- Arrest van 30 juni 2011

30/06/2011 - 119/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Artikel 21, § 2, derde lid, van het Vlaamse decreet van 10 juli 2008 betreffende het toeristische logies schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en R. Henneuse, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Moerman, T. Merckx-Van Goey en P. Nihoul, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij beschikking van 4 oktober 2010 in zake Harry Bruffaerts tegen « Toerisme Vlaanderen » en het Vlaamse Gewest, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 26 oktober 2010, heeft de voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Leuven, zitting houdende zoals in kort geding, de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 21, § 2, derde lid, van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het toeristische logies door als bevoegde rechtbank voor het aanvechten van de sluitingsmaatregel, de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg zetelend in kort geding aan te duiden, de artikelen 6 EVRM, 10, 11, 144 en 145 van de Grondwet doordat op deze wijze niet meer kan geargumenteerd worden over de uitvoerbaarheid bij voorraad en dit wel het geval is indien de zaak aanhangig zou gemaakt kunnen worden bij de gewone rechter, zoals het geval is bij het opleggen van een administratieve geldboete ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 21, § 2, derde lid, van het Vlaamse decreet van 10 juli 2008 betreffende het toeristische logies (hierna : Logiesdecreet).

De in het geding zijnde bepaling maakt deel uit van hoofdstuk IV (« Controle en sancties ») van dat decreet.

Artikel 21, § 1, eerste lid, van het Logiesdecreet machtigt de erin vernoemde agenten van politie en de door de Vlaamse Regering aangewezen personen ertoe, in de gevallen opgesomd in het 1° tot en met het 3° ervan, de onmiddellijke stopzetting te bevelen van de exploitatie, na voorafgaande schriftelijke ingebrekestelling en nadat aan de betrokkene of aan zijn gemachtigde het recht is geboden om te worden gehoord.

Artikel 22 van het Logiesdecreet bepaalt dat aan de exploitant - in dezelfde gevallen en in enkele andere omstandigheden - een administratieve sanctie gaande van 250 euro tot 25 000 euro kan worden opgelegd. Het Vlaamse Gewest en het agentschap « Toerisme Vlaanderen » zetten uiteen dat het sanctiestelsel gradueel werkt in die zin dat, naarmate de ernst van de inbreuk toeneemt, eerst een administratieve boete kan worden opgelegd, dan een sluitingsbevel en, ten slotte, een verzegeling.

B.1.2. Artikel 21, § 2, van het Logiesdecreet, waarvan enkel het derde lid in het geding is, bepaalt :

« § 2. De vaststellingen tot stopzetting van de exploitatie worden vastgelegd in een proces-verbaal dat conform artikel 20 wordt opgesteld. Een afschrift van dat proces-verbaal wordt bezorgd aan de Vlaamse minister, bevoegd voor het toerisme, met een aangetekende brief, per fax of elektronisch, als dat een ontvangstbewijs van de geadresseerde oplevert.

Op straffe van verval moet de Vlaamse minister, bevoegd voor het toerisme, het bevel tot stopzetting van de exploitatie bekrachtigen binnen een termijn van vijftien kalenderdagen na de ontvangst van het proces-verbaal door de minister en nadat de betrokkene of in voorkomend geval zijn gemachtigde het recht werd geboden om gehoord te worden. Die bekrachtiging wordt binnen vijf werkdagen verzonden naar de personen, vermeld in artikel 20, met een aangetekende brief, per fax of elektronisch, als dat een ontvangstbewijs van de geadresseerde oplevert.

In geval van betwisting kan met een procedure, zoals in kort geding, de opheffing van de maatregel gevorderd worden. De vordering wordt gebracht voor de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg in wiens rechtsgebied het toeristische logies ligt. Deel IV, boek II, titel VI, van het Gerechtelijk Wetboek is van toepassing op de inleiding en de behandeling van de vordering ».

B.2. Met toepassing van die laatste bepaling vordert de eisende partij voor de verwijzende rechter de opheffing van het bevel tot onmiddellijke stopzetting van haar exploitatie.

Zij klaagt onder meer aan dat, nu de vordering moet worden ingeleid bij de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg met een procedure zoals in kort geding, zij niet kan argumenteren over de voorlopige uitvoerbaarheid, niettegenstaande verzet of hoger beroep, van de beslissing die de voorzitter zal nemen, terwijl dat voor de gewone rechter wel kan.

De voorzitter is ingegaan op haar verzoek om een prejudiciële vraag te stellen over de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepaling met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de artikelen 10, 11, 144 en 145 van de Grondwet.

B.3.1. In haar memorie van antwoord suggereert de eisende partij voor de verwijzende rechter dat de vraag zou worden geherformuleerd om eveneens rekening te houden met haar grief dat de onmiddellijke stopzetting van haar exploitatie geschiedt met miskenning van het eigendomsrecht gewaarborgd bij artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Ook artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens zou zijn geschonden omdat voorafgaand aan de maatregel geen enkele toetsing in volle rechtsmacht zou kunnen worden uitgeoefend.

B.3.2. Het Hof kan niet ingaan op dat verzoek tot herformulering, nu de partijen voor het Hof niet vermogen de inhoud van de prejudiciële vragen te wijzigen of te doen wijzigen.

B.4.1. De verwerende partijen voor de verwijzende rechter voeren aan dat het antwoord op de vraag niet dienstig is voor de oplossing van het bodemgeschil en dat de vraag derhalve geen antwoord behoeft.

B.4.2. Het staat in beginsel aan de rechter die de prejudiciële vraag stelt, om na te gaan of het antwoord op de vraag dienend is om het hem voorgelegde geschil te beslechten. Slechts wanneer dit klaarblijkelijk niet het geval is, vermag het Hof te beslissen dat de vraag geen antwoord behoeft.

De vraag is wel degelijk pertinent in de hypothese dat de eisende partij voor de verwijzende rechter in het ongelijk wordt gesteld en onderworpen blijft aan de maatregel tot onmiddellijke stopzetting van haar exploitatie, waarbij de beslissing van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg voorlopig uitvoerbaar is, zelfs indien zij tegen die beslissing hoger beroep zou aantekenen.

B.5. Volgens de bewoordingen van de prejudiciële vraag dient het Hof te toetsen aan « de artikelen 6 EVRM, 10, 11, 144 en 145 van de Grondwet ».

Het Hof is niet bevoegd om rechtstreeks te toetsen aan de artikelen 144 en 145 van de Grondwet, noch aan artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

Het Hof, dat bevoegd is om rechtstreeks te toetsen aan het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie gewaarborgd bij de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, vermag wel in te gaan op de vraag of er te dezen een discriminatie is inzake het recht op een eerlijk proces zoals gewaarborgd bij artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, nu de eisende partij voor de verwijzende rechter aanklaagt dat zij niet het recht op tegenspraak heeft over de uitvoerbaarheid van de te nemen rechterlijke beslissing in geval van verzet of hoger beroep.

Daarentegen blijkt uit niets in welk opzicht de artikelen 10 en 11, in samenhang gelezen met de artikelen 144 en 145, van de Grondwet, te dezen in het gedrang zouden zijn.

B.6. De verwijzende rechter vraagt of er een discriminatie is doordat de vordering tot opheffing van de maatregel tot stopzetting zou worden beslecht bij een beslissing van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, uitspraak doende zoals in kort geding, zonder dat de betrokkene op tegenspraak kan argumenteren over de voorlopige uitvoerbaarheid van die beslissing, niettegenstaande verzet of hoger beroep, terwijl dat bij de gewone rechter wel kan, zoals bij een beroep tegen de administratieve geldboeten waarin het Logiesdecreet voorziet.

B.7.1. Artikel 1397 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt :

« Behoudens de uitzonderingen die de wet bepaalt en onverminderd de regel van artikel 1414, schorsen verzet en hoger beroep tegen eindvonnissen daarvan de tenuitvoerlegging ».

Artikel 1398 van datzelfde Wetboek voegt daaraan toe dat de rechter - behoudens de uitzonderingen die de wet bepaalt - de voorlopige tenuitvoerlegging van de vonnissen kan toestaan en dat de tenuitvoerlegging van het vonnis geschiedt op risico van de partij die daartoe last geeft en onverminderd de regels inzake kantonnement.

Daaruit volgt dat partijen voor de gewone rechter in de regel de voorlopige tenuitvoerlegging van de te nemen beslissing kunnen vragen en derhalve kunnen debatteren over de al dan niet schorsende werking van een verzet of hoger beroep tegen die beslissing.

De exploitant van een toeristisch logies kan overeenkomstig de regeling van artikel 22, § 5, van het Logiesdecreet tegen eventuele administratieve geldboetes opkomen bij de rechtbank van eerste aanleg. Daarbij is uitdrukkelijk bepaald dat een dergelijk beroep schorsend werkt. Overeenkomstig artikel 1397 van het Gerechtelijk Wetboek, schorst verzet of hoger beroep de tenuitvoerlegging van de beslissing van de rechtbank van eerste aanleg, tenzij de rechtbank de voorlopige tenuitvoerlegging ervan toestaat.

B.7.2. Daarentegen moet een beroep tegen de maatregel van onmiddellijke stopzetting van de exploitatie, overeenkomstig de in het geding zijnde bepaling worden ingeleid bij de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, die uitspraak doet « zoals in kort geding ».

Artikel 21, § 2, tweede lid, in fine, van het Logiesdecreet bepaalt dat deel IV, boek II, titel VI (« Inleiding en behandeling van de vordering in kort geding »), van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing is op de inleiding en de behandeling van de vordering. Artikel 1039, dat deel uitmaakt van die titel, bepaalt in zijn eerste lid :

« De beschikkingen in kort geding brengen geen nadeel toe aan de zaak zelf; zij zijn uitvoerbaar bij voorraad niettegenstaande verzet of hoger beroep en, zonder borgtocht indien de rechter niet heeft bevolen dat er een wordt gesteld ».

B.7.3. De verwerende partijen voor de verwijzende rechter betogen dat het bevel tot stopzetting als eenzijdige administratieve beslissing op zich reeds onmiddellijk uitvoerbaar is en dat het beroep bij de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg niet opschortend werkt. Indien de eisende partij voor de verwijzende rechter in het ongelijk wordt gesteld, blijft het bevel tot stopzetting volgens hen uitvoerbaar vanwege de aard van dat bevel en ongeacht het rechterlijke optreden waarin de in het geding zijnde bepaling voorziet.

B.7.4. Het is evenwel onduidelijk of het beroep bij de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg opschortend werkt.

Wat de beroepen tegen administratieve sancties betreft, bepaalt artikel 22, § 5, van het Logiesdecreet uitdrukkelijk dat dergelijke beroepen opschortend werken.

Zulks is niet uitdrukkelijk bepaald in artikel 21 van het Logiesdecreet voor wat de beroepen tegen een bevel tot stopzetting van de exploitatie betreft.

Niettemin is in de parlementaire voorbereiding van die bepaling, evenzeer als met betrekking tot het beroep tegen een administratieve geldboete, gesteld :

« Het beroep werkt insgelijks schorsend » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2007-2008, nr. 1547/4, p. 9).

B.7.5. Indien de in het geding zijnde bepaling zo wordt begrepen dat het beroep tegen de maatregel van onmiddellijke stopzetting van de exploitatie bij de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg opschortend werkt, is het wel degelijk relevant om bij de vraag naar de bestaanbaarheid van die bepaling met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet de situatie te vergelijken van de partij die bij de rechtbank van eerste aanleg een beroep instelt tegen een administratieve geldboete, en die kan argumenteren over de vraag of de te nemen beslissing dienaangaande voorlopig uitvoerbaar zal zijn niettegenstaande verzet of hoger beroep, met de situatie van een partij - zoals de betrokkene in de zaak a quo - die bij de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg een beroep instelt tegen de maatregel van onmiddellijke stopzetting van de exploitatie en die zonder discussie zal worden geconfronteerd met een onmiddellijk uitvoerbare beslissing, ook al zou zij daartegen verzet of hoger beroep aantekenen.

B.8. De decreetgever heeft in redelijkheid kunnen oordelen dat het vanwege de aard van de maatregel van stopzetting van de exploitatie van een toeristisch logies aangewezen was te voorzien in een mogelijkheid van beroep bij de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, zitting houdende zoals in kort geding, terwijl het beroep tegen de administratieve geldboete bij de gewone rechter kan worden ingesteld.

De aard van de maatregel van stopzetting van de exploitatie verantwoordt immers dat in afwijking van de gewone rechtspleging, het beroep kan worden ingesteld bij een rechter van de rechterlijke orde die zich in de beste positie bevindt om spoedeisende beslissingen te nemen en dit door middel van de versnelde rechtspleging waarin deel IV, boek II, titel VI (« Inleiding en behandeling van de vordering in kort geding »), van het Gerechtelijk Wetboek voorziet.

B.9. Weliswaar heeft die regeling het in de prejudiciële vraag bekritiseerde gevolg dat de beslissing van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg over het beroep tegen een maatregel van onmiddellijke stopzetting van de exploitatie van het toeristische logies voorlopig uitvoerbaar is niettegenstaande verzet of hoger beroep.

Rekening houdend met de aard van de maatregel waarover de betwisting gaat, is het niet zonder verantwoording dat de rechterlijke beslissing dienaangaande een onmiddellijk effect heeft dat niet kan worden opgeschort door het enkele feit van verzet of hoger beroep en zonder dat daarover een tegensprekelijk debat mogelijk moet worden gemaakt.

Overigens bestaan op de mogelijkheid om te debatteren over de voorlopige tenuitvoerlegging wel meer uitzonderingen, nu artikel 1398 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de rechter de voorlopige tenuitvoerlegging van het vonnis kan toestaan « behoudens de uitzonderingen die de wet bepaalt ». Artikel 1039 van het Gerechtelijk Wetboek, dat betrekking heeft op de voorlopige uitvoerbaarheid van de beschikkingen in kort geding, vormt één van die uitzonderingen. Evenzeer bepaalt artikel 1397 van het Gerechtelijk Wetboek dat uitzonderingen mogelijk zijn op de regel dat verzet en hoger beroep de tenuitvoerlegging van vonnissen schorsen.

B.10. Te dezen is het recht op tegenspraak van de betrokkene niet onevenredig aangetast.

De maatregel van stopzetting van de exploitatie is omringd met een reeks waarborgen ter bescherming van de rechten van verdediging van de rechtsonderhorige die het voorwerp uitmaakt van een dergelijke maatregel.

In de regel kan die maatregel slechts worden genomen wanneer blijkt dat het beoogde resultaat niet kan worden bereikt door middel van administratieve geldboeten, die de betrokkene bij de rechter heeft kunnen betwisten zowel vooraleer een dergelijke sanctie werd opgelegd als nadien (artikel 22, §§ 3 tot 5, van het Logiesdecreet).

Ook de maatregel van stopzetting kan enkel worden opgelegd na een voorafgaande schriftelijke ingebrekestelling en nadat aan de betrokkene of aan zijn gemachtigde het recht is geboden om te worden gehoord (artikel 21, § 1, eerste lid, van het Logiesdecreet). De maatregel moet bovendien binnen een korte termijn worden bekrachtigd door de bevoegde minister, nadat aan de betrokkene of aan zijn gemachtigde het recht is geboden om ook daar te worden gehoord (artikel 21, § 2, tweede lid, van het Logiesdecreet).

Ten slotte voorziet de in het geding zijnde bepaling in een recht van beroep volgens een versnelde rechtspleging bij de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg.

B.11. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 21, § 2, derde lid, van het Vlaamse decreet van 10 juli 2008 betreffende het toeristische logies schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 30 juni 2011.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

M. Bossuyt.

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag over artikel 21, § 2, derde lid, van het Vlaamse decreet van 10 juli 2008 betreffende het toeristische logies, gesteld door de voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Leuven. Economisch recht

  • Toerisme

  • Toeristische logies

  • Sanctiestelsel

  • 1. Onmiddellijke stopzetting van de exploitatie

  • Beroep bij de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, zitting houdende zoals in kort geding

  • a. Schorsende werking

  • b. Beslissing

  • Onmiddellijk uitvoerbaar

  • 2. Administratieve geldboete

  • Beroep bij de rechtbank van eerste aanleg

  • a. Schorsende werking

  • b. Beslissing

  • Onmiddellijk uitvoerbaar of niet. # Rechten en vrijheden

  • Recht op een eerlijk proces

  • Recht op tegenspraak.