- Arrest van 16 juni 2011

16/06/2011 - 108/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Artikel 41 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en R. Henneuse, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J. Spreutels en F. Daoût, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij vonnis van 16 juni 2010 in zake de nv « DKV Belgium » tegen « Ethias Gemeen Recht », waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 2 juli 2010, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Leuven de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 41 wet landverzekeringsovereenkomst [van 25 juni 1992], dat slechts een wettelijke indeplaatsstelling voorziet tegen aansprakelijke derden, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat de particuliere ziektekostenverzekeraar voor de vergoeding betaald aan een verzekerde, die het slachtoffer werd van een ongeval waarbij een motorrijtuig betrokken is, zich niet via wettelijke subrogatie kan beroepen op artikel 29bis WAM 1989 om zijn uitgaven te verhalen op de verzekeraar burgerlijke aansprakelijkheid van het betrokken motorrijtuig, terwijl andere derde betalers (waaronder het ziekenfonds op grond van artikel 136 § 2 ziv-wet 1994 en de arbeidsongevallenverzekeraars op grond van artikel 48ter arbeidsongevallenwet en artikel 14bis arbeidsongevallenwet overheidspersoneel) zich wel via wettelijke subrogatie kunnen beroepen op artikel 29bis WAM 1989 om hun uitgaven te verhalen op de verzekeraar burgerlijke aansprakelijkheid van het betrokken motorrijtuig ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1.1. Artikel 41 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst bepaalt :

« De verzekeraar die de schadevergoeding betaald heeft, treedt ten belope van het bedrag van die vergoeding in de rechten en rechtsvorderingen van de verzekerde of de begunstigde tegen de aansprakelijke derden.

Indien, door toedoen van de verzekerde of de begunstigde, de indeplaatsstelling geen gevolg kan hebben ten voordele van de verzekeraar, kan deze van hem de terugbetaling vorderen van de betaalde schadevergoeding in de mate van het geleden nadeel.

De indeplaatsstelling mag de verzekerde of de begunstigde, die slechts gedeeltelijk vergoed is, niet benadelen. In dat geval kan hij zijn rechten uitoefenen voor hetgeen hem nog verschuldigd is, bij voorrang boven de verzekeraar.

De verzekeraar heeft geen verhaal op de bloedverwanten in de rechte opgaande of nederdalende lijn, de echtgenoot en de aanverwanten in de rechte lijn van de verzekerde, noch op de bij hem inwonende personen, zijn gasten en zijn huispersoneel, behoudens kwaad opzet. In geval van kwaad opzet door minderjarigen kan de Koning het recht van verhaal beperken van de verzekeraar die de burgerrechtelijke aansprakelijkheid buiten overeenkomst met betrekking tot het privé-leven dekt.

De verzekeraar kan evenwel verhaal uitoefenen op de in het vorige lid genoemde personen, voor zover hun aansprakelijkheid daadwerkelijk door een verzekeringsovereenkomst is gedekt ».

Artikel 41, eerste lid, voorziet derhalve enkel in een wettelijke indeplaatsstelling in de rechten van de verzekerde of de begunstigde « tegen de aansprakelijke derden ».

B.1.2. Artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, zoals gewijzigd bij de wet van 19 januari 2001, bepaalt :

« § 1. Bij een verkeersongeval waarbij een of meer motorrijtuigen betrokken zijn, op de plaatsen bedoeld in artikel 2, § 1, wordt, met uitzondering van de stoffelijke schade en de schade geleden door de bestuurder van elk van de betrokken motorrijtuigen, alle schade geleden door de slachtoffers en hun rechthebbenden en voortvloeiend uit lichamelijke letsels of het overlijden, met inbegrip van de kledijschade, hoofdelijk vergoed door de verzekeraars die de aansprakelijkheid van de eigenaar, de bestuurder of de houder van de motorrijtuigen overeenkomstig deze wet dekken. Deze bepaling is ook van toepassing indien de schade opzettelijk werd veroorzaakt door de bestuurder.

Bij een verkeersongeval waarbij een motorrijtuig is betrokken dat aan spoorstaven is gebonden, rust de verplichting tot schadevergoeding die in het voorgaande lid is bepaald, op de eigenaar van het motorrijtuig.

[...]

§ 4. De verzekeraar of het gemeenschappelijk waarborgfonds treden in de rechten van het slachtoffer tegen de in gemeen recht aansprakelijke derden.

De vergoedingen, die ter uitvoering van dit artikel werden uitgekeerd, zijn niet vatbaar voor beslag of schuldvergelijking met het oog op de vordering van andere vergoedingen wegens het verkeersongeval.

§ 5. De regels betreffende de burgerrechtelijke aansprakelijkheid blijven van toepassing op alles wat niet uitdrukkelijk bij dit artikel wordt geregeld ».

Artikel 29bis verleent aan de slachtoffers (met uitzondering van de bestuurder van een motorrijtuig) en hun rechthebbenden een recht op vergoeding van de letselschade en schade uit overlijden die zij lijden door een verkeersongeval waarbij een motorrijtuig is betrokken. De vergoedingsplicht rust op de verzekeraar die de aansprakelijkheid dekt van de bestuurder, de eigenaar of de houder van het betrokken motorrijtuig, zonder dat de aansprakelijkheid van de bestuurder, eigenaar of houder moet worden aangetoond. Het betreft hier een van elk foutbegrip losgekoppelde verplichting van de verzekeraar.

B.2. Een door de particulier gesloten ziektekostenverzekering is een verzekering tot vergoeding van schade, in de zin van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst. Op grond van artikel 41 van die wet, wordt de verzekeraar door betaling aan de verzekerde, te dezen de particulier, gesubrogeerd in diens verhaalsrechten tegen de aansprakelijke derde, maar niet in diens verhaalsrechten tegen degene die is gehouden op grond van artikel 29bis van de wet van 21 november 1989.

B.3. Het Hof wordt gevraagd of artikel 41 van de wet van 25 juni 1992 bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat de private ziektekostenverzekeraar zich niet via wettelijke subrogatie kan beroepen op artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 om zo zijn uitgaven te verhalen op de verzekeraar burgerlijke aansprakelijkheid van het betrokken motorrijtuig, terwijl de in de prejudiciële vraag beoogde derde-betalers een wettelijke subrogatie genieten op grond van de bepalingen van de in die vraag genoemde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 en de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector.

B.4.1. Volgens de Ministerraad wordt geen onderscheid gemaakt tussen zaakschadeverzekeraars, aansprakelijkheidsverzekeraars en kostenverzekeraars voor wat betreft de draagwijdte van artikel 41, eerste lid, van de wet van 25 juni 1992, zodat er geen verschil in behandeling bestaat.

B.4.2. Alhoewel artikel 41, eerste lid, van de wet van 25 juni 1992 geen onderscheid maakt tussen de verschillende categorieën van derde-betalers, voorzien de bepalingen die op de in de prejudiciële vraag beoogde derde-betalers van toepassing zijn, in bijzondere stelsels.

B.5.1. Voor wat het ziekenfonds betreft, bepaalt artikel 136, § 2, van de voormelde gecoördineerde wet van 14 juli 1994 :

« De bij deze gecoördineerde wet bepaalde prestaties worden geweigerd indien voor de schade voortvloeiend uit ziekte, letsels, functionele stoornissen of overlijden, krachtens een andere Belgische wetgeving, een vreemde wetgeving of in het gemeen recht werkelijk schadeloosstelling is verleend. Belopen de bedragen welke krachtens die wetgeving of het gemeen recht worden verleend evenwel minder dan de prestaties van de verzekering, dan heeft de rechthebbende recht op het verschil ten laste van de verzekering.

Voor de toepassing van deze paragraaf is het bedrag van de door de andere wetgeving verleende prestaties gelijk aan het brutobedrag verminderd met het bedrag van de socialezekerheidsbijdragen welke op die prestaties worden ingehouden.

De prestaties worden, onder door de Koning bepaalde voorwaarden, toegekend in afwachting dat de schade effectief wordt vergoed krachtens een andere Belgische wetgeving, een vreemde wetgeving of het gemeen recht.

De verzekeringsinstelling treedt rechtens in de plaats van de rechthebbende; deze indeplaatsstelling geldt, tot beloop van het bedrag van de verleende prestaties, voor het geheel van de sommen die krachtens een Belgische wetgeving, een buitenlandse wetgeving of het gemeen recht verschuldigd zijn en die de in het eerste lid bedoelde schade geheel of gedeeltelijk vergoeden.

De overeenkomst die tot stand gekomen is tussen de rechthebbende en degene die schadeloosstelling verschuldigd is, kan niet tegen de verzekeringsinstelling worden aangevoerd zonder haar instemming.

Degene die schadeloosstelling verschuldigd is, verwittigt de verzekeringsinstelling van zijn voornemen om de rechthebbende schadeloos te stellen; hij maakt aan de verzekeringsinstelling, indien deze geen partij is, een kopij over van de tot stand gekomen akkoorden of gerechtelijke beslissingen. De verzekeringsmaatschappijen burgerlijke aansprakelijkheid worden gelijkgesteld met degene die schadeloosstelling is verschuldigd.

Indien degene die schadeloosstelling verschuldigd is, nalaat de verzekeringsinstelling in te lichten overeenkomstig het vorige lid, kan hij tegen laatstgenoemde de betalingen die hij verrichtte ten gunste van de rechthebbende niet aanvoeren; ingeval van dubbele betaling blijven deze definitief verworven in hoofde van de rechthebbende.

De verzekeringsinstelling heeft een eigen recht van terugvordering van de verleende prestaties tegenover het Gemeenschappelijk waarborgfonds bedoeld in artikel 49 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, in de gevallen bedoeld bij artikel 50 van diezelfde wet ».

Artikel 48ter van de voormelde wet van 10 april 1971 bepaalt :

« De verzekeringsonderneming en het Fonds voor arbeidsongevallen kunnen een rechtsvordering instellen tegen de verzekeringsonderneming die de aansprakelijkheid dekt van de eigenaar, de bestuurder of van de houder van het motorvoertuig of tegen het Gemeenschappelijk Waarborgfonds bedoeld in artikel 80 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen tot beloop van de krachtens artikel 48bis, § 1, gedane uitkeringen, de ermee overeenstemmende kapitalen, alsmede de bedragen en kapitalen bedoeld in de artikelen 51bis, 51ter en 59quinquies.

Ze kunnen die vordering instellen op dezelfde wijze als de getroffene of zijn rechthebbenden en worden gesubrogeerd in de rechten die de getroffene of zijn rechthebbenden bij niet-vergoeding overeenkomstig artikel 48bis, § 1, hadden kunnen uitoefenen krachtens artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen ».

Artikel 14bis, § 3, van de voormelde wet van 3 juli 1967 bepaalt :

« De in artikel 1 bedoelde rechtspersonen of instellingen alsook degenen die de in artikel 1bis bedoelde personeelscategorieën tewerkstellen kunnen een rechtsvordering instellen tegen de verzekeraar die de aansprakelijkheid dekt van de eigenaar, de bestuurder of de houder van het motorvoertuig of tegen het Gemeenschappelijk Waarborgfonds bedoeld in artikel 80 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, tot beloop van de krachtens § 1 gedane uitkeringen en de ermee overeenstemmende kapitalen.

Ze kunnen die vordering instellen op dezelfde wijze als het slachtoffer of zijn rechthebbenden en worden vervangen in de rechten die het slachtoffer of zijn rechthebbenden bij niet-vergoeding overeenkomstig § 1 hadden kunnen uitoefenen krachtens artikel 29bis van de voormelde wet van 21 november 1989 ».

B.5.2. Het voormelde artikel 136, § 2, vierde lid, voorziet in een subrogatie van de verzekeringsinstelling. Artikel 29bis van de wet van 21 november 1989, dat werd aangenomen om de zwakke weggebruiker te beschermen en de financiën van de ziekteverzekering te vrijwaren door de financiële last van de nieuwe regeling te laten dragen door de verzekeraars (Parl. St., Senaat, 1993-1994, nr. 980/3, pp. 4 en 6; Kamer, 1993-1994, nr. 1343/6, p. 2), bevatte in de oorspronkelijke bewoordingen ervan een analoge subrogatoire bepaling die ertoe strekte de regresvordering van de ziekenfondsen te waarborgen (Parl. St., Senaat, 1993-1994, nr. 980/3, pp. 11, 19, 20 en 41). Ook al is die bepaling later opgeheven gelet op het feit dat het voormelde artikel 136, § 2, reeds in die subrogatie voorzag, komt de combinatie van beide bepalingen tegemoet aan het doel van de wetgever om een regeling in te voeren voor de schadevergoeding van de zwakke weggebruikers die geen last vormt voor de instellingen van de ziekteverzekering.

B.5.3. Met de invoering van de artikelen 48bis en 48ter van de voormelde wet van 10 april 1971 en artikel 14bis van de voormelde wet van 3 juli 1967 wenste de wetgever, om een einde aan een controverse te maken, het optreden van de wetsverzekeraar te laten primeren op dat van de motorrijtuigverzekeraar (voormeld artikel 48bis ) en tegelijk het verhaal van die wetsverzekeraar of van het Fonds voor Arbeidsongevallen op die verzekeraar of het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds te regelen (voormelde artikelen 48ter en 14bis ). Op die manier was de onbeperkte cumulatie voortaan onmogelijk van de vergoeding betaald door de motorrijtuigenverzekeraar en de vergoeding op basis van de arbeidsongevallenwet (Parl. St., Kamer, 1995-1996, nr. 352/11, p. 19).

B.6.1. Rekening houdend met de bedoeling van de wetgever, is het redelijk verantwoord dat de private ziektekostenverzekeraar, in tegenstelling tot bepaalde derde-betalers, niet wettelijk wordt gesubrogeerd in de rechten van het verkeersslachtoffer ten aanzien van de aansprakelijkheidsverzekeraar van het motorrijtuig. De wetgever vermocht te voorzien in een mogelijkheid van verhaal voor de instellingen die, door deel te nemen aan de uitvoering van verplichte stelsels van de ziekte- en invaliditeitsverzekering of voor de vergoeding van arbeidsongevallen, geregeld door de overheid, bijdragen tot het bereiken van een doel van algemeen belang en zich daarmee onderscheiden van de verzekeringsinstellingen die, zoals te dezen, doelstellingen van privébelang nastreven.

B.6.2. Bovendien doet de in het geding zijnde bepaling, toegepast zoals aangegeven in B.4.2, niet op onevenredige wijze afbreuk aan de rechten van de private ziektekostenverzekeraar, nu voor hem steeds de mogelijkheid bestaat zich conventioneel te laten subrogeren in de rechten van de verzekerde (artikel 1250, 1°, van het Burgerlijk Wetboek) of de verzekerde te vragen de schuldvordering over te dragen (artikel 1690 van het Burgerlijk Wetboek).

B.7. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 41 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet op het Grondwettelijk Hof van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 16 juni 2011.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

M. Bossuyt.

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag betreffende artikel 41 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Leuven. Aansprakelijkheidsrecht

  • Verkeersongeval

  • Schadeloosstelling

  • 1. Door een private ziektekostenverzekeraar

  • Wettelijke subrogatie

  • Uitzondering

  • Ten aanzien van de motorrijtuigenverzekeraar en het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds

  • 2. Door het ziekenfonds, de wetsverzekeraar of het Fonds voor Arbeidsongevallen

  • Onbeperkte wettelijke subrogatie.