- Arrest van 27 juli 2011

27/07/2011 - 140/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof

- vernietigt artikel 9 van de wet van 25 januari 2010 « tot wijziging van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten (RPPol) wat betreft de benoeming in de graad van aanstelling van bepaalde personeelsleden van de algemene directie van de gerechtelijke politie », in zoverre het, door een artikel XII.VII.19bis in te voegen in het voormelde koninklijk besluit, het voordeel van het behoud van de geldelijke anciënniteit (horizontale inschaling) weigert aan de voormalige aangestelde leden van de gerechtelijke politie of van de gemeentepolitie die tot commissaris worden benoemd;

- verwerpt het beroep voor het overige.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit rechter J.-P. Snappe, waarnemend voorzitter, voorzitter M. Bossuyt, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul en F. Daoût, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van rechter J.-P. Snappe,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging

Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 30 augustus 2010 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 1 september 2010, hebben Jacques Stas, wonende te 5590 Haversin, route de Barvaux 213, Bernard Jeusette, wonende te 4280 Hannuit, rue des Prés 5, Jean-Michel Rocks, wonende te 4802 Heusy, Ningloheid 121, Jean-Marie Hottat, wonende te 1081 Brussel, Handelskantoorstraat 10, Eddy Lebon, wonende te 5000 Beez, rue des Perdrix 15, Yves Dullier, wonende te 6032 Mont-sur-Marchienne, rue Nestor Bal 32, en de vzw « Syndicaat van de Belgische Politie », met maatschappelijke zetel te 1070 Brussel, Geurstraat 23, beroep tot gehele of gedeeltelijke (artikelen 8 en 9) vernietiging ingesteld van de wet van 25 januari 2010 « tot wijziging van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten (RPPol) wat betreft de benoeming in de graad van aanstelling van bepaalde personeelsleden van de algemene directie van de gerechtelijke politie » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 3 maart 2010).

(...)

II. In rechte

(...)

Ten aanzien van het onderwerp van het beroep en de bestreden bepalingen

B.1.1. Het Hof bepaalt de omvang van een beroep op basis van de uiteenzetting van de middelen vervat in het verzoekschrift tot vernietiging.

B.1.2. De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van de wet van 25 januari 2010 « tot wijziging van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten (RPPol) wat betreft de benoeming in de graad van aanstelling van bepaalde personeelsleden van de algemene directie van de gerechtelijke politie », of op zijn minst van de artikelen 8 en 9 ervan.

Uit het verzoekschrift blijkt dat de twee middelen worden aangevoerd tegen de artikelen 8 en 9 van de voormelde wet.

B.1.3. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot de voormelde bepalingen van de wet van 25 januari 2010.

B.2. De artikelen 8 en 9 van de wet van 25 januari 2010 bepalen :

« Art. 8. In artikel XII.VII.18 RPPol wordt een paragraaf 2/1 ingevoegd, luidende :

' § 2/1. In afwijking van de paragrafen 1 en 2 worden de hoofdinspecteurs van politie die zijn ingeschaald in de loonschaal M5.2 en die houder zijn van het brevet voor de bevordering naar de loonschaal 2D, bedoeld in artikel 110 van het koninklijk besluit van 19 december 1997 houdende de administratieve rechtspositie en de bezoldigingsregeling van de personeelsleden van de gerechtelijke politie bij de parketten, die op 1 januari 2009 nog niet tot commissaris zijn benoemd, op die datum in die graad bevorderd, voor zover zij geen laatste evaluatie met eindvermelding " onvoldoende " hebben.

In afwijking van paragraaf 2, wordt vanaf 1 januari 2009 de in paragraaf 2, eerste lid, bedoelde proportionaliteit vastgesteld door het aantal van de op die datum in een officiersgraad benoemde en aangestelde personeelsleden van de voormalige gerechtelijke politie bij de parketten in aanmerking te nemen; het in paragraaf 2, derde lid, bedoelde aantal personeelsleden van de voormalige rijkswacht wordt dan proportioneel verhoogd zodat de initiële verhouding ongewijzigd blijft. '

Art. 9. In het RPPol wordt een artikel XII.VII.19bis ingevoegd, luidende :

' Art. XII.VII.19bis. § 1. De actuele personeelsleden van het middenkader die op 1 januari 2001 houder zijn van het brevet van de aanvullende gerechtelijke opleiding dat toegang verleende tot de bewakings- en opsporingsbrigades van de rijkswacht, die vanaf die datum ononderbroken zijn aangewezen voor een betrekking van de algemene directie gerechtelijke politie van de federale politie, die er gedurende minstens vijf jaar zijn aangesteld tot de graad van commissaris en die geen laatste evaluatie met eindvermelding " onvoldoende " hebben, voor zover zij ten tijde van die aanstelling benoemd waren in de graad van hoofdinspecteur, kunnen worden bevorderd door overgang naar het officierenkader mits zij een bijzondere opleiding voor de overgang naar het officierenkader volgen.

§ 2. Het programma van de in paragraaf 1 bedoelde opleiding wordt bepaald door de Koning. Zij bedraagt niet minder dan 210 uren en wordt gespreid over maximaal twee jaar.

De toelating tot de eerste vijf opleidingssessies wordt vastgesteld door de in paragraaf 1 bedoelde personeelsleden die niet onder het toepassingsgebied van artikel XII.VII.18 vallen en die reeds vóór de aanvang van de eerste opleidingssessie beantwoorden aan de overige voorwaarden, in te delen in vijf gelijke groepen in dalende volgorde van kaderanciënniteit, met voorrang evenwel voor de houders van het brevet van hoofdonderofficier bij de rijkswacht en, vervolgens, voor hen die een door de minister bepaald gezagsambt bekleden.

De in paragraaf 1 bedoelde personeelsleden die onder het toepassingsgebied van artikel XII.VII.18 vallen en die reeds vóór de aanvang van de eerste opleidingssessie aan de overige voorwaarden voldoen, worden toegelaten tot de opleidingssessie van hun keuze.

De andere in paragraaf 1 bedoelde personeelsleden worden toegelaten tot de opleidingssessie die volgt op de dag waarop zij aan de overige voorwaarden beantwoorden en ten vroegste in 2011.

Personeelsleden wiens [lees : wier] laatste evaluatie de eindvermelding " onvoldoende " draagt, worden niet toegelaten tot de opleiding.

§ 3. De in paragraaf 2, tweede lid, bedoelde personeelsleden van de eerste groep die aan alle voorwaarden ter zake beantwoorden, worden bevorderd op 1 januari 2008; de anderen worden bevorderd op 1 januari van het jaar dat volgt op dat waarin zij de opleiding hebben voltooid.

Bij de benoeming in de graad van commissaris wordt hun de loonschaal O2 toegekend met loonschaalanciënniteit nul.

De krachtens paragraaf 1 bevorderde personeelsleden worden gedurende vijf jaar vanaf de bevordering uitgesloten van de mobiliteit voor andere betrekkingen dan die in de algemene directie gerechtelijke politie van de federale politie.

Deze bevorderingen worden niet aangerekend op de aanwervingen van officieren. ' ».

Ten aanzien van het belang

B.3.1. De Ministerraad betwist het belang om in rechte te treden van de verzoekende partijen, op wie de bestreden bepalingen niet van toepassing zouden zijn, aangezien de bepalingen die op hen betrekking zouden hebben, vervat zouden zijn in de wet van 3 juli 2005 « tot wijziging van bepaalde aspecten van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse bepalingen met betrekking tot de politiediensten ». De zevende verzoekende partij zou niet aantonen in welk opzicht die maatregelen rechtstreekse en ongunstige gevolgen zouden kunnen hebben voor een van haar leden.

B.3.2. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt.

B.3.3. De verzoekende partijen doen in hoofdzaak gelden dat zij niet over dezelfde voordelen beschikken als die welke bij de bestreden artikelen 8 en 9 van de wet van 25 januari 2010 zijn toegekend. Zo verleent artikel 9 een benoeming door overgang naar de hogere graad met horizontale inschaling, dat wil zeggen zonder verlies van anciënniteit, uitsluitend aan de leden van de voormalige bijzondere opsporingsbrigades (BOB), inspecteurs van politie, aangesteld in de graad van commissaris. De eerste zes verzoekers daarentegen zijn allen eveneens benoemd in de hoedanigheid van commissaris van politie, maar volgens de zogenaamde driestappenmethode (rode loper), waarin is voorzien in artikel XII.XI.17, § 2, van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten (RPPol), dat wil zeggen met een herberekening van de geldelijke anciënniteit. Artikel 8 staat de benoeming in de graad van commissaris van politie voor de verzoekende partijen pas toe op 1 januari 2009, in tegenstelling met artikel 9, dat de benoeming voor de voormalige leden van de BOB toestaat op 1 januari 2008.

Wanneer wetsbepalingen de situatie van een categorie van personen regelen, kunnen degenen die ten aanzien van die categorie van het voordeel van die bepalingen verstoken blijven, daarin een belang vinden dat voldoende rechtstreeks is om de bepalingen aan te vechten. Opdat de verzoekende partijen van het vereiste belang doen blijken, is overigens niet vereist dat een eventuele vernietiging hun een onmiddellijk voordeel zou opleveren. De omstandigheid dat de verzoekende partijen, als gevolg van de vernietiging van de bestreden bepalingen, opnieuw een kans zouden krijgen dat hun situatie in gunstigere zin wordt geregeld, volstaat om hun belang bij het bestrijden van die bepalingen te verantwoorden.

B.3.4. Aangezien het beroep ontvankelijk is ten aanzien van de eerste zes verzoekende partijen, moet het Hof niet onderzoeken of het dat ook is ten aanzien van de zevende verzoekende partij.

B.3.5. De exceptie wordt verworpen.

Ten gronde

Wat het behoud van de geldelijke anciënniteit betreft (artikel 9, § 1)

B.4. In het eerste middel verwijten de verzoekende partijen artikel 9 van de bestreden wet dat het een artikel XII.VII.19bis heeft ingevoegd in titel XI van deel II van het RPPol, in plaats van er een artikel tussen de artikelen 16 tot 18 van diezelfde titel van te maken, zodat zij, als commissaris van politie van de federale politie, in die functie benoemd terwijl ze ofwel van de voormalige gemeentepolitie ofwel van de voormalige gerechtelijke politie afkomstig zijn, het slachtoffer zijn van een onverantwoord verschil in behandeling ten aanzien van de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet. Die bepaling, die op hen niet van toepassing is, en in het bijzonder paragraaf 1 ervan, kent aan de voormalige houders van een BOB-brevet het recht toe om tot commissaris van politie van de federale politie te worden benoemd na gedurende vijf jaar in die functie te zijn aangesteld met het voordeel van een horizontale inschaling, dat wil zeggen met het voordeel van de geldelijke anciënniteit, wat niet het geval is voor de verzoekende partijen, die in dezelfde graad zijn benoemd en op wie, overeenkomstig artikel XII.XI.18, § 2, van het RPPol, het mechanisme van inschaling in drie stappen wordt toegepast waarin is voorzien in artikel XII.XI.17, § 2, tweede lid, van het RPPol.

De verzoekende partijen verwijten de bestreden bepaling als dusdanig niet dat zij artikel 3 van de wet van 2 juni 2006 « tot wijziging van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten wat betreft de benoeming in de graad van aanstelling van bepaalde personeelsleden van de algemene directie van de gerechtelijke politie », een artikel dat het Hof heeft vernietigd bij zijn arrest nr. 94/2008 van 26 juni 2008, heeft « herhaald », maar dat zij die bepaling in het RPPol heeft ingevoegd op een plaats waardoor alleen de voormalige leden van de BOB het aanvullende voordeel kunnen genieten dat het voorrecht van de horizontale inschaling vormt.

B.5. Volgens de parlementaire voorbereiding heeft de wetgever, door de wet van 25 januari 2010 aan te nemen, gevolg willen geven aan het voormelde arrest nr. 94/2008 van het Hof.

Bij dat arrest heeft het Hof de artikelen 2 en 3 van de voormelde wet van 2 juni 2006 vernietigd « in zoverre zij, door het invoegen van de artikelen XII.VII.15quater en XII.VII.16quinquies in het voormelde koninklijk besluit van 30 maart 2001, het voordeel van de bevordering door overgang weigeren aan de aangestelde hoofdinspecteurs en commissarissen van de algemene directie gerechtelijke politie van de federale politie die, terwijl ze voldoen aan de andere in die bepalingen gestelde voorwaarden, geen houder zijn van het brevet van de aanvullende gerechtelijke opleiding dat toegang verleende tot de bewakings- en opsporingsbrigades van de rijkswacht ».

B.6. In zijn arrest nr. 94/2008 heeft het Hof in herinnering gebracht :

« De tot dan bestaande, als ' niet ideaal ' omschreven situatie binnen de algemene directie van de gerechtelijke politie [...] vloeide voort uit het feit dat die directie werd opgericht door samenvoeging van alle leden van de gewezen gerechtelijke politie en alle leden van de bewakings- en opsporingsbrigades van de vroegere rijkswacht. De personeelsstructuren van die beide vroegere korpsen en eenheden waren evenwel radicaal verschillend. Beide gewezen entiteiten zouden echter binnen de algemene directie worden samengevoegd en hun leden zouden dezelfde opdrachten vervullen » (B.7).

B.7. De aanneming van regels die ertoe strekken in een eenheidspolitie personeelsleden te integreren die afkomstig zijn van drie politiekorpsen waarbij die korpsen, wegens de specifieke opdrachten waarvoor ze instonden, aan verschillende statuten waren onderworpen, impliceert dat aan de wetgever een voldoende beoordelingsmarge wordt gelaten, opdat een hervorming van een dergelijke omvang kan slagen. Zulks geldt evenzeer wanneer, zoals te dezen, de wetgever in die aangelegenheid opnieuw optreedt.

Hoewel het niet aan het Hof staat zijn beoordeling in de plaats te stellen van die van de wetgever, is het, daarentegen, ertoe gemachtigd te onderzoeken of de wetgever maatregelen heeft genomen die redelijkerwijze verantwoord zijn ten aanzien van de door hem nagestreefde doelstellingen.

Bij dat onderzoek dient ermee rekening te worden gehouden dat het te dezen gaat om een bijzonder complexe aangelegenheid waarbij een regel die betrekking heeft op sommige aspecten ervan en die door bepaalde categorieën van personeelsleden als discriminerend kan worden ervaren, deel uitmaakt van een algehele regeling die tot doel heeft drie politiekorpsen die elk hun eigen kenmerken hadden, te integreren. Hoewel sommige onderdelen van zulk een regeling, afzonderlijk beschouwd, relatief minder gunstig kunnen zijn voor bepaalde categorieën van personeelsleden, zijn zij daarom nog niet noodzakelijk zonder redelijke verantwoording indien die regeling in haar geheel wordt onderzocht. Het Hof dient rekening te houden met het feit dat een vernietiging van bepaalde onderdelen van een dergelijke regeling het algehele evenwicht ervan zou kunnen verstoren.

B.8. De met de bestreden wet nagestreefde doelstelling wordt uitgelegd in de memorie van toelichting :

« Met zijn arrest 94/2008 van 26 juni 2008 heeft het Grondwettelijk Hof de artikelen 2 en 3 van de wet van 2 juni 2006 tot wijziging van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, wat betreft de benoeming in de graad van aanstelling van bepaalde personeelsleden van de algemene directie van de gerechtelijke politie van de federale politie (DGJ), vernietigd.

Het Hof stelt dat het benoemingsconcept zoals opgenomen in de wet van 2 juni 2006 op zich als wettig kan worden beschouwd maar meent desalniettemin dat het discriminatoir is de aangestelde ex-BOB'ers te benoemen en de andere aangestelden binnen DGJ, zijnde niet ex-BOB'ers, niet te benoemen, terwijl die benoeming kan worden beschouwd als een belangrijk en substantieel voordeel.

Dit ontwerp heeft tot doel die discriminatie weg te werken, namelijk door te voorzien in een benoeming voor alle in een hogere graad aangestelden, weliswaar niet noodzakelijkerwijze via dezelfde modaliteiten, die evenwel redelijk te verantwoorden zijn, zoals hierna zal blijken.

Het eerste uitgangspunt daarbij is het herstel van de benoemingsregels voor de ex-BOB'ers zoals vervat in voormelde wet van 2 juni 2006. Die worden in identieke bewoordingen hersteld. De inschalingswijze in het officierenkader wordt daarbij geëxpliciteerd. Het is steeds de bedoeling geweest die categorie te beschouwen als een soort van sociale promotie (zie de toelichting bij het toenmalige wetsvoorstel : ' Het mag niet om een automatisme gaan. De voorwaarden die toelating geven tot de benoeming kunnen vergeleken worden met het af te leggen parcours om dergelijke benoeming te bekomen ingevolge de normale procedure van interne bevordering. Door het vereisen van het brevet dat toegang verschafte tot de BOB, een voorafgaandelijke aanstelling, de uitoefening van de functie gedurende minimum 5 jaar en een aanvullende opleiding kan in onderhavig geval gesteld worden dat de laureaten van dit parcours ad hoc aan de vereisten hebben voldaan die volstrekt vergelijkbaar zijn met deze normale procedure. ') Dit alles dus met een bijzondere inschaling tot gevolg. Het wetsvoorstel van 2006 bleef evenwel ter zake technisch gezien wat in gebreke voor wat de officieren betreft. Daaraan wordt nu verholpen, zoals nader toegelicht in de bespreking van artikel 8.

Het tweede uitgangspunt is dat de aangestelde niet-BOB'ers ook benoemd worden. Daarmee wordt tegemoet gekomen aan de kritiek van het Hof door hen ook het belangrijk en substantieel voordeel van de benoeming toe te kennen. Dit neemt niet weg dat hun parcours toch in niet onbelangrijke mate verschilt van dat van hun collega's van de ex-BOB. Het gaat hier immers om leden van de rijkswacht die reeds de bekwaamheden van de basisopleiding binnen de rijkswacht hadden verworven en die, alvorens het BOB-brevet te kunnen behalen, eerst dienden te slagen voor een kennistest en vervolgens met succes een bijzondere opleiding dienden te volgen, wat niet of in mindere mate het geval was voor andere personeelsleden. Door het vereisen van het brevet dat toegang verschafte tot de BOB, een voorafgaandelijke aanstelling, de uitoefening van de functie gedurende minimum 5 jaar en een aanvullende opleiding kan in onderhavig geval gesteld worden dat de laureaten van dit parcours ad hoc aan de vereisten hebben voldaan die vergelijkbaar zijn met de normale procedure. Daarom worden de aangestelde niet-BOB'ers aansluitend op hun collega's ex-BOB benoemd. Hen wordt geen bijkomende opleiding opgelegd, noch een extra verplichte aanwezigheidstermijn van 5 jaar na benoeming. Daartegenover staat dan, wat de inschaling in het officierenkader betreft, een klassieke driestappenmethode. Die objectieve verschillen inzake parcours en modaliteiten rechtvaardigen een verschil in timing en inschaling en bieden een antwoord op de opmerking van de Raad van State dienaangaande » (Parl. St., Kamer, 2008-2009, DOC 52-2193/001, pp. 4-5).

B.9. Zoals daarin was voorzien bij artikel 3 van de voormelde wet van 2 juni 2006, beoogt artikel 9 van de bestreden wet - dat artikel XII.VII.16quinquies van het RPPol integraal overneemt - de gerezen spanningen tussen de benoemde commissarissen en de aangestelde commissarissen die beschikken over het brevet van de aanvullende gerechtelijke opleiding dat toegang verleende tot de bewakings- en opsporingsbrigades van de vroegere rijkswacht, weg te werken.

De bestreden maatregel berust op een objectief criterium, namelijk de aard van de in aanmerking genomen opleiding of van het in aanmerking genomen brevet, en is relevant om het beoogde doel te bereiken.

B.10. Het Hof dient nog na te gaan of de maatregel onevenredige gevolgen heeft.

Het is onmiskenbaar dat het voordeel dat door artikel 9 van de bestreden wet alleen wordt verleend aan de categorie van de commissarissen van politie kan worden beschouwd als een belangrijk en substantieel voordeel, vermits zij, zonder enige kwantitatieve beperking in de toegang tot de betrokken ambten, alle statutaire en pecuniaire voordelen, inclusief op het vlak van berekening van anciënniteit, genieten van de graad waarin zij voordien waren aangesteld, met mogelijkheid van onbeperkte mobiliteit na vijf jaar, terwijl het ontbreken van die voordelen de evenredigheid verantwoordde van de maatregel van de aanstelling in de hogere graad, die door het Hof werd beoordeeld in de arresten nrs. 102/2003 en 94/2008.

B.11.1. Door het bestreden artikel 9 in te voegen als een artikel XII.VII.19bis, doet de wet van 25 januari 2010 die bepaling ontsnappen aan het toepassingsgebied van artikel XII.VII.18, § 2, van het RPPol, dat van toepassing is op de voormalige leden van de gerechtelijke politie of van de gemeentepolitie, die, wanneer zij tot commissaris worden benoemd, dat worden volgens de zogenaamde driestappenmethode, dat wil zeggen zonder het voordeel van de geldelijke anciënniteit. De bestreden bepaling, en in het bijzonder paragraaf 1 ervan, behoudt aldus het voordeel van een benoeming in de hoedanigheid van commissaris met horizontale inschaling, dat wil zeggen zonder verlies van de geldelijke anciënniteit, uitsluitend voor aan de categorie van de aangestelde commissarissen die voormalige leden zijn van de BOB en houder van een brevet.

B.11.2. Het verschil in behandeling tussen de twee categorieën van personen vermeld in B.9 is in de parlementaire voorbereiding verantwoord door het verschillende professionele parcours van de personen die tot die twee categorieën behoren (B.8).

De bedoeling van de wetgever wordt bevestigd in de bespreking van dat artikel (artikel 8 van het ontwerp), waarin wordt gepreciseerd :

« [...] die bevordering [die van de voormalige leden van de rijkswacht] [wordt] dan ook beschouwd als een variatie op de sociale promotie met een horizontale inschaling, en dus geen klassieke driestappenmethode, tot gevolg. Vandaar dat artikel XII.XI.18, § 2, RPPol, op hen geen toepassing vindt : het nieuw gecreëerde artikel XII.VII.19bis valt immers niet onder het toepassingsveld ervan » (ibid., p. 9).

B.12.1. De Ministerraad verantwoordt de maatregel met het feit dat de betrokken personeelsleden een specifieke opleiding hebben genoten en werden ingezet voor onontbeerlijke taken binnen de gerechtelijke zuil van de federale politie. Hij onderstreept ook dat de valorisering niet onvoorwaardelijk is, vermits de betrokkenen niet de eindvermelding « onvoldoende » als laatste evaluatie mogen hebben gekregen.

B.12.2. Zoals het Hof in zijn voormeld arrest nr. 94/2008 reeds had doen opmerken, blijkt uit de door de verzoekende partijen aangebrachte en door de Ministerraad niet betwiste gegevens echter dat de duur van de opleiding die werd genoten door de laatste promotie van houders van het brevet van de aanvullende gerechtelijke opleiding dat toegang verleende tot de bewakings- en opsporingsbrigades van de rijkswacht en de ervaring die door hen al dan niet werd opgedaan in het operationele kader ervan en die werd opgedaan vóór de aanwijzing voor de bedoelde betrekking, zeer verscheiden konden zijn. Die opleiding en de specifieke aard van de opdrachten die de bevoordeelde categorie van personeelsleden vervult, zijn niet van dien aard dat het voordeel van de bevordering door overgang met horizontale inschaling bedoeld in artikel 9 van de bestreden wet, ongeacht de duurtijd van hun opleiding en ongeacht de uitgeoefende taken die alle even essentieel zijn voor de werking van de algemene directie gerechtelijke politie van de federale politie, niet kan worden toegekend aan de aangestelde commissarissen die onder die algemene directie vallen en die, terwijl ze voldoen aan de andere in de bestreden bepalingen gestelde voorwaarden, geen houder zijn van het voormelde brevet.

Door aldus binnen de algemene directie gerechtelijke politie van de federale politie een nieuw verschil in behandeling in te voeren tussen, enerzijds, de leden die aangesteld zijn in de graad van commissaris en die voormalige leden van de gerechtelijke politie of van de plaatselijke politie zijn en, anderzijds, de leden die aangesteld zijn in de graad van commissaris en die houder zijn van het brevet van de aanvullende opleiding dat toegang verleende tot de bewakings- en opsporingsbrigades van de rijkswacht, heeft de wetgever op discriminerende wijze afbreuk gedaan aan de rechten van de eerste geciteerde categorie van personen. Dat verschil in behandeling is bovendien niet relevant in het licht van de in B.9 in herinnering gebrachte doelstelling die erin bestaat de gerezen spanningen tussen de benoemde commissarissen en de aangestelde commissarissen weg te werken.

B.13. In zoverre een verschil in behandeling wordt aangeklaagd tussen de aangestelde voormalige leden van de gerechtelijke politie of van de gemeentepolitie die tot commissaris worden benoemd met verlies van het voordeel van de geldelijke anciënniteit en de aangestelde voormalige leden van de BOB die worden benoemd met het voordeel van een horizontale inschaling, is het eerste middel gegrond.

B.14. De eerste zes verzoekers zijn benoemd in de graad van commissaris krachtens andere bepalingen dan die met betrekking tot de aanstelling (artikelen XII.VII.23, 24 en 26 van het RPPol). Voorts gaan zij ervan uit dat het voordeel van de horizontale inschaling dat uitsluitend is toegekend aan de voormalige brevethouders van de rijkswacht onevenredig zou zijn, terwijl alle andere in het kader van de hervorming verrichte benoemingen in de graad van commissaris, in het bijzonder die welke zijn verricht via de procedure van de zogenaamde « rode loper », zijn gebeurd volgens de zogenaamde driestappenmethode.

Rekening houdend met wat in B.7 in herinnering is gebracht en met het feit dat de tijdelijke benoemingsprocedures waarin de politiehervorming voorziet, elk hun eigen logica hebben in het met die hervorming nagestreefde algemene evenwicht, is niet vereist dat alle betrokken personen op precies dezelfde wijze worden behandeld.

Bovendien heeft het Hof in zijn arrest nr. 102/2003 geoordeeld :

« Naast het feit dat de methode van inschaling in de nieuwe loonschalen die de wetgever heeft willen toepassen voor de officieren, niet onredelijk blijkt, heeft zij voor de verzoeker tot gevolg dat hem een gunstiger loon wordt toegekend dan datgene waarop hij aanspraak kon maken met toepassing [van] zijn vroeger statuut. Bovendien heeft de verzoeker nog bevorderingskansen die hij niet kon genieten in zijn vroeger statuut » (B.38.4).

Daaruit volgt dat de maatregel niet onevenredig is.

In zoverre een verschil in behandeling wordt aangeklaagd ten aanzien van de commissarissen van de algemene directie gerechtelijke politie van de federale politie die geen ambtenaren zijn die in de graad van commissaris aangesteld en in die functie benoemd zijn, is het eerste middel niet gegrond.

Wat het verschil in behandeling betreft tussen de houders van een brevet van hoofdonderofficier en de houders van een brevet 2D en tussen de houders van een brevet van hoofdonderofficier en de brevethouders van de gemeentepolitie (artikelen 8 en 9, § 2, tweede lid, en § 3)

B.15. In het tweede middel verwijten de verzoekende partijen artikel 9, § 2, tweede lid, van de bestreden wet dat het de houders van een brevet van hoofdonderofficier bij de voormalige rijkswacht op 1 januari 2008 een benoeming in de graad van commissaris van politie laat genieten terwijl, overeenkomstig artikel 8 van dezelfde wet, de houders van een brevet 2D die afkomstig zijn van de gerechtelijke politie pas op 1 januari 2009 in dezelfde graad zullen kunnen worden benoemd. Zij klagen ook het feit aan dat in geen van beide voormelde bepalingen, noch in enige andere bepaling van de wet, in een mechanisme van benoeming door bevordering is voorzien voor de houders van een brevet van officier van de gemeentepolitie.

B.16. Het bestreden artikel 8, dat een nieuwe paragraaf 2/1 heeft ingevoegd in artikel XII.VII.18 van het RPPol, dat de begunstigden van de procedure van de zogenaamde « rode loper » van toepassing bij de algemene directie van de gerechtelijke politie (DGJ) beoogt, heeft het voorwerp uitgemaakt van de volgende bespreking :

« Krachtens deze nieuwe regel zullen de ' laureaten 2D ', zijnde leden van de voormalige GPP die vóór 2001 de loonschaal 2C genoten en derhalve zijn ingeschaald in de loonschaal M5.2 en die daarenboven houder zijn van het brevet voor de bevordering naar de loonschaal 2D, uiterlijk op 1 januari 2009 tot commissaris worden bevorderd.

Gelet op het feit dat de in dit wetsontwerp voorziene maatregelen in DGJ voornamelijk gewezen rijkswachters betreffen - om tegemoet te komen aan de kritiek van het Hof geldt dit nog des te meer in vergelijking met de vernietigde bepalingen van de wet van 2 juni 2006 - gebiedt een evenwichtige benadering om, in het raam van de rode loper, een bijzondere maatregel ten gunste van de laureaten 2D te nemen. Er bestaat immers een objectief onderscheid tussen hen en de andere personeelsleden die in de loonschaal M5.2 zijn ingeschaald, met name het voormelde brevet, wat trouwens maakt dat zij nauwelijks met andere personeelscategorieën kunnen worden vergeleken.

Buiten DGJ spelen geen proportionaliteitsvoorwaarden en zal de ' rode loper ' reeds in 2011 zijn afgerond. In DGJ zijn de aantallen die via dit mechanisme kunnen worden bevorderd, evenwel geplafonneerd op de respectieve aantallen tot officier benoemde of aangestelde ex-rijkswachters en ex-GPP'ers in 2001.

Door de eenmalige benoeming van de resterende laureaten 2D, zal de rode loper in DGJ vanaf 2009 derhalve extra zuurstof krijgen, vermits de voornoemde plafonds daardoor wettelijk worden verhoogd, wat voor alle betrokkenen in DGJ een gunstig effect zal hebben op de timing van hun bevordering » (Parl. St., Kamer, 2008-2009, DOC 52-2193/001, pp. 8-9).

B.17. In de parlementaire voorbereiding wordt bevestigd - en de Ministerraad betwist dat niet - dat de houders van het brevet van hoofdonderofficier bij de voormalige rijkswacht, de houders van het brevet 2D die afkomstig zijn van de voormalige gerechtelijke politie en de houders van het brevet van officier van de gemeentepolitie zich in vergelijkbare situaties bevinden, zowel in het licht van de vrijstellingen van opleiding als in het licht van de quota van betrekkingen voorbehouden voor de bevordering door overgang naar het officierskader.

Volgens de Ministerraad zou de gunstigere behandeling die uitsluitend is voorbehouden aan de houders van een brevet van hoofdonderofficier verantwoord zijn door het feit dat hun benoeming in het hogere kader het gevolg zou zijn van de bepalingen van de « oranje loper » en niet van de bepalingen van de « rode loper », die is voorbehouden aan de twee andere categorieën van brevethouders.

B.18. De bestreden wet kent de mogelijkheid om op 1 januari 2008 te worden benoemd in de graad van commissaris van politie slechts toe aan de houders van een brevet van hoofdonderofficier alleen, met uitsluiting van de houders van een brevet 2D, die afkomstig zijn van de gerechtelijke politie en die pas op 1 januari 2009 in die graad zullen kunnen worden benoemd. Bovendien kent zij geen enkele interne bevorderingsmogelijkheid toe aan de brevethouders die afkomstig zijn van de gemeentepolitie.

B.19.1. Artikel XII.VII.11bis van het RPPol bepaalt :

« Er wordt voor de actuele personeelsleden die overeenkomstig artikel XII.II.21, derde lid, zijn ingeschaald in de loonschaal M5.2 en die houder zijn van het brevet voor de bevordering naar de loonschaal 2D, bedoeld in artikel 110 van het koninklijk besluit van 19 december 1997 houdende de administratieve rechtspositie en de bezoldigingsregeling van de personeelsleden van de gerechtelijke politie bij de parketten, of van het brevet van officier van de gemeentepolitie bedoeld in het koninklijk besluit van 12 april 1965 betreffende het brevet van kandidaat-commissaris en adjunct-commissaris van politie of in artikel 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 25 juni 1991 houdende de algemene bepalingen betreffende de opleiding van de officieren van gemeentepolitie, de voorwaarden tot benoeming in de graad van officier van de gemeentepolitie en de voorwaarden tot aanwerving en benoeming in de graad van aspirant-officier van de gemeentepolitie, of van het brevet van hoofdonderofficier bedoeld in artikel 28, § 1, van het koninklijk besluit van 1 april 1996 betreffende de bevordering tot de graad van adjudant bij de rijkswacht, een baremische loopbaan ingesteld voor de overgang tussen de loonschaal M5.2 en de loonschaal M7bis na achttien jaar kaderanciënniteit in het middenkader.

Deze hogere loonschaal in de baremische loopbaan wordt niet toegekend indien de geldende tweejaarlijkse functioneringsevaluatie ' onvoldoende ' is ».

Die bepaling, ingevoegd bij artikel 19 van de wet van 3 juli 2005, heeft een baremische loopbaan ingesteld met het doel de discriminatie op te heffen die het Hof ertoe had gebracht om, bij het arrest nr. 102/2003, artikel XII.VII.11 van het RPPol te vernietigen « in zoverre het het brevet 2D niet overneemt » (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1680/001, p. 18). Die bepaling behandelt de houders van een brevet 2D en de houders van het brevet van officier van de gemeentepolitie op dezelfde wijze als de houders van een brevet van adjudant bedoeld in artikel 28, § 1, van het koninklijk besluit van 1 april 1996 betreffende de bevordering tot de graad van adjudant bij de rijkswacht.

B.19.2. Rekening houdend met de verantwoording die wordt gegeven in de parlementaire voorbereiding van het te dezen bestreden artikel 8 (B.16) en met de ruime beoordelingsmarge waarover de wetgever beschikt om te bepalen onder welke voorwaarden hij een baremische loopbaan wil organiseren voor de personeelsleden van de geïntegreerde politie, kan het verschil dat bij de artikelen 8, § 2/1, en 9, § 3, van de bestreden wet wordt ingesteld tussen de houders van een brevet 2D en de houders van een brevet van hoofdonderofficier bij de voormalige rijkswacht, luidens welke de eersten pas op 1 januari 2009 tot commissaris zullen kunnen worden benoemd, terwijl de tweeden dat op 1 januari 2008 zullen worden, redelijk verantwoord worden geacht.

B.20. In zoverre een verschil in behandeling wordt aangeklaagd tussen de houders van een brevet 2D en de houders van een brevet van hoofdonderofficier, voor wie de wet voorziet in een mechanisme van benoeming door bevordering, enerzijds, en de houders van een brevet van officier van de gemeentepolitie, voor wie niet in een dergelijk mechanisme is voorzien, anderzijds, dient te worden vastgesteld dat de maatregel redelijk verantwoord is wegens het in B.8 in herinnering gebrachte bijzondere doel van de wet dat wordt nagestreefd, namelijk de opheffing van een door het Hof vastgestelde discriminatie tussen de benoemingsvoorwaarden van de aangestelde voormalige leden van de BOB en die van de andere aangestelden binnen de algemene directie gerechtelijke politie van de federale politie.

Om die redenen,

het Hof

- vernietigt artikel 9 van de wet van 25 januari 2010 « tot wijziging van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten (RPPol) wat betreft de benoeming in de graad van aanstelling van bepaalde personeelsleden van de algemene directie van de gerechtelijke politie », in zoverre het, door een artikel XII.VII.19bis in te voegen in het voormelde koninklijk besluit, het voordeel van het behoud van de geldelijke anciënniteit (horizontale inschaling) weigert aan de voormalige aangestelde leden van de gerechtelijke politie of van de gemeentepolitie die tot commissaris worden benoemd;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Aldus uitgesproken in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 27 juli 2011, door rechter J.-P. Moerman, ter vervanging van rechter J.-P. Snappe, wettig verhinderd zijnde de uitspraak van dit arrest bij te wonen.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De wnd. voorzitter,

J.-P. Moerman.

Vrije woorden

  • Beroep tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de wet van 25 januari 2010 « tot wijziging van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten (RPPol) wat betreft de benoeming in de graad van aanstelling van bepaalde personeelsleden van de algemene directie van de gerechtelijke politie », ingesteld door Jacques Stas en anderen. Geïntegreerde politiedienst

  • Personeel

  • Statuut

  • Voorwaarden en modaliteiten van de integratie van de politiediensten

  • 1. Bevorderingsvoorwaarden

  • Houders van het brevet van de aanvullende gerechtelijke opleiding dat toegang verleende tot de bewakings- en opsporingsbrigades van de rijkswacht

  • Horizontale inschaling

  • 2. Benoeming op 1 januari 2008 in de graad van commissaris van politie

  • Houders van een brevet van hoofdonderofficier

  • 3. Benoeming door bevordering

  • a. Houders van een brevet van hoofdonderofficier

  • b. Houders van een brevet 2D.