- Arrest van 14 juli 2011

14/07/2011 - 133/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Artikel 29, § 1, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, in de versie van vóór de wijziging ervan bij de wet van 30 december 2009, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet in zoverre het toestaat de vordering tot terugvordering gedurende vijf jaar uit te oefenen.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de rechters E. De Groot, J.-P. Snappe, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey en P. Nihoul, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter R. Henneuse,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij arrest van 13 december 2010 in zake Saqip Idrizaj en Kumrije Sinani tegen het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Hoei, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 29 december 2010, heeft het Hof van Cassatie de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 29, § 1, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, in de versie van vóór de wijziging ervan bij de wet van 30 december 2009, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het bepaalt dat de in artikel 24, § 1, van dezelfde wet bedoelde vordering tot terugvordering van het leefloon verjaart overeenkomstig artikel 2262bis, § 1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek wanneer de onverschuldigde betaling is uitgevoerd zonder bedrog, arglist of bedrieglijke handelingen van de betrokkene, terwijl, volgens artikel 30, § 1, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, de terugvordering van de in dezelfde omstandigheden betaalde sociale prestaties verjaart na drie jaar, te rekenen vanaf de datum waarop de uitbetaling is gebeurd ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. De prejudiciële vraag strekt ertoe van het Hof te vernemen of artikel 29, § 1, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, in de versie van vóór de wijziging ervan bij de wet van 30 december 2009, bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het bepaalt dat de in artikel 24, § 1, van dezelfde wet bedoelde terugvordering van het leefloon verjaart overeenkomstig artikel 2262bis, § 1, eerste lid,

van het Burgerlijk Wetboek wanneer de onverschuldigde betaling is uitgevoerd zonder bedrog, arglist of bedrieglijke handelingen van de betrokkene, terwijl, volgens artikel 30, § 1, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, de terugvordering van de in dezelfde omstandigheden betaalde sociale prestaties verjaart na drie jaar, te rekenen vanaf de datum waarop de uitbetaling is gebeurd.

B.2.1. Artikel 24 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie (hierna : de wet van 26 mei 2002) bepaalt de gevallen waarin het OCMW op de betrokkene het leefloon kan verhalen dat hem werd uitgekeerd :

« § 1. Het leefloon uitgekeerd met toepassing van deze wet wordt op de betrokkene verhaald :

[...]

2° indien hij de beschikking krijgt over inkomsten krachtens rechten die hij bezat tijdens de periode waarvoor hem een leefloon werd uitbetaald. In dit geval is de terugvordering beperkt tot beloop van het bedrag waarvoor die inkomsten bij de berekening van het leefloon in aanmerking hadden moeten worden genomen indien hij er te dien tijde reeds de beschikking over zou hebben gehad. In afwijking van artikel 1410 van het Gerechtelijk Wetboek treedt het centrum van rechtswege en tot beloop van dat bedrag in de rechten die de begunstigde op de hierboven bedoelde inkomsten kan doen gelden.

[...] ».

Buiten de in artikel 24, § 1, bedoelde gevallen, is geen enkele terugvordering van het leefloon bij de betrokkene mogelijk (artikel 24, § 2, van de wet van 26 mei 2002).

B.2.2. Artikel 29 van de wet van 26 mei 2002 bepaalde, vóór de wijziging ervan bij de wet van 30 december 2009 :

« § 1. De terugvordering bedoeld in artikel 24, § 1 en de vordering bedoeld in artikel 27, eerste lid, verjaren overeenkomstig artikel 2262bis, § 1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek.

[...] ».

B.2.3. Artikel 2262bis, § 1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek bepaalt :

« Alle persoonlijke rechtsvorderingen verjaren door verloop van tien jaar ».

B.3. Artikel 30, § 1, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers bepaalt :

« De terugvordering van de ten onrechte betaalde sociale prestaties verjaart na drie jaar, te rekenen vanaf de datum waarop de uitbetaling is geschied.

De in het eerste lid voorgeschreven termijn wordt teruggebracht tot zes maanden indien de betaling enkel het gevolg is van een vergissing van de instelling of de dienst, waarvan de betrokkene zich normaal geen rekenschap kon geven.

De in het eerste lid voorgeschreven termijn wordt verlengd tot vijf jaar indien ten onrechte werd betaald in geval van bedrog, arglist of bedrieglijke handelingen van de betrokkene ».

Die bepaling treedt echter pas in werking op de datum die de Koning bepaalt, overeenkomstig artikel 41 van de voormelde wet. Op de datum van de uitspraak van dit arrest is daartoe geen enkel koninklijk besluit aangenomen.

B.4. De verwijzende rechter stelt het Hof een vraag over een verschil in behandeling dat zou voortvloeien uit de vergelijking tussen de in artikel 2262bis, § 1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek bedoelde verjaringstermijn van tien jaar en de in artikel 30, § 1, van de voormelde wet van 29 juni 1981 bedoelde verjaringstermijn van drie jaar.

B.5. In zijn arrest nr. 147/2008 van 30 oktober 2008 heeft het Hof voor recht gezegd dat artikel 29, § 1, van de voormelde wet van 26 mei 2002, vóór de wijziging ervan bij de wet van 30 december 2009, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schond in zoverre de verjaringstermijn waarnaar het verwijst, de in artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde verjaringstermijn van vijf jaar overschrijdt. Tegemoetkomend aan die rechtspraak wordt in het arrest van het Arbeidshof te Luik, waartegen de cassatievoorziening bij de verwijzende rechter is ingesteld, de toepassing van artikel 29, § 1, van de wet van 26 mei 2002 geweerd in zoverre de verjaringstermijn vijf jaar overschreed.

B.6. Er moet nog worden onderzocht of de aldus toegepaste verjaringstermijn bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in vergelijking met de verjaringstermijn van drie jaar zoals bedoeld in artikel 30, § 1, van de wet van 29 juni 1981.

B.7. In tegenstelling tot wat het OCMW van de stad Hoei aanvoert, belet niets het Hof zich uit te spreken over de grondwettigheid van een wetsbepaling wanneer die wordt vergeleken met een bepaling die, zoals te dezen het geval is, nog niet in werking is getreden.

B.8. Door artikel 30, § 1, van de wet van 29 juni 1981 aan te nemen, heeft de wetgever ervoor gezorgd niet toe te staan dat de inzake sociale zekerheid gestorte uitkeringen, wanneer die onverschuldigd zijn geïnd, binnen de gemeenrechtelijke termijnen kunnen worden teruggevorderd. Hij heeft rekening willen houden met het feit dat « de eigen aard en het toenemende technische aspect van de normatieve teksten die ons socialezekerheidssysteem beheersen [...] een bijzondere regeling [vereisen] voor de materie van de terugvordering van onverschuldigde bedragen ten aanzien van de principes van het burgerlijk recht » (Parl. St., Senaat, 1979-1980, 508, nr. 1, p. 25). Hij heeft tevens erover gewaakt dat de korte verjaringstermijnen niet van toepassing zijn « in geval van bedrog, arglist of bedrieglijke handelingen van de betrokkene » en in dat geval de verjaringstermijn tot vijf jaar beperkt (artikel 30, § 1, derde lid, van de voormelde wet van 29 juni 1981).

B.9.1. Hoewel het wenselijk kan voorkomen dat de verjaringstermijnen inzake sociale prestaties zoveel als mogelijk worden geharmoniseerd, kan uit het enkele feit dat de verjaringstermijn bedoeld in artikel 29, § 1, van de wet van 26 mei 2002, vóór de wijziging ervan bij de wet van 30 december 2009 en overeenkomstig het voormelde arrest nr. 147/2008 van het Hof tot vijf jaar teruggebracht, verschilt van die welke is opgenomen in een nimmer in werking gestelde bepaling die beoogde een dergelijke harmonisatie tot stand te brengen, niet worden afgeleid dat de in het geding zijnde bepaling niet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Van discriminatie zou slechts sprake kunnen zijn indien het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die verschillende verjaringstermijnen, gepaard zou gaan met een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken partijen.

B.9.2. Het leefloon maakt deel uit van een niet op bijdragen berustend residuair stelsel. Het is een « geïndexeerd inkomen dat de persoon in staat moet stellen om een menswaardig bestaan te leiden » (Parl. St., Kamer, 2001-2002, DOC 50-1603/001, p. 7). Overeenkomstig artikel 3 van de wet van 26 mei 2002, moet de aanvrager van een leefloon aan een aantal voorwaarden voldoen; zo mag hij, onder andere, niet over toereikende bestaansmiddelen beschikken, noch er aanspraak op kunnen maken, noch in staat zijn deze hetzij door eigen inspanningen, hetzij op een andere manier te verwerven; daarnaast moet de aanvrager werkbereid zijn, onder voorbehoud van de bovenvermelde gezondheids- of billijkheidsredenen.

Het uitgekeerde leefloon kan op de betrokkene worden verhaald indien hij de beschikking krijgt over inkomsten krachtens rechten die hij bezat tijdens de periode waarvoor hem een leefloon werd uitbetaald. In dat geval is de terugvordering beperkt tot beloop van het bedrag waarvoor die inkomsten bij de berekening van het leefloon in aanmerking hadden moeten worden genomen indien hij er te dien tijde reeds de beschikking over zou hebben gehad. De omstandigheid dat die terugvordering gedurende vijf jaar kan plaatsvinden, en niet slechts gedurende drie jaar, kan op zichzelf niet in strijd worden geacht met de doelstelling van maatschappelijke integratie die door de wet van 26 mei 2002 wordt nagestreefd en doet derhalve niet op onevenredige wijze afbreuk aan de rechten van de betrokken personen.

B.10. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 29, § 1, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, in de versie van vóór de wijziging ervan bij de wet van 30 december 2009, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet in zoverre het toestaat de vordering tot terugvordering gedurende vijf jaar uit te oefenen.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 14 juli 2011, door rechter J.-P. Snappe, ter vervanging van voorzitter R. Henneuse, wettig verhinderd zijnde de uitspraak van dit arrest bij te wonen.

De griffier,

P.- Y. Dutilleux.

De wnd. voorzitter,

J.-P. Snappe.

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag over artikel 29, § 1, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, in de versie vóór de wijziging ervan bij de wet van 30 december 2009, gesteld door het Hof van Cassatie. Sociaal recht

  • Sociale zekerheid

  • Recht op maatschappelijke integratie

  • Leefloon

  • Vordering tot terugbetaling

  • Verjaring

  • Termijn.