- Arrest van 27 juli 2011

27/07/2011 - 134/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Artikel 479 van het Wetboek van strafvordering schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit rechter J.-P. Snappe, waarnemend voorzitter, voorzitter M. Bossuyt, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J. Spreutels, P. Nihoul en F. Daoût, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van rechter J.-P. Snappe,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging

Bij arrest van 10 juni 2010 in zake het openbaar ministerie en de cvba « I.C.D.I. » tegen R.L., waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 14 juni 2010, heeft de kamer van inbeschuldigingstelling van het Hof van Beroep te Bergen de volgende prejudiciële vragen gesteld :

« 1. Schendt artikel 479 van het Wetboek van strafvordering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat de regeling die het invoert niet van toepassing is op de raadsheren in sociale zaken en de rechters in handelszaken, die een hoofdberoepsactiviteit uitoefenen die losstaat van hun rechterlijk ambt, en daarentegen wel van toepassing is op de plaatsvervangende magistraten, die eveneens een hoofdberoepsactiviteit uitoefenen waarvan lijkt te kunnen worden aangenomen dat zij losstaat van hun rechterlijk ambt ?

2. Schendt artikel 479 van het Wetboek van strafvordering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat de regeling die het invoert van toepassing blijft op de werkende of plaatsvervangende magistraten die de uitoefening van hun rechterlijk ambt hebben stopgezet wegens het bereiken van de leeftijdsgrens, en daarentegen niet langer van toepassing is op de werkende of plaatsvervangende magistraten die eveneens de uitoefening van hun rechterlijk ambt hebben stopgezet, maar om andere redenen, bijvoorbeeld wegens gezondheidsproblemen ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. Sinds de laatste wijziging ervan - bij artikel 2 van de wet van 21 februari 2010 « tot aanpassing van verschillende wetten die een aangelegenheid regelen als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet, aan de benaming ' Grondwettelijk Hof ' » -, bepaalt artikel 479 van het Wetboek van strafvordering :

« Wanneer een vrederechter, een rechter in de politierechtbank, een rechter in de rechtbank van eerste aanleg, in de arbeidsrechtbank of in de rechtbank van koophandel, een raadsheer in het hof van beroep of in het arbeidshof, een raadsheer in het Hof van Cassatie, een magistraat van het parket bij een rechtbank of een hof, een referendaris bij het Hof van Cassatie, een lid van het Rekenhof, een lid van de Raad van State, van het auditoraat of van het coördinatiebureau bij de Raad van State, een lid van het Grondwettelijk Hof, een referendaris bij dat Hof, de leden van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, een provinciegouverneur, ervan beschuldigd wordt buiten zijn ambt een misdrijf gepleegd te hebben dat een correctionele straf meebrengt, laat de procureur-generaal bij het hof van beroep hem dagvaarden voor dat hof, dat uitspraak doet, zonder dat beroep kan worden ingesteld ».

Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag

B.2. Uit de feiten van de aan de verwijzende rechter voorgelegde zaak, de procedurestukken en de motieven van de verwijzingsbeslissing blijkt dat het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van artikel 479 van het Wetboek van strafvordering, doordat het een verschil in behandeling zou invoeren tussen twee categorieën van personen die beweren dat zij zijn benadeeld door een misdrijf dat een correctionele straf tot gevolg heeft en dat zou zijn gepleegd door een persoon die in bijkomende orde een rechterlijk ambt uitoefent en een hoofdberoepsactiviteit die losstaat van dat ambt, wanneer dat misdrijf buiten dat rechterlijk ambt zou zijn gepleegd : enerzijds, de personen die zich benadeeld achten door een misdrijf dat zou zijn gepleegd door een raadsheer in sociale zaken of een rechter in handelszaken en, anderzijds, diegenen die zich benadeeld achten door een misdrijf dat zou zijn gepleegd door een plaatsvervangend vrederechter.

De in het geding zijnde bepaling zou tot gevolg hebben dat de personen van de tweede categorie zich geen burgerlijke partij zouden kunnen stellen in handen van een onderzoeksrechter teneinde de strafvordering op gang te brengen.

B.3. Bij de in het geding zijnde bepaling wordt de bevoegdheid om de strafvordering op gang te brengen wegens een misdrijf gepleegd door een van de openbare ambtsdragers die in die bepaling worden beoogd, aan de procureur-generaal bij het hof van beroep voorbehouden.

B.4. De raadsheer in sociale zaken, de rechter in handelszaken en de plaatsvervangende vrederechter worden niet uitdrukkelijk in die bepaling vermeld.

Niettemin wordt aangenomen dat artikel 479 van het Wetboek van strafvordering van toepassing is op de plaatsvervangende vrederechter (Cass., 7 april 1975, Arr. Cass., 1975, 2, p. 852), maar niet op de raadsheer in sociale zaken en de rechter in handelszaken (Cass., 18 maart 2008, Arr. Cass., 2008, nr. 188; Cass., 15 december 1998, Arr. Cass., 1998, nr. 521).

B.5.1. Het « voorrecht van rechtsmacht » dat van toepassing is op de openbare ambtsdragers die zijn vermeld in de in het geding zijnde bepaling, is ingesteld met het oog op het verzekeren van een onpartijdige en serene rechtsbedeling ten aanzien van die personen. De bijzondere regels op het gebied van onderzoek, vervolging en berechting die dat « voorrecht » inhoudt, beogen te vermijden dat, enerzijds, ondoordachte, onverantwoorde of tergende vervolgingen jegens de betrokken personen op gang zouden worden gebracht, anderzijds, diezelfde personen hetzij te streng, hetzij met te veel toegevendheid zouden worden behandeld.

Het geheel van die motieven kan in beginsel redelijkerwijze verantwoorden dat de personen op wie het « voorrecht van rechtsmacht » van toepassing is, op het gebied van het onderzoek, de vervolging en de berechting anders worden behandeld dan de rechtsonderhorigen op wie de gewone regels van de strafrechtspleging van toepassing zijn.

B.5.2. De regels betreffende het « voorrecht van rechtsmacht » zijn ingesteld om redenen van algemeen belang en niet in het persoonlijk belang van de personen op wie de regeling van toepassing is.

Die regels zijn van openbare orde, zodat die personen niet eraan kunnen verzaken, ook niet wanneer zij oordelen dat de toepassing van de gewone regels van de strafrechtspleging hun gunstiger uitvalt.

B.6. Het staat in beginsel aan de wetgever om te beslissen voor welke overheidsambten dient te worden voorzien in van de gewone regels van de strafrechtspleging afwijkende regels teneinde de door hem nagestreefde doelstellingen van algemeen belang, die in B.5.1 zijn vermeld, te bereiken.

Het Hof kan de door de wetgever op dat vlak gemaakte keuzes slechts in het geding brengen indien ze kennelijk onredelijk zijn of indien ze leiden tot een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen.

B.7.1.1. Een raadsheer in sociale zaken wordt benoemd door de Koning, op voordracht van, naar gelang van het geval, de voor Arbeid bevoegde minister of de voor Middenstand bevoegde minister (artikel 216, eerste en tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek). De kandidaten worden in principe aan de minister voorgedragen door de representatieve organisaties van werkgevers, werknemers-arbeiders, werknemers-bedienden en zelfstandigen (artikelen 199, 201 en 216, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek). Een raadsheer in sociale zaken wordt benoemd voor een hernieuwbaar mandaat van vijf jaar (artikel 202, tweede lid, in samenhang gelezen met artikel 216, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek).

Een rechter in handelszaken wordt door de Koning benoemd op de gezamenlijke voordracht van de ministers die Justitie, Economische Zaken en Middenstand in hun bevoegdheid hebben (artikel 203, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek). De kandidaten kunnen zichzelf aanmelden of worden voorgedragen door representatieve professionele of interprofessionele organisaties uit de handel of de nijverheid (artikel 203, tweede lid, van hetzelfde Wetboek). Een rechter in handelszaken wordt benoemd voor een hernieuwbaar mandaat van vijf jaar (artikel 204, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek).

B.7.1.2. Een plaatsvervangend vrederechter wordt van zijn kant benoemd op gemotiveerde voordracht van de bevoegde benoemings- en aanwijzingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie, na afweging van zijn bekwaamheid en geschiktheid (artikel 259ter, § 4, eerste, tiende en twaalfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek). Hij wordt voor het leven benoemd (artikel 152, eerste lid, van de Grondwet).

B.7.2.1. Een raadsheer in sociale zaken en een rechter in handelszaken mogen onder andere handeldrijven, handelsvennootschappen en nijverheids- of handelsinrichtingen beheren, leiden of toezicht erop uitoefenen, een arbeidsovereenkomst aangaan en uitvoeren, of het beroep van bedrijfsrevisor en van accountant en de bezigheden die hen door die laatste twee hoedanigheden geoorloofd zijn, uitoefenen (artikel 300, tweede lid, 2°, 3° en 4°, van het Gerechtelijk Wetboek).

Een raadsheer in sociale zaken mag bovendien een ambt uitoefenen in een representatieve organisatie van werknemers, zelfstandigen of werkgevers of in een instelling die deelneemt aan de uitvoering van de wetgeving inzake maatschappelijke zekerheid (artikel 300, tweede lid, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek).

De ambten van raadsheer in sociale zaken en rechter in handelszaken zijn daarentegen onverenigbaar met het ambt van notaris of met het beroep van advocaat (artikel 300, tweede lid, in samenhang gelezen met artikel 293, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek).

B.7.2.2. Een plaatsvervangend vrederechter mag, zijnerzijds, onder andere, het beroep van advocaat en van notaris uitoefenen, alsook bezigheden die hem daardoor geoorloofd zijn (artikel 300, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek).

Hij mag echter, noch persoonlijk, noch door een tussenpersoon, enige handel drijven, of deelnemen aan de leiding, het beheer van of het toezicht op handelsvennootschappen of nijverheids- of handelsinrichtingen (artikel 300, eerste lid, in samenhang gelezen met artikel 299 van het Gerechtelijk Wetboek), een arbeidsovereenkomst aangaan en uitvoeren, of het beroep van bedrijfsrevisor of van accountant uitoefenen (artikel 300, eerste lid, in samenhang gelezen met artikel 300, tweede lid, 2°, 3° en 4°, van het Gerechtelijk Wetboek).

B.7.3. De voormelde regels betreffende de wijze van aanwerving en de duur van het ambt, alsook de aard en het veld van de van de rechtsbedeling losstaande beroepsactiviteiten die mogen worden uitgeoefend door, enerzijds, een raadsheer in sociale zaken en een rechter in handelszaken en, anderzijds, een plaatsvervangend vrederechter, zijn dermate verschillend dat zij verantwoorden dat alleen die laatste het « voorrecht van rechtsmacht » geniet.

B.8. Aangezien het verschil in behandeling tussen de twee in B.2 beoogde categorieën van openbare ambtsdragers verantwoord is, is het niet klaarblijkelijk onredelijk aan de procureur-generaal bij het hof van beroep de bevoegdheid voor te behouden om de strafvordering op gang te brengen om reden van een misdrijf dat door een plaatsvervangend vrederechter buiten de uitoefening van zijn ambt is gepleegd, en om bijgevolg de persoon die zich door dat misdrijf benadeeld acht de mogelijkheid te ontnemen om zich burgerlijke partij te stellen in handen van een onderzoeksrechter teneinde die strafvordering op gang te brengen.

Die maatregel beperkt de rechten van die persoon, die slechts een particulier belang kan nastreven zelfs wanneer hij de strafvordering op gang brengt, niet op buitensporige wijze. Die persoon beschikt bovendien over de mogelijkheid om voor de burgerlijke rechter de vergoeding te vorderen van de schade die dat misdrijf hem zou hebben berokkend. Het staat hem ten slotte vrij om het misdrijf bij de bevoegde autoriteiten aan te klagen, teneinde de bevoegde minister in staat te stellen om een individuele vervolging te bevelen (artikel 151, § 1, tweede zin, van de Grondwet, ingevoegd bij de grondwetsherziening van 20 november 1998).

B.9. De eerste prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag

B.10. Uit de feiten van de aan de verwijzende rechter voorgelegde zaak, de procedurestukken en de motieven van de verwijzingsbeslissing blijkt dat het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van artikel 479 van het Wetboek van strafvordering, doordat het een verschil in behandeling zou invoeren tussen twee categorieën van personen die beweren dat zij zijn benadeeld door een misdrijf dat een correctionele straf tot gevolg heeft en dat zou zijn gepleegd door een plaatsvervangend vrederechter nadat hij de uitoefening van zijn ambt heeft stopgezet : enerzijds, de personen die zich benadeeld achten door zulk een misdrijf dat door die rechter zou zijn gepleegd na zijn inrustestelling wegens het bereiken van de leeftijd van 67 jaar en, anderzijds, diegenen die zich benadeeld achten door zulk een misdrijf dat door die rechter zou zijn gepleegd nadat hij in ruste was gesteld omdat hij wegens een ernstige en blijvende gebrekkigheid niet langer in staat was zijn rechterlijk ambt naar behoren te vervullen.

De in het geding zijnde bepaling zou tot gevolg hebben dat alleen de personen van de eerste categorie zich geen burgerlijke partij zouden kunnen stellen in handen van een onderzoeksrechter teneinde de strafvordering op gang te brengen.

B.11. Zoals in B.3 in herinnering is gebracht, wordt bij de in het geding zijnde bepaling aan de procureur-generaal bij het hof van beroep de bevoegdheid voorbehouden om de strafvordering op gang te brengen wegens een misdrijf dat is gepleegd door een van de in die bepaling beoogde openbare ambtsdragers.

B.12.1. De wet van 20 mei 1845 « sur les traitements des membres de l'ordre judiciaire » bepaalde in artikel 8 dat de « leden van de hoven en rechtbanken in ruste [werden] gesteld wanneer zij wegens een ernstige en blijvende gebrekkigheid niet langer in staat [waren] hun ambt naar behoren te vervullen » (eigen vertaling).

De wet van 25 juli 1867 « betreffende de ontslagverlening aan de magistraten » bepaalde in artikel 1 dat de « leden van de hoven en rechtbanken in ruste [werden] gesteld wanneer zij wegens een ernstige en blijvende gebrekkigheid niet langer in staat [waren] hun ambt naar behoren te vervullen, of wanneer zij [een leeftijd] [hadden] bereikt » (eigen vertaling) die verschilde naar gelang van het rechtscollege waartoe zij behoorden.

Alleen de magistraat die in ruste was gesteld omdat hij de leeftijdsgrens had bereikt, bleef met zijn ambt bekleed en bleef deel uitmaken van de rechterlijke macht (Cass., 5 januari 1959, Arr. Cass., 1959, p. 376). Dat bleek eveneens uit de parlementaire voorbereiding van beide voormelde wetten.

B.12.2. Bij artikel 2 van de wet van 10 oktober 1967 « houdende het Gerechtelijk Wetboek » werd de wet van 25 juli 1867 opgeheven.

In de oorspronkelijke versie ervan bepaalde artikel 383 van het Gerechtelijk Wetboek :

« De magistraten van de rechterlijke orde houden op hun ambt uit te oefenen en worden in ruste gesteld, wanneer zij de leeftijd van zeventig jaar bereikt hebben of wegens een ernstige en blijvende gebrekkigheid niet langer in staat zijn hun ambt naar behoren te vervullen ».

Zoals zij werd vervangen bij artikel 8 van de wet van 17 juli 1984 « houdende bepaalde maatregelen van aard tot vermindering van de gerechtelijke achterstand » en gewijzigd bij artikel 48 van de wet van 3 mei 2003 « tot wijziging van sommige bepalingen van deel II van het Gerechtelijk Wetboek », luidt die bepaling als volgt :

« § 1. De magistraten van de Rechterlijke Orde houden op hun ambt uit te oefenen en worden in rust gesteld op het einde van de maand in de loop van dewelke zij de leeftijd bereiken van :

zeventig jaar wat de leden van het Hof van Cassatie betreft;

zevenenzestig jaar wat de leden van de andere rechtscolleges betreft;

of wanneer zij wegens een ernstige en blijvende gebrekkigheid niet langer in staat zijn hun ambt naar behoren te vervullen.

[...] ».

Die regel is van toepassing op de plaatsvervangende vrederechters (artikel 390, eerste zin, van het Gerechtelijk Wetboek).

B.12.3. Het feit dat uit het Gerechtelijk Wetboek blijkt dat de plaatsvervangende vrederechter die om een van de twee voormelde redenen in ruste wordt gesteld « ophoudt zijn ambt uit te oefenen », betekent niet dat de wetgever voortaan ervan uitgaat dat een plaatsvervangend vrederechter die in ruste wordt gesteld omdat hij wegens een ernstige en blijvende gebrekkigheid niet langer in staat is zijn ambt naar behoren te vervullen, nog deel uitmaakt van de rechterlijke orde.

B.13. De in het geding zijnde bepaling is van toepassing indien de persoon die ervan wordt beschuldigd een misdrijf te hebben gepleegd dat een correctionele straf tot gevolg heeft, een van de in die bepaling opgesomde hoedanigheden bezit op het ogenblik van het misdrijf (Cass., 19 februari 1962, Pas., 1962, I, p. 697; Cass., 9 februari 1988, Arr. Cass., 1987-88, 1, nr. 354).

Zij is dus enkel van toepassing op de eerste categorie van plaatsvervangende vrederechters die in B.10 is omschreven.

B.14. De omstandigheid dat de plaatsvervangende vrederechter die in ruste wordt gesteld omdat hij de leeftijd van 67 jaar heeft bereikt, blijft deel uitmaken van de rechterlijke macht en met zijn ambt bekleed blijft, terwijl dat niet het geval is voor de plaatsvervangende vrederechter die in ruste wordt gesteld omdat hij wegens een ernstige en blijvende gebrekkigheid niet langer in staat is zijn ambt naar behoren te vervullen, biedt een redelijke verantwoording voor het feit dat alleen de eerstgenoemde het « voorrecht van rechtsmacht » geniet.

B.15. Aangezien het verschil in behandeling tussen de twee in B.10 beoogde categorieën van openbare ambtsdragers verantwoord is, is het niet klaarblijkelijk onredelijk om aan de procureur-generaal bij het hof van beroep de bevoegdheid voor te behouden om de strafvordering op gang te brengen om reden van een misdrijf dat is gepleegd door een plaatsvervangend vrederechter die wegens zijn leeftijd in ruste is gesteld, en om bijgevolg de persoon die zich door dat misdrijf benadeeld acht de mogelijkheid te ontnemen om zich burgerlijke partij te stellen in handen van een onderzoeksrechter teneinde die strafvordering op gang te brengen.

Zoals vermeld in B.8, beperkt die maatregel de rechten van die persoon, die over de mogelijkheid beschikt om voor de burgerlijke rechter de vergoeding te vorderen van de schade die dat misdrijf hem zou hebben berokkend, en aan wie het vrij staat om het misdrijf bij de bevoegde autoriteiten aan te klagen, teneinde de bevoegde minister in staat te stellen om een individuele vervolging te bevelen, niet op buitensporige wijze.

B.16. De tweede prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 479 van het Wetboek van strafvordering schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 27 juli 2011, door rechter J.-P. Moerman, ter vervanging van rechter J.-P. Snappe, wettig verhinderd zijnde de uitspraak van dit arrest bij te wonen.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De wnd. voorzitter,

J.-P. Moerman.

Vrije woorden

  • Prejudiciële vragen betreffende artikel 479 van het Wetboek van strafvordering, gesteld door de kamer van inbeschuldigingstelling van het Hof van Beroep te Bergen. Strafrechtspleging

  • Voorrecht van rechtsmacht

  • 1. Plaatsvervangend vrederechter

  • a. Rechter in ruste gesteld wegens zijn leeftijd

  • b. Rechter in ruste gesteld wegens een ernstige en blijvende gebrekkigheid

  • 2. Raadsheer in sociale zaken of rechter in handelszaken.