- Arrest van 16 juni 2011

16/06/2011 - 107/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Artikel 53, § 2, tweede en derde lid, van het decreet van het Vlaamse Gewest betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, zoals gewijzigd bij artikel 67, 2°, van het decreet van 21 november 2003, schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het rechtszekerheidsbeginsel, met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en R. Henneuse, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul en F. Daoût, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij arrest nr. 205.505 van 21 juni 2010 in zake Claude Fievez tegen het Vlaamse Gewest, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 30 juni 2010, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 53, § 2, tweede en derde lid, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, in die zin geïnterpreteerd dat de nieuwe regeling die het bevat met betrekking tot de vormvereisten voor het instellen van een administratief beroep door de gemachtigde ambtenaar en het college van burgemeester en schepenen ook van toepassing is op administratieve beroepen waarover opnieuw wordt beslist na een vernietigingsarrest van de Raad van State dat dateert van na de inwerkingtreding van deze nieuwe regeling en waarin een schending van de voordien geldende vormvereisten voor het instellen van een administratief beroep werd vastgesteld, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gecombineerd met het rechtszekerheidsbeginsel, met artikel 6 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden en met artikel 1 van het Eerste Protocol bij dat Verdrag, doordat een onderscheid wordt gemaakt tussen hen die het voordeel van een dergelijke rechterlijke beslissing ingevolge die regeling niet kunnen inroepen en hen die het voordeel van een andere rechterlijke beslissing kunnen inroepen ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1.1. Artikel 53, § 2, eerste, tweede en derde lid, van het decreet van het Vlaamse Gewest betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, bepaalt :

« Het college van burgemeester en schepenen alsook de gemachtigde ambtenaar kunnen bij de Vlaamse regering in beroep komen binnen dertig dagen na de ontvangst van de beslissing van de bestendige deputatie tot verlening van een vergunning. Dit beroep, evenals de termijn voor instelling van het beroep, schorst de vergunning. Het wordt tezelfder tijd ter kennis van de aanvrager en van de Vlaamse regering gebracht. Komt de gemachtigde ambtenaar in beroep, dan geeft deze daarvan bovendien kennis aan het college.

De kennisgeving aan de aanvrager bevat minstens :

1° op straffe van nietigheid een afschrift van het beroepschrift, waaruit blijkt op welke datum het beroep werd ingesteld en welke de redenen zijn waarop het beroep is gegrond, met eventuele bijlagen, opgesteld ter ondersteuning van dit beroep en die er een integrerend deel van uitmaken;

2° een inventaris van de overige stukken die aan de Vlaamse regering en niet aan de aanvrager worden toegezonden;

3° welke instantie het beroep bij de Vlaamse regering voorbereidend onderzoekt, dat hij op het adres van deze instantie kan vragen om gehoord te worden bij de Vlaamse regering of haar gemachtigde, om het dossier in te kijken en om er afschriften uit te bekomen. Indien de aanvrager, de Vlaamse regering of de instantie die het beroep bij de Vlaamse regering voorbereidend onderzoekt, vaststelt dat aan de verplichting van het eerste lid [lees : tweede lid], 2° en 3°, niet is voldaan, kan hieraan alsnog worden verholpen.

Onverminderd de definitieve rechterlijke beslissingen waarin schending van vormvoorschriften werd vastgesteld, is het voorgaand lid eveneens van toepassing op beroepen, ingesteld voor het van kracht worden van deze bepaling, en tevens op de beroepen waarover opnieuw zal worden beslist na een vernietigingsarrest van de Raad van State ».

B.1.2. De prejudiciële vraag heeft betrekking op het tweede en het derde lid van het voormelde artikel 53, § 2, die werden ingevoegd bij artikel 67, 2°, van het decreet van 21 november 2003.

Overeenkomstig artikel 70 van het genoemde decreet zijn die bepalingen op 8 februari 2004 in werking getreden.

B.2.1. Het Hof wordt ondervraagd over de bestaanbaarheid van die bepalingen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het rechtszekerheidsbeginsel, met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag, in zoverre het voormelde artikel 53, § 2, tweede en derde lid, in die zin wordt geïnterpreteerd dat de nieuwe regeling die het bevat met betrekking tot de vormvereisten voor het instellen van een administratief beroep door de gemachtigde ambtenaar en het college van burgemeester en schepenen, ook van toepassing is op administratieve beroepen waarover opnieuw wordt beslist na een vernietigingsarrest van de Raad van State dat dateert van na de inwerkingtreding van die nieuwe regeling en waarin een schending van de voordien geldende vormvereisten voor het instellen van een administratief beroep werd vastgesteld. Aldus zou een verschil in behandeling worden ingevoerd tussen degenen die zich ten gevolge van die regeling niet op het voordeel van een dergelijke rechterlijke beslissing kunnen beroepen en degenen die zich op het voordeel van een andere rechterlijke beslissing kunnen beroepen.

B.2.2. Het Hof beantwoordt de prejudiciële vraag in de interpretatie die door de verwijzende rechter aan de in het geding zijnde bepalingen wordt gegeven.

B.3. De parlementaire voorbereiding van de in het geding zijnde bepalingen vermeldt :

« Na artikel 53, § 2, eerste lid, worden twee leden toegevoegd.

De toe te voegen leden worden geschreven ingevolge de rechtspraak van de Raad van State, zoals deze werd uitgedrukt in het arrest nr. 47.820 van 09.06.94, inzake Beauprez.

In dit arrest werden de vormvoorschriften na te leven door de gemachtigde ambtenaar of het college van burgemeester en schepenen beschreven als volgt : ' artikel 55, § 2, eerste lid, van de stedenbouwwet legt aan de gemachtigde ambtenaar de verplichting op het beroepsschrift zelve ter kennis te brengen van de aanvrager. Alleen de kennisgeving van het beroepsschrift stelt de aanvrager in de gelegenheid na te gaan of het beroep van de gemachtigde ambtenaar regelmatig werd ingesteld. De mededeling van het beroepsschrift licht de aanvrager in over de datum van het beroep, de overheid bij dewelke het is ingesteld, of het op redenen is gesteund en welke die redenen zijn '.

Omdat de rechtspraak niet enkel de in het arrest Beauprez opgesomde vormvoorschriften heeft gehanteerd, worden een aantal knelpunten opgelost omdat de noodzaak werd aangevoeld de door de rechtspraak aan § 2 verbonden vormvoorschriften opnieuw te bepalen en te detailleren. Deze ingreep gaat in op bepaalde evoluties in de rechtspraak van de Raad van State.

In het arrest nr. 33.645 van 19 december 1989, inzake Scheers oordeelde de Raad van State dat uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 22 december 1970 die o.m. artikel 55 van de wet van 29 maart 1962 grondig heeft gewijzigd, blijkt dat het horen van de vergunningaanvrager, van het college van burgemeester en schepenen dat de oorspronkelijke beslissing heeft genomen en de territoriaal bevoegde gemachtigde ambtenaar, bedoeld is als een middel om in twee trappen van beroep de gelegenheid te geven tot een behandeling van de aanvraag op tegenspraak, waarbij genoemde partijen op gelijke voet worden gesteld.

Om die reden moet volgens de Raad van State de aanvrager over dezelfde informatie beschikken als de twee andere partijen in de zaak.

Volgens deze rechtspraak brengt het recht om gehoord te worden voor de aanvrager mee dat hij het recht heeft op inzage van de stukken van het dossier die bij de beoordeling van de aanvraag en bij de besluitvorming hierover betrokken dienen te worden, en alleszins van die welke argumenten uiteenzetten tegen de afgifte van de gevraagde vergunning, om zo in de gelegenheid te worden gesteld op een nuttige wijze gebruik te maken van het hem door artikel 55 van de wet van 29 maart 1962 toegekende recht om voor de minister of zijn gemachtigde voor zijn belangen op te komen.

Om te voldoen aan de door het arrest Scheers gestelde voorwaarden, worden door de instantie die beroep instelt een aantal aanvullende gegevens aan de aanvrager medegedeeld :

' 2° een inventaris van de overige stukken die aan de Vlaamse regering en niet aan de aanvrager worden toegezonden;

3° welke instantie het beroep bij de Vlaamse regering voorbereidend onderzoekt, dat hij op het adres van deze instantie kan vragen om gehoord te worden bij de Vlaamse regering of haar gemachtigde, om het dossier in te kijken en om er afschriften uit te bekomen. '.

Deze gegevens laten de aanvrager toe om zich met volledige kennis van zaken te verdedigen tijdens de hoorzitting.

Tot op heden heeft de rechtspraak niet aanvaard dat gebreken in procedures gericht op tegensprekelijke behandeling van aanvragen om stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunningen, door het bestuur kunnen worden rechtgezet. (R.v.St., nr. 50.555 van 1 december 1994, inzake Vandecasteele).

Omdat voor dergelijke rechtzettingen geen steun te vinden is in de rechtspraak van de Raad van State, is het noodzakelijk via een decreetvoorschrift in die mogelijkheid te voorzien.

Daarom wordt in een derde lid in die mogelijkheid voorzien. Er wordt ook bepaald dat dit ook kan voor reeds aanhangig gemaakte beroepen waarover nog niet is beslist. En ook wordt de mogelijkheid voorzien voor de beroepen waarover opnieuw zal worden beslist na een toekomstig vernietigingsarrest van de Raad van State » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2002-2003, nr. 1800/1, p. 25).

B.4. Op grond van de in het geding zijnde bepalingen kunnen bepaalde gebreken bij de kennisgeving van het beroepschrift aan de aanvrager worden verholpen. Uit de voormelde parlementaire voorbereiding blijkt dat die bepalingen werden aangenomen ten gevolge van de rechtspraak van de Raad van State volgens welke bepaalde vormgebreken niet door de overheid kunnen worden rechtgezet.

Die gebreken worden limitatief opgesomd : geen inventaris van de overige stukken die aan de Vlaamse Regering en niet aan de aanvrager worden toegezonden; geen mededeling van de instantie die het beroep bij de Vlaamse Regering voorbereidend onderzoekt; geen mededeling dat de aanvrager op het adres van die instantie kan vragen om te worden gehoord, het dossier in te kijken en er afschriften van te verkrijgen (artikel 53, § 2, tweede lid, 2° en 3°).

Onverminderd de definitieve rechterlijke beslissingen, is die regeling van toepassing, niet alleen op administratieve beroepen die vanaf 8 februari 2004 worden ingesteld, maar tevens op eerder ingestelde beroepen waarover de bevoegde minister zich nog dient uit te spreken, alsook op eerder ingestelde beroepen die hebben geleid tot een besluit dat vervolgens door de Raad van State werd vernietigd en waarover de bevoegde minister zich opnieuw dient uit te spreken (artikel 53, § 2, derde lid). De prejudiciële vraag heeft betrekking op het laatstvermelde geval.

B.5. De verzoekende partij in het bodemgeschil betoogt, in hoofdorde, dat de in het geding zijnde bepalingen die terugwerkende kracht zouden hebben, zouden ingrijpen in rechterlijke beslissingen die in kracht van gewijsde zijn gegaan. In ondergeschikte orde is zij van oordeel dat die retroactieve bepalingen zouden toelaten dat in hangende rechtsgedingen wordt ingegrepen, terwijl geen uitzonderlijke omstandigheden of dwingende motieven van algemeen belang voorhanden zouden zijn die zulk een ingreep kunnen verantwoorden.

Ten aanzien van de werking in de tijd van de in het geding zijnde bepalingen

B.6.1. De in het geding zijnde bepalingen zijn op 8 februari 2004, tien dagen na de bekendmaking van het decreet van 21 november 2003 in het Belgisch Staatsblad van 29 januari 2004, in werking getreden. Zij bevatten geen overgangsmaatregelen met betrekking tot de reeds vóór de inwerkingtreding ervan ingediende en nog hangende beroepen en zijn derhalve overeenkomstig de algemene principes die de werking van rechtsnormen in de tijd beheersen van onmiddellijke toepassing.

Een regel kan slechts als retroactief worden gekwalificeerd wanneer hij van toepassing is op feiten, handelingen en toestanden die definitief waren voltrokken op het ogenblik dat hij in werking is getreden.

B.6.2. De in het geding zijnde bepalingen voeren, gelet op het tijdstip waarop zij uitwerking hebben - te dezen 8 februari 2004 -, een onderscheid in tussen personen die betrokken zijn bij rechtstoestanden die onder het toepassingsgebied van de vroegere regeling vielen en personen die betrokken zijn bij rechtstoestanden die onder het toepassingsgebied van de nieuwe regeling vallen. Een dergelijk onderscheid maakt geen schending uit van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Elke wetswijziging zou onmogelijk worden indien zou worden aangenomen dat een nieuwe bepaling die grondwetsartikelen zou schenden om de enkele reden dat zij de toepassingsvoorwaarden van de vroegere wetgeving wijzigt, om de enkele reden dat zij de berekeningen in de war zou sturen van diegenen die op de vroegere situatie zijn voortgegaan of om de enkele reden dat zij de verwachtingen van een partij in een rechtsgeding zou dwarsbomen.

B.6.3. Indien de decreetgever een beleidswijziging noodzakelijk acht, vermag hij te oordelen dat zij met onmiddellijke ingang moet worden doorgevoerd en is hij in beginsel niet ertoe gehouden in een overgangsregeling te voorzien. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet zijn slechts geschonden indien de overgangsregeling of de ontstentenis daarvan tot een verschil in behandeling leidt waarvoor geen redelijke verantwoording bestaat of indien aan het vertrouwensbeginsel op buitensporige wijze afbreuk wordt gedaan. Dat laatste is het geval wanneer de rechtmatige verwachtingen van een bepaalde categorie van rechtsonderhorigen worden miskend zonder dat een dwingende reden van algemeen belang voorhanden is die het ontbreken van een overgangsregeling kan verantwoorden.

B.6.4. Door erin te voorzien dat bepaalde gebreken bij de kennisgeving van het beroepschrift aan de aanvrager van een stedenbouwkundige vergunning kunnen worden verholpen, doen de in het geding zijnde bepalingen geen afbreuk aan rechtmatige verwachtingen die zouden opwegen tegen de doelstelling van de decreetgever om een efficiënt beleid inzake ruimtelijke ordening te voeren.

Bovendien beoogt de decreetgever enkel de limitatief opgesomde vormgebreken en laat hij de sanctie van de nietigheid onverlet, wanneer de kennisgeving aan de aanvrager geen afschrift van het beroepschrift bevat, waaruit blijkt op welke datum het beroep werd ingesteld en welke de redenen zijn waarop het beroep is gegrond, met eventuele bijlagen, opgesteld ter ondersteuning van dat beroep en die er een integrerend deel van uitmaken (artikel 53, § 2, tweede lid, 1°).

B.6.5. Uit wat voorafgaat volgt dat de in het geding zijnde bepalingen, doordat zij onmiddellijke werking hebben, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang met het rechtszekerheidsbeginsel, niet schenden.

Ten aanzien van de weerslag van de in het geding zijnde bepalingen op rechterlijke beslissingen die in kracht van gewijsde zijn gegaan

B.7.1. Volgens een fundamenteel beginsel van onze rechtsorde, kunnen de rechterlijke beslissingen niet worden gewijzigd dan ingevolge de aanwending van rechtsmiddelen. De in het geding zijnde bepalingen mogen in geen geval ertoe leiden rechterlijke beslissingen die in kracht van gewijsde zijn gegaan, in het geding te brengen. Indien zij een dergelijke doelstelling hebben, zouden zij de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden doordat zij aan een categorie van personen het voordeel van rechterlijke beslissingen die definitief zijn geworden, zouden ontzeggen, wat door geen enkele omstandigheid zou kunnen worden verantwoord. Het betreft immers een van de essentiële beginselen van de rechtsstaat.

B.7.2. Uit de inleidende zin van artikel 53, § 2, derde lid, - « Onverminderd de definitieve rechterlijke beslissingen waarin schending van vormvoorschriften werd vastgesteld, » - blijkt dat de in het geding zijnde maatregel geen toepassing kan vinden op rechterlijke beslissingen die in kracht van gewijsde zijn gegaan. Zulks wordt bevestigd door de in B.3 vermelde parlementaire voorbereiding van die bepaling : de maatregel geldt « voor reeds aanhangig gemaakte beroepen waarover nog niet is beslist », alsmede voor « beroepen waarover opnieuw zal worden beslist na een toekomstig vernietigingsarrest van de Raad van State ».

B.7.3. De decreetgever heeft dus duidelijk aangegeven dat het gezag van gewijsde van de rechterlijke beslissingen die zijn gewezen, met name door de Raad van State, niet opnieuw in het geding kan worden gebracht. Dat gezag van gewijsde strekt zich uit tot de motieven die de noodzakelijke ondersteuning vormen van het dispositief. Het verbiedt de overheid waarvan de akte is vernietigd, dezelfde akte weer aan te nemen zonder de afgekeurde onregelmatigheid recht te zetten.

Doordat het niet tot gevolg heeft het decreet toepasselijk te maken op de zaken die met een definitieve rechterlijke beslissing zijn afgesloten, noch een procedurefout te dekken die aanleiding heeft gegeven tot een vernietiging door de Raad van State, heeft artikel 53, § 2, derde lid, geen retroactieve werking en doet het geen afbreuk aan het gezag van gewijsde van arresten van de Raad van State die vóór de inwerkingtreding van die bepaling werden gewezen en waarbij een afwijzende administratieve beslissing over een stedenbouwkundige aanvraag nietig werd verklaard.

B.7.4. De toetsing aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het rechtszekerheidsbeginsel, met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag, leidt niet tot een ander besluit.

Ten aanzien van de weerslag van de in het geding zijnde bepalingen op hangende rechtsgedingen

B.8.1. Zoals het Hof reeds herhaaldelijk heeft geoordeeld, kan de vernietiging van een besluit door een rechtscollege wegens de schending van een substantiële vormvereiste bij de aanneming ervan, niet tot gevolg hebben dat de wetgever in de onmogelijkheid verkeert de hierdoor ontstane rechtsonzekerheid te verhelpen (zie o.a. arrest nr. 64/2008 van 17 april 2008, B.29.4 en B.47.4).

Het loutere bestaan van een beroep voor de Raad van State verhindert niet dat de onregelmatigheden waardoor de bestreden handeling zou kunnen zijn aangetast, zouden kunnen worden verholpen, zelfs vóór de uitspraak over dat beroep (zie o.a. arrest nr. 166/2008, B.13).

B.8.2. Artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt :

« Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen [...] heeft eenieder recht op een eerlijke [...] behandeling van zijn zaak [...] door een [...] rechterlijke instantie [...] ».

Die regel verzet zich tegen de inmenging van de wetgevende macht in de rechtsbedeling met de bedoeling om de uitkomst van een hangende jurisdictionele procedure te beïnvloeden, behalve om dwingende motieven van algemeen belang (EHRM, grote kamer, 28 oktober 1999, Zielinski en Pradal en Gonzalez en anderen t. Frankrijk, § 57; EHRM, 27 april 2004, Gorraiz Lizarraga en anderen t. Spanje, § 64; EHRM, grote kamer, 29 maart 2006, Scordino t. Italië, § 126; EHRM, 21 juni 2007, SCM Scanner de l'Ouest Lyonnais en anderen t. Frankrijk, § 28; EHRM, 17 juli 2008, Sarnelli t. Italië, § 34).

De gevolgen, de methode en het ogenblik van de inmenging van de wetgevende macht brengen het doel ervan aan het licht (EHRM, grote kamer, 28 oktober 1999, Zielinski en Pradal en Gonzalez en anderen t. Frankrijk, § 58; EHRM, 28 juni 2001, Agoudimos en Cefallonian Sky Shipping Co. t. Griekenland, § 31).

B.8.3. Zoals hiervoor reeds is gebleken, hebben de in het geding zijnde bepalingen geen retroactieve, maar wel onmiddellijke werking op de nog hangende beroepen met inbegrip van die waarover de administratieve overheid opnieuw uitspraak moet doen na vernietiging door de Raad van State. De decreetgever heeft bijgevolg geen afbreuk gedaan aan de rechtmatige verwachtingen van de in een rechtsgeding betrokken partijen.

Het optreden van de decreetgever kan niet worden geacht louter tot doel te hebben gehad de afloop van hangende rechtsgedingen te beïnvloeden, vermits de in B.3 vermelde parlementaire voorbereiding aantoont dat dit wetgevend optreden werd ingegeven door de bekommernis om, ingevolge de rechtspraak van de Raad van State, een evenwicht tot stand te brengen tussen, enerzijds, de rechten van de particulieren en, anderzijds, de opdracht van de overheid om zich uit te spreken over de beroepen inzake ruimtelijke ordening.

Bovendien toont het bestaan zelf van het beroep tot nietigverklaring dat de verzoekende partij bij de Raad van State heeft ingesteld en van de huidige procedure voor het Hof aan dat aan die partij niet haar recht op een jurisdictioneel beroep wordt ontzegd.

B.8.4. De toetsing aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het rechtszekerheidsbeginsel en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, leidt niet tot een ander besluit.

B.9. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 53, § 2, tweede en derde lid, van het decreet van het Vlaamse Gewest betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, zoals gewijzigd bij artikel 67, 2°, van het decreet van 21 november 2003, schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het rechtszekerheidsbeginsel, met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 16 juni 2011.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

M. Bossuyt.

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag over artikel 53, § 2, tweede en derde lid, van het decreet van het Vlaamse Gewest betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, zoals gewijzigd bij artikel 67, 2°, van het decreet van 21 november 2003, gesteld door de Raad van State. Bestuursrecht

  • Vlaams Gewest

  • Ruimtelijke ordening en stedenbouw

  • Stedenbouwkundige vergunning

  • Administratief beroep ingesteld door de gemachtigde ambtenaar of door het college van burgemeester en schepenen

  • Vormvereisten

  • 1. Kennisgeving van het beroepschrift aan de aanvrager van de vergunning

  • Verhelpen van limitatief opgesomde vormgebreken

  • 2. Wijziging van de wetgeving

  • a. Onmiddellijke toepassing op de nog hangende beroepen

  • Gewekt vertrouwen

  • b. Rechtszekerheid

  • c. Geen terugwerkende kracht.