- Arrest van 16 juni 2011

16/06/2011 - 104/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Artikel 1675/7, § 2, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek schendt de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet niet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en R. Henneuse, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey en P. Nihoul, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij arrest van 21 juni 2010 in zake de nv « Centrale Kredietverlening » tegen A.V. en anderen, in aanwezigheid van de nv « Mobistar » en anderen, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 29 juni 2010, heeft het Arbeidshof te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 1675/7, § 2, 2° [lees : tweede lid], Ger.W. het gelijkheidsbeginsel, neergelegd in de art. 10 en 11 van de Grondwet en het recht een menswaardig leven te leiden, neergelegd in artikel 23 van de Grondwet,

- in zoverre het de schuldbemiddelingsrechter kennelijk verbiedt om op voorstel van de schuldbemiddelaar in het belang van de boedel en rekening houdend met de menselijke waardigheid van de schuldenaars, de opportuniteit van de verkoop te beoordelen, en te voorzien in een uitstel of afstel van de verkoop in het belang van de boedel,

- terwijl artikel 25, derde lid, van de Faillissementswet van 8 augustus 1997 de curator wel de mogelijkheid geeft om een dergelijke beoordeling voor te leggen aan de rechter-commissaris,

dan wanneer mag aangenomen worden dat een handelaar die een faillissement aanvraagt, een grotere kennis heeft over financiële aangelegenheden en de noodzaak van het nemen van tijdige maatregelen dan een natuurlijke persoon, die geen koopman is en niet in staat is om op duurzame wijze zijn opeisbare of nog [te] vervallen schulden te betalen ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling

B.1. De prejudiciële vraag betreft artikel 1675/7, § 2, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek.

B.2. Artikel 1675/7, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals ingevoegd bij artikel 2 van de wet van 5 juli 1998 betreffende de collectieve schuldenregeling en de mogelijkheid van verkoop uit de hand van de in beslag genomen onroerende goederen en zoals gewijzigd bij artikel 7 van de wet van 13 december 2005 houdende bepalingen betreffende de termijnen, het verzoekschrift op tegenspraak en de procedure van collectieve schuldregeling, bepaalt :

« Alle middelen van tenuitvoerlegging die strekken tot betaling van een geldsom worden geschorst. De reeds gelegde beslagen behouden echter hun bewarende werking.

Indien de dag van de gedwongen verkoop van de in beslag genomen roerende of onroerende goederen reeds vóór de beschikking van toelaatbaarheid was bepaald en door aanplakking bekendgemaakt, geschiedt deze verkoop voor rekening van de boedel.

Ten aanzien van personen die een persoonlijke zekerheid hebben toegestaan om een schuld van de schuldenaar te waarborgen, worden de middelen van tenuitvoerlegging geschorst tot de homologatie van de minnelijke aanzuiveringsregeling, tot de neerlegging van het in artikel 1675/11, § 1, bedoelde proces-verbaal of tot de verwerping van de aanzuiveringsregeling.

Ten aanzien van personen die de in artikel 1675/16bis, § 2, bedoelde verklaring hebben neergelegd, worden de uitvoeringsmaatregelen geschorst tot de rechter uitspraak heeft gedaan over de bevrijding ».

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de prejudiciële vraag

B.3.1. De Ministerraad voert aan dat de prejudiciële vraag geen antwoord behoeft omdat de in het geding zijnde bepaling niet van toepassing zou zijn op het geschil voor het verwijzende rechtscollege.

B.3.2. In de regel komt het de verwijzende rechter toe de normen vast te stellen die toepasselijk zijn op het hem voorgelegde geschil. Wanneer evenwel aan het Hof bepalingen worden voorgelegd die klaarblijkelijk niet op het bodemgeschil kunnen worden toegepast, onderzoekt het Hof de grondwettigheid van zulke bepalingen niet.

B.3.3. Te dezen stelt het verwijzende rechtscollege vast dat de in het geding zijnde bepaling hem verhindert uitstel of afstel van de gedwongen verkoop toe te staan. Het antwoord op de vraag die door het verwijzende rechtscollege is gesteld, is bijgevolg niet klaarblijkelijk zonder nut voor de oplossing van het geschil dat hem is voorgelegd.

B.3.4. De exceptie wordt verworpen.

Ten gronde

B.4. Het verwijzende rechtscollege vraagt of artikel 1675/7, § 2, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek bestaanbaar is met, enerzijds, het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie en, anderzijds, het recht een menswaardig leven te leiden.

Wat het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie betreft

B.5.1. Het Hof wordt gevraagd zich uit te spreken over het verschil in behandeling dat zou bestaan tussen, enerzijds, de persoon die een collectieve schuldenregeling verkrijgt en, anderzijds, de handelaar die failliet wordt verklaard : terwijl een rechter geen uitstel of afstel kan toestaan van de gedwongen verkoop van de in beslag genomen roerende of onroerende goederen van de eerste categorie van personen, kan, luidens artikel 25, derde lid, van de faillissementswet, de rechter-commissaris op verzoek van de curator uitstel of afstel toestaan van de gedwongen verkoop van de in beslag genomen roerende en onroerende goederen van de tweede categorie van personen.

Artikel 25 van de faillissementswet bepaalt :

« Het vonnis van faillietverklaring doet elk beslag gelegd ten verzoeke van de gewone en algemeen bevoorrechte schuldeisers ophouden.

Indien de dag van de gedwongen verkoop van de in beslag genomen roerende of onroerende goederen reeds voor dat vonnis was bepaald en door aanplakking bekendgemaakt, geschiedt die verkoop voor rekening van de boedel.

Wanneer evenwel het belang van de boedel het vereist, kan de rechter-commissaris op verzoek van de curators uitstel of afstel van de verkoop toestaan ».

B.5.2. Uit het verwijzingsarrest blijkt dat te dezen de gedwongen verkoop van een onroerend goed geschiedt ter uitvoering van een door een hypothecaire schuldeiser gelegd beslag. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die hypothese.

B.6.1. Luidens artikel 1675/7, § 2, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek worden alle middelen van tenuitvoerlegging die strekken tot betaling van een geldsom geschorst vanaf de beschikking van toelaatbaarheid van de vordering tot het verkrijgen van een collectieve schuldenregeling. In de parlementaire voorbereiding van de wet van 5 juli 1998 werd hieromtrent het volgende verklaard :

« Gelet op de collectieve dimensie van de samenloop worden de uitvoeringsrechten van de individuele schuldeisers geschorst. Vanaf de uitspraak kan geen enkel bewarend of uitvoerend beslag worden gelegd. Bedoeld worden alle uitvoeringsmaatregelen op het vermogen van de schuldenaar die strekken tot de betaling van geldbedragen. Het gaat niet uitsluitend om bewarende en uitvoerende beslagen, maar ook bijvoorbeeld om de uitvoering van een overdracht van schuldvordering (bijvoorbeeld loonoverdracht) of een pandverzilvering » (Parl. St., Kamer, 1996-1997, nr. 1073/1, p. 30).

B.6.2. De in het geding zijnde bepaling vormt een uitzondering op die regel vermits de gedwongen verkoop van de in beslag genomen roerende of onroerende goederen niet wordt geschorst indien de dag van die verkoop reeds vóór de beschikking van toelaatbaarheid was bepaald en door aanplakking bekendgemaakt. In dat geval geschiedt de gedwongen verkoop voor rekening van de boedel.

B.7.1. In de memorie van toelichting van de wet van 5 juli 1998 werd de in het geding zijnde regeling uitdrukkelijk vergeleken met die welke is bepaald in artikel 25 van de faillissementswet. Daaromtrent werd het volgende verklaard :

« Ten opzichte van de tekst voorgelegd aan de Raad van State, kan men zich aan de volgende vraag verwachten : quid indien een tenuitvoerleggingsmaatregel op het punt staat zich te verwezenlijken op het ogenblik dat een verzoek voor collectieve schuldenregeling wordt ingediend ? Er bestaan bijzondere regels inzake faillissementen (bijvoorbeeld artikel 453 van het Wetboek van Koophandel en de overeenstemmende bepaling van artikel 25 van het wetsontwerp betreffende de faillissementen).

Inzake collectieve schuldenregeling, mag men niet vergeten dat de rechter toegang heeft tot het bestand van de beslagen en dat hij, alvorens uitspraak te doen over de toelaatbaarheid, noodzakelijkerwijs zulke inlichtingen zal inwinnen. Hier stelt zich de vraag naar zijn beoordelingsbevoegdheid bij het horen van de verzoeker (artikel 1028, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek). Het is moeilijk aanneembaar dat de collectieve aanzuiveringsregeling uitsluitend zou ingediend worden om het overigens onvermijdelijke verloop van een gedwongen uitvoeringsmaatregel tegen te werken.

Men moet er ook aan herinneren dat de schorsende werking slechts plaats heeft op de datum van de beslissing van toelaatbaarheid en niet op de datum van de indiening van het verzoekschrift.

Teneinde de minste twijfel terzake te vermijden, werd het wenselijk geacht, in navolging van wat het faillissementsrecht vermeldt, te voorzien dat ' indien de dag van de gedwongen verkoop van de in beslag genomen roerende of onroerende goederen reeds vóór de beschikking van toelaatbaarheid was bepaald en door aanplakking bekendgemaakt, geschiedt deze verkoop voor rekening van de boedel ' » (Parl. St., Kamer, 1996-1997, nr. 1073/1, p. 31).

B.7.2. Tijdens de bespreking van het wetsontwerp in de Kamer van volksvertegenwoordigers stelde een lid vast dat de in het geding zijnde bepaling lijkt in te houden dat de rechter zich niet kan uitspreken over de opportuniteit van de verkoop. Hij stelde daaromtrent de volgende vragen :

« Is het aangewezen dat in de in artikel 1675/7, § 2, tweede lid vermelde hypothese de verkoop een automatisme is ? Waarom (niet) ?

Indien niet, wat dient de draagwijdte van een opportuniteitscontrole te zijn en hoe moet zij worden geconcretiseerd ? » (Parl. St., Kamer, 1996-1997, nr. 1073/11, p. 45).

Dienaangaande vermeldt het verslag :

« De vice-eerste minister licht toe dat artikel 1675/7, § 2, tweede lid, geen afwijking inhoudt op de mogelijkheid van gedwongen verkoop van de roerende of onroerende goederen, indien de datum door aanplakking werd vastgelegd en bekendgemaakt. Het is de bedoeling te vermijden dat door een handeling op het laatste nippertje, de beslagene een onvermijdelijke gedwongen tegeldemaking probeert te vermijden waarvoor belangrijke kosten werden gedaan. Hij kan deze situatie perfect voorkomen door zijn vraag om collectieve schuldenregeling vroeger te formuleren.

Het is zo dat artikel 25, derde lid, van de wet op de faillissementen, bepaalt dat, indien het belang van de boedel het vereist, de rechter-commissaris, op verzoek van de curator, de toestemming kan geven om de verkoop uit te stellen of om ervan af te zien. De vice-eerste minister is niet overtuigd van het nut van deze bepaling in het kader van dit ontwerp » (ibid., pp. 45-46).

B.8.1. De procedure van collectieve schuldenregeling beoogt de financiële toestand van de schuldenaar met overmatige schuldenlast te herstellen, met name hem ertoe in staat te stellen voor zover mogelijk zijn schulden te betalen en tegelijkertijd te waarborgen dat hij zelf en zijn gezin een menswaardig leven kunnen leiden (artikel 1675/3, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek). De financiële toestand van de persoon met overmatige schuldenlast wordt in kaart gebracht, en de druk van de schuldeisers valt voor die persoon weg.

B.8.2. De wetgever had eveneens het evenwicht tussen de belangen van de schuldenaar en die van de schuldeisers voor ogen (Parl. St., Kamer, 1996-1997, nr. 1073/11, p. 20). Zo beoogt de procedure te bewerkstelligen dat de schuldeisers geheel of gedeeltelijk worden terugbetaald (Parl. St., Kamer, 1996-1997, nr. 1073/1, p. 12).

B.9. In zoverre de wetgever de belangen van de schuldeiser die beslag heeft laten leggen beoogt te beschermen door te vermijden dat zijn schuldenaar in extremis de gedwongen verkoop zou trachten af te wenden door een verzoek tot het verkrijgen van een collectieve schuldenregeling in te dienen, streeft hij een wettig doel na.

B.10.1. Artikel 25 van de faillissementswet regelt de gevolgen van het vonnis van faillietverklaring ten aanzien van « elk beslag gelegd ten verzoeke van de gewone en algemeen bevoorrechte schuldeisers ». Die bepaling betreft derhalve niet het beslag gelegd ten verzoeke van een hypothecaire schuldeiser.

Tijdens de parlementaire voorbereiding van de faillissementswet heeft de oorspronkelijke tekst van artikel 25 van het wetsontwerp, dat voornamelijk de tekst herhaalt van artikel 453 van het oude Wetboek van koophandel, het voorwerp uitgemaakt van een amendement vanwege de Regering dat ertoe strekte uitdrukkelijk te bevestigen dat de schuldeisers met een bijzonder voorrecht op het onroerend goed van de gefailleerde, zoals de hypothecaire schuldeiser, ontsnappen aan het toepassingsgebied van die bepaling :

« Het kan evenwel niet de bedoeling zijn de goederen waar een hypotheek of pand op rust of bijzonder bevoorrecht zijn te ontdoen van deze zekerheid en ze op te nemen in de boedel.

De uitvoeringsmaatregelen der hypothecaire, pandhoudende, en bijzonder bevoorrechte schuldeisers worden trouwens geregeld in specifieke bepalingen (artikel 25, 101, 133 en 134).

Het is daarom aangewezen in het eerste lid van artikel 24 te verduidelijken dat deze regeling uitsluitend de chirographaire en algemeen bevoorrechte schuldeisers betreft » (Parl. St., Kamer, 1995-1996, nr. 330/7, p. 11).

B.10.2. De rechter-commissaris kan ten aanzien van een onroerend beslag gelegd ten verzoeke van een hypothecaire schuldeiser niet, met toepassing van artikel 25 van de faillissementswet, op verzoek van de curators uitstel of afstel van de gedwongen verkoop toestaan.

B.10.3. Gelet op het feit dat te dezen de gedwongen verkoop van een onroerend goed geschiedt ter uitvoering van een door een hypothecaire schuldeiser gelegd beslag is het verschil in behandeling waaromtrent het Hof wordt ondervraagd onbestaande : net zoals in het geval van de collectieve schuldbemiddeling de arbeidsrechtbank de gedwongen verkoop van een onroerend goed ter uitvoering van een door een hypothecaire schuldeiser gelegd beslag niet kan uitstellen of afgelasten wanneer de dag van die verkoop vóór de beschikking van toelaatbaarheid was bepaald en door aanplakking was bekendgemaakt, kan in het geval van een faillissement, de rechter-commissaris niet, met toepassing van artikel 25 van de faillissementswet, uitstel of afstel toestaan van de gedwongen verkoop van een onroerend goed ter uitvoering van een door een hypothecaire schuldeiser gelegd beslag.

B.11.1. De verkoop van de onroerende goederen van de gefailleerde wordt geregeld door artikel 100 van de faillissementswet, dat bepaalt :

« Indien er geen vervolgingen tot uitwinning van de onroerende goederen zijn begonnen voor de uitspraak van het faillietverklarend vonnis, kunnen alleen de curators tot de verkoop overgaan. De rechter-commissaris beveelt de verkoop op verzoek van de curators of van een hypothecaire schuldeiser. De vormen voorgeschreven in de artikelen 1190 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek worden in acht genomen.

De voorgaande bepalingen vinden geen toepassing op de eerst ingeschreven hypothecaire schuldeiser die na de neerlegging van het eerste proces-verbaal van verificatie van de schuldvorderingen het bezwaarde goed kan doen verkopen overeenkomstig de artikelen 1560 tot 1626 van het Gerechtelijk Wetboek. Wanneer het belang van de boedel het vereist en op voorwaarde dat een tegeldemaking van het bezwaarde goed kan worden verwacht die de hypothecaire schuldeisers niet benadeelt, kan de rechtbank evenwel op verzoekschrift van de curators, na de eerst ingeschreven hypothecaire schuldeiser bij gerechtsbrief te hebben opgeroepen, de schorsing van de tenuitvoerlegging bevelen voor een maximumtermijn van een jaar te rekenen van de faillietverklaring.

Indien onroerende goederen toebehoren aan de van goederen gescheiden gefailleerde en zijn echtgenote of echtgenoot, kan de rechtbank van koophandel de verkoop van deze onverdeelde goederen bevelen, met inachtneming van de rechten van de andere echtgenoot, en nadat deze behoorlijk is opgeroepen. De verkoping kan in dat geval plaatshebben op verzoek van de curators alleen.

Is het onroerend beslag ten kantore van de hypotheekbewaarder overgeschreven, dan kunnen de curators dat te allen tijde stuiten door, met machtiging van de rechtbank van koophandel, na oproeping van de gefailleerde, de in beslag genomen onroerende goederen, met inachtneming van dezelfde vormen, te doen verkopen. In dat geval doen zij ten minste acht dagen vooraf, plaats, dag en uur van de verkoping betekenen aan de vervolgende schuldeiser en aan de gefailleerde. Zodanige betekening wordt binnen dezelfde termijn aan alle ingeschreven schuldeisers gedaan aan de woonplaats die zij in het inschrijvingsborderel hebben gekozen ».

B.11.2. Uit die bepaling vloeit voort dat in het geval dat het exploot van onroerend beslag ten kantore van de hypotheekbewaarder is overgeschreven vóór de faillietverklaring, de hypothecaire schuldeiser de gedwongen verkoop kan voortzetten.

B.11.3. Ofschoon de curators het onroerend beslag, overeenkomstig artikel 100, laatste lid, van de faillissementswet, kunnen stuiten door zelf het met hypotheek bezwaarde onroerend goed te doen verkopen, kunnen zij de verkoop zelf als dusdanig niet afwenden door de rechter-commissaris te vragen uitstel of afstel van de gedwongen verkoop toe te staan.

B.11.4. Bijgevolg is ook in vergelijking met artikel 100 van de faillissementswet het verschil in behandeling onbestaande : noch de schuldbemiddelaar, noch de curator kunnen de verkoop van een onroerend goed dat het voorwerp uitmaakt van een onroerend beslag gelegd ten verzoeke van een hypothecaire schuldeiser, afwenden.

Wat het recht een menswaardig leven te leiden betreft

B.12. Artikel 23, eerste lid, van de Grondwet bepaalt dat ieder het recht heeft een menswaardig leven te leiden. Die bepaling preciseert niet wat dat recht, waarvan enkel het beginsel wordt uitgedrukt, impliceert, aangezien elke wetgever ermee is belast dat recht te waarborgen, overeenkomstig artikel 23, tweede lid, « rekening houdend met de overeenkomstige plichten ».

B.13. De bij de wet van 5 juli 1998 ingevoerde procedure van collectieve schuldenregeling heeft onder meer tot doel te waarborgen dat de schuldenaar en zijn gezin een menswaardig leven kunnen leiden (artikel 1675/3, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij artikel 2 van de voormelde wet van 5 juli 1998). Vermits luidens de in het geding zijnde bepaling de gedwongen verkoop geschiedt voor rekening van de boedel, kan de rechter erop toezien dat, in het kader van de minnelijke of de gerechtelijke aanzuivering, de opbrengst van de verkoop op dergelijke wijze worden aangewend dat het recht van de schuldenaar en van zijn gezin om een menswaardig leven te leiden niet in het gedrang worden gebracht.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 1675/7, § 2, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek schendt de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 16 juni 2011.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

M. Bossuyt.

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag betreffende artikel 1675/7, § 2, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door het Arbeidshof te Brussel. Gerechtelijk recht

  • Collectieve schuldenregeling

  • Procedure

  • Beschikking van toelaatbaarheid

  • Schorsing van de middelen van tenuitvoerlegging

  • Uitzondering

  • Gedwongen verkoop van in beslag genomen onroerende goederen. # Rechten en vrijheden

  • Recht om een menswaardig leven te leiden.