaar zijn beperken. Deze beperkte periode moet door de schuldenaar worden benut om een staat van zijn inkomsten voor te leggen. Zulks belet dat hij het voordeel van de voorgestelde bepalingen zou genieten, hoewel hij nog over andere inkomsten beschikt.

Sommige leden zijn van oordeel dat dit artikel een nieuwe discriminatie van de zelfstandigen inhoudt, vermits de rechter de bescherming van hun inkomsten kan beperken in de tijd. Zij wijzen er eveneens op dat heel wat bestuurders van ondernemingen ' pro forma ' een arbeidsovereenkomst met hun onderneming afsluiten en aldus een voordeliger sociaal statuut verwerven.

Voor de Staatssecretaris staat het vast dat de inkomsten van zelfstandigen minder gemakkelijk kunnen gekend zijn dan die van werknemers. Men kan dus niet gewagen van een discriminatie ten opzichte van loon- en weddetrekkenden, aangezien deze laatsten zich in een andere situatie bevinden.

Overigens vallen ook loon-en weddetrekkenden die andere inkomsten hebben, onder de bepalingen van dit artikel » (Parl. St., Kamer, 1989-1990, nr. 1114/6, pp. 29-30).

Hierop werd een amendement dat bepaalde dat de schuldenaar die niet over de bij artikel 1409 van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde inkomsten beschikt, voor zichzelf en zijn gezin de noodzakelijke inkomsten berekend overeenkomstig die bepaling mag behouden, ingetrokken en werd het in B.4.2 vermelde amendement aangenomen (ibid., p. 30).

B.5. Uit wat voorafgaat, vloeit voort dat de wetgever van oordeel was dat de schuldenaar die niet beschikt over de in artikel 1409 van dat Wetboek bedoelde inkomsten, de noodzakelijke inkomsten berekend overeenkomstig die bepaling vermag te behouden, maar dat een rechterlijke tussenkomst noodzakelijk is, onder meer om na te gaan of de schuldenaar in kwestie wel degelijk niet over andere inkomsten beschikt. Die afweging past in de algemene doelstelling van de wetgever die beoogt « een billijk evenwicht te bereiken tussen de kordaatheid waarvan de schuldeiser, die te maken heeft met de nalatigheid en soms met de oneerlijkheid van de schuldenaar, blijk mag geven en de rechtvaardige redelijkheid die men uit humanitair oogpunt moet betrachten » (Parl. St., Kamer, 1989-1990, nr. 1114/1, p. 1).

B.6.1. Het in het geding zijnde verschil in behandeling berust op de aard van de inkomsten in kwestie. Artikel 1410, § 1, 4° en 5°, van het Gerechtelijk Wetboek betreft, enerzijds, uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid en de invaliditeitsuitkeringen en, anderzijds, uitkeringen, renten en toelagen betaald krachtens de wetgeving op de vergoeding van de schade uit arbeidsongevallen of beroepsziekten. Het in het geding zijnde artikel 1409bis van het Gerechtelijk Wetboek betreft alle andere inkomsten dan die welke zijn vermeld in artikel 1409 van het Gerechtelijk Wetboek.

Wat inzonderheid de krachtens artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek geïnde schadevergoedingen betreft die, volgens het verwijzende rechtscollege onder de toepassingssfeer van artikel 1409bis van het Gerechtelijk Wetboek vallen, dient te worden vastgesteld dat die schadevergoedingen de door het slachtoffer geleden schade in zijn geheel vergoeden. Een schadevergoeding ter compensatie van het inkomensverlies dat te wijten is aan een arbeidsongeschiktheid ingevolge een ongeval van gemeen recht, zal derhalve de gederfde inkomsten integraal vergoeden. Ze beperkt zich evenwel niet daartoe maar betreft evenzeer de andere - morele of materiële - schade die het slachtoffer zou hebben geleden. Een dergelijke schadevergoeding wordt in beginsel niet periodiek maar in éénmaal uitbetaald. Bovendien valt niet uit te sluiten dat, op het ogenblik dat die schadevergoeding wordt betaald, de arbeidsongeschiktheid een einde heeft genomen, zodat het slachtoffer inmiddels opnieuw over andere inkomsten beschikt.

De in artikel 1410, § 1, 4° en 5°, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde uitkeringen, daarentegen, compenseren in de regel slechts een gedeelte van de door de uitkeringsgerechtigde gederfde arbeidsinkomsten. Ze worden periodiek en niet eenmalig betaald. Wanneer de arbeidsongeschiktheid of invaliditeit volledig zijn, kunnen zij bovendien niet worden gecombineerd met andere beroepsinkomsten.

B.6.2. In zoverre de wetgever, enerzijds, de schuldenaar die niet beschikt over inkomsten als bedoeld in artikel 1409 van het Gerechtelijk Wetboek, beoogt te beschermen en, anderzijds, zich ervan wil gewissen dat de schuldenaar in kwestie wel degelijk niet over andere inkomsten beschikt, streeft hij, mede gelet op het nagestreefde evenwicht - vermeld in B.5 - tussen schuldeisers en schuldenaren, een wettig doel na.

B.6.3. Het Hof dient evenwel nog na te gaan of de in het geding zijnde bepalingen evenredig zijn met het door de wetgever nagestreefde doel.

B.7.1. In dat verband dient te worden vastgesteld dat de schuldenaar die niet beschikt over inkomsten als bedoeld in artikel 1409 van het Gerechtelijk Wetboek, de beslagrechter kan vragen voor hem en zijn gezin de noodzakelijke inkomsten te behouden, overeenkomstig de procedure bepaald in artikel 1408, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek, luidens welke bepaling de schuldenaar-beslagene zijn opmerkingen op straffe van verval aan de gerechtsdeurwaarder dient mee te delen, hetzij op het tijdstip van het beslag, hetzij binnen vijf dagen na de betekening van de eerste akte van beslag. Die opmerkingen worden aangetekend in het proces-verbaal van beslaglegging waarvan de gerechtsdeurwaarder of de meest gerede partij een afschrift neerlegt ter griffie, waarop de beslagrechter de dag en het uur bepaalt van het onderzoek en de regeling van de moeilijkheden, de schuldeiser en de schuldenaar vooraf gehoord of opgeroepen.

B.7.2. Die procedure is niet van die aard dat de rechten van de schuldenaar-beslagene die een schadevergoeding geniet op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, op onevenredige wijze worden beperkt. Het is juist dat de betrokkene zijn opmerkingen op straffe van verval aan de gerechtsdeurwaarder dient mee te delen, hetzij op het tijdstip van het beslag, hetzij binnen vijf dagen na de betekening van de eerste akte van beslag. Die vereiste sluit evenwel aan bij de zorg van de wetgever om de geschillen inzake het beslag met de nodige spoed af te handelen en elk uitstel dienaangaande te vermijden. Het amendement dat tot artikel 1408, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek heeft geleid, werd als volgt verantwoord :

« Op grond van het amendement worden de geschillen inzake de niet-vatbaarheid voor beslag voor de beslagrechter gebracht volgens de gebruikelijke vorm - zijnde de artikelen 1219, § 2, tweede lid, 1582, vijfde lid, 1632 en 1646 van het Gerechtelijk Wetboek, waardoor iedere vertraging in de rechtspleging wordt voorkomen » (Parl. St., Kamer, 1989-1990, nr. 1114/4, p. 6).

Tijdens de bespreking van die bepaling in de Kamer van volksvertegenwoordigers hebben meerdere leden overigens de vrees geuit « dat de procedure meestal een dilatoir karakter zal hebben » (Parl. St., Kamer, 1989-1990, nr. 1114/6, p. 28). In de Senaat werd daar nog het volgende aan toegevoegd :

« Het zal vrij eenvoudig zijn om betwistingen te doen ontstaan waarover de beslagrechter zich zal moeten uitspreken al was het maar om een uitstel af te dwingen en de procedures aldus af te remmen, om de kosten op te drijven en de schuldeisers te ontmoedigen » (Parl. St., Senaat, B.Z. 1991-1992, nr. 353/2, p. 8).

B.7.3. Overigens bepaalt artikel 1502 van het Gerechtelijk Wetboek dat in het exploot van uitvoerend beslag op roerend goed op straffe van nietigheid de tekst van artikel 1408, § 3, van datzelfde Wetboek dient te worden opgenomen. Aldus is het de schuldenaar-beslagene genoegzaam bekend dat hij zijn opmerkingen op straffe van verval aan de gerechtsdeurwaarder dient mee te delen, hetzij op het tijdstip van het beslag, hetzij binnen vijf dagen na de betekening van de eerste akte van beslag.

B.8. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het hof

zegt voor recht :

Artikel 1409bis van het Gerechtelijk Wetboek schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het niet op automatische wijze de volledige of gedeeltelijke onvatbaarheid voor beslag oplegt voor de inkomsten die in die bepaling worden beoogd en overeenkomstig de artikelen 1409, § 1, en 1411 van hetzelfde Wetboek worden berekend.

Aldus uitgesproken in het Frans en in het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 31 mei 2011.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De Voorzitter,

R. Henneuse.

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag betreffende artikel 1409bis van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door het Hof van Beroep te Luik. Gerechtelijk recht

  • Beslag

  • Beperking

  • Schadevergoeding ter compensatie van een inkomensverlies te wijten aan een arbeidsongeschiktheid

  • Geen automatisme.