- Arrest van 30 juni 2011

30/06/2011 - 121/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht : A

artikel 46bis, derde lid, 1°, van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, vóór de wijziging van dat artikel bij het decreet van het Vlaamse Gewest van 19 december 2008, schendt de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet niet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en R. Henneuse, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Snappe, E. Derycke, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij vonnis van 12 november 2010 in zake David Rombouts tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 25 november 2010, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 46bis, lid 3, 1°, W.Reg. de artikelen 10, 11 en 172 G.W. wanneer een gedeeltelijke toekenning van het abattement in verhouding tot het wettelijk aandeel in de aankoop in hoofde van een verkrijger, die geen onroerend goed, dat geheel of gedeeltelijk tot bewoning is bestemd, in volle eigendom heeft, niet wordt verleend indien een medeverkrijger reeds voor de geheelheid over de volle eigendom beschikt van een onroerend goed, dat geheel of gedeeltelijk tot bewoning is bestemd terwijl het abattement in zijn geheel wordt verleend als de verkrijger hetzelfde onroerend goed alleen koopt of gedeeltelijk wordt verleend als de verkrijger hetzelfde onroerend goed aankoopt tezamen met een medeverkrijger die eveneens niet over de geheelheid over de volle eigendom beschikt van een onroerend goed, dat geheel of gedeeltelijk tot bewoning is bestemd ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. Artikel 46bis van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, zoals van toepassing in het Vlaamse Gewest, vóór de wijziging van dat artikel bij de decreten van 22 december 2006 en 19 december 2008, bepaalt :

« De heffingsgrondslag ten aanzien van de verkopingen, zoals bepaald in de artikelen 45 en 46, wordt verminderd met 12.500 euro in geval van zuivere aankoop van de geheelheid [in] volle eigendom van een tot bewoning aangewend of bestemd onroerend goed door een of meer natuurlijke personen om er hun hoofdverblijfplaats te vestigen.

Het voordeel van de vermindering van de heffingsgrondslag overeenkomstig dit artikel kan niet gecombineerd worden met het voordeel van de verrekening bedoeld in § 4bis van deze afdeling of met het voordeel van de teruggave bedoeld in artikel 212bis.

Aan de vermindering van de heffingsgrondslag zijn de volgende voorwaarden verbonden :

1° geen van de verkrijgers mag op de datum van de overeenkomst tot koop voor de geheelheid volle eigenaar zijn van een ander onroerend goed, dat geheel of gedeeltelijk tot bewoning is bestemd; indien de aankoop geschiedt door meerdere personen mogen zij bovendien op vermelde datum gezamenlijk niet voor de geheelheid volle eigenaar zijn van een ander onroerend goed dat geheel of gedeeltelijk tot bewoning is bestemd. Een perceel grond, stedenbouwkundig bestemd tot woningbouw wordt beschouwd als een onroerend goed dat geheel of gedeeltelijk tot bewoning is bestemd;

2° in of onderaan op het document, dat tot de heffing van het evenredig recht op de aankoop aanleiding geeft, moeten de verkrijgers :

a) uitdrukkelijk vermelden dat zij de toepassing van dit artikel vragen;

b) verklaren dat zij voldoen aan de voorwaarde vermeld in 1° van dit lid;

c) zich verbinden hun hoofdverblijfplaats te vestigen op de plaats van het aangekochte goed :

- indien het een woning betreft, binnen twee jaar na :

- ofwel de datum van de registratie van het document dat tot de heffing van het evenredig recht op de aankoop aanleiding geeft, wanneer dat document binnen de ervoor bepaalde termijn ter registratie wordt aangeboden;

- ofwel de uiterste datum voor tijdige aanbieding ter registratie, wanneer het document dat tot de heffing van het evenredig recht op de aankoop aanleiding geeft wordt aangeboden na het verstrijken van de daarvoor bepaalde termijn;

- indien het een bouwgrond betreft, binnen vijf jaar na dezelfde datum.

In geval de verklaring bedoeld in 2°, b), van het derde lid onjuist wordt bevonden, zijn de verkrijgers ondeelbaar gehouden tot betaling van de aanvullende rechten over het bedrag waarmee de heffingsgrondslag werd verminderd, en van een boete gelijk aan die aanvullende rechten.

Dezelfde aanvullende rechten en boete zijn ondeelbaar verschuldigd door de verkrijgers indien geen van hen de in 2°, c), van het derde lid bedoelde verbintenis naleeft. Komen sommige verkrijgers die verbintenis niet na dan worden de aanvullende rechten en de boete, waartoe zij ondeelbaar gehouden zijn, bepaald naar verhouding van hun wettelijk aandeel in de aankoop. Evenwel is de boete niet verschuldigd indien de niet-naleving van de bedoelde verbintenis het gevolg is van overmacht ».

B.2. Het Hof wordt ondervraagd over de bestaanbaarheid van het voormelde artikel 46bis, derde lid, 1°, met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, in de interpretatie volgens welke die bepaling in geen vermindering van de heffingsgrondslag (« abattement ») voorziet in verhouding tot het aandeel in de aankoop voor een verkrijger die niet voor de geheelheid volle eigenaar is van een ander onroerend goed dat geheel of gedeeltelijk tot bewoning is bestemd, indien de aankoop geschiedt samen met een medeverkrijger die reeds voor de geheelheid volle eigenaar is van een ander onroerend goed dat geheel of gedeeltelijk tot bewoning is bestemd.

De verwijzende rechter merkt daarbij op dat het abattement in zijn geheel wordt verleend indien de verkrijger hetzelfde onroerend goed alleen koopt en dat het abattement gedeeltelijk wordt verleend indien de verkrijger hetzelfde onroerend goed koopt samen met een medeverkrijger die evenmin voor de geheelheid volle eigenaar is van een ander onroerend goed dat geheel of gedeeltelijk tot bewoning is bestemd.

B.3. Artikel 46bis werd ingevoegd bij artikel 6 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 1 februari 2002 houdende wijziging (wat het Vlaamse Gewest betreft) van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten.

De parlementaire voorbereiding van dat decreet vermeldt :

« De Vlaamse regering is [...] van oordeel dat een fiscale tegemoetkoming moet worden toegekend aan de belastingplichtige die een eerste woning aanschaft, op voorwaarde dat de belastingplichtige er ook effectief zijn hoofdverblijfplaats zal vestigen. De bedoeling is de fiscale instapdrempel te verlagen voor die belastingplichtigen die een woning wensen te verwerven » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2001-2002, nr. 963/1, p. 5).

« Dit artikel [6] voert een abattement in ten voordele van de verwerving door natuurlijke personen van een woning die hen tot hoofdverblijfplaats zal dienen.

De bedoeling van deze maatregel is dat het abattement een aanvulling zal vormen op het concept van de meeneembaarheid. Wie niet van een verrekening of teruggave in het kader van de meeneembaarheid kan genieten, krijgt een compenserende gunstmaatregel : een abattement ten bedrage van 12.500 EUR.

Een combinatie van de meeneembaarheid met het abattement is uiteraard uitgesloten, integendeel de twee voordelen beogen een verschillende doelgroep. De meeneembaarheid geldt voor die belastingplichtigen die reeds hun hoofdverblijfplaats in eigendom hebben, het abattement geldt voor die belastingplichtigen die hun eerste woning aankopen.

De voorwaarden van het abattement verlopen, mutatis mutandis, parallel aan de voorwaarden van de meeneembaarheid » (ibid., p. 7).

B.4. Het in het geding zijnde artikel 46bis, derde lid, 1°, verbindt aan de vermindering van de heffingsgrondslag de voorwaarde dat geen van de verkrijgers, op de datum van de overeenkomst tot koop, voor de geheelheid volle eigenaar mag zijn van een ander onroerend goed dat geheel of gedeeltelijk tot bewoning is bestemd en dat, indien de aankoop door meerdere personen geschiedt, zij bovendien op de voormelde datum gezamenlijk niet voor de geheelheid volle eigenaar mogen zijn van een ander onroerend goed dat geheel of gedeeltelijk tot bewoning is bestemd.

Wanneer een van de verkrijgers, afzonderlijk of gezamenlijk, op de datum van de koopovereenkomst, reeds voor de geheelheid volle eigenaar is van een ander onroerend goed dat geheel of gedeeltelijk voor bewoning is bestemd, kan hij geen aanspraak maken op de vermindering van de heffingsgrondslag.

B.5.1. De in het geding zijnde maatregel berust op een objectief criterium, namelijk op de datum van de koopovereenkomst niet reeds voor de geheelheid volle eigenaar zijn - afzonderlijk of samen met andere medeverkrijgers - van een ander onroerend goed dat geheel of gedeeltelijk voor bewoning is bestemd.

B.5.2. Die maatregel is pertinent ten aanzien van het in B.3 vermelde doel dat door de decreetgever wordt nagestreefd, namelijk de fiscale instapdrempel verlagen voor de belastingplichtigen die hun eerste woning wensen te verwerven.

Daaraan wordt geen afbreuk gedaan door het gegeven dat belastingplichtigen geen aanspraak op het abattement kunnen maken, wanneer zij - afzonderlijk of gezamenlijk - reeds « voor de geheelheid » volle eigenaar van een andere woning zijn. Aldus wordt het risico vermeden dat « men bij de aankoop van onverdeelde delen telkens opnieuw het abattement zou genieten » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2001-2002, nr. 963/4, p. 20), zodat belastingontwijking kan worden voorkomen (ibid., p. 11), temeer nu het abattement « gaat over het goed, dus niet intuitu personae. Er is maar één som per goed » (Hand., Vlaams Parlement, plenaire vergadering, nr. 24, 16 januari 2002, p. 15). Het abattement wordt dus per onroerend goed en niet per koper beschouwd en is onsplitsbaar. Het abattement is dus een eenmalig recht in de zin dat het op eenzelfde aankoop slechts eenmaal kan worden toegepast, ongeacht het aantal kopers (Circulaire nr. 3-4 van 17 januari 2002, 4.1.5, www.fisconet.be).

B.5.3. De in het geding zijnde maatregel heeft geen onevenredige gevolgen, gelet op de relatief beperkte financiële weerslag voor de betrokken belastingplichtige.

Overigens heeft de belastingplichtige die niet voor de geheelheid volle eigenaar is van een ander onroerend goed dat voor bewoning is bestemd en een eerste woning wenst aan te kopen, de keuze om die woning alleen dan wel met andere medeverkrijgers aan te kopen. Zo zal die belastingplichtige, wanneer hij ervoor kiest die woning alleen aan te kopen, het volledige abattement kunnen genieten.

B.6. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 46bis, derde lid, 1°, van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, vóór de wijziging van dat artikel bij het decreet van het Vlaamse Gewest van 19 december 2008, schendt de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 30 juni 2011.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

M. Bossuyt.

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag betreffende artikel 46bis, derde lid, 1°, van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, vóór de wijziging van dat artikel bij het decreet van het Vlaamse Gewest van 19 december 2008, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen. Fiscaal recht

  • Registratierechten

  • Vlaams Gewest

  • Vermindering van de heffingsgrondslag

  • Verkrijging van een tot bewoning aangewend of bestemd onroerend goed dat zal dienen tot hoofdverblijfplaats

  • Uitsluiting

  • Verkrijger die reeds voor de geheelheid volle eigenaar van een andere woning is.