- Arrest van 30 juni 2011

30/06/2011 - 117/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Artikel 1 van de wet van 14 april 1965 « houdende goedkeuring van de Overeenkomst tussen België en Frankrijk tot voorkoming van dubbele belasting en tot regeling van wederzijdse administratieve en juridische bijstand inzake inkomstenbelastingen, van het slotprotocol en van de bijgevoegde brieven ondertekend op 10 maart 1964 te Brussel » schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Moerman, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter R. Henneuse,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij vonnis van 2 september 2010 in zake Xavière Minet tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 10 september 2010, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Namen de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schenden artikel 1 van de instemmingswet van 15 [lees : 14] april 1965 houdende goedkeuring van de Overeenkomst van 10 maart 1964 gesloten te Brussel tussen België en Frankrijk tot voorkoming van dubbele belasting en tot regeling van wederzijdse administratieve en juridische bijstand inzake inkomstenbelastingen, en via die wet, de artikelen 10, § 1, en 11, § 2, c) van de Overeenkomst zelf de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet in zoverre (i) zij de grensarbeiders verschillend behandelen naargelang hun werkgever een private werkgever of een publiekrechtelijke rechtspersoon van de Staat is, waarbij de werknemer in het eerste geval in Frankrijk wordt belast, in het tweede in België, en (ii) zij de grensarbeiders, Franse inwoners, die respectievelijk statutaire ambtenaren van een publiekrechtelijke rechtspersoon van de Belgische Staat zijn of werknemers met een arbeidsovereenkomst bij een dergelijke rechtspersoon, op dezelfde manier behandelen (belasting in België)? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. Het Hof wordt ondervraagd over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van artikel 1 van de wet van 14 april 1965 « houdende goedkeuring van de Overeenkomst tussen België en Frankrijk tot voorkoming van dubbele belasting en tot regeling van wederzijdse administratieve en juridische bijstand inzake inkomstenbelastingen, van het slotprotocol en van de bijgevoegde brieven ondertekend op 10 maart 1964 te Brussel ».

Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de verwijzende rechter het Hof meer bepaald ondervraagt over de verenigbaarheid, met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, van de regels die zijn vervat in de artikelen 10, § 1 en 11, § 2, c), van die Overeenkomst, in zoverre zij, enerzijds, een onverantwoord verschil in behandeling zouden invoeren tussen de grensarbeiders die onder arbeidsovereenkomst zijn tewerkgesteld naar gelang van de publieke of privéhoedanigheid van hun werkgever en in zoverre zij, anderzijds, zonder redelijke verantwoording zouden voorzien in een gelijke behandeling van de grensarbeiders in dienst van een publiekrechtelijke rechtspersoon, ongeacht of zij zijn aangeworven onder een arbeidsovereenkomst of onder een statutaire regeling.

Het Hof kan een wet houdende instemming met een verdrag niet op zinvolle wijze toetsen zonder de inhoud van de relevante bepalingen van dat verdrag in zijn onderzoek te betrekken.

B.2.1. Artikel 10 van het voormelde Verdrag van 10 maart 1964 bepaalt :

« 1. De bezoldigingen in de vorm van salarissen, lonen, wedden, soldijen en pensioenen toegekend door één van de verdragsluitende Staten of door een publiekrechtelijke rechtspersoon van deze Staat, die geen nijverheids- of handelsactiviteit uitoefent, zijn uitsluitend in deze Staat belastbaar.

2. Met wederzijds akkoord zal deze bepaling kunnen worden uitgebreid tot de bezoldigingen van de personeelsleden van openbare lichamen of instellingen of van juridische zelfstandige instellingen, door een van de verdragsluitende Staten of door de politieke onderdelen van deze Staat opgericht of gecontroleerd, zelfs indien deze lichamen of instellingen een nijverheids- of handelsactiviteit uitoefenen.

3. Nochtans vinden de voorafgaande bepalingen geen toepassing wanneer de bezoldiging [en] worden betaald aan verblijfhouders van de andere Staat, die de nationaliteit van deze Staat hebben ».

B.2.2. Zoals het van toepassing was op het voor de verwijzende rechter hangende geschil bepaalde artikel 11 van diezelfde Overeenkomst :

« 1. Onder voorbehoud van de bepalingen van de artikelen 9, 10 en 13 van deze Overeenkomst, zijn de salarissen, lonen en andere soortgelijke bezoldigingen slechts belastbaar in de verdragsluitende Staat op het grondgebied waarvan de persoonlijke activiteit, die de bron van deze inkomsten is, wordt uitgeoefend.

2. In afwijking van paragraaf 1 hierboven :

[...]

c) De salarissen, lonen en andere soortgelijke bezoldigingen verkregen door een inwoner van een overeenkomstsluitende Staat die zijn activiteit uitoefent in de grenszone van de andere overeenkomstsluitende Staat en die zijn duurzaam tehuis in de grenszone van de eerstgenoemde Staat heeft, zijn slechts in die Staat belastbaar.

De grenszone van elke Staat omvat alle gemeenten die gelegen zijn in de zone begrensd door de gemeenschappelijke grens van de overeenkomstsluitende Staten en een lijn getrokken op een afstand van twintig kilometer van die grens, met dien verstande dat de gemeenten die door deze lijn worden doorsneden, in de grenszone worden opgenomen.

De bevoegde autoriteiten van de overeenkomstsluitende Staten regelen, gezamenlijk of afzonderlijk, de modaliteiten voor de toepassing van de voorafgaande bepalingen en komen, indien nodig, inzonderheid overeen welke bewijsstukken voor de toepassing van deze bepalingen moeten worden verstrekt ».

B.3. In tegenstelling tot wat de Ministerraad aanvoert, heeft noch de schrijffout in de beslissing waarmee de vraag aan het Hof wordt gesteld, in verband met de datum van de wet houdende goedkeuring van de voormelde Overeenkomst van 10 maart 1964, noch het feit dat de verwijzende rechter de wijziging in artikel 11 van die Overeenkomst bij het avenant van 8 februari 1999 niet uitdrukkelijk heeft beoogd, tot gevolg dat de vraag onontvankelijk moet worden verklaard. Uit de motivering van de verwijzingsbeslissing blijkt immers dat de verwijzende rechter voldoende duidelijk heeft aangegeven welke bepaling het Hof aan een grondwettigheidstoetsing moet onderwerpen.

De prejudiciële vraag bevat bijgevolg de elementen die het Hof in staat stellen uitspraak te doen. Zij maakt het de Ministerraad met name mogelijk een nuttige verdediging te voeren.

De exceptie wordt verworpen.

B.4. De in de prejudiciële vraag beoogde verschillen in behandeling berusten op de hoedanigheid - publiek of privé - van de werkgever van de grensarbeiders of op de aard - contractueel of statutair - van hun aanwerving. Het Hof moet nagaan of die criteria relevant zijn ten aanzien van de doelstelling van de in het geding zijnde bepalingen.

B.5. Daar de toetsing van het Hof het onderzoek van de inhoud van de voormelde bepalingen van de Overeenkomst omvat, moet het Hof ermee rekening houden dat het niet gaat om een eenzijdige soevereiniteitsakte, maar om een verdragsnorm waartoe België zich ten aanzien van een andere Staat volkenrechtelijk heeft verbonden.

Zoals de andere overeenkomsten tot het vermijden van de dubbele belasting heeft de Frans-Belgische Overeenkomst van 16 maart 1964 in eerste instantie tot doel een einde te maken aan de internationale dubbele belasting of de gevolgen ervan te verzachten, wat inhoudt dat de overeenkomstsluitende Staten gedeeltelijk of geheel ervan afzien het recht uit te oefenen dat hun wetgeving aan hen toekent om bepaalde inkomsten te belasten. De Overeenkomst regelt dus de verdeling van de belastingbevoegdheid tussen de Staat van verblijf van de belastingplichtige en de bronstaat van de inkomsten, en voert geen nieuwe fiscale verplichtingen in ten opzichte van hun interne rechten.

De memorie van toelichting van het wetsontwerp houdende goedkeuring van de Overeenkomst preciseert dat de Overeenkomst is geïnspireerd op de type-overeenkomsten die op internationaal niveau werden opgesteld en een methode volgt die in ruime mate wordt aanbevolen door het Fiscaal Comité van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) (Parl. St., Kamer, 1964-1965, nr. 970/1, p. 3).

B.6. In het algemeen kan door het vaststellen van een specifieke fiscale regeling voor de grensarbeiders worden vermeden dat de aanwerving wordt belemmerd door het bestaan van een grens, waarbij de belastingheffing in de woonstaat de werknemer toelaat om in de fiscale regeling te blijven die op hem van toepassing zou zijn indien hij zou werken in het land waar hij woont.

Eveneens in het algemeen werd het belasten van de overheidsambtenaar door de Staat die hem in dienst heeft, verantwoord door de sterke band tussen hen. Een dergelijke methode van overdracht is geïnspireerd op de « regels van de internationale hoffelijkheid » en « is opgenomen in talrijke overeenkomsten die van kracht zijn onder de lidstaten van de OESO zodat kan worden verklaard dat die reeds internationaal aanvaard is » (Modelovereenkomst inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, verkorte versie, OESO, Parijs, 2005, p. 254).

B.7. Gelet op de ruime beoordelingsmarge van de wetgever in fiscale zaken, heeft die laatste niet op kennelijk onredelijke wijze gehandeld door in te stemmen met een overeenkomst tot voorkoming van een dubbele belasting op grond waarvan de Belgische werknemers, ambtenaren van een Belgische overheid, die evenwel in Frankrijk verblijven, binnen het grensgebied, zijn onderworpen aan de Belgische belastingregeling, terwijl dat niet het geval zou zijn indien hun werkgever een privaatrechtelijke rechtspersoon was. Immers, de band tussen de belastingschuldigen en de Staat waar zij hun beroepsactiviteit uitoefenen, is sterker in het eerste geval dan in het tweede. Het is overigens onbetwistbaar redelijk om, in het kader van internationale overeenkomsten inzake het voorkomen van dubbele belasting, rekening te houden met de regels van de internationale hoffelijkheid tussen Staten, temeer daar die zijn gecodificeerd binnen internationale organisaties.

Het verschil in behandeling is des te minder onverantwoord daar er een afwijkende regeling bestaat ten behoeve van de Belgische grensarbeider die in België wordt tewerkgesteld door een publiekrechtelijk persoon met nijverheids- of handelsactiviteiten, die, gelet op de economische dimensie van de activiteiten van de publiekrechtelijke persoon die hem tewerkstelt, op dezelfde wijze zal worden behandeld als een Belgische grensarbeider die wordt tewerkgesteld door een privaatrechtelijke rechtspersoon.

De wetgever vermocht overigens redelijkerwijs ervan af te zien een onderscheid te maken naar gelang van de contractuele of statutaire aard van de aanwerving van de werknemer ten behoeve van de publiekrechtelijke rechtspersoon. Immers, hoewel kan worden aanvaard dat, in beginsel, de functies waarin de band tussen de ambtenaar en de overheidspersoon waarvoor hij werkt het sterkst tot uiting komt, zijn voorbehouden aan het statutaire personeel, maakt de internationale hoffelijkheid het toch mogelijk om op zich te verantwoorden dat de Staat die de beroepsinkomsten verschuldigd is, eveneens in staat is ze aan belasting te onderwerpen, ongeacht of die inkomsten ten goede komen aan contractuele dan wel statutaire ambtenaren. Voorts maakt de OESO geen onderscheid naar gelang van de aard van de band tussen de ambtenaar en de publiekrechtelijke rechtspersoon waarvoor hij werkt.

De in het geding zijnde verschillen in behandeling houden ten slotte in elk geval geen onevenredige gevolgen in, in zoverre het niet vaststaat dat de aanwijzing van de Staat die de bezoldigingen verschuldigd is als de Staat die bevoegd is belasting te heffen ter zake van overheidsbeloningen, op zichzelf negatieve gevolgen kan hebben voor de betrokken belastingplichtigen. Strikt genomen is niet de gekozen aanknopingsfactor bepalend voor de vraag of de fiscale behandeling van de betrokken belastingplichtigen al dan niet gunstig uitvalt maar het belastingniveau in de bevoegde staat (zie, in dezelfde zin, HvJ, 12 mei 1998, C-336/96, Gilly, punt 34).

B.8. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 1 van de wet van 14 april 1965 « houdende goedkeuring van de Overeenkomst tussen België en Frankrijk tot voorkoming van dubbele belasting en tot regeling van wederzijdse administratieve en juridische bijstand inzake inkomstenbelastingen, van het slotprotocol en van de bijgevoegde brieven ondertekend op 10 maart 1964 te Brussel » schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 30 juni 2011, door rechter J.-P. Snappe, ter vervanging van voorzitter R. Henneuse, wettig verhinderd zijnde de uitspraak van dit arrest bij te wonen.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De wnd.voorzitter,

J.-P. Snappe.

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag betreffende artikel 1 van de wet van 14 april 1965 « houdende goedkeuring van de Overeenkomst tussen België en Frankrijk tot voorkoming van dubbele belasting en tot regeling van wederzijdse administratieve en juridische bijstand inzake inkomstenbelastingen, van het slotprotocol en van de bijgevoegde brieven, ondertekend op 10 maart 1964 te Brussel », en de artikelen 10, § 1, en 11, § 2, c), van genoemde Overeenkomst, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Namen. Fiscaal recht

  • Inkomstenbelastingen

  • Roerende inkomsten

  • Wet houdende instemming met een verdrag

  • Dubbelbelastingverdrag

  • Grensarbeiders

  • 1. Publieke of privéhoedanigheid van de werkgever

  • 2. Aanwerving onder arbeidsovereenkomst of onder statutaire regeling.