- Arrest van 27 juli 2011

27/07/2011 - 141/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof verwerpt de beroepen.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit voorzitter M. Bossuyt, rechter J.-P. Snappe, waarnemend voorzitter, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul en F. Daoût, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging

a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 2 september 2010 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 3 september 2010, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 2 en 3 van de wet van 25 januari 2010 « tot wijziging van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten (RPPol) wat betreft de benoeming in de graad van aanstelling van bepaalde personeelsleden van de algemene directie van de gerechtelijke politie » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 3 maart 2010) door Valentin Zwakhoven, die keuze van woonplaats doet te 9030 Mariakerke, Mazestraat 16.

b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 3 september 2010 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 6 september 2010, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 2, 3 en 10 van dezelfde wet door Johan Coolen en Louis Timmers, die keuze van woonplaats doen te 1860 Meise, Vilvoordsesteenweg 101.

Die zaken, ingeschreven onder de nummers 5023 en 5024 van de rol van het Hof, werden samengevoegd.

(...)

II. In rechte

(...)

B.1. De verzoekende partijen voeren de schending aan van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie gewaarborgd bij de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, door de artikelen 2, 3 en 10 van de wet van 25 januari 2010 « tot wijziging van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten (RPPol) wat betreft de benoeming in de graad van aanstelling van bepaalde personeelsleden van de algemene directie van de gerechtelijke politie » (hierna : de wet van 25 januari 2010), die bepalen :

« Art. 2. In het RPPol wordt in de plaats van artikel XII.VII.15quater, vernietigd bij arrest nr. 94/2008 van het Grondwettelijk Hof, het als volgt luidende artikel XII.VII.15quater ingevoegd :

' Art. XII.VII.15quater. § 1. De actuele personeelsleden van het basiskader die op 1 januari 2001 houder zijn van het brevet van de aanvullende gerechtelijke opleiding dat toegang verleende tot de bewakings- en opsporingsbrigades van de rijkswacht, die vanaf die datum ononderbroken zijn aangewezen voor een betrekking van de algemene directie gerechtelijke politie van de federale politie en die geen laatste evaluatie met eindvermelding " onvoldoende " hebben, kunnen worden bevorderd door overgang naar het middenkader mits zij een bijzondere opleiding voor de overgang naar het middenkader volgen.

§ 2. Het programma van de in paragraaf 1 bedoelde opleiding wordt bepaald door de Koning. Zij bedraagt niet minder dan 140 uren en wordt gespreid over maximaal twee jaren.

De toelating tot de opleiding wordt vastgesteld door de in paragraaf 1 bedoelde personeelsleden in te delen in vijf gelijke groepen in dalende volgorde van ouderdom van hun in paragraaf 1 bedoeld brevet en, bij gelijke ouderdom van dat brevet, van kaderanciënniteit; elk jaar worden de kandidaten van de volgende groep tot de opleiding toegelaten, voor zover zij geen laatste evaluatie met eindvermelding " onvoldoende " hebben.

§ 3. De in paragraaf 2, tweede lid, bedoelde personeelsleden van de eerste groep die aan alle voorwaarden ter zake beantwoorden, worden bevorderd op 1 januari 2008; de anderen worden bevorderd op 1 januari van het jaar dat volgt op dat waarin zij de opleiding hebben voltooid.

De krachtens paragraaf 1 bevorderde personeelsleden, worden gedurende vijf jaar vanaf de bevordering uitgesloten van de mobiliteit voor andere betrekkingen dan die in de algemene directie gerechtelijke politie van de federale politie.

Deze bevorderingen worden niet aangerekend op het aantal personeelsleden dat wordt toegelaten tot de basisopleiding voor het middenkader. '.

Art. 3. In het RPPol wordt een artikel XII.VII.15quinquies ingevoegd, luidende :

' Art. XII.VII.15quinquies. De actuele personeelsleden van het basiskader die sinds de inwerkingtreding van dit besluit ononderbroken zijn aangesteld in de graad van hoofdinspecteur van politie krachtens artikel XII.VII.21 en die niet zijn bedoeld in artikel XII.VII.15quater worden op hun aanvraag benoemd in de graad van hoofdinspecteur van politie op 1 januari 2013 of 1 januari 2014, voor zover zij geen laatste evaluatie met eindvermelding " onvoldoende " hebben.

De in het eerste lid bedoelde datum van benoeming wordt vastgesteld door de bedoelde personeelsleden in te delen in twee gelijke groepen volgens dalende kaderanciënniteit. De eerste groep wordt bevorderd op 1 januari 2013 en de tweede op 1 januari 2014.

In afwijking van het tweede lid worden de betrokken personeelsleden die houder zijn van het brevet van operationeel misdrijfanalist evenwel benoemd op 1 januari 2013. ' ».

« Art. 10. In het RPPol wordt een artikel XII.XI.18ter ingevoegd, luidende :

' Art. XII.XI.18ter. § 1. Het personeelslid dat krachtens artikel XII.VII.15quinquies of artikel XII.VII.15sexies wordt bevorderd door overgang naar het middenkader verwerft de loonschaal M1.1.

§ 2. In afwijking van de artikelen XI.II.3 tot XI.II.9 wordt de geldelijke anciënniteit van het in paragraaf 1 bedoelde personeelslid op de datum van die bevordering herberekend door, binnen de loonschaal M1.1, de anciënniteit te bepalen die overeenstemt met het bedrag van de wedde dat gelijk is aan of onmiddellijk hoger is dan de volledige wedde, zoals bedoeld in artikel XI.I.3, 2°, die het daags vóór die bevordering genoot.

De krachtens het eerste lid herberekende anciënniteit wordt na de bevordering aangevuld met de vanaf dan gepresteerde werkelijke diensten zoals bedoeld in artikel XI.II.4.

§ 3. In afwijking van artikel XI.III.28ter blijft het in paragraaf 1 bedoelde personeelslid dat bij zijn bevordering begunstigde is van de in dat artikel bedoelde toelage, die toelage genieten als hoofdinspecteur, voor zover het de verbintenis uiterlijk op 10 december 2008 heeft ondertekend en voor het overige aan de toekenningsvoorwaarden blijft beantwoorden. Het recht op de toelage vervalt evenwel definitief na het verstrijken van de lopende aanwezigheidstermijn. ' ».

B.2. De verzoekende partijen maakten deel uit van de rijkswacht en hebben er de basisopleiding gevolgd, maar beschikken niet over het brevet van de aanvullende gerechtelijke opleiding dat toegang verleende tot de bewakings- en opsporingsbrigades van de rijkswacht (hierna : BOB-brevet). Zij beroepen zich op hun relevante ervaring sinds 1994 en op hun brevet van operationeel misdrijfanalist en zijn van mening dat zij evenzeer als de gewezen leden van de bewakings- en opsporingsbrigades bij de rijkswacht (hierna : leden van de voormalige BOB) in aanmerking komen om tot hoofdinspecteur van politie te worden benoemd. Voorts klagen zij aan dat zij in geval van benoeming niet dezelfde weddenschaal genieten.

B.3. Volgens de parlementaire voorbereiding heeft de wetgever met de wet van 25 januari 2010 gevolg willen geven aan het arrest van het Hof nr. 94/2008 van 26 juni 2008.

Bij dat arrest vernietigde het Hof de artikelen 2 en 3 van de wet van 2 juni 2006 « tot wijziging van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten wat betreft de benoeming in de graad van aanstelling van bepaalde personeelsleden van de algemene directie van de gerechtelijke politie », in zoverre zij, door het invoegen van de artikelen XII.VII.15quater en XII.VII.16quinquies in het voormelde koninklijk besluit van 30 maart 2001, het voordeel van de bevordering door overgang weigeren aan de aangestelde hoofdinspecteurs en commissarissen van de algemene directie gerechtelijke politie van de federale politie die, terwijl ze voldoen aan de andere in die bepalingen gestelde voorwaarden, geen houder zijn van het brevet van de aanvullende gerechtelijke opleiding dat toegang verleende tot de bewakings- en opsporingsbrigades van de rijkswacht.

In zijn arrest nr. 94/2008 oordeelde het Hof onder meer dat de valorisatie van de verworven ervaring van personeelsleden door hun benoeming in de graad van aanstelling, die met de voormelde wet van 2 juni 2006 werd nagestreefd, op zich als wettig kan worden beschouwd (B.9), en dat de maatregel van de artikelen 2 en 3 van die wet, die beoogden de gerezen spanningen binnen de gerechtelijke zuil van de federale politie tussen de benoemde hoofdinspecteurs en commissarissen en de aangestelde hoofdinspecteurs en commissarissen die beschikken over het brevet van de aanvullende gerechtelijke opleiding dat toegang verleende tot de bewakings- en opsporingsbrigades van de vroegere rijkswacht weg te werken, berust op een objectief criterium, namelijk de aard van het in aanmerking genomen brevet, en relevant is om het voormelde doel te bereiken (B.15).

Evenwel stelde het Hof vast dat het voordeel dat door de artikelen 2 en 3 van de voormelde wet van 2 juni 2006 werd verleend aan die categorie van aangestelde hoofdinspecteurs en commissarissen van politie kon worden beschouwd als een belangrijk en substantieel voordeel, vermits zij, zonder enige kwantitatieve beperking in de toegang tot de betrokken ambten, alle statutaire en pecuniaire voordelen genieten van de graad waarin zij voordien waren aangesteld, met mogelijkheid van onbeperkte mobiliteit na vijf jaar, terwijl het ontbreken van die voordelen de evenredigheid verantwoordde van de maatregel van de aanstelling in de hogere graad die door het Hof werd beoordeeld in het arrest nr. 102/2003 (B.16.1).

Het Hof stelde voorts vast dat de opleiding en ervaring van de houders van het brevet van de aanvullende gerechtelijke opleiding dat toegang verleende tot de bewakings- en opsporingsbrigades van de rijkswacht zeer verscheiden konden zijn (B.16.2). Het oordeelde dat die opleiding en de specifieke aard van de opdrachten die de bevoordeelde categorie van personeelsleden vervult, niet van dien aard zijn dat het voordeel van de bevordering door overgang bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de voormelde wet van 2 juni 2006, ongeacht de duurtijd van hun opleiding en ongeacht de uitgeoefende taken die alle even essentieel zijn voor de werking van de algemene directie gerechtelijke politie van de federale politie, niet kan worden toegekend aan de aangestelde hoofdinspecteurs en de commissarissen die onder die algemene directie vallen en die, terwijl ze voldoen aan de andere in de bestreden bepalingen gestelde voorwaarden, geen houder zijn van het voormelde brevet. Het Hof besloot dat de wetgever, door aldus binnen de algemene directie gerechtelijke politie van de federale politie een nieuw verschil in behandeling in te voeren tussen aangestelde hoofdinspecteurs en commissarissen van politie, een discriminerende inbreuk had gepleegd op de rechten van diegenen onder hen die zich in de situatie bevinden die zonet werd beschreven (B.16.2).

B.4. In de memorie van toelichting bij het ontwerp dat resulteerde in de bestreden wet, is gesteld :

« Met zijn arrest 94/2008 van 26 juni 2008 heeft het Grondwettelijk Hof de artikelen 2 en 3 van de wet van 2 juni 2006 tot wijziging van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, wat betreft de benoeming in de graad van aanstelling van bepaalde personeelsleden van de algemene directie van de gerechtelijke politie van de federale politie (DGJ), vernietigd.

Het Hof stelt dat het benoemingsconcept zoals opgenomen in de wet van 2 juni 2006 op zich als wettig kan worden beschouwd maar meent desalniettemin dat het discriminatoir is de aangestelde ex-BOB'ers te benoemen en de andere aangestelden binnen DGJ, zijnde niet ex-BOB'ers, niet te benoemen, terwijl die benoeming kan worden beschouwd als een belangrijk en substantieel voordeel.

Dit ontwerp heeft tot doel die discriminatie weg te werken, namelijk door te voorzien in een benoeming voor alle in een hogere graad aangestelden, weliswaar niet noodzakelijkerwijze via dezelfde modaliteiten, die evenwel redelijk te verantwoorden zijn, zoals hierna zal blijken.

Het eerste uitgangspunt daarbij is het herstel van de benoemingsregels voor de ex-BOB'ers zoals vervat in voormelde wet van 2 juni 2006. Die worden in identieke bewoordingen hersteld. De inschalingswijze in het officierenkader wordt daarbij geëxpliciteerd. Het is steeds de bedoeling geweest die categorie te beschouwen als een soort van sociale promotie (zie de toelichting bij het toenmalige wetsvoorstel : ' Het mag niet om een automatisme gaan. De voorwaarden die toelating geven tot de benoeming kunnen vergeleken worden met het af te leggen parcours om dergelijke benoeming te bekomen ingevolge de normale procedure van interne bevordering. Door het vereisen van het brevet dat toegang verschafte tot de BOB, een voorafgaandelijke aanstelling, de uitoefening van de functie gedurende minimum 5 jaar en een aanvullende opleiding kan in onderhavig geval gesteld worden dat de laureaten van dit parcours ad hoc aan de vereisten hebben voldaan die volstrekt vergelijkbaar zijn met deze normale procedure. ') Dit alles dus met een bijzondere inschaling tot gevolg. Het wetsvoorstel van 2006 bleef evenwel ter zake technisch gezien wat in gebreke voor wat de officieren betreft. Daaraan wordt nu verholpen, zoals nader toegelicht in de bespreking van artikel 8.

Het tweede uitgangspunt is dat de aangestelde niet-BOB'ers ook benoemd worden. Daarmee wordt tegemoet gekomen aan de kritiek van het Hof door hen ook het belangrijk en substantieel voordeel van de benoeming toe te kennen. Dit neemt niet weg dat hun parcours toch in niet onbelangrijke mate verschilt van dat van hun collega's van de ex-BOB. Het gaat hier immers om leden van de rijkswacht die reeds de bekwaamheden van de basisopleiding binnen de rijkswacht hadden verworven en die, alvorens het BOB-brevet te kunnen behalen, eerst dienden te slagen voor een kennistest en vervolgens met succes een bijzondere opleiding dienden te volgen, wat niet of in mindere mate het geval was voor andere personeelsleden. Door het vereisen van het brevet dat toegang verschafte tot de BOB, een voorafgaandelijke aanstelling, de uitoefening van de functie gedurende minimum 5 jaar en een aanvullende opleiding kan in onderhavig geval gesteld worden dat de laureaten van dit parcours ad hoc aan de vereisten hebben voldaan die vergelijkbaar zijn met de normale procedure. Daarom worden de aangestelde niet-BOB'ers aansluitend op hun collega's ex-BOB benoemd. Hen wordt geen bijkomende opleiding opgelegd, noch een extra verplichte aanwezigheidstermijn van 5 jaar na benoeming. Daartegenover staat dan, wat de inschaling in het officierenkader betreft, een klassieke driestappenmethode. Die objectieve verschillen inzake parcours en modaliteiten rechtvaardigen een verschil in timing en inschaling en bieden een antwoord op de opmerking van de Raad van State dienaangaande » (Parl. St., Kamer, 2008-2009, DOC 52-2193/001, pp. 4-5).

B.5. Het aannemen van regels die ertoe strekken in een eenheidspolitie personeelsleden te integreren die afkomstig zijn van drie politiekorpsen, waarbij die korpsen, wegens de specifieke opdrachten waarvoor ze instonden, aan verschillende statuten waren onderworpen, impliceert dat aan de wetgever een voldoende beoordelingsmarge wordt gelaten, opdat een hervorming van een dergelijke omvang kan slagen. Zulks geldt evenzeer wanneer, zoals te dezen, de wetgever in die aangelegenheid opnieuw optreedt.

Hoewel het niet aan het Hof staat zijn beoordeling in de plaats te stellen van die van de wetgever, is het daarentegen ertoe gemachtigd te onderzoeken of de wetgever maatregelen heeft genomen die redelijkerwijze zijn verantwoord ten aanzien van de door hem nagestreefde doelstellingen.

Bij dat onderzoek dient ermee rekening te worden gehouden dat het te dezen gaat om een bijzonder complexe aangelegenheid, waarbij een regel die betrekking heeft op sommige aspecten ervan en die door bepaalde categorieën van personeelsleden als discriminerend kan worden ervaren, deel uitmaakt van een algehele regeling die tot doel heeft drie politiekorpsen, die elk hun eigen kenmerken hadden, te integreren. Hoewel sommige onderdelen van zulk een regeling, afzonderlijk beschouwd, relatief minder gunstig kunnen zijn voor bepaalde categorieën van personeelsleden, zijn zij daarom nog niet noodzakelijk zonder redelijke verantwoording indien de regeling in haar geheel wordt onderzocht. Het Hof dient rekening te houden met het feit dat een vernietiging van bepaalde onderdelen van een dergelijke regeling het algehele evenwicht ervan zou kunnen verstoren.

B.6. Zoals artikel 2 van de voormelde wet van 2 juni 2006, beoogt het thans bestreden artikel 2 van de wet van 25 januari 2010 - dat artikel XII.VII.15quater van het RPPol in identieke bewoordingen herstelt - de binnen de gerechtelijke zuil van de federale politie gerezen spanningen weg te werken tussen de benoemde hoofdinspecteurs en de aangestelde hoofdinspecteurs die beschikken over het BOB-brevet.

Die maatregel berust op een objectief criterium, namelijk de aard van het in aanmerking genomen brevet, en is relevant om het voormelde doel te bereiken.

B.7. Het Hof dient nog na te gaan of de maatregel onevenredige gevolgen heeft.

Het is onmiskenbaar dat het voordeel dat door artikel 2 van de bestreden wet wordt verleend aan die categorie van aangestelde hoofdinspecteurs van politie kan worden beschouwd als een belangrijk en substantieel voordeel, vermits zij, zonder enige kwantitatieve beperking in de toegang tot de betrokken ambten, alle statutaire en pecuniaire voordelen genieten van de graad waarin zij voordien waren aangesteld, met mogelijkheid van onbeperkte mobiliteit na vijf jaar, terwijl het ontbreken van die voordelen de evenredigheid verantwoordde van de maatregel van de aanstelling in de hogere graad die door het Hof werd beoordeeld in het arrest nr. 102/2003.

B.8.1. De wetgever heeft een verschil in behandeling laten bestaan tussen de in artikel XII.VII.15quater van het RPPol bedoelde personen - houders van het BOB-brevet -, die krachtens het herstel van die bepaling bij het bestreden artikel 2 van de wet van 25 januari 2010 onder de daarin gestelde modaliteiten in vijf jaarlijkse contingenten vanaf 1 januari 2008 tot en met 1 januari 2012 kunnen worden bevorderd door overgang naar het middenkader, en de in artikel XII.VII.15quinquies van het RPPol bedoelde personen, die op grond van het eveneens bestreden artikel 3 van de wet van 25 januari 2010 onder de daarin gestelde modaliteiten kunnen worden benoemd tot hoofdinspecteur van politie, in twee contingenten, op 1 januari 2013 en 1 januari 2014.

B.8.2. Als verantwoording voor het verschil in behandeling tussen de twee in B.8.1 vermelde categorieën van personen, is in de parlementaire voorbereiding aangevoerd « dat hun parcours [dat van de aangestelde hoofdinspecteurs zonder BOB-brevet] toch in niet onbelangrijke mate verschilt van dat van hun collega's van de ex-BOB. Het gaat hier immers om leden van de rijkswacht die reeds de bekwaamheden van de basisopleiding binnen de rijkswacht hadden verworven en die, alvorens het BOB-brevet te kunnen behalen, eerst dienden te slagen voor een kennistest en vervolgens met succes een bijzondere opleiding dienden te volgen, wat niet of in mindere mate het geval was voor andere personeelsleden » (Parl. St., Kamer, 2008-2009, DOC 52-2193/001, p. 5).

B.8.3. Rekening houdend met de hoedanigheid van de verzoekende partijen en de door hen geformuleerde grieven heeft het Hof zich te dezen enkel uit te spreken over de vergelijking tussen de in B.8.1 eerstgenoemde categorie van personen en de personen - binnen de tweede categorie - die de basisopleiding binnen de rijkswacht hebben gevolgd en die zich beroepen op een lange beroepservaring en op hun kwalificaties als operationeel misdrijfanalist en die op 1 januari 2001 houder zijn van het brevet van operationeel misdrijfanalist (hierna : OMA-brevet).

B.8.4. De verzoekende partijen doen opmerken dat zij evenzeer als de leden van de voormalige BOB de basisopleiding binnen de rijkswacht hebben gevolgd en een selectieprocedure hebben doorlopen waarin zowel de intelligentie, het redeneervermogen en de persoonlijkheid van de kandidaten als hun vermogen om een gerechtelijke casus te analyseren zijn getest, terwijl er in de selectieprocedure voor de toegang tot de opleiding voor de bewakings- en opsporingsbrigades enkel een kennistest is. De geselecteerde kandidaat-operationele misdrijfanalisten hebben met succes een gespecialiseerde opleiding gevolgd om het OMA-brevet te kunnen behalen, waarvoor een slaagpercentage met een minimum van 70 pct. van de punten is vereist.

B.8.5. De Ministerraad voert aan dat de personen die behoren tot de eerste in B.8.1 vermelde categorie, enkel in aanmerking komen mits zij de bijzondere opleiding van ten minste 140 uren overeenkomstig artikel XII.VII.15quater, § 2, van het RPPol hebben gevolgd en dat zij gedurende vijf jaar vanaf de bevordering worden uitgesloten van de mobiliteit voor andere betrekkingen dan die in de algemene directie gerechtelijke politie van de federale politie, modaliteiten die niet gelden voor de personen die behoren tot de tweede in B.8.1 vermelde categorie.

De Ministerraad betoogt tevens dat de operationele misdrijfanalisten geen operationele rechercheopdrachten uitvoerden en enkel laterale steun gaven in de vorm van analyse. Zij deden geen werk op het terrein en functioneerden op niveau van de districten, in tegenstelling tot de leden van de voormalige BOB die over het hele grondgebied onderzoeksopdrachten uitvoerden in de strijd tegen de zware criminaliteit en die de enigen waren die zich naast de staatsveiligheid bezighielden met terrorismebestrijding.

B.8.6. Uit artikel XII.VII.15quinquies, derde lid, van het RPPol, zoals ingevoegd bij artikel 3 van de wet van 25 januari 2010, volgt dat de houders van het OMA-brevet ongeacht hun kaderanciënniteit worden benoemd in het eerste van de twee contingenten waarin die regeling voorziet. Weliswaar kan die benoeming pas op 1 januari 2013 plaatsvinden, dus tot vijf jaar na de eerste lichting van de in artikel 2 van die wet bedoelde houders van het BOB-brevet, maar dat uitstel kan, gelet op de in B.5 omschreven beoordelingsmarge en rekening houdend met de voormelde verschillen, niet kennelijk onevenredig worden geacht.

Aan dat oordeel wordt geen afbreuk gedaan door de vaststelling dat de verzoekende partijen reeds verzoekende partijen waren in de zaak beslecht bij het voormelde arrest nr. 94/2008, noch door de vaststelling dat zij een « parcours » hebben afgelegd dat sterk vergelijkbaar is met dat van de categorie van personen met wie zij wensen te worden gelijkgesteld. Zoals reeds vermeld, is de wetgever met de bestreden bepalingen precies tegemoet willen komen aan het voormelde arrest. Rekening houdend met wat in B.5 in herinnering is gebracht en met het feit dat de tijdelijke benoemingsprocedures waarin de politiehervorming voorziet, elk hun eigen logica hebben in het met die hervorming nagestreefde algemene evenwicht, is niet vereist dat alle betrokken personen op precies dezelfde wijze worden behandeld.

B.9. In zoverre de bestreden bepalingen de actuele personeelsleden van het basiskader die de basisopleiding bij de rijkswacht hebben gevolgd en die zich kunnen beroepen op hun beroepservaring en hun kwalificaties als operationeel misdrijfanalist en die op 1 januari 2001 houder zijn van het brevet van operationeel misdrijfanalist niet op dezelfde wijze behandelt als diegenen die op dat tijdstip houder zijn van het brevet van de aanvullende gerechtelijke opleiding dat toegang verleende tot de bewakings- en opsporingsbrigades van de rijkswacht, schenden zij de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Het middel is niet gegrond.

Om die redenen,

het Hof

verwerpt de beroepen.

Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 27 juli 2011.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

M. Bossuyt.

Vrije woorden

  • Beroepen tot vernietiging van de artikelen 2, 3 en 10 van de wet van 25 januari 2010 « tot wijziging van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten (RPPol) wat betreft de benoeming in de graad van aanstelling van bepaalde personeelsleden van de algemene directie van de gerechtelijke politie », ingesteld door Valentin Zwakhoven en door Johan Coolen en Louis Timmers. Geïntegreerde politiedienst

  • Personeel

  • Statuut

  • Voorwaarden en modaliteiten van de integratie van de politiediensten

  • 1. Bevorderingsvoorwaarden

  • Houders van het brevet van de aanvullende gerechtelijke opleiding dat toegang verleende tot de bewakings- en opsporingsbrigades van de rijkswacht

  • 2. Benoemingsvoorwaarden

  • Houders van het brevet van operationeel misdrijfanalist.