- Arrest van 23 juni 2011

23/06/2011 - 111/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof, beperkte kamer, met eenparigheid van stemmen uitspraak doende,

verwerpt het beroep tot vernietiging.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof, beperkte kamer,

samengesteld uit voorzitter R. Henneuse en de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging

Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 24 februari 2011 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 25 februari 2011, is beroep tot vernietiging van de wet van 2 november 2010 betreffende de deelneming van de Belgische Staat in de « European Financial Stability Facility » en het verlenen van de Staatswaarborg aan de door deze vennootschap uitgegeven financiële instrumenten (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 23 november 2010, derde editie) ingesteld door Frans Leens, wonende te 1180 Brussel, Stanleystraat 79, Raf Verbeke, wonende te 9040 Gent, Antwerpse Steenweg 80, Marie Rose Cavalier, wonende te 5334 Florée, chaussée de Dinant 35, en Joseph Meyer, wonende te 4780 Sankt Vith, Klosterstrasse 40.

Op 9 maart 2011 hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en T. Merckx-Van Goey, met toepassing van artikel 71, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, de voorzitter ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht aan het Hof, zitting houdend in beperkte kamer, voor te stellen een arrest te wijzen waarbij wordt vastgesteld dat het beroep tot vernietiging klaarblijkelijk niet ontvankelijk is en/of klaarblijkelijk niet tot de bevoegdheid van het Hof behoort.

(...)

II. In rechte

(...)

B.1. De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van de wet van 2 november 2010 « betreffende de deelneming van de Belgische Staat in de ' European Financial Stability Facility ' en het verlenen van de Staatswaarborg aan de door deze vennootschap uitgegeven financiële instrumenten ».

B.2. Krachtens artikel 142, tweede lid, van de Grondwet en artikel 1 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof is het Hof bevoegd om uitspraak te doen op de beroepen tot vernietiging van een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel, wegens schending van de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de Staat, de gemeenschappen en de gewesten en wegens schending van de artikelen van titel II « De Belgen en hun rechten » en van de artikelen 170, 172 en 191 van de Grondwet. Het Hof is niet bevoegd om wettelijke normen rechtstreeks te toetsen aan algemene beginselen of verdragsbepalingen. Het kan ermee rekening houden bij de grondwettigheidstoetsing die het binnen de hiervoor gepreciseerde perken uitvoert, doch enkel wanneer tevens bepalingen worden aangevoerd waaraan het Hof wel rechtstreeks vermag te toetsen, hetzij de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, hetzij, wanneer een verdragsbepaling wordt aangevoerd, een grondwetsbepaling die analoge rechten of vrijheden waarborgt.

B.3. Ter ondersteuning van hun verzoekschrift doen de verzoekende partijen gelden dat de bestreden wet de artikelen 74, 3°, 77, 6°, 78 en 96 van de Grondwet alsook artikel 1 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en de artikelen 48, lid 7, en 222 van het Verdrag betreffende de Europese Unie schendt.

In hun memorie met verantwoording voeren de verzoekende partijen bovendien, voor het eerst, een schending aan van de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet. Het gaat dus om nieuwe middelen, die niet mogen worden geformuleerd in de memorie met verantwoording waarin artikel 71, tweede lid, van de voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989 voorziet. Zij dienen bijgevolg niet-ontvankelijk te worden verklaard.

B.4. Voor het overige stelt het Hof vast dat de artikelen 74, 77, 78 en 96 van de Grondwet niet behoren tot de referentienormen waaraan het Hof vermag te toetsen. In zoverre de verzoekers het Hof voorts vragen rechtstreeks te toetsen aan de artikelen 48, lid 7, en 222 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, dient eveneens te worden vastgesteld dat die toetsing het grondwettelijke kader van de aan het Hof toegewezen bevoegdheden overschrijdt.

B.5. Het Hof is daarentegen bevoegd om wetskrachtige akten te toetsen aan de bevoegdheidverdelende regels, met inbegrip van artikel 1 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.

Om te voldoen aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, moeten de middelen van het verzoekschrift evenwel te kennen geven welke van de regels waarvan het Hof de naleving waarborgt, zouden zijn geschonden, alsook welke de bepalingen zijn die deze regels zouden schenden, en uiteenzetten in welk opzicht die regels door de bedoelde bepalingen zouden zijn geschonden.

Die vereisten worden verantwoord, enerzijds, door de verplichting voor het Hof om dadelijk na de ontvangst van het beroep te onderzoeken of het klaarblijkelijk niet-ontvankelijk of klaarblijkelijk ongegrond is ofwel of het Hof klaarblijkelijk onbevoegd is om er kennis van te nemen, en, anderzijds, door de verplichting voor de partijen die op de argumenten van de verzoekers wensen te antwoorden, om dit te doen bij een enkele memorie en binnen de op straffe van niet-ontvankelijkheid vastgestelde termijnen.

Te dezen is niet aan die vereisten voldaan. De verzoekers geven immers niet aan in welk opzicht de bestreden wet artikel 1 van de voormelde bijzondere wet van 8 augustus 1980 zou hebben geschonden. Het is dus niet mogelijk om met de vereiste nauwkeurigheid en zonder risico van een vergissing het onderwerp van hun grief te omschrijven. De door de verzoekende partijen ingediende memorie met verantwoording laat evenmin toe de exacte draagwijdte van hun derde middel te vatten.

Het toelaten van een dergelijk onduidelijk verzoekschrift zou ertoe leiden dat het contradictoir karakter van de rechtspleging in het gedrang zou worden gebracht, nu de partij die zou opkomen voor de verdediging van de in het geding zijnde wetsbepalingen niet in de gelegenheid zou worden gesteld een dienstig verweer te voeren.

B.6. Daaruit volgt dat het beroep tot vernietiging klaarblijkelijk niet ontvankelijk is.

Om die redenen,

het Hof, beperkte kamer,

met eenparigheid van stemmen uitspraak doende,

verwerpt het beroep tot vernietiging.

Aldus uitgesproken in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 23 juni 2011, door rechter J.-P. Snappe, ter vervanging van voorzitter R. Henneuse, wettig verhinderd zijnde de uitspraak van dit arrest bij te wonen.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De wnd.voorzitter,

J.-P. Snappe.

Vrije woorden

  • Beroep tot vernietiging van de wet van 2 november 2010 betreffende de deelneming van de Belgische Staat in de « European Financial Stability Facility » en het verlenen van de Staatswaarborg aan de door deze vennootschap uitgegeven financiële instrumenten, ingesteld door Frans Leens en anderen. Voorafgaande rechtspleging

  • Beroep tot vernietiging

  • 1. Klaarblijkelijke onbevoegdheid van het Hof

  • 2. Klaarblijkelijke niet-ontvankelijkheid.