- Arrest van 31 mei 2011

31/05/2011 - 94/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

De artikelen 142 en 143, 6°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet in zoverre zij het niet mogelijk maken om, teneinde het nettobedrag van de bestaansmiddelen van het kind ten laste vast te stellen, de wezenrenten niet in aanmerking te nemen onder dezelfde voorwaarden als die waarin voor de onderhoudsuitkeringen is voorzien.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey en F. Daoût, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter R. Henneuse,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij vonnis van 27 mei 2010 in zake Béatrice Quievy tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 9 juni 2010, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Luik de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schenden de artikelen 142 en 143, 6°, van het WIB 92 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre, teneinde het nettobedrag van de bestaansmiddelen vast te stellen dat wordt bedoeld in artikel 142 van het WIB 92 en dat in aanmerking wordt genomen om de hoedanigheid te beoordelen van het kind ten laste in de zin van artikel 136 van het WIB 92, dat bedrag de wezenrenten bevat die worden toegekend aan de kinderen van een ouder die weduwnaar of weduwe is, terwijl het de onderhoudsuitkeringen uitsluit die worden bedoeld in artikel 90, 3°, van het WIB 92 en die met name ten goede komen aan de kinderen van een echtgescheiden of gescheiden ouder ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1.1. De artikelen 142 en 143, 6°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna : WIB 1992) bepalen, in de redactie ervan die gold tijdens het aanslagjaar 2007 waarop het geschil voor de verwijzende rechter betrekking heeft :

« Art. 142. Onder nettobedrag van de bestaansmiddelen wordt verstaan het brutobedrag daarvan verminderd met de kosten die de belastingplichtige verantwoordt gedurende het belastbare tijdperk te hebben gedaan of gedragen om die middelen te verkrijgen of te behouden.

Bij gebrek aan bewijskrachtige gegevens worden de aftrekbare kosten vastgesteld op 20 pct. van het brutobedrag van de bestaansmiddelen. Wanneer die bestaansmiddelen bestaan in bezoldigingen van werknemers of in baten, bedragen de aftrekbare kosten ten minste 360 EUR ».

« Art. 143. Voor het vaststellen van het nettobedrag van de bestaansmiddelen komen niet in aanmerking :

[...]

6° de uitkeringen vermeld in artikel 90, 3°, die zijn toegekend aan kinderen tot beloop van 2.610 EUR per jaar ».

B.1.2. Artikel 90, 3°, van het WIB 1992 bepaalt :

« Diverse inkomsten zijn :

[...]

3° onderhoudsuitkeringen die aan de belastingplichtige regelmatig zijn toegekend door personen van wier gezin hij geen deel uitmaakt, wanneer ze worden toegekend ter uitvoering van een verplichting op grond van het Burgerlijk of het Gerechtelijk Wetboek of van de wet van 23 november 1998 tot invoering van de wettelijke samenwoning, zomede kapitalen die zulke uitkeringen vervangen ».

B.2. De prejudiciële vraag heeft betrekking op de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van het verschil in behandeling dat de voormelde bepalingen teweegbrengen tussen de belastingplichtigen met kinderen ten laste, naargelang die belastingplichtigen uit de echt gescheiden echtgenoten of weduwen of weduwnaars zijn : terwijl artikel 143, 6°, bepaalt dat het bedrag aan onderhoudsuitkeringen dat aan de kinderen van de eerstgenoemden ten goede komt, niet in aanmerking wordt genomen om het bedrag van de bestaansmiddelen vast te stellen die die kinderen genieten en op grond waarvan zij al dan niet als kind ten laste in de zin van artikel 136 van het WIB 1992 kunnen worden erkend en zij het hun ouders aldus al dan niet mogelijk maken de in artikel 132 van hetzelfde Wetboek bedoelde belastingvrijstelling voor personen ten laste te genieten, voorziet hetzelfde artikel 143, 6°, niet in een dergelijke regeling voor de bedragen van de wezenrenten die ten goede komen aan de kinderen van belastingplichtigen die weduwe of weduwnaar zijn, die bijgevolg niet over dezelfde mogelijkheden inzake belastingvrijstelling beschikken.

B.3.1. Artikel 143, 6°, is in het WIB 1992 ingevoegd bij artikel 29 van de wet van 10 augustus 2001 houdende hervorming van de personenbelasting. Die wet had met name tot doel beter rekening te houden met de kinderen ten laste wat betreft de belastingplichtigen die fiscaal als alleenstaanden worden beschouwd (Parl. St., Kamer, 2000-2001, DOC 50-1270/001, p. 7). Het voormelde artikel 29 is zelf ontstaan uit een amendement dat als volgt werd verantwoord :

« De regelmatig ontvangen onderhoudsgelden worden in aanmerking genomen om na te gaan of de bestaansmiddelen van een persoon die als ten laste kan worden aangemerkt, het in artikel 136, WIB 92 vastgelegde maximum niet overschrijden. De eventuele combinatie met een vakantiejob leidt in vele gevallen tot het overschrijden van de maximaal toegelaten grens. De verhoging van het maximum ingevolge artikel 141, WIB 92 biedt tot op zekere hoogte een oplossing voor kinderen die ten laste zijn van fiscaal alleenstaanden.

Wanneer een ouder die het hoederecht heeft opnieuw huwt en het kind geniet verder een onderhoudsgeld, is het kind in vele gevallen niet meer ten laste omdat de in artikel 141, WIB 92 vermelde verhoging niet van toepassing is. Om aan deze anomalie een einde te stellen, wordt het bedrag van het onderhoudsgeld dat een kind geniet in principe niet meer als bestaansmiddel in aanmerking genomen. Het is echter niet de bedoeling dat de maatregel, die in wezen sociaal is, tot onbeperkte voordelen leidt. Om die reden wordt er een grens ingesteld. Dit komt hierop neer dat slechts de eerste schijf van maximaal 1.800 EUR per jaar niet als bestaansmiddel wordt aangemerkt » (ibid., DOC 50 - 1270/004, p. 3).

B.3.2. Dat amendement werd aangenomen terwijl een amendement « [waarachter] dezelfde filosofie [...] schuil gaat », werd verworpen (ibid., DOC 50 - 1270/006, p. 96). In het verslag aan de Kamer van volksvertegenwoordigers wordt in verband met het verworpen amendement vermeld :

« [Een lid] [...] verwijst [...] naar het advies van het Adviescomité voor Maatschappelijke Emancipatie betreffende de discriminatie tussen mannen en vrouwen op het vlak van de inkomstenbelasting (DOC 50 1187/001). Daar is onder meer de idee geopperd om, binnen bepaalde perken, het voor een kind betaalde onderhoudsgeld niet mee te rekenen bij het bepalen van zijn belastbaar inkomen wanneer het arbeid (bijvoorbeeld vakantiewerk) verricht.

De minister vreest dat het vrijstellen van belasting van de onderhoudsgelden een nieuwe discriminatie in het leven zou roepen ten opzichte van de wezenrente » (ibid., p. 95).

B.4.1. De wezenrente die, zoals te dezen, krachtens een pensioenplan, door de werkgever van zijn overleden ouder aan de wees wordt toegekend, strekt ertoe het verlies dat het overlijden van die ouder inhoudt, op materieel vlak te compenseren en het de begunstigde mogelijk te maken ondanks dat overlijden in zijn bestaansbehoeften te blijven voorzien.

Zij vertoont in dat opzicht weliswaar een punt van overeenkomst met de in het in het geding zijnde artikel 143, 6°, bedoelde onderhoudsuitkeringen die worden toegekend ingevolge de echtscheiding of de scheiding van de ouders van de begunstigde.

B.4.2. Daaruit volgt niet dat de wetgever ertoe zou zijn gehouden de betrokken belastingplichtigen op identieke wijze te behandelen. Het behoort immers tot zijn beoordelingsbevoegdheid alle bepalingen die op hen van toepassing zijn en het gevolg dat zij voor hun situatie hebben, in aanmerking te nemen. Te dezen vermocht hij te oordelen dat de verhoogde kinderbijslag waarin voor de weeskinderen is voorzien en die, zoals de Ministerraad aangeeft, hoger is dan die waarin is voorzien voor de kinderen die tot een eenoudergezin behoren (zoals de kinderen van wie de ouders echtgescheiden of gescheiden zijn) - via artikel 143, 1°, van het WIB 1992, dat bepaalt dat de kinderbijslag niet in aanmerking wordt genomen om het nettobedrag van de bestaansmiddelen vast te stellen die het kind geniet dat de belastingplichtige ten laste heeft - ertoe leidt dat aan de belastingplichtige die weduwe of weduwnaar is en een kind ten laste heeft, een voordeel wordt verleend dat de echtgescheiden of gescheiden belastingplichtige die ook een kind ten laste heeft, niet geniet. Er kan derhalve worden aangenomen dat de in het geding zijnde bepalingen op algemene wijze een evenwicht tussen beide situaties kunnen herstellen.

Het overlevingspensioen toegekend aan de wezen, in de publieke sector, op grond van de artikelen 9 en volgende van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen, is overigens op dat vlak onderworpen aan hetzelfde fiscale stelsel.

B.5. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

De artikelen 142 en 143, 6°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet in zoverre zij het niet mogelijk maken om, teneinde het nettobedrag van de bestaansmiddelen van het kind ten laste vast te stellen, de wezenrenten niet in aanmerking te nemen onder dezelfde voorwaarden als die waarin voor de onderhoudsuitkeringen is voorzien.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 31 mei 2011.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

R. Henneuse.

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag betreffende de artikelen 142 en 143, 6°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Luik. Fiscaal recht

  • Inkomstenbelastingen

  • Personenbelasting

  • 1. Onderhoudsuitkeringen

  • Aftrek

  • 2. Wezenrenten

  • Geen aftrek.