- Arrest van 27 juli 2011

27/07/2011 - 138/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof verwerpt de beroepen.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit voorzitter M. Bossuyt, rechter J.-P. Snappe, waarnemend voorzitter, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul en F. Daoût, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging

a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 18 augustus 2010 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 19 augustus 2010, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 2 en 3 van de wet van 3 maart 2010 tot wijziging van deel XII van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, bekrachtigd door de programmawet van 30 december 2001 (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 8 april 2010) door Stefaan Verbeke, wonende te 3012 Wilsele, Bornestraat 305.

b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 7 oktober 2010 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 8 oktober 2010, is beroep tot vernietiging ingesteld van voormelde wet van 3 maart 2010 door Arnold Baudechon, wonende te 7866 Lessenbos, rue de la Loge 95, Jean Belboom, wonende te 4671 Housse, rue Bouhouille 13, Serge Deblire, wonende te 4610 Beyne-Heusay, rue de Fayembois 73, Alain Degaudine, wonende te 7160 Chapelle-lez-Herlaimont, rue de Gouy 238, Alain Degeest, wonende te 1370 Geldenaken, Chemin du Verdi 30, Jean-Claude De Vreese, wonende te 6792 Rachecourt, rue La Cour 38, Thierry Graas, wonende te 5620 Florennes, rue de Mettet 88, Alain Hequet, wonende te 7870 Lens, rue des Alliés 28, Philippe Hilligsmann, wonende te 4721 Kelmis, Hasardstrasse, Francis Joncret, wonende te 7140 Morlanwelz, rue de l'Enseignement 21, Philippe Lambert, wonende te 4602 Wezet, rue aux Communes 70, Thierry Moureau, wonende te 4141 Sprimont, rue d'Adzeux 41, Eric Lacave, wonende te 6760 Ruette, rue Frère Mérantius 33, en Christian Paquay, wonende te 4780 Sankt Vith, Zum Batzborn 4 a.

c. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 8 oktober 2010 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 11 oktober 2010, is beroep tot vernietiging ingesteld van dezelfde wet door Patriek Blancke, wonende te 9880 Aalter, Weibroekdreef 21 a, Etienne Coupé, wonende te 8770 Ingelmunster, Dr. Lauwersstraat 40, Paul De Ridder, wonende te 1853 Grimbergen, Heuveldal 30, Frans De Waele, wonende te 8750 Wingene, Lichterveldestraat 15, Dirk Fonteyne, wonende te 2627 Schelle, Sneeuwbeslaan 6, Eddy Geerinckx, wonende te 2110 Wijnegem, Fortveldstraat 19, Robert Jonckheere, wonende te 8480 Ichtegem, Bevrijdingsweg 10, Luc Lagae, wonende te 8980 Moorslede, Roomstraat 9, Frank Lapierre, wonende te 8760 Meulebeke, Devestraat 5, Danny Peeters, wonende te 2860 Sint-Katelijne-Waver, Liersesteenweg 92/A/3, Dirk Van Colen, wonende te 8850 Ardooie, Roeselaarsestraat 97, Luc Lacaeyse, wonende te 9180 Moerbeke-Waas, Wachtebekesteenweg 29, John Pieteraerens, wonende te 9660 Brakel, Ronsesestraat 302, Johan Stouffs, wonende te 8980 Zonnebeke, Tuinwijk 37, Marcel Van der Aa, wonende te 1840 Londerzeel, Holstraat 61, Eric Vandermeirsch, wonende te 2627 Schelle, Rubensstraat 44, Marc Van Wabeke, wonende te 9910 Knesselare, Smissestraat 3, en Gert Verstraete, wonende te 2910 Essen, Heikantstraat 78.

Die zaken, ingeschreven onder de nummers 5019, 5038 en 5039 van de rol van het Hof, werden samengevoegd.

(...)

II. In rechte

(...)

Ten aanzien van de besteden bepalingen

B.1.1. De verzoekende partij in de zaak nr. 5019 vordert de vernietiging van de artikelen 2 en 3 van de wet van 3 maart 2010 tot wijziging van deel XII van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, bekrachtigd door de programmawet van 30 december 2001. De verzoekende partijen in de zaken nrs. 5038 en 5039 vorderen de vernietiging van de voormelde wet van 3 maart 2010 in haar geheel.

B.1.2. De voormelde wet van 3 maart 2010 bepaalt :

« Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2. Artikel XII.VI.9bis van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, ingevoegd bij de wet van 3 juli 2005, wordt aangevuld met een lid, luidende :

' Het eerste lid geldt eveneens voor de personeelsleden die daags vóór de inwerkingtreding van dit besluit bekleed waren met de graad van commissaris van de gemeentepolitie en die, hetzij, korpschef waren van een korps van de gemeentepolitie in een gemeente van klasse 17, hetzij benoemd waren in een gemeente van klasse 20 zonder korpschef te zijn van het desbetreffende korps. '

Art. 3. Artikel XII.VII.27bis van hetzelfde besluit, ingevoegd bij de wet van 3 juli 2005, wordt aangevuld met een lid, luidende :

' Het eerste lid geldt eveneens voor de personeelsleden die daags vóór de inwerkingtreding van dit besluit bekleed waren met de graad van commissaris van de gemeentepolitie en die, hetzij, korpschef waren van een korps van de gemeentepolitie in een gemeente van klasse 17, hetzij benoemd waren in een gemeente van klasse 20 zonder korpschef te zijn van het desbetreffende korps. ' ».

B.1.3. Artikel XII.VI.9bis van het voormelde koninklijk besluit van 30 maart 2001, zoals ingevoegd bij artikel 18 van de wet van 3 juli 2005 « tot wijziging van bepaalde aspecten van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten » en zoals gewijzigd bij het bestreden artikel 2, bepaalt :

« De actuele personeelsleden bedoeld in tabel D1, derde kolom, punt 3.26. van bijlage 11, kunnen meedingen naar betrekkingen die openstaan voor de hoofdcommissarissen van politie.

Het eerste lid geldt eveneens voor de personeelsleden die daags vóór de inwerkingtreding van dit besluit bekleed waren met de graad van commissaris van de gemeentepolitie en die, hetzij, korpschef waren van een korps van de gemeentepolitie in een gemeente van klasse 17, hetzij benoemd waren in een gemeente van klasse 20 zonder korpschef te zijn van het desbetreffende korps ».

B.1.4. Artikel XII.VII.27bis van het voormelde koninklijk besluit van 30 maart 2001, zoals ingevoegd bij artikel 33 van de voormelde wet van 3 juli 2005 en zoals gewijzigd bij artikel 51 van de wet van 20 juni 2006 tot wijziging van bepaalde teksten betreffende de geïntegreerde politie en bij het bestreden artikel 3, bepaalt :

« De actuele personeelsleden bedoeld in tabel D1, derde kolom, punt 3.26. van bijlage 11 kunnen meedingen voor de mandaatbetrekkingen zoals bedoeld in artikel 66 van de wet van 26 april 2002.

Het eerste lid geldt eveneens voor de personeelsleden die daags vóór de inwerkingtreding van dit besluit bekleed waren met de graad van commissaris van de gemeentepolitie en die, hetzij, korpschef waren van een korps van de gemeentepolitie in een gemeente van klasse 17, hetzij benoemd waren in een gemeente van klasse 20 zonder korpschef te zijn van het desbetreffende korps ».

Ten aanzien van het belang

B.2.1. De Ministerraad betwist het belang van de verzoekende partij in de zaak nr. 5019 in zoverre die partij geen voordeel zou kunnen halen uit de eventuele vernietiging van de bestreden bepalingen.

B.2.2. Wanneer een wetsbepaling een categorie van personen bevoordeelt, kunnen diegenen die van het voordeel van die bepaling verstoken blijven, in dat verschil in behandeling een belang vinden dat voldoende rechtstreeks is om die bepaling aan te vechten. Te dezen beklaagt de verzoekende partij zich erover dat zij niet dezelfde mogelijkheid heeft om mee te dingen naar betrekkingen die openstaan voor de hoofdcommissarissen van politie en voor de mandaatbetrekkingen zoals bedoeld in artikel 66 van de wet van 26 april 2002, als de personeelsleden vermeld in de bestreden bepalingen. Zij heeft bijgevolg voldoende belang om die bepaling aan te vechten.

B.2.3. De exceptie wordt verworpen.

Ten gronde

B.3. De verzoekende partij in de zaak nr. 5019 voert de schending aan van de artikelen 10, 11 en 184 van de Grondwet in zoverre een kapitein-commandant bij de rijkswacht die bij de eenmaking van de politie de hoedanigheid van commissaris van politie heeft verkregen niet het voordeel van de bestreden bepalingen kan genieten. De verzoekende partijen in de zaken nrs. 5038 en 5039 voeren de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre de personeelsleden van de politiediensten die de graad hadden van politiecommissaris en die korpschef waren van een gemeentelijk politiekorps van een gemeente van klasse 15 of 16, niet het voordeel van de bestreden bepalingen kunnen genieten.

B.4. Het Hof is niet bevoegd om wetskrachtige normen rechtstreeks te toetsen aan artikel 184 van de Grondwet. In zoverre de verzoekende partij in de zaak nr. 5019 de schending zou aanvoeren van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 184 van de Grondwet, zet die partij niet uiteen waarin die schending zou bestaan. Bijgevolg dient het Hof de bestreden bepalingen enkel te toetsen aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

B.5.1. Het wetsvoorstel dat tot de bestreden wet heeft geleid, beoogde de commissarissen die korpschef waren van een gemeente van klasse 17 en de commissarissen die benoemd waren in een gemeente van klasse 20 zonder korpschef te zijn, in te delen bij de hogere officieren en hen in te schalen als hoofdcommissaris. Het wetsvoorstel werd als volgt verantwoord :

« In de huidige situatie zijn de officieren uit de voormalige korpsen van rijkswacht, gemeentepolitie en gerechtelijke politie ingedeeld en ingeschaald in lagere of hogere officieren, te weten de respectieve graden van commissaris of hoofdcommissaris.

Zo zijn de commissaris-korpschef van een gemeente klasse 17 en een commissaris (niet-korpschef) van een gemeente klasse 20 ingedeeld bij de lagere officieren en kregen zij de ' nieuwe ' graad van commissaris.

Deze indeling en inschaling gebeurde naar verluidt op grond van een aantal criteria zoals de loonschaal, de klasse van gemeente, en de proportionaliteitsverhoudingen tussen de verschillende korpsen.

Officieren van de rijkswacht werden vanaf de graad van majoor ingedeeld bij de hogere officieren en kregen de nieuwe graad van hoofdcommissaris.

Uit een grondige vergelijking van de aangehaalde criteria blijkt dat de commissaris-korpschef klasse 17 en de commissaris klasse 20 dienden ingedeeld te worden bij de hogere officieren om volgende redenen :

1. hun oude loonschaal lag hoger dan die van majoor en stemde overeen met de loonschaal van luitenant-kolonel;

2. bij de gemeentepolitie was vanaf de klasse 17 een diploma niveau 1 vereist voor de functie van commissaris, zodat er een duidelijk onderscheid bestond tussen gemeenten klasse 12 t/m 16 en gemeenten klasse 17 t/m 22;

3. van de gemeentepolitie werden op 1 april 2001 op een totaal van 19 800 personeelsleden slechts 172 officieren ingeschaald als hoofdcommissaris, terwijl van de rijkswacht op een totaal van 15 500 personeelsleden 205 officieren werden ingeschaald als hoofdcommissaris.

In een streven naar evenwichtige, billijke en coherente behandeling kan worden aangehaald dat deze twee categorieën van commissarissen van ex-gemeentepolitie ook nooit de mogelijkheid hebben gehad hun wachttoelage volledig te benutten bij de baremische inschaling.

Volgens de artikelen 9 en 35 van de wet van 3 juli 2005, die een inschaling met een theoretische forfaitaire wachttoelage in het leven riep voor leden van de voormalige rijkswacht en gerechtelijke politie, had een volledige inschaling met wachttoelage nochtans de bedoeling moeten zijn. (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1680/001, p. 9-11).

Dat de commissaris-korpschef klasse 17 en de commissaris klasse 20 ingedeeld horen te worden bij de hoofdcommissarissen blijkt ook uit het koninklijk besluit van 27 januari 2008 tot goedkeuring van het reglement betreffende het verlenen van eervolle onderscheidingen in de Nationale Orden aan de leden van de geïntegreerde politiediensten.

Bijlage 2 van dit koninklijk besluit, punt 4A, vermeldt formeel dat de commissaris die na 1 april 2001 de schaal O4bis of O4bis ir heeft bekomen, de onderscheiding bekomt die toegekend wordt aan de hoofdcommissaris O5 en O6.

Om discriminerende toestanden te verhelpen en een evenwichtige en billijke inschaling te bekomen wordt voorgesteld om de wet te wijzigen » (Parl. St., Senaat, 2008-2009, nr. 4-1165/1, pp. 2-3).

B.5.2. In antwoord op de kritiek van de minister van Binnenlandse Zaken, die bezwaar maakte tegen het feit dat de commissarissen die korpschef waren van een gemeente van klasse 17 en de commissarissen die benoemd waren in een gemeente van klasse 20 zonder korpschef te zijn van het desbetreffende korps, werden ingeschaald als hoofdcommissaris (Parl. St., Senaat, 2009-2010, nr. 4-1165/5, pp. 4-5), werden twee amendementen ingediend die tot de tekst van de bestreden bepalingen hebben geleid. Die amendementen werden als volgt verantwoord :

« Deze wetsartikelen betreffen twee zeer specifieke personeelscategoriëen van de politiediensten, zijnde de voormalige commissarissen-korpschefs van politiekorpsen van gemeenten van klasse 17, alsook zij die benoemd waren in de graad van commissaris bij de gemeentepolitie in een gemeente van klasse 20 en die geen korpschef waren van hun korps.

Zij strekken ertoe om hen, in navolging van de voormalige afdelingscommissarissen IC van de GPP, de mogelijkheid te bieden om, via mobiliteit of de mandaatregeling, aangewezen te worden voor een ambt van hoofdcommissaris.

In dat geval zullen zij eveneens de aanstelling in die graad genieten krachtens artikel XII.VII.25 RPPol, alsook, na het ambt gedurende drie jaren te hebben uitgeoefend en mits gunstige evaluatie, de bevordering tot hoofdcommissaris krachtens artikel 135ter van de wet van 26 april 2002 houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten (' Exodus ').

De ratio van deze artikelen is ingegeven door de bekommernis om voor deze specifieke personeelscategorieën, met een zeer beperkt aantal begunstigden, bijkomende loopbaanperspectieven te creëren, zoals dat ook is gebeurd voor de gewezen afdelingscommissarissen IC van de GPP » (Parl. St., Senaat, 2009-2010, nr. 4-1165/4, p. 2).

B.5.3. Tijdens de parlementaire voorbereiding werd tevens beklemtoond dat de betrokken commissarissen vóór de wetswijziging niet in aanmerking kwamen voor een toekomstige bevordering (Parl. St., 2009-2010, nr. 4-1165/5, p. 6) en dat het voor de betrokkenen belangrijk was om bevorderingskansen te krijgen (ibid., p. 9). Door hun de mogelijkheid te geven om via mobiliteit of de mandaatregeling aangewezen te worden voor een ambt van hoofdcommissaris, beoogde de wetgever hun bijkomende loopbaanperspectieven te bieden (ibid., p. 10). De minister van Binnenlandse Zaken merkte dienaangaande het volgende op :

« het amendement [biedt] een alternatieve oplossing waarbij enerzijds wordt rekening gehouden met de loopbaanperspectieven van de beoogde commissarissen maar anderzijds een domino-effect wordt vermeden. Het amendement verzoent deze uitgangspunten doordat het de bedoelde commissarissen de mogelijkheid geeft om mee te dingen naar een ambt van hoofdcommissaris » (ibid. ).

B.6. De aanneming van regels die ertoe strekken in een eenheidspolitie personeelsleden te integreren die afkomstig zijn van drie politiekorpsen waarbij die korpsen, wegens de specifieke opdrachten waarvoor ze instonden, aan verschillende statuten waren onderworpen, impliceert dat aan de wetgever een voldoende beoordelingsmarge wordt gelaten, opdat een hervorming van een dergelijke omvang kan slagen. Zulks geldt evenzeer wanneer, zoals te dezen, de wetgever in die aangelegenheid opnieuw optreedt.

Hoewel het niet aan het Hof staat zijn beoordeling in de plaats te stellen van die van de wetgever, is het, daarentegen, ertoe gemachtigd te onderzoeken of de wetgever maatregelen heeft genomen die redelijkerwijze verantwoord zijn ten aanzien van de door hem nagestreefde doelstellingen.

Bij dat onderzoek dient ermee rekening te worden gehouden dat het te dezen gaat om een bijzonder complexe aangelegenheid waarbij een regel die betrekking heeft op sommige aspecten ervan en die door bepaalde categorieën van personeelsleden als discriminerend kan worden ervaren, deel uitmaakt van een algehele regeling die tot doel heeft drie politiekorpsen die elk hun eigen kenmerken hadden, te integreren. Hoewel sommige onderdelen van zulk een regeling, afzonderlijk beschouwd, relatief minder gunstig kunnen zijn voor bepaalde categorieën van personeelsleden, zijn zij daarom nog niet noodzakelijk zonder redelijke verantwoording indien die regeling in haar geheel wordt onderzocht. Het Hof dient rekening te houden met het feit dat een vernietiging van bepaalde onderdelen van een dergelijke regeling het algehele evenwicht ervan zou kunnen verstoren.

B.7.1. Het verschil in behandeling berust op een objectief criterium, namelijk het politiekorps waartoe de betrokken personeelsleden vóór de integratie van de politiekorpsen behoorden en de klasse van de gemeente waarin zij commissaris waren.

B.7.2. In zoverre de bestreden bepalingen de betrokken personeelsleden beogen loopbaanperspectieven te bieden, streven ze een wettig doel na.

B.7.3.1. In tegenstelling tot wat het geval was in het oorspronkelijke wetsvoorstel dat tot de betreden bepalingen heeft geleid, houden de aangenomen bepalingen niet in dat personeelsleden die bekleed waren met de graad van commissaris van de gemeentepolitie en die hetzij korpschef waren van een korps van de gemeentepolitie in een gemeente van klasse 17, hetzij benoemd waren in een gemeente van klasse 20 zonder korpschef te zijn, automatisch worden ingeschaald als hoofdcommissaris. De bestreden bepalingen beperken zich ertoe te bepalen dat de personeelsleden in kwestie kunnen meedingen naar de in die bepalingen vermelde betrekkingen. Indien zij voor een dergelijke betrekking worden aangewezen, worden zij aangesteld in de graad van hoofdcommissaris (artikel XII.VII.25, eerste lid, van het koninklijk besluit van 30 maart 2001) en worden zij, na het ambt gedurende drie jaren te hebben uitgeoefend en mits gunstige evaluatie, tot hoofdcommissaris van politie bevorderd (artikel 135ter van de wet van 26 april 2002 houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten).

B.7.3.2. Aldus worden de personeelsleden die bekleed waren met de graad van commissaris van de gemeentepolitie en die hetzij korpschef waren van een korps van de gemeentepolitie in een gemeente van klasse 17, hetzij benoemd waren in een gemeente van klasse 20 zonder korpschef te zijn, op dezelfde wijze behandeld als de personeelsleden bedoeld in tabel D1, derde kolom, punt 3.26, van bijlage 11 van het koninklijk besluit van 30 maart 2001, zijnde de gerechtelijk afdelingscommissaris, laboratoriumafdelingscommissaris of afdelingscommissaris van de dienst telecommunicatie.

B.7.3.3. In zijn arrest nr. 11/2007 van 17 januari 2007 heeft het Hof geoordeeld dat de verschillende inschaling van, enerzijds, de gewezen officieren bij de rijkswacht en de gewezen politiecommissarissen die hetzij korpschefs waren in gemeenten tot en met klasse 17, hetzij niet-korpschefs waren in gemeenten tot en met klasse 20 en, anderzijds, de gewezen afdelingscommissarissen 1C, bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Het voorgaande verhindert evenwel niet dat de gewezen politiecommissarissen-korpschefs in gemeenten van klasse 17 en de gewezen politiecommissarissen niet-korpschefs in gemeenten van klasse 20 op dezelfde wijze worden behandeld als de gewezen afdelingscommissarissen 1C wat de mogelijkheid betreft om mee te dingen naar betrekkingen die openstaan voor de hoofdcommissarissen van politie en voor de mandaatbetrekkingen zoals bedoeld in artikel 66 van de wet van 26 april 2002.

B.7.3.4. Uit de in B.5.3 vermelde parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever in hoofdzaak de gewezen politiecommissarissen die korpschefs waren in gemeenten van klasse 17 en de gewezen politiecommissarissen die benoemd waren in een gemeente van klasse 20 zonder korpschef te zijn, bijkomende loopbaanperspectieven beoogde te geven. Terwijl zij voorheen, om tot de graad van hoofdcommissaris te kunnen worden bevorderd, dienden te voldoen aan de in artikel 32 van de wet van 26 april 2002 bepaalde voorwaarden, kunnen zij thans, zonder aan die voorwaarden te voldoen, meedingen naar de in de bestreden bepalingen vermelde betrekkingen en, indien zij voor een dergelijke betrekking worden aangewezen, met toepassing van het voormelde artikel XII.VII.25, eerste lid, van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 worden aangesteld in de graad van hoofdcommissaris. Inzonderheid zullen de gewezen politiecommissarissen die korpschefs waren in gemeenten van klasse 17 en de gewezen politiecommissarissen die benoemd waren in een gemeente van klasse 20 zonder korpschef te zijn, niet langer houder dienen te zijn van het directiebrevet dat, luidens het voormelde artikel 32, 3°, van de wet van 26 april 2006, vereist is voor de bevordering tot de graad van hoofdcommissaris van politie.

B.7.3.5. Uit het koninklijk besluit van 12 oktober 2006 tot bepaling van het directiebrevet dat vereist is voor de bevordering tot de graad van hoofdcommissaris van politie, blijkt dat zowel bij de toelating tot de promotieopleiding als bij de promotieopleiding zelf groot belang wordt gehecht aan de vaardigheid inzake management (afdeling 3 van hoofdstuk V van het voormelde koninklijk besluit) en inzake leiding en beheer (artikel 29 van het voormelde koninklijk besluit).

B.7.3.6. Aangezien de bestreden bepalingen enkel gelden voor personeelsleden die vóór de integratie van de politiekorpsen politiecommissarissen waren en die hetzij korpschefs waren in gemeenten van klasse 17, hetzij benoemd waren in een gemeente van klasse 20 zonder korpschef te zijn, en die sindsdien de graad van commissaris van politie bekleden, vermocht de wetgever op grond van de klasse van de gemeente waarin de betrokkenen politiecommissaris waren, redelijkerwijs aan te nemen dat zij over een staat van dienst beschikken die het hun moet mogelijk maken om met voldoende kennis van zaken de beoogde betrekkingen uit te oefenen.

B.7.3.7. Bovendien worden de betrokkenen, in tegenstelling tot de commissaris van politie die voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 32 van de wet van 26 april 2002 en die krachtens artikel 33 van diezelfde wet wordt bevorderd in de graad van hoofdcommissaris, in eerste instantie enkel aangesteld in de graad van hoofdcommissaris. Zij worden slechts tot die graad bevorderd na het ambt gedurende drie jaren te hebben uitgeoefend en mits gunstige evaluatie. Die evaluatie staat borg voor het goede niveau van de personeelsleden die met toepassing van de bestreden bepalingen worden aangewezen.

B.7.3.8. Gelet op het voorgaande, is het bestreden verschil in behandeling niet zonder redelijke verantwoording.

B.8. Het enige middel in de zaak nr. 5019 en het enige middel in de zaken nrs. 5038 en 5039 zijn niet gegrond.

Om die redenen,

het Hof

verwerpt de beroepen.

Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 27 juli 2011.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

M. Bossuyt.

Vrije woorden

  • Beroepen tot vernietiging van de wet van 3 maart 2010 tot wijziging van deel XII van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, bekrachtigd door de programmawet van 30 december 2001, ingesteld door Stefaan Verbeke, door Arnold Baudechon en anderen, en door Patriek Blancke en anderen. Geïntegreerde politiedienst

  • Personeel

  • Statuut

  • Voorwaarden en modaliteiten van de integratie van de politiediensten

  • Aanstelling en bevordering in de graad van hoofdcommissaris

  • Gewezen politiecommissarissen.