- Arrest van 22 september 2011

22/09/2011 - 145/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof

- vernietigt artikel 2, § 3, van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, ingevoegd bij artikel 2, 3°, van de wet van 4 februari 2010 betreffende de methoden voor het verzamelen van gegevens door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten;

- verwerpt de beroepen voor het overige, onder voorbehoud van de interpretaties vermeld in B.26.1 en B.77. kopie


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en R. Henneuse, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey en F. Daoût, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging

a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 7 juni 2010 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 8 juni 2010, is beroep tot gehele of gedeeltelijke (artikelen 2, 3°, 14 (partim ), 15, 17, 18 en 35 tot 37) vernietiging ingesteld van de wet van 4 februari 2010 betreffende de methoden voor het verzamelen van gegevens door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 10 maart 2010) door de Orde van Vlaamse balies, met zetel te 1000 Brussel, Koningsstraat 148, en Jo Stevens, wonende te 2018 Antwerpen, Van Schoonbekestraat 70.

b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 4 augustus 2010 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 5 augustus 2010, heeft de vzw « Liga voor Mensenrechten », met maatschappelijke zetel te 9000 Gent, Gebroeders Desmetstraat 75, beroep tot gehele of gedeeltelijke vernietiging ingesteld van de artikelen 3, 10, 14, 15 en 18 van voormelde wet van 4 februari 2010.

Die zaken, ingeschreven onder de nummers 4955 en 5014 van de rol van het Hof, werden samengevoegd.

(...)

II. In rechte

(...)

Ten aanzien van de bestreden wet en haar context

B.1. De wet van 4 februari 2010 betreffende de methoden voor het verzamelen van gegevens door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten beperkt zich ertoe reeds bestaande wetten te wijzigen.

Het merendeel van de bestreden bepalingen - de artikelen 2, 3, 10 en 14 tot 18 van de wet van 4 februari 2010 - brengt wijzigingen aan in de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. De overige bestreden bepalingen - de artikelen 35 tot 38 van de wet van 4 februari 2010 - wijzigen het Wetboek van strafvordering en het Strafwetboek.

B.2.1. Krachtens artikel 2, § 1, eerste lid, van de wet van 30 november 1998 telt het Koninkrijk twee inlichtingen- en veiligheidsdiensten : een burgerlijke inlichtingen- en veiligheidsdienst, « Veiligheid van de Staat » genoemd, en een militaire inlichtingen- en veiligheidsdienst, « Algemene Dienst inlichting en veiligheid van de Krijgsmacht » genoemd.

De belangrijkste opdracht van de burgerlijke inlichtingen- en veiligheidsdienst bestaat in het inwinnen, analyseren en verwerken van inlichtingen die betrekking hebben op elke activiteit die de inwendige veiligheid van de Staat en het voortbestaan van de democratische en grondwettelijke orde, de uitwendige veiligheid van de Staat en de internationale betrekkingen, het wetenschappelijk of economisch potentieel of elk ander fundamenteel belang van het land bedreigt of zou kunnen bedreigen (artikel 7, 1°, van de wet van 30 november 1998).

De belangrijkste opdracht van de militaire inlichtingen- en veiligheidsdienst bestaat in het inwinnen, analyseren en verwerken van inlichtingen die betrekking hebben op elke activiteit die de onschendbaarheid van het nationaal grondgebied, de militaire defensieplannen en de opdrachten van de strijdkrachten, het wetenschappelijk en economisch potentieel inzake defensie, de veiligheid van de Belgische onderdanen in het buitenland of elk ander fundamenteel belang van het land bedreigt of zou kunnen bedreigen (artikel 11, § 1, 1°, van de wet van 30 november 1998).

De activiteiten die een potentiële dreiging vormen, worden nader omschreven in de artikelen 8 en 11, § 2, van de wet van 30 november 1998. Bij het vervullen van hun opdrachten zorgen de inlichtingen- en veiligheidsdiensten voor de naleving, en dragen zij bij tot de bescherming, van de individuele rechten en vrijheden alsook tot de democratische ontwikkeling van de maatschappij (artikel 2, § 1, tweede lid, van de wet van 30 november 1998).

B.2.2. De bestreden wet voorziet in een uitbreiding van de methoden die de voormelde inlichtingen- en veiligheidsdiensten mogen aanwenden bij de uitoefening van hun opdrachten. « Gelet op de globaal toegenomen veiligheidsrisico's », was de wetgever van oordeel dat zij dienen « te beschikken over aanvullende wettelijke middelen om een effectief veiligheidsbeleid te voeren ». Daarbij wenste de wetgever een evenwicht tot stand te brengen « tussen de bescherming van de fundamentele rechten en het voeren van een effectief veiligheidsbeleid dat - uiteindelijk - die fundamentele rechten van de burger beoogt te beschermen » (Parl. St., Senaat, 2008-2009, nr. 4-1053/1, p. 1).

De bekommernis van de wetgever om de inlichtingenmethoden uit te breiden en tegelijkertijd het voormelde evenwicht te bewaren, komt in de parlementaire voorbereiding van de bestreden wet meermaals tot uiting :

« Reeds verscheidene jaren wordt benadrukt dat de wettelijke middelen waarover de Staatsveiligheid en de A.D.I.V. beschikken, ontoereikend zijn om doeltreffend strijd te kunnen leveren tegen het terrorisme, het extremisme, waaronder het radicalisme en de andere ernstige bedreigingen voor de interne en externe veiligheid van de Staat.

In het kader van deze activiteiten en door de toenemende bedreigingen en het systematische gebruik van steeds performantere middelen door de personen en de groeperingen die voor de opdrachten van de diensten belangrijk zijn, onder andere gelet op de vooruitgang van de supergeavanceerde technologie van de communicatiemiddelen en het gebruik van het internet, wordt de doeltreffendheid van de inlichtingendiensten immers verlamd door een gebrek aan geschikte inlichtingenmethoden.

[...]

Momenteel beschikt de Veiligheid van de Staat bijvoorbeeld niet over een toegang tot de technische communicatiemiddelen en dit in tegenstelling tot de diensten van de meeste Europese Staten, noch over andere methoden voor de verzameling van gegevens dan de traditionele methoden » (ibid., pp. 4-5).

« Omdat men vaak tracht aan te tonen dat de bewijsmiddelen die op basis van de informatie van de Veiligheid van de Staat zijn verkregen, onregelmatig zijn, dringt zich een wetgevend initiatief op, dat duidelijk de bakens zet waarbinnen de inlichtingendiensten methoden kunnen uitoefenen om inlichtingen te verzamelen » (ibid., p. 7).

« Dit wetsvoorstel waakt erover een juist evenwicht te vinden tussen de bescherming van de fundamentele belangen van de Staat en de bescherming van de fundamentele belangen van de mens. Daarom worden deze methoden aan een strikte controle onderworpen, die strenger wordt naarmate die methode afbreuk doet aan deze fundamentele rechten » (ibid., p. 12).

B.2.3. De bestreden wet van 4 februari 2010 heeft een onderscheid ingevoerd tussen drie categorieën van methoden voor het verzamelen van gegevens : de gewone methoden, de specifieke methoden en de uitzonderlijke methoden. De categorieën onderscheiden zich van elkaar door de min of meer ingrijpende aard ervan voor de persoon ten aanzien van wie de methode wordt aangewend.

B.2.4. De gewone methoden omvatten de middelen waarover de inlichtingen- en veiligheidsdiensten reeds beschikten om gegevens te verzamelen. Het betreft het vorderen van informatie van overheidsinstanties, het inwinnen van informatie bij private organisaties en personen, de observatie en doorzoeking als gewone methode, het betreden van voor het publiek toegankelijke plaatsen en het gebruik van menselijke bronnen. Die methoden worden omschreven in de artikelen 14 tot 18 van de wet van 30 november 1998.

Gegevens die nuttig zijn voor de uitvoering van de opdrachten van de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst kunnen aldus worden meegedeeld door de gerechtelijke overheden, de ambtenaren en agenten van de openbare diensten, met inbegrip van de politiediensten, uit eigen beweging of op verzoek van de veiligheidsdienst (artikel 14). De gegevens die zijn opgenomen in de bevolkings- en vreemdelingenregisters, alsook in de wachtregisters van de vreemdelingen, kunnen eveneens worden meegedeeld (artikel 15). Hetzelfde geldt voor de persoonsgegevens in het bezit van elke persoon of organisatie die behoort tot de privésector, overeenkomstig artikel 3, § 4, van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens (artikel 16). De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen eveneens, zonder behulp van technische middelen, publieke plaatsen en private plaatsen die toegankelijk zijn voor het publiek, observeren en doorzoeken (artikel 16/1). Zij kunnen die plaatsen ook betreden, alsook, met inachtneming van de onschendbaarheid van de woning, hotelinrichtingen en andere logies verstrekkende inrichtingen bezoeken, en kunnen zich door de eigenaars, exploitanten of aangestelden van die inrichtingen de inschrijvingsgegevens van de reizigers doen overleggen (artikel 17). Ten slotte kunnen de betrokken diensten een beroep doen op menselijke bronnen voor het verzamelen van gegevens omtrent gebeurtenissen, voorwerpen, groeperingen en natuurlijke of rechtspersonen die een belang vertonen voor de uitoefening van hun opdrachten (artikel 18).

De wet van 4 februari 2010 brengt in de voormelde bepalingen slechts kleine wijzigingen aan. Met uitzondering van artikel 10, dat in artikel 16 van de wet van 30 november 1998 de verwijzing naar artikel 3, § 3, van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens vervangt door de verwijzing naar artikel 3, § 4, van dezelfde wet, worden die wijzigingen niet bestreden.

B.2.5. De specifieke methoden voor het verzamelen van gegevens worden ingevoerd bij artikel 14 van de wet van 4 februari 2010. Het betreft de observatie en doorzoeking als specifieke methode, het vorderen van identificatiegegevens van het postverkeer en het vorderen van identificatie- of verkeersgegevens van elektronisch communicatieverkeer (artikel 18/2, § 1, van de wet van 30 november 1998). Die methoden en de wijze waarop zij kunnen worden aangewend, worden nader omschreven in de artikelen 18/3 tot 18/8 van de wet van 30 november 1998.

De specifieke methoden kunnen slechts worden aangewend indien de gewone methoden ontoereikend worden geacht om de informatie te verzamelen die nodig is om de inlichtingenopdracht te volbrengen; zij moeten worden gekozen op grond van de graad van ernst van de potentiële bedreiging waarvoor ze worden aangewend (artikel 18/3, § 1, eerste lid).

De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen personen, zaken, plaatsen of gebeurtenissen met behulp van technische middelen observeren in publieke plaatsen en in private plaatsen die toegankelijk zijn voor het publiek alsook, met of zonder behulp van technische middelen, de private plaatsen die niet toegankelijk zijn voor het publiek (artikel 18/4). Zij kunnen de publieke plaatsen en de private plaatsen die toegankelijk zijn voor het publiek alsook de voorwerpen die zich daar bevinden doorzoeken, met behulp van technische middelen (artikel 18/5). Zij kunnen kennis nemen van identificatiegegevens van de afzender of geadresseerde van poststukken of van de houder van een postbus. Indien nodig kunnen zij daarvoor de medewerking van een postoperator vorderen (artikel 18/6). Zij kunnen ten slotte maatregelen nemen tot identificatie van de abonnee of de gebruiker van een elektronische communicatiedienst (artikel 18/7), alsook maatregelen tot opsporing van oproepgegevens van elektronische communicatiemiddelen en tot lokalisering van de oorsprong of de bestemming van elektronische communicaties (artikel 18/8). Indien nodig kunnen zij daarvoor de medewerking vorderen van de operator van een elektronisch communicatienetwerk of van een verstrekker van een elektronische communicatiedienst (artikelen 18/7 en 18/8).

B.2.6. Bij artikel 14 van de wet van 4 februari 2010 wordt in uitzonderlijke methoden voor het verzamelen van gegevens voorzien. Het betreft de observatie en de doorzoeking als uitzonderlijke methode, het oprichten van rechtspersonen en het inzamelen van informatie onder een dekmantel, het openen en kennisnemen van post, het vorderen van bankgegevens, het binnendringen in een informaticasysteem en het afluisteren, het kennisnemen van en het opnemen van communicaties (artikel 18/2, § 2, van de wet van 30 november 1998). Die methoden en de wijze waarop zij kunnen worden aangewend, worden nader omschreven in de artikelen 18/9 tot 18/17 van de wet van 30 november 1998.

De uitzonderlijke methoden kunnen slechts worden aangewend indien de andere methoden ontoereikend worden geacht om de informatie te verzamelen die nodig is om de inlichtingenopdracht te volbrengen; zij moeten worden gekozen op grond van de graad van ernst van de potentiële bedreiging en van de risico's die de uitvoering van de inlichtingsopdracht met zich meebrengt voor de veiligheid van de agenten van de dienst en van derden (artikel 18/9, §§ 2 en 3).

De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen, al dan niet met behulp van technische middelen, observaties verrichten in private plaatsen die niet voor het publiek toegankelijk zijn (artikel 18/11) en die plaatsen, alsook de gesloten voorwerpen die er zich bevinden, doorzoeken (artikel 18/12). Zij kunnen rechtspersonen oprichten en inzetten en daartoe agenten van de dienst inzetten die, onder de dekmantel van een fictieve identiteit, op gerichte wijze gegevens verzamelen (artikel 18/13). Zij kunnen poststukken openmaken en kennis nemen van de inhoud ervan. De postoperator is ertoe gehouden de betrokken poststukken tegen ontvangstbewijs af te geven (artikel 18/14). Zij kunnen gegevens van bankrekeningen en bankverrichtingen vorderen. De bank of financiële instelling is ertoe gehouden de gevraagde informatie onverwijld te verstrekken (artikel 18/15). Zij kunnen zich, al dan niet met behulp van technische middelen, valse signalen, valse sleutels of valse hoedanigheden toegang verschaffen tot informaticasystemen en er de relevante gegevens van overnemen (artikel 18/16). Zij kunnen ten slotte communicaties afluisteren, er kennis van nemen en ze registreren. Indien nodig kunnen zij daarvoor de medewerking vorderen van de operator van een elektronisch communicatienetwerk of van een verstrekker van een elektronische communicatiedienst (artikel 18/17).

B.2.7. In elk van de voormelde artikelen zijn restricties opgenomen. Meer in het algemeen gelden voor de uitzonderlijke inlichtingenmethoden een maximumtermijn van twee maanden en een bijzonder machtigingsvereiste. Zij kunnen slechts worden aangewend op grond van een voorafgaande schriftelijke machtiging door het diensthoofd van de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst. Het diensthoofd kan de methode slechts machtigen na het eensluidend advies van de bij artikel 43/1 van de wet van 30 november 1998 opgerichte Bestuurlijke Commissie, die is belast met het toezicht op de specifieke en uitzonderlijke methoden voor het verzamelen van gegevens door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten beoogd in artikel 18/2. Het diensthoofd legt daartoe een ontwerp van machtiging voor aan de voormelde Commissie, die op basis daarvan nagaat of de wettelijke bepalingen voor het aanwenden van de desbetreffende methode werden nageleefd (artikel 18/10, § 1). De Bestuurlijke Commissie moet vervolgens binnen een termijn van vier kalenderdagen haar advies verstrekken (artikel 18/10, §§ 3 en 4). Een negatief advies heeft tot gevolg dat de methode niet mag worden aangewend (artikel 18/10, § 3).

Ook de specifieke methoden voor het verzamelen van gegevens kunnen slechts worden aangewend na een schriftelijke en met redenen omklede beslissing van het diensthoofd. Die beslissing is evenwel niet afhankelijk van een eensluidend advies van de Bestuurlijke Commissie. Zij dient slechts ter kennis te worden gebracht van die Commissie (artikel 18/3, § 1, tweede lid).

B.2.8. Alvorens de ontvankelijkheid en de grond van de beroepen te onderzoeken, dient ten slotte in herinnering te worden gebracht « dat de doelstellingen van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, op het vlak van het gerechtelijk werk, fundamenteel verschillen van die van de politiediensten » (Parl. St., Senaat, 2008-2009, nr. 4-1053/1, p. 12).

Zoals in de parlementaire voorbereiding wordt uiteengezet, is het werk van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten veeleer analytisch van aard en erop gericht inzicht te verwerven in de structuren en de netwerken die in België voorkomen, terwijl de gerechtelijke en politionele autoriteiten steeds bewijzen zoeken in verband met een (al dan niet reeds gepleegd) concreet strafbaar feit. Derhalve wordt het strafonderzoek steeds gevoerd met het oog op het opsporen en het vervolgen van misdrijven die door welbepaalde personen, hetzij zijn gepleegd, hetzij zullen worden gepleegd of reeds zijn gepleegd maar nog niet aan het licht zijn gekomen, terwijl een inlichtingenonderzoek strekt tot het verzamelen van informatie omtrent een reeks gebeurtenissen, die niet per se strafbare feiten betreffen, doch een gevaar kunnen betekenen voor de veiligheid van de Staat of de militaire of fundamentele belangen van het land (ibid., p. 12).

De onderscheiden opdrachten vertalen zich in de duidelijk verschillende aard van de in de beide types van onderzoek verzamelde gegevens. De zoektocht naar informatie in het kader van een opsporings- of gerechtelijk onderzoek is erop gericht bewijselementen te verzamelen met betrekking tot een misdrijf, die op een effectieve wijze bruikbaar zijn in een strafprocedure voor de rechter ten gronde. De gegevens die de inlichtingen- en veiligheidsdiensten verzamelen, strekken niet ertoe een rechter ten gronde te overtuigen van de strafrechtelijke « schuld » van een beklaagde, maar wel de overheid toe te laten de noodzakelijke maatregelen te nemen ter vrijwaring van de fundamentele belangen van het land.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid

B.3.1. De Ministerraad betwist het belang van de verzoekende partijen, alsook van de tussenkomende partij, in de zaak nr. 4955.

B.3.2. De eerste verzoekende partij, de Orde van Vlaamse balies, en de tussenkomende partij, de « Ordre des barreaux francophones et germanophone », hebben met name als taak te waken over de gemeenschappelijke beroepsbelangen van hun leden (artikel 495, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek) en kunnen initiatieven en maatregelen nemen die nuttig zijn voor de behartiging van de belangen van de advocaat en van de rechtzoekende (artikel 495, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek). De tweede verzoekende partij is advocaat.

In tegenstelling tot wat de Ministerraad aanvoert, machtigt artikel 495 van het Gerechtelijk Wetboek de voormelde ordes ertoe een beroep tot vernietiging in te stellen of te ondersteunen van bepalingen die de belangen van de advocaat en de rechtzoekende op een nadelige wijze kunnen raken.

Aangezien het beroep ontvankelijk is wat de eerste verzoekende partij betreft, dient het beroep van de tweede verzoekende partij niet te worden onderzocht.

B.3.3. De exceptie wordt verworpen.

B.4.1. De Ministerraad betwist tevens de ontvankelijkheid van de memorie van tussenkomst in de zaak nr. 5014 in zoverre zij op een bepaald punt het oorspronkelijke beroep beoogt uit te breiden.

B.4.2. De vzw « Ligue des Droits de l'Homme », tussenkomende partij in de zaak nr. 5014, verzoekt het Hof met name om, naast de door de verzoekende partij aangevochten omschrijving van het begrip « radicaliseringsproces » in artikel 3, 15°, van de wet van 30 november 1998, zoals ingevoegd bij artikel 3 van de bestreden wet, tevens de verwijzing naar het voormelde begrip in artikel 18/9, § 1, van de eerstgenoemde wet, zoals ingevoegd bij artikel 14 van de laatstgenoemde wet, te vernietigen.

B.4.3. Een tussenkomende partij vermag het oorspronkelijke beroep niet te wijzigen of uit te breiden. Wanneer het Hof een bestreden bepaling vernietigt, vernietigt het evenwel ambtshalve de bepalingen die daarmee onlosmakelijk zijn verbonden.

De exceptie wordt verworpen.

Ten aanzien van de bestreden bepalingen

B.5. Het Hof onderzoekt de bestreden bepalingen als volgt :

1. De controle van de toepassing van de specifieke en uitzonderlijke methoden voor het verzamelen van gegevens door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Het Hof zal meer bepaald onderzoeken :

a) de ontstentenis van een debat op tegenspraak ten aanzien van het gebruik, tijdens een strafprocedure, van de gegevens die zijn verzameld bij de aanwending van specifieke of uitzonderlijke methoden voor het verzamelen van gegevens (artikel 19/1 van de wet van 30 november 1998, ingevoegd bij artikel 15 van de bestreden wet);

b) de samenstelling van het Vast Comité I en de toepasselijke procedure (artikelen 43/2 tot 43/8 van de wet van 30 november 1998, ingevoegd bij artikel 18 van de bestreden wet, en artikelen 131bis, 189quater en 279bis van het Wetboek van strafvordering, ingevoegd bij de artikelen 35 tot 37 van de bestreden wet).

2. De procedure die van toepassing is op de specifieke methoden voor het verzamelen van gegevens en in het bijzonder :

a) de ontstentenis van een voorafgaande machtiging van een controleorgaan voor de aanwending van de specifieke methoden voor het verzamelen van gegevens en de voorwaarden voor het controleren van die maatregelen door de Bestuurlijke Commissie (artikel 18/3, § 1 en § 2, tweede en vierde lid, van de wet van 30 november 1998, ingevoegd bij artikel 14 van de bestreden wet);

b) de voorwaarden inzake de eventuele verlenging en hernieuwing van de specifieke methoden voor het verzamelen van gegevens (artikel 18/3, § 4, van de wet van 30 november 1998, ingevoegd bij artikel 14 van de bestreden wet);

c) de woorden « een belang vertonen » in de artikelen 18/4, eerste lid, 18/5, § 1, eerste lid, 18/6, § 1, 18/7, § 1, eerste lid, en 18/8, § 1, eerste lid, van de wet van 30 november 1998, ingevoegd bij artikel 14 van de bestreden wet;

d) de mogelijkheid voor de betrokken dienst om gesloten voorwerpen mee te nemen die zich bevinden op publieke plaatsen of private plaatsen die toegankelijk zijn voor het publiek (artikel 18/5, § 2, van de wet van 30 november 1998, ingevoegd bij artikel 14 van de bestreden wet);

e) de voorwaarden waaronder gegevens kunnen worden verzameld door middel van specifieke methoden in geval van uiterst dringende noodzakelijkheid (artikelen 18/6, § 2, 18/7, § 2, en 18/8, § 2, van de wet van 30 november 1998, ingevoegd bij artikel 14 van de bestreden wet).

3. De procedure die van toepassing is op de uitzonderlijke methoden voor het verzamelen van gegevens en in het bijzonder :

a) de machtigingsvoorwaarden in verband met de aanwending ervan en de voorwaarden inzake de eventuele verlenging en hernieuwing van die methoden (artikel 18/10, §§ 3 en 5, van de wet van 30 november 1998, ingevoegd bij artikel 14 van de bestreden wet);

b) de voorwaarden inzake het afluisteren, het kennisnemen en het opnemen van communicaties door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (artikelen 18/2, § 2, 7°, 18/9 en 18/17 van de wet van 30 november 1998, ingevoegd bij artikel 14 van de bestreden wet).

4. De voorwaarden in verband met de kennisgeving, door het hoofd van de inlichtingen- en veiligheidsdienst, aan de betrokken persoon dat die laatste het voorwerp heeft uitgemaakt van een specifieke of uitzonderlijke methode voor het verzamelen van gegevens (artikel 2, § 3, van de wet van 30 november 1998, ingevoegd bij artikel 2, 3°, van de bestreden wet).

5. Het beweerde vage en onnauwkeurige karakter van de volgende begrippen :

a) het begrip « radicaliseringsproces » in artikel 3, 15°, van de wet van 30 november 1998, ingevoegd bij artikel 3 van de bestreden wet;

b) de begrippen « plaatsen die toegankelijk zijn voor het publiek », « private plaatsen die niet toegankelijk zijn voor het publiek », « woningen », « lokaal aangewend voor beroepsdoeleinden » en « woonplaats van een advocaat, een arts of een journalist » in de artikelen 18/2, § 1, 1° en 2°, § 2, 1° en 2°, en § 3, 18/4, 18/9, § 4, 18/11, 18/12, § 1, 1°, 2° en 3°, 18/16, § 2, en 18/17, § 2, van de wet van 30 november 1998, ingevoegd bij artikel 14 van de bestreden wet;

c) de woorden « ontoereikend » en « graad van ernst van de potentiële bedreiging » in artikel 18/3, § 1, van de wet van 30 november 1998, ingevoegd bij artikel 14 van de bestreden wet.

1. De controle van de toepassing van de specifieke en uitzonderlijke methoden voor het verzamelen van gegevens door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (artikelen 19/1 en 43/2 tot 43/8 van de wet van 30 november 1998, respectievelijk ingevoegd bij de artikelen 15 en 18 van de bestreden wet).

B.6. Artikel 15 van de bestreden wet bepaalt :

« In [de wet van 30 november 1998] wordt een artikel 19/1 ingevoegd, luidende :

' Art. 19/1. Wanneer de aanwending van de specifieke of uitzonderlijke methoden ernstige aanwijzingen aan het licht brengt over het plegen van een misdaad of wanbedrijf of, op grond van een redelijk vermoeden wijst op te plegen of reeds gepleegde maar nog niet aan het licht gebrachte strafbare feiten, brengen de betrokken diensten dit onverwijld ter kennis aan de commissie met het oog op de toepassing van artikel 29 van het Wetboek van strafvordering. Deze commissie onderzoekt de verzamelde gegevens ongeacht de drager waarop ze vastgelegd werden.

Indien de commissie het bestaan vaststelt van ernstige aanwijzingen die kunnen leiden tot het plegen van een misdaad of wanbedrijf of van een redelijk vermoeden van te plegen of reeds gepleegde maar nog niet aan het licht gebrachte strafbare feiten, stelt de voorzitter daarvan een niet-geclassificeerd proces-verbaal op. Dit proces-verbaal wordt onverwijld overgezonden aan de procureur des Konings of aan de federale procureur, nadat het diensthoofd vooraf gehoord werd over de voorwaarden van deze overzending.

Dit proces-verbaal dient te preciseren in welke context de inlichtingenopdracht heeft plaatsgevonden, welk doel werd nagestreefd door de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst, en in welke context ernstige aanwijzingen werden verzameld die eventueel in rechte kunnen worden gebruikt.

Dit proces-verbaal mag niet de exclusieve grond, noch de overheersende maatregel zijn voor de veroordeling van een persoon. De elementen vervat in dit proces-verbaal moeten in overheersende mate steun vinden in andere bewijsmiddelen.

De procureur des Konings of de federale procureur licht de voorzitter van de commissie in over de gevolgen die aan de overzending van het proces-verbaal worden gegeven. De voorzitter van de commissie licht op zijn beurt het diensthoofd van de betrokken dienst in. ' ».

Artikel 18 van de bestreden wet bepaalt :

« In dezelfde wet wordt een hoofdstuk IV/2 ingevoegd, dat de artikelen 43/2 tot 43/8 bevat, luidende :

' Hoofdstuk IV/2. De controle a posteriori van de specifieke en uitzonderlijke methoden voor het verzamelen van gegevens door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten

Art. 43/2. Onverminderd de bevoegdheden omschreven in artikel 1 van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op de politie- en inlichtingendiensten en op het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse en in artikel 44ter van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, is het Vast Comité I ermee belast a posteriori de in artikel 18/2 bedoelde specifieke en uitzonderlijke methoden voor het verzamelen van gegevens door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten te controleren.

Het Vast Comité I spreekt zich uit over de wettelijkheid van de beslissingen met betrekking tot deze methoden, alsook op de naleving van de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit, bepaald bij de artikelen 18/3, § 1, eerste lid, en 18/9, §§ 2 en 3.

Art. 43/3. De lijsten bedoeld in artikel 18/3, § 2, worden door de bevoegde overheid onverwijld ter kennis gebracht aan het Vast Comité I, overeenkomstig de door de Koning te bepalen modaliteiten.

Alle beslissingen, adviezen en machtigingen omtrent specifieke en uitzonderlijke methoden voor het verzamelen van gegevens worden door de bevoegde overheid onverwijld ter kennis gebracht aan het Vast Comité I, overeenkomstig de door de Koning te bepalen nadere regels.

Art. 43/4. Het Vast Comité I handelt :

- ofwel op eigen initiatief;

- ofwel op verzoek van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, volgens de nadere regels door de Koning bepaald, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, na advies van dezelfde commissie en van het Vast Comité I;

- ofwel op klacht, die op straffe van nietigheid schriftelijk gebeurt en de grieven vermeldt, van een ieder die een persoonlijk en rechtmatig belang kan aantonen, tenzij de klacht kennelijk niet gegrond is;

- telkens als de commissie een specifieke of een uitzonderlijke methode wegens onwettigheid heeft geschorst en de exploitatie van de gegevens heeft verboden wegens wederrechtelijkheid van een specifieke of uitzonderlijke methode;

- telkens als de bevoegde minister een beslissing heeft genomen op basis van artikel 18/10, § 3.

Het Vast Comité I beslist binnen een termijn van een maand volgend op de dag waarop het werd geadieerd overeenkomstig het eerste lid.

De beslissing van het Vast Comité I om geen gevolg te geven aan een klacht wordt met redenen omkleed en ter kennis gebracht van de klager.

Tenzij het Vast Comité I anders beslist, heeft zijn controle geen schorsende werking.

Art. 43/5. § 1. De controle op de uitzonderlijke methoden voor het verzamelen van gegevens wordt onder meer uitgeoefend op grond van de documenten die door de commissie worden verstrekt overeenkomstig artikel 18/10, § 7, en van het in artikel 18/17, § 6, bedoelde bijzonder register, dat voortdurend ter beschikking wordt gehouden van het Vast Comité I, en op grond van elk ander nuttig document dat door de commissie wordt verstrekt of waarvan de overlegging door het Vast Comité I wordt gevorderd.

De controle op de specifieke methoden wordt onder meer uitgeoefend op grond van de lijsten bedoeld in artikel 18/3, § 2 en van elk ander nuttig document dat door de commissie wordt verstrekt of waarvan de overlegging door het Vast Comité I wordt gevorderd.

Het Vast Comité I beschikt over het volledige dossier dat werd samengesteld door de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst, alsook over dat van de commissie en kan van de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst en de commissie de mededeling vorderen van iedere aanvullende informatie die het nuttig acht voor de controle waartoe het gemachtigd is. De betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst en de commissie zijn ertoe gehouden onverwijld gevolg te geven aan deze vordering.

§ 2. Het Vast Comité I, kan onderzoeksopdrachten toevertrouwen aan de Dienst enquêtes van het Vast Comité I. Deze dienst beschikt in dit kader over alle hem door de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten en op het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse toegekende bevoegdheden.

§ 3. De klager en zijn advocaat kunnen op de griffie van het Vast Comité I, gedurende vijf werkdagen, het dossier raadplegen op de dagen en uren medegedeeld door dit Comité. Dit dossier bevat alle informatie en inlichtingen die ter zake relevant zijn, met uitzondering van die welke afbreuk doen aan de bescherming van bronnen, de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van derden, de classificatieregels bepaald bij de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen, of de vervulling van de in de artikelen 7, 8 en 11 omschreven opdrachten van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.

De betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst wordt in de gelegenheid gesteld vooraf zijn advies te verlenen omtrent de gegevens die in het dossier dat ter inzage ligt, worden opgenomen.

Uit het voor de klager en diens advocaat toegankelijke dossier blijkt evenwel minstens :

1° het juridisch kader dat het gebruik van de specifieke of uitzonderlijke methode voor het verzamelen van gegevens heeft gerechtvaardigd;

2° de aard van de bedreiging en de graad van de ernst ervan die het beroep op de specifieke of uitzonderlijke methode voor het verzamelen van gegevens hebben gerechtvaardigd;

3° het type van persoonsgegevens verzameld tijdens het gebruik van de specifieke of uitzonderlijke methode voor zover die persoonsgegevens enkel betrekking hebben op de klager.

§ 4. Het Vast Comité I kan de leden van de commissie horen, alsook het diensthoofd van de betrokken dienst en de leden van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten die de specifieke of uitzonderlijke methoden voor het verzamelen van gegevens hebben aangewend. Zij worden gehoord buiten aanwezigheid van de klager of diens advocaat.

De leden van de inlichtingendiensten zijn verplicht geheimen waarvan zij kennis dragen aan het Vast Comité I bekend te maken. Indien deze geheimen betrekking hebben op een lopend opsporings- of gerechtelijk onderzoek, pleegt het Vast Comité I hierover vooraf overleg met de bevoegde magistraat.

Indien het lid van de inlichtingen- en veiligheidsdienst meent het geheim waarvan hij drager is te moeten bewaren omdat de onthulling ervan nadelig is voor de bescherming van de bronnen, de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van derden of de vervulling van de in de artikelen 7, 8 en 11 omschreven opdrachten van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, wordt de kwestie voorgelegd aan de voorzitter van het Vast Comité I, die uitspraak doet na het diensthoofd te hebben gehoord.

Op hun verzoek worden de klager en zijn advocaat door het Vast Comité I gehoord.

Art. 43/6. § 1. Wanneer het Vast Comité I de onwettigheid van de beslissingen met betrekking tot specifieke of uitzonderlijke methoden voor het verzamelen van gegevens vaststelt, beveelt het de stopzetting van de betrokken methode indien deze nog steeds in uitvoering is of indien zij werd geschorst door de commissie en beveelt het dat de gegevens die met deze methode werden verkregen niet mogen worden geëxploiteerd en dienen te worden vernietigd, volgens de door de Koning na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en het Vast Comité I te bepalen nadere regels.

De met redenen omklede beslissing wordt onverwijld meegedeeld aan het diensthoofd, aan de betrokken minister, aan de commissie en, in voorkomend geval, aan de Commissie tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

Wanneer het Vast Comité I meent dat een specifieke of uitzonderlijke methode voor het verzamelen van gegevens in overeenstemming is met de bepalingen van deze wet, terwijl de commissie de exploitatie van de met deze methode verzamelde gegevens had verboden, evenals de schorsing van deze methode had opgelegd, heft het Vast Comité I het verbod en de schorsing op door middel van een met redenen omklede beslissing en licht het onverwijld het diensthoofd, de bevoegde minister en de commissie hierover in.

§ 2. In geval van klacht wordt van de beslissing kennis gegeven aan de klager onder de volgende voorwaarde : elke informatie die een aantasting zou kunnen vormen van de verdediging van de onschendbaarheid van het nationaal grondgebied, van de militaire defensieplannen, van de vervulling van de opdrachten van de strijdkrachten, van de veiligheid van de Belgische onderdanen in het buitenland, van de inwendige veiligheid van de Staat, inbegrepen op het vlak van de kernenergie, van het voortbestaan van de democratische en grondwettelijke orde, van de uitwendige veiligheid van de Staat en de internationale betrekkingen, van de werking van de beslissingsorganen van de Staat, van de bescherming van de bronnen of van de bescherming van het privéleven van derden, wordt, onder verwijzing naar deze wetsbepaling, uit het ter kennis gebrachte afschrift van de beslissing geweerd.

Eenzelfde werkwijze wordt gehanteerd indien de beslissing informatie bevat die een aantasting zou kunnen vormen van het geheim van het opsporingsonderzoek of van het onderzoek, indien gegevens betrekking hebben op een lopend opsporings- of gerechtelijk onderzoek.

Art. 43/7. § 1. Indien het Vast Comité I optreedt in het kader van dit hoofdstuk, wordt de griffie waargenomen door de griffier van het Vast Comité I of door een door hem aangewezen personeelslid van niveau 1.

§ 2. De leden van het Vast Comité I, de griffiers, de leden van de Dienst enquêtes en het administratief personeel zijn tot geheimhouding verplicht ten aanzien van de feiten, daden of inlichtingen waarvan zij kennis hebben door de medewerking die zij verlenen aan de toepassing van deze wet. Zij kunnen de gegevens en inlichtingen die zij in dit kader verkrijgen evenwel aanwenden bij de vervulling van hun opdracht, zoals vastgesteld in artikel 1 van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten en het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse.

Onverminderd artikel 458 van het Strafwetboek worden zij gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar en met geldboete van honderd euro tot vierduizend euro of met een van die straffen alleen, indien zij die geheimen onthullen in andere omstandigheden dan die bepaald bij deze wet.

Art. 43/8. Tegen de beslissingen van het Vast Comité I is geen beroep mogelijk. ' ».

B.7.1. De specifieke methoden voor het verzamelen van gegevens kunnen alleen worden aangewend na een schriftelijke en met redenen omklede beslissing van het diensthoofd en na kennisgeving van die beslissing aan de Bestuurlijke Commissie. Het eensluidend advies van die Commissie is evenwel niet vereist, teneinde een zekere soepelheid in de operationele werking van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten toe te laten (Parl. St., Senaat, 2008-2009, nr. 4-1053/1, p. 26). De inlichtingenofficier die is aangewezen om de methode aan te wenden, is ertoe gehouden het diensthoofd regelmatig in te lichten over de uitvoering ervan (artikel 18/3, § 1, van de wet van 30 november 1998).

Elke maand wordt een lijst van uitgevoerde maatregelen, per specifieke methode, bezorgd aan de Bestuurlijke Commissie, die op elk ogenblik de wettigheid ervan kan controleren (artikel 18/3, § 2, van de wet van 30 november 1998). Die lijst bevat de volgende gegevens : 1° de aard van de specifieke methode; 2° de graad van ernst van de bedreiging die de specifieke methode wettigt; 3° naar gelang van het geval, de natuurlijke of rechtsperso(o)n(en), verenigingen of groeperingen, voorwerpen, plaatsen, gebeurtenissen of informatie onderworpen aan die methode; 4° het technische middel dat gebruikt wordt om de specifieke methode aan te wenden; 5° de periode tijdens welke zij kan worden aangewend te rekenen vanaf de beslissing (artikel 18/3, § 3, van de wet van 30 november 1998).

B.7.2. De aanwending van een uitzonderlijke methode voor het verzamelen van gegevens is eveneens onderworpen aan de voorafgaande machtiging van het diensthoofd (artikel 18/9, § 2, van de wet van 30 november 1998). Die laatste onderwerpt een schriftelijk en gedateerd ontwerp van machtiging aan het eensluidend advies van de Bestuurlijke Commissie, dat de volgende vermeldingen bevat, op « straffe van onwettigheid » :

« 1° de ernstige bedreigingen die de uitzonderlijke methode voor het verzamelen van gegevens wettigen en, in voorkomend geval, de ernstige aanwijzingen waaruit blijkt dat de advocaat, de arts of de journalist persoonlijk en actief meewerkt of meegewerkt heeft aan het ontstaan of aan de ontwikkeling van de bedreiging;

2° de redenen waarom de uitzonderlijke methode voor het verzamelen van gegevens onontbeerlijk is;

3° naargelang het geval, de natuurlijke of rechtspersonen, verenigingen of groeperingen, voorwerpen, plaatsen, gebeurtenissen of informatie die het voorwerp uitmaken van de uitzonderlijke methode voor het verzamelen van gegevens;

4° het technische middel dat gebruikt wordt om de uitzonderlijke methode voor het verzamelen van gegevens aan te wenden;

5° de periode tijdens welke de uitzonderlijke methode voor het verzamelen van gegevens kan worden uitgeoefend te rekenen vanaf de machtiging;

6° de namen en de hoedanigheden van de inlichtingenofficieren aangesteld voor de aanwending van de uitzonderlijke methode voor het verzamelen van gegevens, die zich kunnen laten bijstaan door leden van hun dienst » (artikel 18/10, § 2, van de wet van 30 november 1998).

De Bestuurlijke Commissie brengt een eensluidend advies uit binnen vier dagen na ontvangst van het voorstel tot machtiging. Indien de Commissie een negatief advies uitbrengt, mag die methode niet worden uitgevoerd, terwijl, bij ontstentenis van een advies binnen de voorgeschreven termijn, de betrokken dienst de bevoegde minister mag aanzoeken die al dan niet toelating geeft voor de aanwending van de maatregel en zijn beslissing meedeelt aan de voorzitters van de Bestuurlijke Commissie en van het Vast Comité I.

B.7.3. Naast de vereiste adviezen vóór de aanwending van de specifieke of uitzonderlijke methoden voor het verzamelen van gegevens en de wettigheidscontrole die op elk ogenblik kan worden uitgevoerd door de Bestuurlijke Commissie ten aanzien van de specifieke methoden in het bijzonder, regelt de wet eveneens een controle na de aanwending van de methoden, uitgevoerd door het Vast Comité I. Zoals artikel 28 van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten en op het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse bepaalt, bestaat het Vast Comité I uit drie werkende leden, onder wie een voorzitter. Twee plaatsvervangende leden worden voor ieder van hen benoemd. Allen worden benoemd door de Senaat.

Een van de voorwaarden voor de benoeming van die leden bestaat erin houder te zijn van een licentiaatsdiploma in de rechten en het bewijs te leveren van een relevante ervaring van minstens zeven jaar op het gebied van het strafrecht of de criminologie, het publiek recht, of de beheerstechnieken, verworven in ambten die verwant zijn met de werking, de activiteiten en de organisatie van de politiediensten of de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, alsook ambten te hebben uitgeoefend op een hoog verantwoordelijkheidsniveau. De leden moeten ook in het bezit zijn van een veiligheidsmachtiging van het niveau « zeer geheim » op grond van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen.

Ten slotte preciseert het voormelde artikel 28 nog dat de voorzitter een magistraat moet zijn.

De opdracht van het Vast Comité I bestaat erin de wettigheid te controleren van de specifieke of uitzonderlijke methoden die zijn aangewend en na te gaan of de beginselen van evenredigheid en subsidiariteit wel degelijk in acht zijn genomen.

Het kan handelen uit eigen beweging, op verzoek van de Commissie voor de persoonlijke levenssfeer, na het indienen van een klacht door elke persoon die doet blijken van een persoonlijk en gewettigd belang, telkens als de Bestuurlijke Commissie het gebruik van een specifieke of uitzonderlijke methode heeft geschorst of telkens als de bevoegde minister een beslissing heeft genomen op grond van artikel 18/10, § 3, van de wet van 30 november 1998 (artikel 43/4 van de voormelde wet, ingevoegd bij artikel 18 van de wet van 4 februari 2010).

Voor de uitvoering van zijn opdracht preciseert artikel 43/5 van de wet van 30 november 1998 dat het Comité beschikt over het volledige dossier dat de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst heeft opgesteld, alsook over het dossier van de Bestuurlijke Commissie en voorts van die Commissie kan vorderen dat zij elke aanvullende informatie meedeelt die het voor zijn controle nuttig acht. De procedure voor het Comité staat beschreven in het vervolg van de voormelde bepaling, terwijl artikel 43/6 van dezelfde wet preciseert dat, wanneer het Comité vaststelt dat de beslissingen met betrekking tot specifieke of uitzonderlijke methoden voor het verzamelen van gegevens onwettig zijn, het de stopzetting ervan beveelt wanneer die nog steeds in uitvoering is en eveneens verbiedt om de met die methoden verzamelde gegevens te exploiteren, alsook de vernietiging ervan. Artikel 43/8 van de wet van 30 november 1998 geeft ten slotte aan dat de beslissingen van het Comité niet vatbaar zijn voor enig beroep.

a) De ontstentenis van een debat op tegenspraak ten aanzien van het gebruik, tijdens een strafprocedure, van de gegevens die zijn verzameld bij de aanwending van specifieke of uitzonderlijke methoden voor het verzamelen van gegevens (artikel 19/1 van de wet van 30 november 1998, ingevoegd bij artikel 15 van de bestreden wet)

B.8. De gegevens verzameld door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, alsook elk document opgemaakt in het kader van de aanwending van specifieke of uitzonderlijke methoden voor het verzamelen van gegevens, worden als dusdanig niet meegedeeld aan de gerechtelijke overheden wanneer de aanwending van specifieke of uitzonderlijke methoden ernstige aanwijzingen aan het licht brengt over het plegen van een misdaad of een wanbedrijf of, op grond van een redelijk vermoeden, wijst op te plegen of reeds gepleegde strafbare feiten. De wetgever heeft immers gekozen voor een filtersysteem door het optreden van de Bestuurlijke Commissie. Zoals het bestreden artikel 19/1 preciseert, beschikt de Bestuurlijke Commissie over alle gegevens verzameld door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, ongeacht de drager ervan, om het al dan niet bestaan van ernstige aanwijzingen over het plegen van een misdaad of een wanbedrijf of een redelijk vermoeden dat strafbare feiten zullen worden gepleegd of zijn gepleegd, te onderzoeken. Wanneer dat het geval is, zal alleen het niet-geclassificeerde proces-verbaal, opgesteld door de voorzitter van de Bestuurlijke Commissie, worden meegedeeld aan de gerechtelijke overheden. De bestreden bepaling preciseert dat, in elk geval, dat proces-verbaal niet de exclusieve grond, noch de overheersende maatregel mag zijn voor de veroordeling van een persoon. De elementen van het proces-verbaal moeten immers in overheersende mate steun vinden in andere bewijsmiddelen.

B.9. In een eerste middel verwijten de verzoekende partijen in de zaak nr. 4955 artikel 15 van de wet van 4 februari 2010 in strijd te zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Volgens hen brengt de bestreden bepaling een discriminatie tot stand ten aanzien van de personen lastens wie een strafonderzoek wordt gevoerd waarbij gebruik wordt gemaakt van een niet-geclassificeerd proces-verbaal opgesteld door de Bestuurlijke Commissie met toepassing van artikel 19/1 van de wet van 30 november 1998, in zoverre hun recht op tegenspraak beperkt zou zijn in vergelijking met de personen ten aanzien van wie een strafonderzoek wordt gevoerd waarbij het strafdossier geen niet-geclassificeerde processen-verbaal bevat.

Die verzoekende partijen zijn van mening dat de beperking opgelegd door de wet aan « de interne openbaarheid » en aan de debatten op tegenspraak niet noodzakelijk is en dat « de interne openbaarheid » met betrekking tot bijzondere opsporingsmethoden minder beperkend is in de strafonderzoeken. Zij voeren bovendien aan dat de beperking van « de interne openbaarheid » en van de debatten op tegenspraak op twee vlakken niet evenredig is ten opzichte van het nagestreefde doel, namelijk ten aanzien van de omvang van de informatie die wordt gehaald uit « de interne openbaarheid » en de debatten op tegenspraak en ten aanzien van de ontstentenis van een toereikend procedureel kader.

B.10.1. De verzoekende partij in de zaak nr. 5014 verwijt de bestreden bepaling artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens te schenden en meer bepaald het beginsel van de wapengelijkheid, dat een essentiële voorwaarde vormt voor het eerlijke proces, aangezien het niet-geclassificeerde proces-verbaal een stuk is dat niet aan de verdediging zou zijn voorgelegd.

B.10.2. Op grond van artikel 1 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, is het Hof bevoegd om uitspraak te doen over de beroepen tot vernietiging van een wetskrachtige norm wegens schending van :

« 1° de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten; of

2° de artikelen van titel II ' De Belgen en hun rechten ', en de artikelen 170, 172 en 191 van de Grondwet ».

Het Hof is niet bevoegd om wetskrachtige normen rechtstreeks te toetsen aan verdragsbepalingen. Het kan ermee rekening houden bij de grondwettigheidstoets die het binnen de hiervoor gepreciseerde perken uitvoert, doch enkel wanneer tevens bepalingen worden aangevoerd waaraan het Hof wel rechtstreeks vermag te toetsen, namelijk de artikelen 10 en 11 van de Grondwet of een grondwetsbepaling die rechten of vrijheden waarborgt die analoog zijn aan die welke zijn verankerd in de in het geding zijnde verdragsbepaling.

B.10.3. Het middel dat de verzoekende partij in de zaak nr. 5014 uitsluitend afleidt uit de schending van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens is niet ontvankelijk.

B.11.1. De bestreden bepaling was oorspronkelijk als volgt opgesteld :

« Art. 19bis. Onverminderd de toepassing van artikel 29 van het Wetboek van strafvordering, wanneer een inlichtingen- en veiligheidsdienst beschikt over inlichtingen die een ernstig vermoeden inhouden van te plegen of reeds gepleegde maar nog niet aan het licht gebrachte strafbare feiten, zoals opgesomd in artikel 90ter, §§ 2, 3 en 4, van het Wetboek van strafvordering, brengt hij deze onverwijld ter kennis van de federale procureur, door middel van een schriftelijke nota.

Indien voormeld ernstig vermoeden voortvloeit uit de aanwending van een specifieke of uitzonderlijke methode, licht de betrokken dienst eveneens onverwijld de commissie in. De commissie onderzoekt de verzamelde gegevens ongeacht de wijze waarop ze vastgelegd zijn. Indien de gegevens verkregen zijn in omstandigheden die de vigerende wettelijke bepalingen niet naleven, verwittigt de commissie hiervan onmiddellijk de federale procureur. Op hetzelfde ogenblik brengt de commissie het Vast Comité I op de hoogte van deze beslissing.

Deze schriftelijke nota mag niet de exclusieve grond, noch de overheersende maatregel zijn voor de veroordeling van een persoon. De elementen vervat in deze schriftelijke nota moeten in overheersende mate steun vinden in andere bewijsmiddelen.

De federale procureur licht het diensthoofd van de betrokken dienst en, naargelang het geval, de voorzitter van de commissie in over de gevolgen die aan de overmaking van de schriftelijke nota wordt gegeven » (Parl. St., Senaat, 2008-2009, nr. 4-1053/1, pp. 87-88).

Zij was als volgt verantwoord in de parlementaire voorbereiding van de wet :

« Dit artikel van het wetsvoorstel voegt een artikel 19bis in en strekt ertoe dat artikel 29 van het Wetboek van strafvordering wordt gehandhaafd (misdaden of wanbedrijven waarvoor ernstige aanwijzingen bestaan dat alle constitutieve elementen voorhanden zijn) en wordt uitgebreid met de formule ontleend aan artikel 28bis, § 2, SV (proactieve recherche) voor de ergste misdrijven. Wanneer de inlichtingen voortvloeien uit specifieke of uitzonderlijke methoden, speelt de commissie nog een rol. De schriftelijke nota mag niet de exclusieve grond zijn voor de veroordeling van een persoon. De elementen uit deze nota moeten in overheersende mate steun vinden in andere bewijsmiddelen » (ibid., p. 55).

B.11.2. Een eerste amendement wilde de hiervoor aangehaalde tekst vervangen als volgt :

« Art. 15. In dezelfde wet wordt een artikel 19bis ingevoegd, luidende :

' Art. 19bis. Wanneer de aanwending van de specifieke of uitzonderlijke methoden ernstige aanwijzingen aan het licht brengt over het plegen van een misdaad of wanbedrijf, brengen de betrokken diensten dit onverwijld ter kennis aan de commissie met het oog op de toepassing van artikel 29 van het wetboek van Strafvordering. Deze commissie onderzoekt de verzamelde gegevens ongeacht de wijze waarop ze vastgelegd werden.

Indien de commissie het bestaan vaststelt van ernstige aanwijzingen die kunnen leiden tot het plegen van een misdaad of wanbedrijf of, op grond van een redelijk vermoeden van te plegen of reeds gepleegde maar nog niet aan het licht gebrachte strafbare feiten, stelt de voorzitter daarvan een niet geclassificeerd proces-verbaal op. Dit proces-verbaal wordt onverwijld overgemaakt aan het federaal parket, nadat het diensthoofd vooraf gehoord werd over de voorwaarden van deze overmaking.

Dit proces-verbaal dient te preciseren in welke context de inlichtingenopdracht heeft plaatsgevonden, welk doel werd nagestreefd door de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst, in welke context de ernstige aanwijzingen werden verzameld en die relevant zijn voor een eventuele gerechtelijke finaliteit.

De federale procureur licht de voorzitter van de commissie in over de gevolgen die aan de overmaking van het proces-verbaal worden gegeven. De voorzitter van de commissie licht op zijn beurt het diensthoofd van de betrokken dienst in. ' ».

Dat amendement werd als volgt verantwoord :

« Het in de voorliggende tekst voorgestelde artikel is veel uitgebreider dan dat van het vorige ontwerp.

Dit vorige ontwerp had immers alleen betrekking op de inlichtingen die de inlichtingendiensten dank zij de aanwending van specifieke of uitzonderlijke methoden verkregen hadden.

De voorgestelde tekst echter bepaalt dat alle inlichtingen waarover de inlichtingendienst beschikt aan de federale Procureur doorgegeven moeten worden, wat overdreven lijkt aangezien de inlichtingendiensten niet de taak hebben om strafbare feiten op te sporen of vast te stellen.

Bovendien voorzag het ontwerp in de mededeling van deze bijzondere inlichtingen aan de commissie, die moest onderzoeken of er ernstige aanwijzingen waren dat er strafbare feiten werden gepleegd. Na het doorlopen van deze eerste filter door magistraten, bezorgt de commissie vervolgens een proces-verbaal aan het federaal parket.

Deze werkwijze biedt een betere waarborg voor de rechten van de partijen in het geding.

Dit niet geclassificeerd proces-verbaal :

1° dient immers te preciseren in welke context de inlichtingenopdracht heeft plaatsgevonden, welk doel werd nagestreefd door de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst, in welke context de ernstige aanwijzingen werden verzameld en die relevant zijn voor een eventuele gerechtelijke finaliteit.

2° wordt bij het strafdossier gevoegd en is onderworpen aan de tegenspraak van de partijen.

Een ' schriftelijke nota ' die noch ' de exclusieve grond, noch de overheersende maatregel kan zijn voor de veroordeling van een persoon ', en waarvan men niet goed weet wat zij moet bevatten of zelfs of zij bij het dossier wordt gevoegd, lijkt ons te vaag om de rechten van de partijen in het geding te waarborgen.

Het lijkt ons dus wenselijk om de ontwerptekst in de oorspronkelijke lezing te herstellen » (Parl. St., Senaat, 2008-2009, nr. 4-1053/2, pp. 16-17).

B.11.3. Daarna zijn twee amendementen ingediend, die hebben geleid tot de uiteindelijk aangenomen tekst.

Een eerste amendement nr. 106, geïnspireerd op het hiervoor aangehaalde amendement, heeft aldus de tekst vervangen door hetgeen volgt :

« Art. 15. In dezelfde wet wordt een artikel 19/1 ingevoegd, luidende :

' Art. 19/1. Wanneer de aanwending van de specifieke of uitzonderlijke methoden ernstige aanwijzingen aan het licht brengt over het plegen van een misdaad of wanbedrijf of, op grond van een redelijk vermoeden wijst op te plegen of reeds gepleegde maar nog niet aan het licht gebrachte strafbare feiten, brengen de betrokken diensten dit onverwijld ter kennis aan de commissie met het oog op de toepassing van artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering. De commissie onderzoekt de verzamelde gegevens ongeacht de wijze waarop ze vastgelegd werden.

Indien de commissie het bestaan vaststelt van ernstige aanwijzingen die kunnen leiden tot het plegen van een misdaad of wanbedrijf of van een redelijk vermoeden van te plegen of reeds gepleegde maar nog niet aan het licht gebrachte strafbare feiten, stelt de voorzitter daarvan een niet geclassificeerd proces-verbaal op. Dit proces-verbaal wordt onverwijld overgemaakt aan het federaal parket, nadat het diensthoofd vooraf gehoord werd over de voorwaarden van deze overmaking.

Dit proces-verbaal dient te preciseren in welke context de inlichtingenopdracht heeft plaatsgevonden, welk doel werd nagestreefd door de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst, in welke context de ernstige aanwijzingen werden verzameld en die relevant zijn voor een eventuele gerechtelijke finaliteit.

Dit proces-verbaal mag niet de exclusieve grond, noch de overheersende maatregel zijn voor de veroordeling van een persoon. De elementen vervat in dit proces-verbaal moeten in overheersende mate steun vinden in andere bewijsmiddelen.

De federale procureur licht de voorzitter van de commissie in over de gevolgen die aan de overmaking van het proces-verbaal worden gegeven. De voorzitter van de commissie licht op zijn beurt het diensthoofd van de betrokken dienst in.

Indien daartoe grond bestaat, verzendt de federale procureur het dossier naar de bevoegde procureur des Konings. ' » (Parl. St., Senaat, 2008-2009, nr. 4-1053/6, pp. 35-36).

De aangebrachte wijzigingen zijn als volgt verantwoord :

« Deze tekst werd geïnspireerd op het amendement nr. 27, met de toevoeging dat het proces-verbaal dat zal worden opgemaakt niet de exclusieve grond, noch de overheersende maatregel mag zijn voor de veroordeling van een persoon. Om tot een veroordeling te leiden, moeten de elementen vervat in het proces-verbaal in overheersende mate steun vinden in andere bewijsmiddelen.

De federale procureur kan indien de zaak het toelaat, het dossier verzenden naar de bevoegde procureur des Konings voor verder gevolg » (ibid., p. 36).

Ten slotte had een subamendement nr. 128 tot doel het amendement nr. 106 als volgt te wijzigen :

« In het voorgestelde artikel 19/1 de volgende wijzigingen aanbrengen :

1° In het tweede lid, de woorden ' aan de procureur des Konings of ' invoegen tussen de woorden ' onverwijld overgemaakt ' en de woorden ' aan het federaal parket ';

2° In het vijfde lid, de woorden ' De procureur des Konings of ' invoegen vóór de woorden ' De federale procureur ';

3° Het zesde lid doen vervallen ».

Het was als volgt verantwoord :

« De voorgestelde wijziging strekt ertoe dat het niet geclassificeerde proces-verbaal aan de procureur des Konings of aan de federale procureur wordt bezorgd op grond van hun bevoegdheden » (ibid., p. 48).

B.11.4. Over de bij de bestreden bepaling ingevoerde maatregel staat in de uiteenzetting van het wetsvoorstel nog te lezen :

« Al leiden de door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten ingewonnen gegevens niet noodzakelijk tot een strafrechtelijke vervolging, neemt dit niet weg dat de gerechtelijke overheden ook bestemmeling zijn van deze gegevens, wanneer deze aan de gerechtelijke sfeer raken. Het wetsvoorstel bepaalt de situaties waarin de inlichtingen- en veiligheidsdiensten inlichtingen dienen door te geven aan de federale procureur [...].

Wanneer het redelijk vermoeden dat aan de basis ligt van de medegedeelde informatie voortvloeit uit de aanwending van een specifieke of uitzonderlijke methode, bepaalt het voorstel dat de commissie, samengesteld uit drie magistraten, verplicht tussenkomt om de legaliteit van de toepassing van de methoden na te gaan. Gelet op de bijzondere aard van de specifieke en uitzonderlijke methoden, worden aldus alle nodige garanties geboden met het oog op een strafrechtspleging die nauwgezet alle wettelijke regels eerbiedigt » (Parl. St., Senaat, 2008-2009, nr. 4-1053/1, pp. 12-13).

B.12. Zoals in B.2.8 is aangegeven, is een inlichtingenonderzoek niet erop gericht misdrijven op te sporen. In het raam van hun opdrachten kunnen de inlichtingen- en veiligheidsdiensten inlichtingen en persoonsgegevens opsporen, verzamelen, ontvangen en bewerken die nuttig kunnen zijn om hun opdrachten te vervullen (artikel 13 van de wet van 30 november 1998). Zij dienen evenwel erover te waken geen onderzoeken te voeren die een bewuste aantasting uitmaken van de bevoegdheden van de procureur des Konings, de federale procureur of de onderzoeksrechter en die het goede verloop van opsporingsonderzoeken of gerechtelijke onderzoeken kunnen schaden (artikel 13/2 van dezelfde wet).

Wanneer de aanwending van de specifieke of uitzonderlijke methoden ernstige aanwijzingen aan het licht brengt over het plegen van een misdaad of wanbedrijf of, op grond van een redelijk vermoeden wijst op te plegen of reeds gepleegde maar nog niet aan het licht gebrachte strafbare feiten, zijn de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, met het oog op de toepassing van artikel 29 van het Wetboek van strafvordering, ertoe gehouden de procureur des Konings of de federale procureur daarvan op de hoogte te brengen.

Artikel 29 van het Wetboek van strafvordering bepaalt :

« Iedere gestelde overheid, ieder openbaar officier of ambtenaar die in de uitoefening van zijn ambt kennis krijgt van een misdaad of van een wanbedrijf, is verplicht daarvan dadelijk bericht te geven aan de procureur des Konings bij de rechtbank binnen wier rechtsgebied die misdaad of dat wanbedrijf is gepleegd of de verdachte zou kunnen worden gevonden, en aan die magistraat alle desbetreffende inlichtingen, processen-verbaal en akten te doen toekomen.

De ambtenaren van de Administratie der directe belastingen, de ambtenaren van de Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, de ambtenaren van de Administratie van de bijzondere belastinginspectie en de ambtenaren van de Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit, kunnen echter de feiten die, naar luid van de belastingwetten en van de ter uitvoering ervan genomen besluiten, strafrechtelijk strafbaar zijn, niet zonder de machtiging van de gewestelijke directeur onder wie zij ressorteren, ter kennis brengen van de procureur des Konings ».

Zoals blijkt uit het tweede lid van die bepaling is de verplichte kennisgeving in bepaalde gevallen afhankelijk gesteld van een machtiging. Artikel 19/1 van de wet van 30 november 1998 voorziet ook in een modalisering van de verplichte kennisgeving. De betrokken gegevens dienen aan de Bestuurlijke Commissie ter kennis te worden gebracht, die daarvan in voorkomend geval een niet-geclassificeerd proces-verbaal opstelt, dat vervolgens aan de procureur des Konings of aan de federale procureur wordt overgezonden.

B.13. Het voormelde proces-verbaal kan aanleiding geven tot een strafrechtelijk onderzoek.

Zoals in het geval van kennisgeving krachtens het voormelde artikel 29 van het Wetboek van strafvordering, kan de kennisgeving krachtens artikel 19/1 van de wet van 30 november 1998 de gerechtelijke overheden op het spoor brengen van een strafbaar feit, maar biedt de kennisgeving op zichzelf geen bewijs van een strafbaar feit. Dat bewijs moet door de gerechtelijke overheden op zelfstandige wijze worden geleverd. De laatstgenoemde bepaling vermeldt uitdrukkelijk dat het proces-verbaal niet de exclusieve grond, noch de overheersende maatregel mag zijn voor de veroordeling van een persoon. De elementen vervat in het proces-verbaal moeten in overheersende mate steun vinden in andere bewijsmiddelen.

B.14. Wanneer het proces-verbaal aanleiding geeft tot een strafrechtelijk onderzoek, maakt het deel uit van het strafdossier.

Zoals uit artikel 19/1 van de wet van 30 november 1998 blijkt, gaat het om een niet-geclassificeerd proces-verbaal. Een dergelijk proces-verbaal kan uit zijn aard zelf geen beschermde gegevens bevatten. De classificatie biedt immers een bijzondere bescherming aan informatie, documenten of gegevens, materieel, materialen of stoffen, in welke vorm ook, waarvan de oneigenlijke aanwending schade kan toebrengen aan de verdediging van de onschendbaarheid van het nationaal grondgebied en van de militaire defensieplannen, de vervulling van de opdrachten van de strijdkrachten, de inwendige veiligheid van de Staat (met inbegrip van het domein van de kernenergie) en het voortbestaan van de democratische en grondwettelijke orde, de uitwendige veiligheid van de Staat en de internationale betrekkingen van België, het wetenschappelijk en economisch potentieel van het land, elk ander fundamenteel belang van de Staat, de veiligheid van de Belgische onderdanen in het buitenland, de werking van de besluitvormingsorganen van de Staat en de veiligheid van de personen aan wie, krachtens artikel 104, § 2, van het Wetboek van strafvordering, bijzondere beschermingsmaatregelen worden toegekend (artikel 3 van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen).

Enkel niet-beschermde gegevens maken derhalve deel uit van het strafdossier. Het proces-verbaal dient tevens te preciseren in welke context de inlichtingenopdracht heeft plaatsgevonden, welk doel werd nagestreefd door de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst en in welk context ernstige aanwijzingen werden verzameld die eventueel in rechte kunnen worden gebruikt (artikel 19/1, derde lid).

B.15. De verzoekende partijen vergelijken de in B.14 beschreven situatie met de situatie waarin het strafdossier geen niet-geclassificeerd proces-verbaal bevat. Zoals in B.13 is gebleken, houdt het verschil tussen beide situaties verband met de wijze waarop de gerechtelijke overheden het onderzochte strafbaar feit op het spoor zijn gekomen.

Het verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende procedureregels in verschillende omstandigheden, houdt op zich geen discriminatie in. Van discriminatie zou slechts sprake zijn indien het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die procedureregels, een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen met zich zou meebrengen.

B.16. Het gebruik van methoden voor het verzamelen van gegevens door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, kan verantwoorden dat bepaalde inlichtingen geheim worden gehouden wegens het gevoelige karakter ervan. Het is derhalve niet onredelijk een procedure in te stellen die verschilt van die waarvoor het geheim niet noodzakelijk is en waarin de partijen alle stukken van het strafdossier kunnen raadplegen.

B.17. De verzoekende partijen beroepen zich in hoofdzaak op artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Tot de waarborgen van die bepaling behoort met name de eerbiediging van het beginsel van de tegenspraak. Dat beginsel houdt in strafzaken in dat zowel de vervolgende partij als de verdediging de mogelijkheid moeten hebben kennis te nemen van en te antwoorden op de opmerkingen en bewijselementen van de andere partij. Hieruit vloeit eveneens de verplichting voor de vervolgende partij voort om in beginsel alle bewijselementen aan de verdediging mee te delen.

Zoals hiervoor is uiteengezet, is het niet-geclassificeerde proces-verbaal geen op zichzelf staand bewijs, maar kan het tot het zoeken naar een dergelijk bewijs aanzetten. De niet-mededeling van de beschermde gegevens aan de verdediging, kan derhalve in de regel geen afbreuk doen aan het beginsel van de tegenspraak.

Evenmin kan het beginsel van de wapengelijkheid tussen de verdediging en de vervolgende partij, dat eveneens tot de waarborgen van het voormelde artikel 6 behoort, zijn geschonden aangezien de laatstgenoemde partij evenmin als de verdediging toegang heeft tot de beschermde gegevens.

B.18. Niettemin kan niet volledig wordt uitgesloten dat bepaalde beschermde gegevens, die niet in het proces-verbaal en derhalve ook niet in het strafdossier zijn opgenomen, in bepaalde gevallen als een element of een begin van bewijs zouden kunnen worden beschouwd en bijgevolg in beginsel aan de partijen in het geding moeten worden meegedeeld.

Op dat punt dient evenwel in herinnering te worden gebracht dat het recht om kennis te nemen van alle bewijselementen niet absoluut is. In sommige strafrechtelijke procedures kunnen tegenstrijdige belangen aanwezig zijn, zoals de nationale veiligheid, de noodzaak om getuigen te beschermen of onderzoeksmethoden geheim te houden, die dienen te worden afgewogen tegen de rechten van de beklaagde. In sommige gevallen kan het noodzakelijk zijn om bepaalde bewijselementen geheim te houden teneinde de fundamentele rechten van andere personen of een behartenswaardig algemeen belang te vrijwaren (zie het arrest nr. 202/2004 van 21 december 2004, B.27.6, en het arrest nr. 105/2007 van 19 juli 2007, B.11.1).

Zoals uit B.14 kan worden afgeleid, beoogt de classificatie bepaalde gegevens te beschermen ter vrijwaring van de fundamentele belangen van de Staat.

B.19. De inmenging in de rechten van de verdediging kan echter enkel worden verantwoord indien zij strikt evenredig is met de nagestreefde fundamentele belangen en indien zij wordt gecompenseerd door een procedure die een onafhankelijke en onpartijdige instantie in staat stelt de wettigheid van de procedure te onderzoeken.

Zoals in B.7.1 tot B.7.3 reeds werd uiteengezet, voorziet de wet van 30 november 1998 in een omstandige controle op de aanwending van de specifieke en uitzonderlijke methoden voor het verzamelen van gegevens. Die controle wordt niet enkel uitgeoefend door het diensthoofd van de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst, maar ook door de Bestuurlijke Commissie en door het Vast Comité I.

De Bestuurlijke Commissie die belast is met het opmaken van het proces-verbaal dat aan de gerechtelijke overheden wordt bezorgd, bestaat uit drie werkende leden en evenveel plaatsvervangende leden die allen de hoedanigheid van magistraat hebben. Onder de werkende leden heeft één de hoedanigheid van magistraat van het openbaar ministerie, terwijl de twee anderen de hoedanigheid hebben van rechter, van wie één die van onderzoeksrechter. Hetzelfde geldt voor de plaatsvervangende leden. Het voorzitterschap van de Bestuurlijke Commissie wordt verzekerd door de magistraat die de hoedanigheid van onderzoeksrechter heeft (artikel 43/1, § 1, van de wet van 30 november 1998, ingevoegd bij artikel 17 van de wet van 4 februari 2010). Eén van de voorwaarden voor de aanwijzing van de werkende en plaatsvervangende leden, bestaat in het hebben van een nuttige ervaring in een van de in artikel 18/9, § 1, van de wet bedoelde materies; bovendien moet men houder zijn van een veiligheidsmachtiging van het niveau « zeer geheim » krachtens de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen (artikel 43/1, § 2, van de wet van 30 november 1998, ingevoegd bij artikel 17 van de wet van 4 februari 2010). De Bestuurlijke Commissie handelt volledig onafhankelijk in de uitoefening van haar controleopdrachten (artikel 43/1, § 1, derde lid, en § 4, eerste lid, van de wet van 30 november 1998).

De wetgever heeft tevens voorzien in een controle a posteriori van de gehanteerde methoden door het Vast Comité I, dat zelf wordt voorgezeten door een magistraat en dat eveneens als een onafhankelijke en onpartijdige instantie moet worden beschouwd. De rechter kan in verband met de wettigheid van de specifieke en uitzonderlijke methoden voor het verzamelen van gegevens een advies vorderen van het Vast Comité I, dat van zijn kant beschikt over een volledige toegang tot het dossier. Indien het Vast Comité I negatief adviseert over de wettigheid van de aangewende methode, kan de rechter de verkregen informatie, met inbegrip van het niet-geclassificeerde proces-verbaal en alle daarop steunende onderzoekshandelingen, nietig verklaren wegens onregelmatige bewijsverkrijging. De nietig verklaarde stukken worden in dat geval uit het strafdossier verwijderd. Zoals in B.7.3 reeds werd opgemerkt, moeten ook de leden van het Vast Comité I houder zijn van een veiligheidsmachtiging van het niveau « zeer geheim », rekening houdend met de aard van de gegevens waarvan zij kennis kunnen krijgen.

De veiligheidsmachtiging is een officieel attest, verstrekt op grond van de gegevens verzameld door een inlichtingen- en veiligheidsdienst, naar luid waarvan, om toegang te krijgen tot gegevens waaraan een zekere graad van vertrouwelijkheid is toegekend, een natuurlijke persoon voldoende garanties biedt inzake geheimhouding, loyauteit en integriteit en een rechtspersoon voldoende garanties biedt inzake de materiële en technische middelen en de methoden, gebruikt om die gegevens te beschermen, en inzake de geheimhouding, de loyauteit en de integriteit van zijn organen en aangestelden die in aanmerking komen om toegang te hebben tot die gegevens (artikel 13, 2°, van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen).

De classificatie van gegevens bestaat uit drie niveaus : zeer geheim, geheim en vertrouwelijk. Het niveau van de veiligheidsmachtiging wordt bepaald door het classificatieniveau van de informatie waartoe de houder van de machtiging toegang dient te hebben voor de uitoefening van zijn functie of opdracht.

Gelet op hetgeen is vermeld in B.26.1 tot B.26.3 heeft de wetgever de inmenging in de rechten van de verdediging op voldoende wijze gecompenseerd door een procedure die onafhankelijke en onpartijdige instanties in staat stelt de wettigheid van de procedure te onderzoeken.

b) De samenstelling van het Vast Comité I en de toepasselijke procedure (artikelen 43/2 tot 43/8 van de wet van 30 november 1998, ingevoegd bij artikel 18 van de bestreden wet, en artikelen 131bis, 189quater en 279bis van het Wetboek van strafvordering, ingevoegd bij de artikelen 35 tot 37 van de bestreden wet)

B.20.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 4955 leiden een derde middel af uit de schending, door de artikelen 18 en 35 tot 37 van de bestreden wet, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het recht op een eerlijk proces, gewaarborgd bij artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

Zij verwijten de bestreden bepalingen een facultatieve en niet-verplichte inzageprocedure voor het Vast Comité I in te voeren en in dat verband niet te voorzien in een initiatiefrecht ten gunste van het openbaar ministerie, in een debat op tegenspraak en in een sanctie verbonden aan die adviesbevoegdheid.

B.20.2. In het zesde middel voeren de verzoekende partijen in de zaak nr. 4955 de schending aan, door de artikelen 15, 17, 18 en 35 van de bestreden wet, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het recht op een eerlijk proces, gewaarborgd bij artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, en met het recht op een daadwerkelijk beroep, gewaarborgd bij artikel 13 van hetzelfde Verdrag.

Wanneer het Vast Comité I, na een kennisgeving conform artikel 19/1 van de wet van 30 november 1998, de onwettigheid van een beslissing betreffende de specifieke of uitzonderlijke methoden voor het verzamelen van gegevens vaststelt, zou niet erin zijn voorzien die onwettigheid ter kennis te brengen aan de gerechtelijke overheden die met het strafonderzoek zijn belast. De verzoekende partijen wijzen erop dat artikel 43/6 van dezelfde wet voorziet in de gevolgen van een vaststelling van onwettigheid voor de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, maar niet voorziet in enige sanctie ten aanzien van de gerechtelijke overheden die eventueel zijn belast met de strafrechtelijke vervolging op basis van een kennisgeving conform artikel 19/1 van de wet van 30 november 1998.

B.21.1. Zoals het Hof heeft aangegeven in B.7.3, is het Vast Comité I belast met de controle a posteriori van de specifieke en uitzonderlijke methoden voor het verzamelen van gegevens door de inlichtingen en veiligheidsdiensten conform de procedure omschreven in de artikelen 43/2 tot 43/8 van de wet van 30 november 1998. Het kan optreden uit eigen beweging, op verzoek van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, na indiening van een klacht, telkens als de Bestuurlijke Commissie het gebruik van een specifieke of uitzonderlijke methode wegens onwettigheid heeft geschorst, of nog, telkens als de bevoegde minister een beslissing heeft genomen op basis van artikel 18/10, § 3, van de wet.

B.21.2. De controle uitgevoerd door het Vast Comité I in het kader dat hiervoor is omschreven, staat los van de adviesbevoegdheid waarover het Comité beschikt met toepassing van de nieuwe bepalingen die in het Wetboek van strafvordering werden ingevoegd door de artikelen 35 tot 37 van de in het geding zijnde wet van 4 februari 2010. Die bevoegdheid dient immers alleen te worden uitgeoefend wanneer de aanwending van specifieke of uitzonderlijke methoden ernstige aanwijzingen aan het licht brengt over het plegen van een misdrijf die verantwoorden dat een niet-geclassificeerd proces-verbaal wordt overgezonden aan de procureur des Konings of de federale procureur.

De voormelde artikelen 35 tot 37 van de bestreden wet bepalen :

« Art. 35. In het Wetboek van strafvordering wordt een artikel 131bis ingevoegd, luidende :

' Art. 131bis. Wanneer de raadkamer een dossier onderzoekt dat een niet geclassificeerd proces-verbaal bevat als bedoeld in artikel 19/1 van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, kan zij, hetzij ambtshalve, hetzij op vordering van het openbaar ministerie, hetzij op verzoek van de beklaagde, de burgerlijke partij of hun advocaten, het Vast Comité I een schriftelijk advies vragen over de wettigheid van de methode voor de verzameling van gegevens.

Deze vordering of dit verzoek dient, op straffe van verval, vóór ieder ander rechtsmiddel te worden opgeworpen, behalve indien het middel betrekking heeft op concrete en nieuwe elementen die tijdens de zitting aan het licht zijn gekomen.

De raadkamer zendt het dossier aan het openbaar ministerie over, teneinde de zaak daartoe voor het Vast Comité I aan te brengen. '

Art. 36. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 189quater ingevoegd, luidende :

' Art. 189quater. Bij het onderzoek ten gronde van een dossier dat een niet geclassificeerd proces-verbaal bevat als bedoeld in artikel 19/1 van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten kan de rechtbank hetzij ambtshalve, hetzij op vordering van het openbaar ministerie, hetzij op verzoek van de beklaagde, de burgerlijke partij of hun advocaten, het Vast Comité I een schriftelijk advies vragen over de wettelijkheid van de methode voor de verzameling van gegevens.

Deze vordering of dit verzoek dient, op straffe van verval, vóór ieder ander rechtsmiddel te worden opgeworpen, behalve indien het middel betrekking heeft op concrete en nieuwe elementen die tijdens de terechtzitting aan het licht zijn gekomen.

De rechtbank zendt het dossier aan het openbaar ministerie over, teneinde de zaak daartoe voor het Vast Comité I aan te brengen. '

Art. 37. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 279bis ingevoegd, luidende :

' Art. 279bis. Bij het onderzoek ten gronde van een dossier dat een niet geclassificeerd proces-verbaal bevat als bedoeld in artikel 19/1 van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten kan de voorzitter, hetzij ambtshalve, hetzij op vordering van het openbaar ministerie, hetzij op verzoek van de beschuldigde, de burgerlijke partij of hun advocaten, het Vast Comité I een schriftelijk advies vragen over de wettelijkheid van de methode voor de verzameling van gegevens.

Deze vordering of dit verzoek dient, op straffe van verval, vóór ieder ander rechtsmiddel te worden opgeworpen, behalve indien het middel betrekking heeft op concrete en nieuwe elementen die tijdens de terechtzitting aan het licht zijn gekomen.

De voorzitter zendt het dossier aan het openbaar ministerie over, teneinde de zaak daartoe voor het Vast Comité I aan te brengen. ' ».

B.22. Uit de uiteenzetting van het derde en het zesde middel in de zaak nr. 4955 blijkt dat die in werkelijkheid zijn gericht tegen de adviesbevoegdheid van het Vast Comité I, vervat in de voormelde artikelen 131bis, 189quater en 279bis. De invoeging daarvan in het Wetboek van strafvordering werd nodig geacht omdat « een niet geclassificeerd proces-verbaal een van de elementen is waarop de vervolging en de aanhangigmaking bij de rechtbank worden gebaseerd » (Parl. St., Senaat, 2008-2009, nr. 4-1053/6, p. 43).

B.23. Hoewel de afdeling wetgeving van de Raad van State de wetgever had gesuggereerd, indien dat daadwerkelijk zijn voornemen was, te verduidelijken dat de procedures voor de controle a posteriori van de specifieke en uitzonderlijke methoden voor het verzamelen van gegevens niet van toepassing zouden zijn op de adviesprocedure geregeld bij de in het geding zijnde bepalingen (Parl. St., Kamer, 2009-2010, DOC 52-2128/002, p. 10), is de wetgever op die suggestie niet ingegaan. Hij heeft bijgevolg noch in de tekst van de wet zelf, noch tijdens de parlementaire voorbereiding die aan de aanneming ervan is voorafgegaan, een afzonderlijke procedure aangegeven die het Vast Comité volgt wanneer de onderzoeks- of feitengerechten een adviesaanvraag indienen over de wettigheid van de methoden in kwestie.

B.24. Wanneer het Vast Comité optreedt in het kader van een controle a posteriori van de bijzondere of uitzonderlijke methoden voor het verzamelen van gegevens, beschikt het over alle beslissingen, adviezen en machtigingen betreffende die methoden. Het beschikt tevens over alle documenten die de Bestuurlijke Commissie heeft meegedeeld overeenkomstig artikel 18/10, § 7, van de wet van 30 november 1998, over het bijzondere register bedoeld in artikel 18/17, § 6, van dezelfde wet, over de lijsten bedoeld in artikel 18/3, § 2, alsook over elk nuttig document overgelegd door de Bestuurlijke Commissie of waarvan het Comité de overlegging vordert. Zoals in B.7.3 reeds werd opgemerkt, beschikt het Comité dus over een volledig dossier en kan het van de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst en van de Commissie voorts elke aanvullende informatie vorderen die het nuttig acht voor de controle waarmee het is belast.

Er is eveneens voorzien in een toegang tot het dossier voor de klager en diens advocaat, onder de voorwaarden bepaald in artikel 43/5, § 3, van de wet van 30 november 1998. Daarin wordt gepreciseerd dat de inlichtingen- en veiligheidsdienst de mogelijkheid heeft om vooraf zijn advies uit te brengen over de gegevens die zijn geregistreerd in het dossier waarin inzage mogelijk is. Het Comité kan voorts, met toepassing van paragraaf 4 van dezelfde bepaling, de leden van de Bestuurlijke Commissie horen, alsook het betrokken diensthoofd en de leden van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten die de in het geding zijnde methoden hebben aangewend, in afwezigheid van de klager en diens advocaat. Bovendien worden deze laatsten op hun verzoek gehoord.

Ten slotte bepaalt artikel 43/6 van de wet van 30 november 1998 de gevolgen van de controle uitgevoerd door het Vast Comité I. Aldus, wanneer het vaststelt dat de beslissingen betreffende specifieke of uitzonderlijke methoden voor het verzamelen van gegevens onwettig zijn, beveelt het de stopzetting van de methode wanneer die nog steeds in uitvoering is of indien zij werd geschorst door de Bestuurlijke Commissie. Het Comité beveelt eveneens het verbod om de dankzij die methode verzamelde gegevens te exploiteren, alsook de vernietiging ervan. Het kan eveneens een verbod opheffen om de gegevens te exploiteren die zijn verzameld dankzij een methode die de Bestuurlijke Commissie onwettig heeft bevonden, wanneer het van mening is dat de in het geding gebrachte methode in overeenstemming is met de bepalingen van de wet. De beslissingen moeten in elk geval worden gemotiveerd en meegedeeld aan het diensthoofd, aan de bevoegde minister, aan de Bestuurlijke Commissie, aan de klager binnen de door de wet bepaalde grenzen, en in voorkomend geval aan de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

B.25. Het is niet zonder redelijke verantwoording te voorzien in een doorverwijzing, door de onderzoeksgerechten of de vonnisgerechten, naar het Vast Comité I, gelet op de samenstelling ervan en de veiligheidsmachtiging van het niveau « zeer geheim » waarvan de leden ervan houder zijn, om de wettigheid na te gaan van de specifieke of uitzonderlijke methoden voor het verzamelen van gegevens in het kader van een dossier waarin een niet-geclassificeerd proces-verbaal is opgenomen.

In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen verklaren in de uiteenzetting van hun middel, beschikt het openbaar ministerie in dat kader over een initiatiefbevoegdheid. Artikel 131bis van het Wetboek van strafvordering, ingevoegd door het bestreden artikel 35, bepaalt immers dat de raadkamer het advies van het Vast Comité I kan vragen, ofwel ambtshalve, ofwel op vordering van het openbaar ministerie, of nog, op verzoek van de beklaagde, van de burgerlijke partij of van hun advocaten. De artikelen 189quater en 279bis van het Wetboek van strafvordering, ingevoegd door de bestreden artikelen 36 en 37, voeren hetzelfde initiatiefrecht in wanneer de adviesaanvraag uitgaat van de rechtbank of van de voorzitter van het hof van assisen.

Het derde middel in de zaak nr. 4955 is in die mate niet gegrond.

B.26.1. Doordat de wetgever niet in een afzonderlijke procedure heeft voorzien die het Vast Comité I dient te volgen wanneer het op verzoek van een rechter advies dient te verlenen over de wettigheid van de aangewende inlichtingenmethoden, moet hij worden geacht niet te hebben willen afwijken van de procedure die in hoofdstuk IV/2 van de wet van 30 november 1998 is uitgewerkt.

Aldus kan, op grond van artikel 43/5, § 3, van de wet van 30 november 1998, wanneer iedere persoon die doet blijken van een persoonlijk en gewettigd belang een klacht indient bij het Vast Comité I, die persoon, met zijn advocaat, inzage hebben in het dossier op de griffie van het Vast Comité gedurende vijf werkdagen, op de door dat Comité vastgestelde data en uren. Dezelfde bepaling preciseert dat het dossier alle informatie en inlichtingen bevat die ter zake relevant zijn, met uitzondering van die welke afbreuk doen aan de bescherming van de bronnen, de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van derden, de classificatieregels bepaald bij de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen, of de vervulling van de in de artikelen 7, 8 en 11 omschreven opdrachten van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Voorts wordt aangegeven dat uit het dossier minstens moet kunnen blijken :

« 1° het juridisch kader dat het gebruik van de specifieke of uitzonderlijke methode voor het verzamelen van gegevens heeft gerechtvaardigd;

2° de aard van de bedreiging en de graad van de ernst ervan die het beroep op de specifieke of uitzonderlijke methode voor het verzamelen van gegevens hebben gerechtvaardigd;

3° het type van persoonsgegevens verzameld tijdens het gebruik van de specifieke of uitzonderlijke methode voor zover die persoonsgegevens enkel betrekking hebben op de klager ».

Aangezien elke belanghebbende, met inbegrip dus van een beklaagde, op elk moment een klacht kan indienen die volgens de laatstgenoemde procedure zal worden behandeld (artikel 43/4, eerste lid, derde streepje, van dezelfde wet), is de keuze van de wetgever om niet in een afzonderlijke procedure te voorzien niet zonder redelijke verantwoording.

B.26.2. De in B.26.1 vermelde procedure doet geen afbreuk aan de vaststelling dat de wetgever niet op onevenredige wijze afbreuk heeft gedaan aan het recht op een eerlijk proces, zoals gewaarborgd bij artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

Allereerst moet worden opgemerkt dat de voormelde procedure een geheel andere finaliteit heeft dan de onderzochte procedure van kennisgeving, middels een niet-geclassificeerde proces-verbaal, aan de gerechtelijke overheden. Zij vindt immers plaats naar aanleiding van het onderzoek naar de wettigheid van de activiteiten van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten als zodanig en niet naar aanleiding van het onderzoek naar eventuele strafbare feiten.

Bovendien kan uit artikel 43/5, § 3, niet worden afgeleid dat de toegang tot het inlichtingendossier verder strekt dan de gegevens die in het niet-geclassificeerde proces-verbaal moeten worden vermeld. Zoals in B.14 uiteengezet, dient een dergelijk proces-verbaal te preciseren in welke context de inlichtingenopdracht heeft plaatsgevonden, welk doel werd nagestreefd door de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst en in welke context ernstige aanwijzingen werden verzameld die eventueel in rechte kunnen worden gebruikt.

De mee te delen gegevens worden weliswaar in de twee voormelde procedures in verschillende bewoordingen omschreven. Gelet evenwel op de voorwaarde dat het in geen van beide gevallen kan gaan om geclassificeerde gegevens, bevinden de betrokken personen zich niet in wezenlijk verschillende situaties.

B.26.3. Zoals hiervoor reeds werd uiteengezet, kunnen de klager en zijn advocaat het dossier raadplegen. Op hun verzoek worden zij door het Vast Comité I gehoord (artikel 43/5, § 4, vierde lid, van de wet van 30 november 1998).

In zoverre het de artikelen 35 tot 37 van de bestreden wet verwijt niet te voorzien in een procedure op tegenspraak voor het Vast Comité I waarbij een adviesaanvraag is gedaan, is het derde middel in de zaak nr. 4955 niet gegrond.

B.27. De verzoekende partijen in de zaak nr. 4955 verwijten de bestreden artikelen 35 tot 37 voorts niet te voorzien in het verplichte optreden van het Vast Comité I vóór de doorwijzing van de zaak naar de vonnisgerechten, terwijl de controle van het vertrouwelijke dossier verplicht is in de wetgeving betreffende de bijzondere opsporingsmethoden.

Zoals het Hof heeft aangegeven in B.7.1 tot B.7.3, maken de specifieke en uitzonderlijke methoden voor het verzamelen van gegevens het voorwerp uit van een controle in verschillende stadia van de aanwending ervan.

Aldus kan elke specifieke methode slechts worden aangewend na kennisgeving van de met redenen omklede beslissing van het diensthoofd aan de Bestuurlijke Commissie. Hetzelfde geldt ten aanzien van de aanwending van de uitzonderlijke methoden, met dat verschil dat die het eensluidend advies van de Bestuurlijke Commissie vereist of, bij ontstentenis ervan, van de bevoegde minister. Op elk ogenblik is de Bestuurlijke Commissie eveneens ertoe gemachtigd de wettigheid van de maatregelen te controleren, met inbegrip van de naleving van de subsidiariteits- en evenredigheidsbeginselen. Een controle a posteriori kan eveneens worden uitgevoerd door het Vast Comité I in de gevallen bedoeld in artikel 43/4 van de wet van 30 november 1998, met name na een klacht van iedere persoon die doet blijken van een persoonlijk en gewettigd belang.

Gelet op die elementen is het niet zonder redelijke verantwoording niet te voorzien in een verplichte controle, door het Vast Comité I, van de wettigheid van de specifieke en uitzonderlijke methoden voor het verzamelen van gegevens, vóór de eventuele saisine van de vonnisgerechten. Dat is des te meer het geval daar de onderzoeksgerechten en de vonnisgerechten een dergelijke controle door het Vast Comité nog kunnen vorderen, ofwel ambtshalve, ofwel op verzoek van het openbaar ministerie, van de beklaagde, van de burgerlijke partij of van hun advocaten, waarbij hun beslissingen voor beroep vatbaar zijn.

B.28. Het derde middel in de zaak nr. 4955 is in die mate niet gegrond.

B.29. Het Hof moet ten slotte onderzoeken welke de gevolgen zijn van de controle die het Vast Comité I heeft uitgevoerd met toepassing van de door de bestreden artikelen 35 tot 37 ingevoerde bepalingen.

Wanneer het Comité de onwettigheid van een specifieke of uitzonderlijke methode voor het verzamelen van gegevens vaststelt naar aanleiding van de controle die het uitvoert met toepassing van de artikelen 43/2 tot 43/8 van de wet, beveelt het de stopzetting ervan wanneer die nog steeds in uitvoering is of wanneer die is geschorst door de Bestuurlijke Commissie. Het Comité verbiedt om de dankzij die methode verzamelde gegevens te exploiteren, alsook de vernietiging ervan. Daarentegen, wanneer het Comité optreedt in het kader van de bestreden artikelen 35 tot 37, kan enkel een advies worden gegeven door het Comité aan de onderzoeksgerechten en de feitengerechten. De wet geeft niet de gevolgen aan die moeten worden gegeven aan een dergelijk advies wanneer het Comité zou vaststellen dat de aangewende methode onwettig is.

B.30.1. In dat geval staat het echter aan het rechtscollege dat het advies van het Comité heeft ingewonnen om de regels met betrekking tot de regelmatigheid van het bewijs in strafzaken toe te passen en te beoordelen in welke mate het niet-geclassificeerde proces-verbaal of andere elementen van het strafdossier al dan niet uit de debatten moeten worden geweerd.

B.30.2. Het derde en het zesde middel in de zaak nr. 4955 zijn in die mate niet gegrond.

B.31. Het zevende middel in de zaak nr. 4955, is gericht tegen de artikelen 43/2 tot 43/6 van de wet van 13 november 1998, gewijd aan de controle a posteriori van de specifieke en uitzonderlijke methoden voor het verzamelen van gegevens door het Vast Comité I.

In het eerste onderdeel van het zevende middel voeren de verzoekende partijen de schending aan, door de artikelen 43/2 tot 43/6 van de wet van 30 november 1998, van de artikelen 15 en 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

Zij gaan ervan uit dat de controle van de specifieke en uitzonderlijke methoden door het Vast Comité I zich zou beperken tot een controle van de beslissingen betreffende die methoden. Dat zou betekenen dat het Comité de beslissingen controleert van het hoofd van de inlichtingen- of veiligheidsdienst, alsook het optreden van de Bestuurlijke Commissie, maar dat de uitvoering ervan ontsnapt aan de controle van het Comité. Het Comité zou aldus de onregelmatigheden betreffende de uitvoering van die beslissingen niet kunnen afkeuren.

In het tweede onderdeel van het middel voeren de verzoekende partijen in de zaak nr. 4955 de schending aan, door dezelfde bepalingen, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

Ook die grief gaat uit van de hypothese dat de uitvoering van de inlichtingenmethoden ontsnapt aan elke controle en aan elke eventuele sanctie.

B.32. Uit de uiteenzetting van dat middel blijkt dat het is gericht tegen de controle a posteriori van de uitzonderlijke of specifieke methoden door het Vast Comité I, zoals geregeld bij de artikelen 43/2 tot 43/6 van de wet van 30 november 1998, ingevoegd, niet, zoals de verzoekende partijen aangeven, door de artikelen 35 tot 38 van de wet van 4 februari 2010, maar door artikel 18 ervan.

B.33.1. Artikel 15 van de Grondwet bepaalt :

« De woning is onschendbaar; geen huiszoeking kan plaatshebben dan in de gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die zij voorschrijft ».

Artikel 22 van de Grondwet bepaalt :

« Ieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven en zijn gezinsleven, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden door de wet bepaald.

De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen de bescherming van dat recht ».

Artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt :

« 1. Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privéleven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling.

2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van 's lands veiligheid, de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen ».

B.33.2. Het recht op de eerbiediging van het privéleven en het gezinsleven heeft als essentieel doel de personen te beschermen tegen inmengingen in hun privéleven, hun gezinsleven, hun woning of hun briefwisseling. Het voorstel dat is voorafgegaan aan de aanneming van artikel 22 van de Grondwet beklemtoonde « de bescherming van de persoon, de erkenning van zijn identiteit en de belangrijkheid van zijn ontplooiing en die van zijn gezin » en het onderstreepte de noodzaak om het privéleven en het gezinsleven te beschermen tegen « inmenging, onder meer als gevolg van de onafgebroken ontwikkeling van de informatietechnieken, wanneer maatregelen van opsporing, onderzoek en controle door de overheid en particuliere instellingen worden uitgevoerd bij het uitoefenen van hun functie of hun activiteit » (Parl. St., Senaat, 1991-1992, nr. 100-4/2°, p. 3).

Uit de parlementaire voorbereiding van artikel 22 van de Grondwet blijkt bovendien dat de Grondwetgever « een zo groot mogelijke concordantie [heeft willen nastreven] met artikel 8 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), teneinde betwistingen over de inhoud van dit Grondwetsartikel respectievelijk art. 8 van het EVRM te vermijden » (Parl. St., Kamer, 1992-1993, nr. 997/5, p. 2).

De rechten die bij artikel 22 van de Grondwet en bij artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens worden gewaarborgd, zijn niet absoluut. Hoewel artikel 22 van de Grondwet aan eenieder het recht op eerbiediging van zijn privéleven en zijn gezinsleven toekent, voegt die bepaling daaraan immers onmiddellijk toe : « behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden door de wet bepaald ».

De voormelde bepalingen vereisen dat elke overheidsinmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven en het gezinsleven wordt voorgeschreven door een voldoende precieze wettelijke bepaling, dat zij beantwoordt aan een dwingende maatschappelijke behoefte en evenredig is met de nagestreefde wettige doelstelling.

Er dient te worden nagegaan of de procedures die bestemd zijn voor de controle van de aanneming en de toepassing van de beperkende maatregelen geschikt zijn om de inmenging die voortvloeit uit de bestreden wetgeving te beperken tot wat vereist is in een democratische samenleving.

De betrokken procedures moeten voldoende waarborgen dat de in het geding zijnde rechten van het individu worden gevrijwaard (EHRM, 6 september 1978, Klass en anderen t. Duitsland, §§ 54 en 55).

B.34. In tegenstelling wat de verzoekende partijen in de zaak nr. 4955 beweren, reikt de controle a posteriori van het Vast Comité I verder dan de loutere controle van de beslissingen met betrekking tot de specifieke en uitzonderlijke inlichtingenmethoden. Uit artikel 43/6 blijkt immers uitdrukkelijk dat het Vast Comité I bevoegd is om in het kader van de controle a posteriori de stopzetting te bevelen van de betrokken methode, te bevelen dat de verkregen inlichtingen niet mogen worden geëxploiteerd en te bevelen dat de verkregen inlichtingen worden vernietigd. Daarnaast bepaalt artikel 43/2, eerste lid, van de wet van 30 november 1998 dat het Vast Comité I ermee belast is de specifieke en uitzonderlijke inlichtingenmethoden te controleren; te dezen gaat het niet alleen om « beslissingen », maar ook om de problemen betreffende de uitvoering ervan. Bovendien blijkt uit diverse bepalingen van de wet van 30 november 1998 dat het Vast Comité I met het oog op de uitvoering van zijn controleopdracht over alle relevante documenten dient te beschikken, hierin begrepen de documenten die betrekking hebben op de uitvoering van de specifieke en uitzonderlijke inlichtingenmethoden (artikelen 18, § 3, 43/5, § 1, 43/3, tweede lid, 43/5, § 1, derde lid, en 43/5, § 3, van de wet van 30 november 1998). Indien het Vast Comité I enkel de wettigheid van de beslissingen zou kunnen controleren, zou het volstrekt overbodig en zinloos zijn dat het inzage heeft in het volledige dossier. Derhalve wordt de term « beslissingen », gehanteerd in artikel 43/6 van de wet van 30 november 1998, niet begrensd, zodat die in de ruimste betekenis moet worden begrepen.

B.35. Het zevende middel is niet gegrond, aangezien het verkeerdelijk uitgaat van de hypothese dat, in het kader van de controlebevoegdheid a posteriori die de bestreden bepalingen aan het Vast Comité I toekennen, dat Comité niet de uitvoering controleert van de specifieke en uitzonderlijke methoden voor het verzamelen van gegevens.

B.36. De verzoekende partij in de zaak nr. 5014 voert de schending aan, door artikel 43/8 van de wet van 30 november 1998, van het recht op een eerlijk proces en het recht op een effectief rechtsmiddel, gewaarborgd bij de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

Zoals reeds aangegeven in B.10.2, is het Hof niet bevoegd wetskrachtige normen rechtstreeks te toetsen aan verdragsbepalingen. Het middel is derhalve niet ontvankelijk.

B.37. De verzoekende partij in de zaak nr. 5014 voert eveneens de schending aan door de artikelen 43/2 tot 43/8 van de wet van 30 november 1998, van artikel 22 van de Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Zij betwist in de eerste plaats de onpartijdigheid van het Vast Comité I. De bestreden bepalingen wordt eveneens verweten niet te preciseren op welke wijze de klager de procedure bij het Vast Comité I moet instellen. Daarnaast wordt het niet-contradictoire karakter van de procedure bekritiseerd, alsook het gebrek aan inzage in het dossier en het ontbreken van een verplichte hoorzitting. Ten slotte wordt beweerd dat het Vast Comité I een klacht kennelijk niet gegrond kan verklaren zonder die beslissing te motiveren.

B.38.1. De rechtsprekende bevoegdheid van het Vast Comité I is nauwkeurig en duidelijk omschreven in de artikelen 43/2 tot 43/8 van de wet van 30 november 1998.

De grieven die verband houden met het contradictoire karakter van de procedure, het gebrek aan inzage in het dossier en het ontbreken van een hoorzitting werden reeds afgewezen bij het onderzoek van het eerste en derde middel in de zaak nr. 4955. Aangezien de klager en zijn advocaat op eenvoudig verzoek worden gehoord, kan het ontbreken van een verplichte hoorzitting niet worden geacht de in het geding zijnde rechten op ongunstige wijze te beïnvloeden.

B.38.2. Zoals in B.19 reeds werd opgemerkt, is het Vast Comité I een onafhankelijke en onpartijdige instantie.

Bovendien kan uit het loutere feit dat een rechtscollege niet tot de rechterlijke macht behoort, niet worden afgeleid dat het niet aan de vereisten van onafhankelijkheid en onpartijdigheid zou voldoen. Het spreekt evenwel vanzelf dat, wanneer in een zaak zou blijken dat een van de leden van het Vast Comité I niet voldoet aan de vereisten inzake onpartijdigheid, het betrokken lid zich van de zaak dient te onthouden of gewraakt kan worden.

B.38.3. Artikel 43/4 van de wet van 30 november 1998 bepaalt uitdrukkelijk dat het Vast Comité I handelt, onder meer, op klacht van eenieder die een persoonlijk en rechtmatig belang kan aantonen, tenzij de klacht kennelijk niet gegrond is. Het indienen van een klacht is niet aan bijzondere vormvoorschriften onderworpen. De voormelde bepaling vermeldt slechts dat zij schriftelijk dient te gebeuren en de grieven dient te vermelden.

B.38.4. Ten slotte bepaalt artikel 43/4, derde lid, van de wet van 30 november 1998 dat « de beslissing van het Vast Comité I om geen gevolg te geven aan een klacht [...] met redenen [wordt] omkleed en ter kennis gebracht van de klager ». Bovendien kan uit artikel 43/6, §§ 1 en 2, van de wet van 30 november 1998 worden afgeleid dat de andere beslissingen van het Vast Comité I dan die welke zijn beoogd in artikel 43/4, derde lid, eveneens moeten worden gemotiveerd en dat, wanneer het Vast Comité I een klacht ontvangt, van de beslissing moet worden kennisgegeven aan de klager.

B.39. Die procedure biedt derhalve voldoende waarborgen teneinde het recht op eerbiediging van het privéleven, gewaarborgd bij de in het middel aangevoerde bepalingen, te vrijwaren.

De grieven van de verzoekende partij in de zaak nr. 5014 zijn niet gegrond.

2. De procedure die van toepassing is op de specifieke methoden voor het verzamelen van gegevens

B.40. Verschillende grieven in de zaak nr. 5014 hebben betrekking op de artikelen 18/3 tot 18/8 van de wet van 30 november 1998, ingevoegd bij artikel 14 van de bestreden wet.

Die artikelen bepalen :

« Art. 18/3. § 1. Rekening houdend met een potentiële bedreiging zoals bedoeld in artikel 18/1 kunnen de in artikel 18/2, § 1, bedoelde specifieke methoden voor het verzamelen van gegevens aangewend worden indien de gewone methoden voor het verzamelen van gegevens ontoereikend worden geacht om de informatie te verzamelen die nodig is om de inlichtingenopdracht te volbrengen. De specifieke methode moet worden gekozen in functie van de graad van ernst van de potentiële bedreiging waarvoor ze wordt aangewend.

De specifieke methode kan slechts worden aangewend na een schriftelijke en met redenen omklede beslissing van het diensthoofd en na kennisgeving van deze beslissing aan de commissie.

De specifieke methoden kunnen slechts worden aangewend ten opzichte van een advocaat, een arts of een journalist, of van communicatiemiddelen die ze voor beroepsdoeleinden gebruiken, op voorwaarde dat de inlichtingen- en veiligheidsdienst vooraf over ernstige aanwijzingen beschikt dat de advocaat, de arts of de journalist persoonlijk en actief meewerkt of heeft meegewerkt aan het ontstaan of aan de ontwikkeling van de potentiële bedreiging en nadat de commissie, overeenkomstig artikel 18/10 een eensluidend advies uitgebracht heeft op voorstel van het diensthoofd.

De inlichtingenofficier die is aangesteld om de specifieke methode voor het verzamelen van gegevens aan te wenden, informeert het diensthoofd regelmatig over de uitvoering van deze methode.

§ 2. Op het einde van elke maand wordt, per specifieke methode, een lijst van de uitgevoerde maatregelen overgezonden aan de commissie.

De leden van de commissie kunnen op elk ogenblik een controle uitoefenen op de wettigheid van de maatregelen, hierbij inbegrepen de naleving van de principes van subsidiariteit en proportionaliteit.

Zij kunnen daartoe de plaatsen betreden waar de gegevens betreffende de specifieke methode door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten in ontvangst worden genomen of bewaard, zich alle nuttige stukken toe-eigenen en de leden van de dienst horen.

De gegevens verkregen in omstandigheden die de vigerende wettelijke bepalingen niet naleven, worden onder het toezicht van de commissie bewaard overeenkomstig de door de Koning bepaalde nadere regels en termijnen, na advies van de commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. De commissie verbiedt de inlichtingen- en veiligheidsdiensten deze gegevens te exploiteren en schorst de aangewende methode indien deze nog lopende is.

De commissie stelt het Vast Comité I op eigen initiatief en onverwijld in kennis van haar beslissing.

§ 3. De lijsten bedoeld in § 2 bevatten de volgende gegevens :

1° de aard van de specifieke methode voor het verzamelen van gegevens;

2° de graad van de ernst van de bedreiging die de specifieke methode voor het verzamelen van gegevens wettigt;

3° naargelang het geval, de natuurlijke of rechtsperso(o)n(en), verenigingen of groeperingen, voorwerpen, plaatsen, gebeurtenissen of informatie die het voorwerp uitmaken van de specifieke methode voor het verzamelen van gegevens;

4° het technische middel dat gebruikt wordt om de specifieke methode voor het verzamelen van gegevens aan te wenden;

5° de periode tijdens welke de specifieke methode voor het verzamelen van gegevens kan worden uitgevoerd te rekenen van de beslissing.

§ 4. De specifieke methode kan enkel verlengd of hernieuwd worden mits een nieuwe beslissing van het diensthoofd, die voldoet aan de voorwaarden bepaald in § 1.

Art. 18/4. De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen een of meer personen, hun aanwezigheid of hun gedrag, zaken, plaatsen of gebeurtenissen die een belang vertonen voor de uitoefening van hun opdrachten observeren ofwel, met behulp van technische middelen, in publieke plaatsen of in private plaatsen die toegankelijk zijn voor het publiek, ofwel, al dan niet met behulp van technische middelen, de private plaatsen die niet toegankelijk zijn voor het publiek. Ze kunnen de gegevens die daarop betrekking hebben registreren.

In het kader van een observatie kunnen de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, na beslissing van het diensthoofd, gemachtigd worden om op ieder ogenblik en zonder medeweten of toestemming van de eigenaar of zijn rechthebbende, publieke of private plaatsen die toegankelijk zijn voor het publiek te betreden om een technisch middel te installeren, te herstellen of terug te nemen.

Art. 18/5. § 1. De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen, wanneer dit een belang vertoont voor de uitoefening van hun opdrachten, met behulp van technische middelen publieke plaatsen en private plaatsen die toegankelijk zijn voor het publiek doorzoeken, met inbegrip van de inhoud van gesloten voorwerpen die zich op deze plaatsen bevinden.

De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen, na beslissing van het diensthoofd, gemachtigd worden op ieder ogenblik en zonder medeweten of toestemming van de eigenaar of zijn rechthebbende, deze plaatsen te betreden, voor de noden van de doorzoeking of om het doorzochte voorwerp terug te plaatsen overeenkomstig § 2.

§ 2. Indien het onderzoek van een in § 1 bedoeld voorwerp niet ter plaatse kan gebeuren en indien het verzamelen van gegevens niet op een andere manier kan gebeuren, is het de betrokken dienst toegestaan dit voorwerp mee te nemen voor een strikt beperkte duur. Het bewuste voorwerp wordt zo spoedig mogelijk teruggeplaatst, tenzij dit het goede verloop van de opdracht van de dienst in de weg staat.

Art. 18/6. § 1. De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen kennis nemen van de identificatiegegevens van de afzender of de geadresseerde van al dan niet aan een postoperator toevertrouwde post en van de identificatiegegevens van de titularis van een postbus, wanneer dit een belang vertoont voor de uitoefening van hun opdrachten. Wanneer de medewerking van een postoperator wordt gevorderd, richt het diensthoofd een schriftelijke vraag aan deze operator. De aard van de beslissing wordt meegedeeld aan de postoperator die wordt gevorderd.

§ 2. In geval van uiterst dringende met redenen omklede noodzakelijkheid kan de inlichtingenofficier bij mondelinge beslissing deze gegevens ogenblikkelijk vorderen mits voorafgaand mondeling akkoord van het diensthoofd. Deze mondelinge beslissing wordt zo spoedig mogelijk bevestigd door een met redenen omklede schriftelijke beslissing van het diensthoofd. De aard van de beslissing wordt meegedeeld aan de postoperator die wordt gevorderd.

§ 3. De postoperator die weigert de in dit artikel bedoelde medewerking te verlenen wordt gestraft met geldboete van zesentwintig euro tot tienduizend euro.

Art. 18/7. § 1. Wanneer dit een belang vertoont voor de uitoefening van de opdrachten, kan het diensthoofd, bij schriftelijke beslissing, zo nodig door daartoe de medewerking te vorderen van de operator van een elektronisch communicatienetwerk of van een verstrekker van een elektronische communicatiedienst, en op basis van alle gegevens die door hem zelf worden bijgehouden of met behulp van toegang tot de bestanden van de klanten van de operator of van de leverancier van de dienst, overgaan of doen overgaan tot :

1° de identificatie van de abonnee of de gewone gebruiker van een elektronische communicatiedienst of van het gebruikte elektronische communicatiemiddel;

2° de identificatie van de elektronische communicatiediensten waarop een bepaalde persoon is geabonneerd of die door een bepaalde persoon gewoonlijk worden gebruikt;

3° de mededeling van de facturen met betrekking tot de geïdentificeerde abonnementen.

De aard van de beslissing wordt meegedeeld aan de gevorderde operator van het elektronisch communicatienetwerk of aan de verstrekker van de elektronische communicatiedienst die wordt gevorderd.

§ 2. Ingeval van uiterst dringende met redenen omklede noodzakelijkheid kan de inlichtingenofficier bij mondelinge beslissing deze gegevens ogenblikkelijk vorderen mits voorafgaand mondeling akkoord van het diensthoofd. Deze mondelinge beslissing wordt zo spoedig mogelijk bevestigd door een met redenen omklede schriftelijke beslissing van het diensthoofd. De aard van de beslissing wordt meegedeeld aan de gevorderde operator van het elektronisch communicatienetwerk of aan de verstrekker van de elektronische communicatiedienst die wordt gevorderd.

§ 3. Iedere operator van een communicatienetwerk en iedere verstrekker van een communicatiedienst die wordt gevorderd om de in § 1 bedoelde gegevens mee te delen, verstrekt aan het diensthoofd de gegevens waarom werd verzocht binnen een termijn en overeenkomstig de nadere regels te bepalen bij koninklijk besluit genomen op het voorstel van de Minister van Justitie, de Minister van Landsverdediging en de Minister bevoegd voor de elektronische communicatie.

De Koning bepaalt, op voorstel van de Minister van Justitie, de Minister van Landsverdediging en de Minister bevoegd voor de elektronische communicatie, de voorwaarden waaronder de in § 1 bedoelde toegang mogelijk is voor het diensthoofd.

Elke in het eerste lid bedoelde persoon die weigert de aldus gevraagde gegevens mee te delen, wordt gestraft met geldboete van zesentwintig euro tot tienduizend euro.

Art. 18/8. § 1. Wanneer dit een belang vertoont voor de uitoefening van de opdrachten, kan het diensthoofd, bij schriftelijke beslissing, zo nodig door daartoe de technische medewerking van de operator van een elektronisch communicatienetwerk of van de verstrekker van een elektronische communicatiedienst te vorderen, overgaan of doen overgaan tot :

1° het opsporen van de oproepgegevens van elektronische communicatiemiddelen van waaruit of waarnaar oproepen worden of werden gericht;

2° het lokaliseren van de oorsprong of de bestemming van elektronische communicaties.

In de gevallen bedoeld in het eerste lid worden voor elk elektronisch communicatiemiddel waarvan de oproepgegevens worden opgespoord of waarvan de oorsprong of de bestemming van de elektronische communicatie wordt gelokaliseerd de dag, het tijdstip en de duur en indien nodig de plaats van de elektronische communicatie aangegeven en vastgelegd in een verslag.

De aard van de beslissing wordt meegedeeld aan de gevorderde operator van het elektronisch communicatienetwerk of aan de verstrekker van de elektronische communicatiedienst die wordt gevorderd.

§ 2. In geval van uiterst dringende met redenen omklede noodzakelijkheid kan de inlichtingenofficier deze gegevens bij mondelinge beslissing ogenblikkelijk vorderen mits voorafgaand mondeling akkoord van het diensthoofd. Deze mondelinge beslissing wordt zo spoedig mogelijk bevestigd door een met redenen omklede schriftelijke beslissing van het diensthoofd.

De aard van de beslissing wordt meegedeeld aan de gevorderde operator van het elektronisch communicatienetwerk of aan de verstrekker van de elektronische communicatiedienst die wordt gevorderd.

§ 3. Iedere operator van een elektronisch communicatienetwerk en iedere verstrekker van een elektronische communicatiedienst die verzocht wordt de in § 1 bedoelde gegevens mee te delen, verstrekt het diensthoofd de gevraagde gegevens binnen een termijn en overeenkomstig de nadere regels te bepalen bij koninklijk besluit genomen op voorstel van de Minister van Justitie, de Minister van Landsverdediging en de Minister bevoegd voor de Elektronische Communicatie.

Elke in het eerste lid bedoelde persoon die weigert zijn technische medewerking te verlenen aan de vorderingen bedoeld in dit artikel wordt gestraft met geldboete van zesentwintig euro tot tienduizend euro ».

a) De ontstentenis van een voorafgaande machtiging van een controleorgaan voor de aanwending van de specifieke methoden voor het verzamelen van gegevens en de voorwaarden inzake de controle van die maatregelen door de Bestuurlijke Commissie (artikel 18/3, § 1 en § 2, tweede en vierde lid, van de wet van 30 november 1998, ingevoegd bij artikel 14 van de bestreden wet)

B.41.1. De verzoekende partij in de zaak nr. 5014 voert de schending aan, door artikel 18/3, § 1, van de wet van 30 november 1998, van artikel 22 van de Grondwet en van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

Dat artikel wordt verweten het hoofd van de inlichtingen- en veiligheidsdienst toe te laten de beslissing tot aanwending van een specifieke methode te nemen zonder voorafgaande machtiging en bijgevolg zonder voorafgaand toezicht door een controleorgaan.

B.41.2. Dezelfde verzoekende partij voert eveneens de schending aan, door artikel 18, § 2, tweede en vierde lid, van de wet van 30 november 1998, van artikel 22 van de Grondwet en van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

Zij verwijt het bestreden artikel te voorzien in een facultatieve controle, door de Bestuurlijke Commissie, van de specifieke methoden voor het verzamelen van gegevens en aan te geven dat de onder onwettige voorwaarden verzamelde gegevens worden bewaard onder het toezicht van de commissie.

B.42.1. Zoals is aangegeven in B.2.5, kunnen de specifieke methoden enkel worden aangewend op voorwaarde dat de gewone methoden ontoereikend blijken voor de continuïteit van een inlichtingsopdracht en volgens de graad van ernst van de mogelijke dreiging waarvoor de methode is aangewend (Parl. St., Senaat, 2008-2009, nr. 4-1053/1, pp. 18-19). Er is immers geen sprake van een specifieke methode aan te wenden voor een weinig geloofwaardige dreiging (ibid., p. 42).

B.42.2. De ontstentenis van een verplichte voorafgaande instemming van de Bestuurlijke Commissie voor de aanwending van die categorie van methoden is als volgt verantwoord in de parlementaire voorbereiding van de wet :

« Daar het absoluut noodzakelijk is een zekere soepelheid in de operationele werking van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten toe te laten, gezien een te zware procedure ze zou lam leggen, vereist de controle van de specifieke methoden voor het verzamelen van gegevens geen voorafgaande goedkeuring van de commissie. Laten we eraan herinneren dat deze methoden in ieder geval onderworpen zijn aan de subsidiariteits- en evenredigheidsbeginselen.

Niettemin worden er voor de specifieke methoden voor het verzamelen van gegevens op het einde van elke maand door iedere dienst lijsten opgemaakt en aan de commissie overgezonden opdat die haar opdracht van toezicht zou kunnen uitoefenen.

Om het voor de commissie mogelijk te maken haar controle op een wezenlijke en doeltreffende wijze uit te voeren, werd het wetsvoorstel aangevuld door de inhoud van de aan de commissie bezorgde lijsten nader te omschrijven. Deze lijsten moeten onder meer vermelden :

- de aard van de specifieke methode die wordt aangewend;

- de graad van de ernst van de bedreiging die de specifieke methode voor het verzamelen van gegevens wettigt.

- naargelang het geval, de natuurlijke of rechtsperso(o)n(en), de verenigingen en groeperingen, de voorwerpen, de plaatsen, de evenementen en de informatie die aan de specifieke methode onderworpen zijn;

- het gebruikte technische middel;

- de periode gedurende welke de specifieke methode mag worden gebruikt.

Het voorstel beantwoordt op deze wijze aan de opmerking die de Raad van State deed over de inhoud van deze lijsten, in zijn advies op het wetsontwerp dat de regering had ingediend onder de vorige zittingsperiode.

De commissie kan bovendien haar controle op ieder ogenblik uitvoeren en kan hiertoe de plaatsen waar de gegevens betreffende de specifieke methoden worden ontvangen of bewaard, betreden, zich alle stukken, nuttig voor haar controle, toe-eigenen en de leden van de dienst horen.

De gegevens verkregen in omstandigheden die de wettelijke bepalingen klaarblijkelijk niet naleven, worden bewaard onder controle van de commissie volgens de door de Koning bepaalde modaliteiten en termijnen. De commissie verbiedt de inlichtingen- en veiligheidsdiensten deze gegevens te exploiteren en schorst de specifieke methode, indien die nog steeds lopende is » (Parl. St., Senaat, 2008-2009, nr. 4-1053/1, pp. 26-27).

B.43. Het Hof moet de bestreden bepaling toetsen in het licht van artikel 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

Zoals is aangegeven in B.33.2, heeft het recht op de naleving van het privéleven en het gezinsleven, zoals gewaarborgd bij de voormelde bepalingen, in wezen tot doel de personen te beschermen tegen de inmenging in hun privéleven en hun gezinsleven.

Noch artikel 22, eerste lid, van de Grondwet, noch artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens sluiten een inmenging van een overheid in de uitoefening van dat recht uit, maar zij eisen dat in die inmenging bij een voldoende nauwkeurige wetsbepaling wordt voorzien, dat die overeenstemt met een dwingende sociale behoefte en evenredig is met het daarbij nagestreefde doel.

B.44. Rekening houdend met het feit dat de specifieke methoden het recht op de naleving van het privéleven in mindere mate aantasten dan de uitzonderlijke methoden voor het verzamelen van gegevens en met het feit dat de wetgever een zekere soepelheid heeft willen laten in de operationele werking van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, is het niet zonder redelijke verantwoording voor de aanwending van die methoden geen eensluidend advies van de Bestuurlijke Commissie te eisen.

In tegenstelling tot wat de verzoekende partij in de zaak nr. 5014 beweert, is de Bestuurlijke Commissie in staat een doeltreffende controle uit te voeren ten aanzien van de specifieke methoden waarvan de inlichtingen- en veiligheidsdiensten gebruik maken. Zoals de bestreden bepaling immers vaststelt, kan de specifieke methode slechts worden aangewend na de schriftelijke en met reden omklede beslissing van het diensthoofd en na kennisgeving van die beslissing aan de Bestuurlijke Commissie; bovendien ontvangt de Bestuurlijke Commissie op het einde van elke maand op gedetailleerde wijze de lijst van de maatregelen per specifieke methode en kan zij op elk ogenblik ten aanzien daarvan een wettigheidscontrole uitvoeren. Zij kan de specifieke methode opschorten wanneer zij meent dat die niet voldoet aan de geldende wetsbepalingen en moet in dat geval haar beslissing onmiddellijk meedelen aan het Vast Comité I. Dat laatste is zelf ertoe gemachtigd de wettigheid van de specifieke methoden te controleren, alsook de naleving van het subsidiariteits- en het evenredigheidsbeginsel. Artikel 43/6 van de wet van 30 november 1998 staat het Comité toe de stopzetting van de methode te bevelen wanneer het de onwettigheid ervan vaststelt of, integendeel, het verbod en de opschorting van de methode zoals beslist door de Commissie op te heffen bij een met redenen omklede beslissing waarvan wordt kennisgegeven aan het diensthoofd, de toezichthoudende minister en de Commissie.

Het is eveneens verantwoord dat de Bestuurlijke Commissie de in het kader van specifieke methoden verzamelde gegevens die zij onwettig acht, onder haar controle moet bewaren, aangezien het Vast Comité I ertoe is gemachtigd bij een met redenen omklede beslissing terug te komen op de door de Bestuurlijke Commissie genomen beslissing tot de schorsing of het verbod van de methode.

B.45. De bestreden bepaling voldoet aan de vereisten die voortvloeien uit artikel 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, zodat de grieven niet gegrond zijn.

b) De voorwaarden inzake de eventuele verlenging en hernieuwing en van de specifieke methoden voor het verzamelen van gegevens (artikel 18/3, § 4, van de wet van 30 november 1998, ingevoegd bij artikel 14 van de bestreden wet)

B.46. De verzoekende partij in de zaak nr. 5014 voert de schending aan, door artikel 18/3, § 4, van de wet van 30 november 1998, van artikel 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

De bestreden bepaling wordt verweten erin te voorzien dat de specifieke methoden voor het verzamelen van gegevens kunnen worden verlengd of hernieuwd zonder beperking in de tijd, hetgeen een ernstige aantasting van het recht op de naleving van het privéleven zou inhouden.

B.47. In het kader van de specifieke inlichtingenmethoden dient een onderscheid te worden gemaakt tussen de intrinsiek aflopende specifieke inlichtingenmethoden en de specifieke inlichtingenmethoden met een potentieel langere duur.

B.48.1. Voor de doorzoeking (artikel 18/2, § 1, 2°, van de wet van 30 november 1998), voor het kennisnemen van de identificatiegegevens van de afzender of van de geadresseerde van de post of van de houder van een postbus (artikel 18/2, § 1, 3°, van de wet van 30 november 1998) en voor de maatregelen tot identificatie van een abonnee of de gewoonlijke gebruiker van een dienst van elektronische communicatie of van het gebruikte elektronisch communicatiemiddel (artikel 18/2, § 1, 4°, van de wet van 30 november 1998) is het niet noodzakelijk dat de wetgever in een maximale « duurtijd » voorziet, omdat die inlichtingenmethoden uit hun aard zelf een kortstondig en intrinsiek aflopend karakter hebben.

Bovendien dient de beoordeling van de machtigingsaanvraag door het diensthoofd nog steeds actueel te zijn ten aanzien van de tenuitvoerlegging van de specifieke inlichtingenmethode, zo niet verliest de voorafgaande machtiging haar legitimerend effect.

Tot slot kan worden gewezen op de wettelijke verplichting, zoals vastgesteld in artikel 18/3, § 3, van de wet van 30 november 1998, waardoor op het einde van elke maand, per specifieke methode, een lijst van de uitgevoerde maatregelen moet worden overgezonden aan de Bestuurlijke Commissie. Die lijsten dienen bepaalde gegevens te bevatten (artikel 18/3, § 3, van de wet van 30 november 1998), waaronder « de periode tijdens welke de specifieke methode voor het verzamelen van gegevens kan worden uitgevoerd te rekenen van de beslissing ». Derhalve wordt de controle door de Bestuurlijke Commissie uitgebreid tot die periode.

B.48.2. Voor de observatie (artikel 18/2, § 1, 1°, van de wet van 30 november 1998) en de maatregelen tot opsporing van de oproepgegevens van elektronische communicatiemiddelen en de lokalisatie van de afkomst of de bestemming van de elektronische communicatie (artikel 18/2, § 1, 5°, van de wet van 30 november 1998), moet een maximumduurtijd worden bepaald door het diensthoofd. De door het diensthoofd bepaalde duurtijd impliceert een belangrijke garantie tegen mogelijk misbruik : bij het verstrijken ervan dient het diensthoofd, in geval van een verlenging of hernieuwing, een nieuwe beslissing te nemen, waarbij krachtens artikel 18/3, § 4, van de wet van 30 november 1998, opnieuw aan alle toepasselijke voorwaarden dient te zijn voldaan.

Daarnaast dient de beoordeling van de machtigingsaanvraag door het diensthoofd nog steeds actueel te zijn ten aanzien van de tenuitvoerlegging van de specifieke inlichtingenmethode, zo niet verliest de voorafgaande machtiging haar legitimerend effect.

B.48.3. Zoals het Hof herhaaldelijk heeft onderstreept, maakt de aanwending van de specifieke methoden voor het verzamelen van gegevens het voorwerp uit van een controle in verschillende stadia van de procedure.

B.49. Gelet op de voorwaarden die gelden voor de aanwending van de specifieke methoden en de diverse controles die bij de wet zijn geregeld, doet de in het geding zijnde maatregel niet op onevenredige wijze afbreuk aan het recht op de naleving van het privéleven van de betrokken personen.

B.50. De grief is niet gegrond.

c) De woorden « een belang vertonen » in de artikelen 18/4, eerste lid, 18/5, § 1, eerste lid, 18/6, § 1, 18/7, § 1, eerste lid, en 18/8, § 1, eerste lid, van de wet van 30 november 1998, ingevoegd bij artikel 14 van de bestreden wet

B.51. De verzoekende partij in de zaak nr. 5014 voert de schending aan van artikel 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, door de woorden « een belang vertonen » in de artikelen 18/4, eerste lid, 18/5, § 1, eerste lid, 18/6, § 1, 18/7, § 1, eerste lid, en 18/8, § 1, eerste lid, van de wet van 30 november 1998.

Er wordt aangevoerd dat elke inmenging in het recht op de naleving van het privéleven noodzakelijk moet zijn en niet louter een belang moet inhouden zoals de bestreden wet bepaalt.

B.52.1. De vaststelling dat in de bestreden artikelen wordt gehandeld over het « belang », kan niet worden geacht tot gevolg te hebben dat de subsidiariteitsvoorwaarde wordt afgezwakt. Immers, artikel 2, § 1, vierde lid, van de wet van 30 november 1998 stelt in algemene bewoordingen de naleving van dat beginsel voorop door te bepalen :

« Ieder gebruik van een specifieke of uitzonderlijke methode voor het verzamelen van gegevens impliceert het naleven van de principes van subsidiariteit en proportionaliteit ».

Met artikel 2, § 1, vierde lid, van de wet van 30 november 1998 beoogde de wetgever de voorwaarde van subsidiariteit of noodzakelijkheid, voorgeschreven door artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, te verankeren in de wet van 30 november 1998.

B.52.2. De vereiste om het subsidiariteitsbeginsel in acht te nemen bij de aanwending van de specifieke methoden voor het verzamelen van gegevens, is door de wetgever eveneens in herinnering gebracht in artikel 18/3, § 1, via het gebruik van de bewoordingen « om de informatie te verzamelen die nodig is om de inlichtingenopdracht te volbrengen ».

B.52.3. In het bijzonder voor wat het voorwerp van de methode betreft, wordt voor elke specifieke inlichtingenmethode afzonderlijk bepaald dat de inlichtingenmethode enkel kan worden aangewend ten aanzien van die personen, zaken, plaatsen of gebeurtenissen en met het oog op het verzamelen van gegevens die « een belang vertonen » voor de uitoefening van die bepaalde inlichtingenopdracht. Niettegenstaande het feit dat de wettelijke bepalingen waarin de belangvereiste is opgenomen, in algemene bewoordingen is geformuleerd, moet die belangvereiste in concreto worden beoordeeld naar gelang van de specifieke inlichtingenopdracht in het kader waarvan een welbepaalde specifieke inlichtingenmethode wordt aangewend.

B.52.4. Derhalve tast de voorwaarde van het aan te tonen belang de subsidiariteitsvereiste niet aan.

B.53. De grief is niet gegrond.

d) De mogelijkheid voor de betrokken dienst om gesloten voorwerpen mee te nemen die zich bevinden op publieke plaatsen of private plaatsen die toegankelijk zijn voor het publiek (artikel 18/5, § 2, van de wet van 30 november 1998, ingevoegd bij artikel 14 van de bestreden wet)

B.54. De verzoekende partij in de zaak nr. 5014 voert de schending aan van het eigendomsrecht zoals gewaarborgd in artikel 16 van de Grondwet en in artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, doordat artikel 18/5, § 2, van de wet van 30 november 1998 in een vorm van inbeslagneming zou voorzien.

B.55. Artikel 16 van de Grondwet bepaalt :

« Niemand kan van zijn eigendom worden ontzet dan ten algemenen nutte, in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald en tegen billijke en voorafgaande schadeloosstelling ».

Artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt :

« Alle natuurlijke of rechtspersonen hebben recht op het ongestoord genot van hun eigendom. Niemand zal van zijn eigendom worden beroofd behalve in het algemeen belang en met inachtneming van de voorwaarden neergelegd in de wet en in de algemene beginselen van het internationaal recht.

De voorgaande bepalingen zullen echter op geen enkele wijze het recht aantasten dat een Staat heeft om die wetten toe te passen welke hij noodzakelijk oordeelt om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen en boeten te verzekeren ».

B.56. De in het geding zijnde bepaling houdt geen onteigening in, zodat artikel 16 van de Grondwet, op zichzelf beschouwd, niet kan zijn geschonden.

Artikel 1 van het voormelde Protocol biedt niet alleen bescherming tegen een onteigening of een eigendomsberoving (eerste alinea, tweede zin), maar tegen elke verstoring van het genot van de eigendom (eerste alinea, eerste zin) en elke regeling van de eigendom (tweede alinea).

Doordat beide aangevoerde bepalingen het eigendomsrecht beschermen, vormen de erin vervatte waarborgen een onlosmakelijk geheel, zodat het Hof bij zijn toetsing aan artikel 16 van de Grondwet rekening dient te houden met de ruimere bescherming die artikel 1 van het Protocol biedt.

Elke inmenging in het eigendomsrecht moet een billijk evenwicht vertonen tussen de vereisten van het algemeen belang en die van de bescherming het recht op de naleving van de goederen. Er moet een redelijk verband van evenredigheid bestaan tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel.

B.57. Artikel 18/5, § 2, van de wet van 30 november 1998 staat enkel toe dat een voorwerp wordt meegenomen wanneer het onderzoek ervan niet ter plaatse kan gebeuren of wanneer het verzamelen van de gegevens niet op een andere manier kan worden uitgevoerd. Het voorwerp kan bovendien slechts worden meegenomen voor een strikt beperkte duur en moet zo snel mogelijk opnieuw worden teruggeplaatst. Ten slotte is het gebruik van die specifieke methode, zoals elke andere soortgelijke methode, onderworpen aan verschillende wettigheidscontroles : die van de Bestuurlijke Commissie en van het Vast Comité I, die beiden ertoe gemachtigd zijn de maatregel stop te zetten in geval van niet-naleving van de geldende wetsbepalingen of van de principes van subsidiariteit en proportionaliteit die ten grondslag liggen aan de aanwending van de specifieke methoden voor het verzamelen van gegevens.

In de veronderstelling dat de in het geding zijnde bepaling een inmenging vormt in het eigendomsrecht van diegenen van wie voorwerpen worden meegenomen, gaat die inmenging derhalve gepaard met talrijke voorwaarden die een billijk evenwicht kunnen waarborgen tussen het algemeen belang dat de wet wil vrijwaren en de bescherming van het recht op het ongestoorde genot van eigendom gewaarborgd bij de in het middel aangehaalde verdragsbepaling, in samenhang gelezen met de in het middel aangehaalde grondwetsbepaling.

B.58. De verzoekende partij in de zaak nr. 5014 voert tevens aan dat de bestreden bepaling in strijd is met artikel 22 van de Grondwet en met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre zij betrekking kan hebben op bij het beroepsgeheim beschermde voorwerpen.

B.59.1. Artikel 2, § 2, van de wet van 30 november 1998, ingevoegd bij artikel 2 van de bestreden wet, bepaalt :

« Het is de inlichtingen- en veiligheidsdiensten verboden gegevens die worden beschermd door ofwel het beroepsgeheim van een advocaat of een arts, ofwel door het bronnengeheim van een journalist te verkrijgen, te analyseren of te exploiteren.

Bij uitzondering en ingeval de betrokken dienst vooraf over ernstige aanwijzingen beschikt dat de advocaat, de arts of de journalist persoonlijk en actief meewerkt of heeft meegewerkt aan het ontstaan of aan de ontwikkeling van de potentiële bedreiging, zoals bedoeld in de artikelen 7, 1°, 8, 1° tot 4°, en 11, kunnen deze beschermde gegevens worden verkregen, geanalyseerd of geëxploiteerd worden ».

B.59.2. Die bepaling is als volgt verantwoord in de parlementaire voorbereiding :

« Met deze bepalingen willen de auteurs van het wetsvoorstel de inlichtingendiensten verplichten nauwlettend het beroepsgeheim van de advocaten, de artsen, alsmede het bronnengeheim van de journalisten te eerbiedigen. Het beroepsgeheim of het bronnengeheim moet gerespecteerd worden, tenzij de advocaat, arts of de journalist zelf betrokken is in de dreiging in die mate dat hij op persoonlijke, actieve wijze betrokken is in het ontstaan of de ontwikkeling van de dreiging. Deze regeling is geïnspireerd op de bestaande regels en de bestaande praktijk in het strafprocesrecht. Wanneer bijvoorbeeld een advocaat of een arts zich schuldig maakt aan een misdrijf, kan de advocaat of de arts zich niet beroepen op het beroepsgeheim om zich te verzetten tegen een huiszoeking in zijn kabinet en tegen de inbeslagname van een dossier of van stukken uit een dossier, wanneer deze stukken een rechtstreeks verband houden met het misdrijf waarvan de advocaat of arts verdacht wordt of die in het kader van het gerechtelijk onderzoek kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen » (Parl. St., Senaat, 2008-2009, nr. 4-1053/1, p. 34).

B.59.3. In de veronderstelling dat de bestreden bepaling een inmenging vormt in het privéleven van diegenen van wie voorwerpen worden meegenomen, blijkt uit hetgeen voorafgaat dat de betrokken voorwerpen niet kunnen worden meegenomen zonder enige vorm van waarborg, zodat artikel 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van mens, niet is geschonden.

B.60. De grieven zijn niet gegrond.

e) De voorwaarden waaronder gegevens kunnen worden verzameld door middel van specifieke methoden in geval van uiterst dringende noodzakelijkheid (artikelen 18/6, § 2, 18/7, § 2, en 18/8, § 2, van de wet van 30 november 1998, ingevoegd bij artikel 14 van de bestreden wet)

B.61. De verzoekende partij in de zaak nr. 5014 voert de schending aan, door de artikelen 18/6, § 2, 18/7, § 2, en 18/8, § 2, van de wet van 30 november 1998, van artikel 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

De bestreden bepalingen wordt verweten dat zij het mogelijk maken dat een maatregel kan worden uitgevoerd vooraleer daartoe machtiging wordt verleend, hetgeen ertoe zou leiden de eventuele onregelmatigheden ervan te dekken.

B.62. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat onder « uiterst dringende met redenen omklede noodzakelijkheid » de feitelijke omstandigheden dienen te worden begrepen die van die aard zijn dat de tijd die nodig is om de normale procedure te volgen, dit is de voorafgaande, schriftelijke en gemotiveerde machtiging van het diensthoofd en de voorafgaande mededeling aan de Bestuurlijke Commissie, het aan de gang zijnde onderzoek in het gedrang zou brengen :

« De eerste reden voor het inroepen van de uiterste hoogdringendheid kan gebaseerd zijn op de korte termijn waarmee de inlichtingendiensten zich geconfronteerd zien wanneer zich een gelegenheid voordoet die van hen een zeer snelle reactie vraagt of in een situatie waarvan de ernst of de gevolgen van die aard zijn dat uitzonderlijke maatregelen zich opdringen om hierop doeltreffend te reageren » (Parl. St., Senaat, 2008-2009, nr. 4-1053/1, p. 47).

B.63.1. Ermee rekening houdend dat zij een inmenging inhoudt, door de overheid, in het recht op de naleving van het privéleven en het gezinsleven en dat zij bijgevolg moet overeenstemmen met een dwingende sociale behoefte en evenredig moet zijn met het nagestreefde gewettigde doel, dient ervan uit te worden gegaan dat de bestreden bepaling alleen mag worden toegepast op uitzonderlijke situaties waar de uiterst dringende noodzakelijkheid, die overigens strikt wordt gedefinieerd door de wetgever, verantwoordt dat geen toepassing wordt gemaakt van de gewone procedure.

B.63.2. Wanneer de inlichtingenofficier de in de bestreden bepaling bedoelde gegevens ogenblikkelijk kan vorderen, bij een mondelinge beslissing die met redenen moet worden omkleed, is hij vooraf ertoe gehouden de mondelinge instemming van het diensthoofd te vragen. Die instemming moet zo snel mogelijk worden bevestigd bij een schriftelijke en met reden omklede beslissing van dat diensthoofd.

B.63.3. De wetgever heeft het recht op de naleving van het privéleven van de betrokken personen niet op onevenredige wijze aangetast door het mogelijk te maken dat een methode kan worden aangewend door een inlichtingenofficier wanneer de doeltreffendheid van het aan de gang zijnde onderzoek daarvan afhangt of wanneer de situatie een dermate hoge graad van ernst vertoont dat zeer snel moet worden gereageerd. Dat geldt des te meer daar, zoals is opgemerkt, die beslissing van de officier zo snel mogelijk moet worden bevestigd door het diensthoofd. Het recht op de naleving van het privéleven is te dezen eveneens gewaarborgd door het gegeven dat, in tegenstelling tot wat de verzoekende partij beweert, alle bij de wet geregelde controleprocedures, bij de Bestuurlijke Commissie of het Vast Comité I, van toepassing blijven, waarbij die laatstgenoemden de methode kunnen opschorten of beëindigen wanneer die onwettig zou zijn.

B.63.4. Aanvoeren dat de eventuele onregelmatigheden bij de aanwending van een specifieke methode zouden kunnen worden gedekt in zoverre de uitvoering van de methode voorafgaat aan de machtiging ervan, komt erop neer te veronderstellen dat zowel de officier als het diensthoofd een specifieke methode zouden kunnen bevelen die door een onwettigheid is aangetast. Een dergelijke hypothese, die valt onder de toepassing van de in het geding zijnde bepalingen, valt niet onder de bevoegdheid van het Hof.

B.64. De grief is niet gegrond.

3. De procedure die van toepassing is op de uitzonderlijke methoden voor het verzamelen van gegevens

a) de machtigingsvoorwaarden betreffende de aanwending ervan en de voorwaarden voor de eventuele verlenging en hernieuwing van die methoden (artikel 18/10, §§ 3 en 5, van de wet van 30 november 1998, ingevoegd bij artikel 14 van de bestreden wet)

B.65. Twee grieven in de zaak nr. 5014 hebben betrekking op artikel 18/10 van de wet van 30 november 1998, ingevoegd bij artikel 14 van de bestreden wet.

Dat artikel 18/10 bepaalt :

« § 1. Het diensthoofd onderwerpt zijn ontwerp van machtiging aan het eensluidend advies van de commissie, die onderzoekt of de wettelijke bepalingen voor het aanwenden van de uitzonderlijke methode voor het verzamelen van gegevens, alsook de in artikel 18/9 §§ 2 en 3, bepaalde principes van proportionaliteit en subsidiariteit, zijn nageleefd en die de door § 2 voorgeschreven vermeldingen controleert.

Behoudens andersluidende wettelijke bepaling mag de periode tijdens welke de uitzonderlijke methode voor het verzamelen van gegevens aangewend mag worden niet langer duren dan twee maanden, onverminderd de mogelijkheid om de methode te verlengen overeenkomstig § 5.

De inlichtingenofficier die is aangesteld om de uitzonderlijke methode voor het verzamelen van gegevens aan te wenden, informeert op regelmatige wijze het diensthoofd, dat op zijn beurt, overeenkomstig de door de Koning bepaalde nadere regels en termijnen, de commissie inlicht over de uitvoering van deze methode.

Het diensthoofd is verplicht de uitzonderlijke methode te beëindigen zodra de bedreigingen die haar wettigden, weggevallen zijn of wanneer de methode niet langer nuttig is voor het doel waarvoor zij werd beslist. Hij schorst de methode indien hij een onwettigheid vaststelt. In dat geval brengt het diensthoofd van de betrokken dienst zijn met redenen omklede beslissing om de methode te beëindigen of te schorsen, naargelang het geval, onverwijld ter kennis van de commissie.

§ 2. Op straffe van onwettigheid is het ontwerp van machtiging bedoeld in § 1 schriftelijk en gedagtekend en vermeldt het :

1° de ernstige bedreigingen die de uitzonderlijke methode voor het verzamelen van gegevens wettigen en, in voorkomend geval, de ernstige aanwijzingen waaruit blijkt dat de advocaat, de arts of de journalist persoonlijk en actief meewerkt of meegewerkt heeft aan het ontstaan of aan de ontwikkeling van de bedreiging;

2° de redenen waarom de uitzonderlijke methode voor het verzamelen van gegevens onontbeerlijk is;

3° naargelang het geval, de natuurlijke of rechtspersonen, verenigingen of groeperingen, voorwerpen, plaatsen, gebeurtenissen of informatie die het voorwerp uitmaken van de uitzonderlijke methode voor het verzamelen van gegevens;

4° het technische middel dat gebruikt wordt om de uitzonderlijke methode voor het verzamelen van gegevens aan te wenden;

5° de periode tijdens welke de uitzonderlijke methode voor het verzamelen van gegevens kan worden uitgeoefend te rekenen vanaf de machtiging;

6° de namen en de hoedanigheden van de inlichtingenofficieren aangesteld voor de aanwending van de uitzonderlijke methode voor het verzamelen van gegevens, die zich kunnen laten bijstaan door leden van hun dienst.

§ 3. De commissie verleent haar eensluidend advies binnen de vier dagen na ontvangst van het voorstel tot machtiging.

Indien de commissie een negatief advies uitbrengt, mag de uitzonderlijke methode voor het verzamelen van gegevens door de betrokken dienst niet worden aangewend.

Indien de commissie geen advies uitbrengt binnen de termijn van vier dagen, kan de betrokken dienst de bevoegde minister aanzoeken, die al dan niet toelating geeft om zo spoedig mogelijk de beoogde methode uit te voeren. De minister deelt zijn beslissing mee aan de voorzitters van de commissie en van het Vast Comité I.

Het diensthoofd brengt de minister op de hoogte van de opvolging van de aldus toegelaten uitzonderlijke methode door hem op regelmatige tijdstippen, zoals vastgelegd door de minister in zijn toelating, een omstandig verslag uit te brengen over het verloop van de methode.

De betrokken minister beëindigt de uitzonderlijke methode die hij heeft toegestaan zodra de bedreigingen die haar wettigden, weggevallen zijn of wanneer de methode niet langer nuttig blijkt voor het doel waarvoor zij werd beslist. Hij schorst de methode indien hij een onwettigheid vaststelt. In dat geval brengt de betrokken minister zijn met redenen omklede beslissing om de uitzonderlijke methode te beëindigen of te schorsen, naargelang het geval, onverwijld ter kennis van de commissie, het diensthoofd en het Vast Comité I.

§ 4. Ingeval van uiterste hoogdringendheid en wanneer elk uitblijven van de beslissing van aard is om de belangen bedoeld in artikel 18/9 ernstig in het gedrang te brengen, kan het diensthoofd, nadat hij wegens de hoogdringendheid het eensluidend advies van de voorzitter van de commissie heeft verkregen, de uitzonderlijke methode voor het verzamelen van gegevens schriftelijk machtigen voor ten hoogste achtenveertig uur. De machtiging vermeldt de redenen die de uiterste hoogdringendheid wettigen en wordt onmiddellijk ter kennis gebracht van alle leden van de commissie volgens de door de Koning te bepalen nadere regels.

Indien de voorzitter een negatief advies uitbrengt, mag de uitzonderlijke methode voor het verzamelen van gegevens door de betrokken dienst niet worden aangewend.

Indien de voorzitter in geval van hoogdringendheid niet onmiddellijk advies uitbrengt, kan de betrokken dienst de bevoegde minister aanzoeken, die al dan niet de toelating geeft de beoogde methode uit te voeren. De minister deelt zijn beslissing mee aan de voorzitters van de commissie en van het Vast Comité I.

Het diensthoofd brengt de minister op de hoogte van de opvolging van de aldus toegelaten uitzonderlijke methode door hem op regelmatige tijdstippen, zoals vastgelegd door de minister in zijn toelating, een omstandig verslag uit te brengen over het verloop van de methode.

De betrokken minister beëindigt de uitzonderlijke methode die hij heeft toegestaan zodra de bedreigingen die haar wettigden, weggevallen zijn of wanneer de methode niet langer nuttig blijkt voor het doel waarvoor zij werd beslist. Hij schorst de methode indien hij een onwettigheid vaststelt. In dat geval brengt de betrokken minister zijn met redenen omklede beslissing om de methode te beëindigen of te schorsen, naargelang het geval, onverwijld ter kennis van de commissie, het diensthoofd en het Vast Comité I.

In ieder geval wordt de uitzonderlijke methode stopgezet binnen achtenveertig uur na de door de betrokken minister verleende toelating.

§ 5. Het diensthoofd kan, op voorafgaand eensluidend advies van de commissie, de verlenging van de uitzonderlijke methode voor het verzamelen van de inlichtingen machtigen voor een nieuwe termijn die niet langer mag zijn dan ten hoogste twee maanden, onverminderd zijn verplichting om de methode te beëindigen zodra de bedreigingen die haar wettigden weggevallen zijn of wanneer de methode niet langer nuttig is voor het doel waarvoor zij werd beslist. Hij schorst de methode indien hij een onwettigheid vaststelt. In dat geval brengt het diensthoofd van de betrokken dienst zijn met redenen omklede beslissing om de methode te beëindigen of te schorsen, naargelang het geval, onverwijld ter kennis van de commissie.

Een tweede en elke volgende verlenging van de uitzonderlijke methode voor het verzamelen van inlichtingen is slechts mogelijk indien er bijzondere omstandigheden aanwezig zijn, die de verlenging van het gebruik van deze methode noodzaken. Deze bijzondere redenen worden in de beslissing opgenomen. Indien deze bijzondere omstandigheden niet voorhanden zijn, dient de methode te worden beëindigd.

De voorwaarden bepaald in de paragrafen 1 tot 3 zijn toepasselijk op de in deze paragraaf bepaalde wijzen van verlenging van de uitzonderlijke methode voor het verzamelen van gegevens.

§ 6. De leden van de commissie kunnen op elk ogenblik controle uitoefenen op de wettigheid van de uitzonderlijke methoden voor het verzamelen van gegevens, hierbij inbegrepen de naleving van de principes van subsidiariteit en proportionaliteit bepaald in artikel 18/9, §§ 2 en 3.

Zij kunnen daartoe de plaatsen betreden waar de gegevens die met de uitzonderlijke methoden verzameld werden, in ontvangst genomen of bewaard worden, zich alle nuttige stukken toe-eigenen en de leden van de dienst horen.

De commissie beëindigt de uitzonderlijke methode voor het verzamelen van gegevens wanneer zij vaststelt dat de bedreigingen die haar wettigden, zijn weggevallen of wanneer de uitzonderlijke methode niet meer nuttig blijkt te zijn voor het doel waarvoor ze werd aangewend, of schorst de uitzonderlijke methode ingeval van onwettigheid.

De gegevens verkregen in omstandigheden die de vigerende wettelijke bepalingen niet naleven, worden onder het toezicht van de commissie bewaard overeenkomstig de door de Koning bepaalde regels en termijnen, na advies van de commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. De commissie verbiedt de inlichtingen- en veiligheidsdiensten deze gegevens te exploiteren.

§ 7. De commissie stelt het Vast Comité I op eigen initiatief in kennis van de in § 2 bedoelde machtigingsaanvraag van de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst, van het in § 3 bedoelde eensluidend advies, van de in § 5 bedoelde eventuele verlenging van de uitzonderlijke methode voor het verzamelen van gegevens en van haar in § 6 bedoelde beslissing om de methode te beëindigen of in voorkomend geval te schorsen en de exploitatie van de aldus verzamelde gegevens te verbieden ».

B.66. De eerste grief is afgeleid uit de schending, door artikel 18/10, § 3, van de wet van 30 november 1998, van artikel 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

B.67.1. De Ministerraad is van oordeel dat de grief onontvankelijk is, omdat die onduidelijk is. De verzoekende partij in de zaak nr. 5014 verwijst in haar uiteenzetting naar de administratieve procedure in het bijzondere geval van uiterst dringende noodzakelijkheid en citeert ter zake ook een gedeelte van artikel 18/10, § 4, van de 30 november 1998. Evenwel verzoekt zij nergens om de vernietiging van artikel 18/10, § 4.

B.67.2. Om te voldoen aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, moeten de middelen van het verzoekschrift te kennen geven welke van de regels waarvan het Hof de naleving waarborgt, zouden zijn geschonden, alsook welke de bepalingen zijn die deze regels zouden schenden, en uiteenzetten in welk opzicht die regels door de bedoelde bepalingen zouden zijn geschonden.

Te dezen kan niet worden vastgesteld, welke bestreden bepaling de regels waarvan het Hof de naleving waarborgt, zou schenden.

B.68. Die grief is niet ontvankelijk.

B.69. De tweede grief is afgeleid uit de schending, door artikel 18/10, § 5, van de wet van 30 november 1998, van artikel 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

De verzoekende partij verwijt de in het geding zijnde bepaling het mogelijk te maken een uitzonderlijke methode voor het verzamelen van gegevens voor een maximale duur van twee maanden voor een onbeperkt aantal keren te verlengen.

B.70.1. In de parlementaire voorbereiding van de wet wordt in verband met de uitzonderlijke methoden aangegeven :

« De voorwaarden met betrekking tot de aanwending van de uitzonderlijke methoden zijn dwingender aangezien zij voorzien dat deze niet mogen worden gebruikt wanneer niet voorafgaandelijk het eensluidend advies van voornoemde commissie voor toezicht werd verleend.

Dit wetsvoorstel voert dus een systeem van toenemende garanties in naargelang de ernst van de schending die het gebruik van de methode toebrengt aan het recht op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. En het is duidelijk dat van de in dit wetsvoorstel voorziene en gereglementeerde maatregelen, deze maatregelen die bestaan in het observeren binnen woningen en er binnendringen om een technisch middel te installeren, woningen doorzoeken, kennis nemen van de inhoud van post, bankverrichtingen, zich toegang verschaffen tot informaticasystemen, afluisteren, kennis nemen van communicaties of deze registreren, de ernstigste zijn met betrekking tot dit recht » (Parl. St., Senaat, 2008-2009, nr. 4-1053/1, p. 49).

Meer bepaald in verband met de mogelijkheid om de toepassing van de methode te verlengen of te hernieuwen, wordt aangegeven :

« De methode kan worden verlengd voor een duur die maximaal twee maanden mag bedragen, of kan worden hernieuwd. Dezelfde formele garanties als deze voorzien voor de oorspronkelijke machtiging van de methode zijn vereist voor de verlenging of de hernieuwing.

De hernieuwing van een machtiging is qua termijnen aan dezelfde voorwaarden onderworpen als die welke gelden voor de oorspronkelijke machtiging.

De leden van de commissie kunnen op elk ogenblik controle uitoefenen op de wettelijkheid van de uitzonderlijke methoden voor het verzamelen van gegevens. De commissie kan de methoden beëindigen wanneer zij vaststelt dat de redenen waarvoor zij werden aangewend, verdwenen zijn of omdat ze niet meer van nut zijn voor de beoogde finaliteiten of ze kan de methoden ingeval van onwettigheid schorsen. Zij bewaart de gegevens die werden verzameld in omstandigheden die de wettelijke bepalingen klaarblijkelijk niet naleven. Haar beslissing wordt meegedeeld aan het Vast Comité I dat belast is met het toezicht a posteriori op de specifieke en uitzonderlijke methoden, die de onwettig uitgevoerde methoden zal controleren en zal overgaan tot het vernietigen van de aldus verzamelde gegevens » (ibid., p. 51).

B.70.2. De wet van 30 november 1998 voorziet in een viervoudige controle op de uitvoering van de uitzonderlijke inlichtingenmethoden. Allereerst moet de inlichtingenofficier die is aangesteld om de uitzonderlijke methode aan te wenden, zijn diensthoofd regelmatig informeren over de uitvoering ervan (artikel 18/10, § 1, derde lid, van de voormelde wet). Het diensthoofd is in bepaalde gevallen zelfs verplicht om de uitvoering van de uitzonderlijke inlichtingenmethoden te beëindigen (artikel 18/10, § 1, vierde lid, van dezelfde wet). Daarnaast vindt er een controle plaats door de Bestuurlijke Commissie tijdens de uitvoering van de uitzonderlijke methoden (artikel 43/1 van dezelfde wet) en door het Vast Comité I tijdens en na afloop van de uitvoering (artikel 43/2 en volgende van dezelfde wet).

Voormelde voorwaarden dienen te zijn vervuld gedurende de gehele duurtijd van de aanwending van de uitzonderlijke inlichtingenmethode. Zodra één van die voorwaarden niet langer is vervuld, dient de uitzonderlijke inlichtingenmethode te worden gestaakt. Via de controle a priori en in reële tijd door de Bestuurlijke Commissie, en de controle in reële tijd en a posteriori door het Vast Comité I, kan worden ingegrepen, zodra de voorwaarden niet of niet meer zijn vervuld.

B.70.3. Zoals wordt bevestigd in de hiervoor aangehaalde parlementaire voorbereiding, zijn dezelfde formele waarborgen als die waarin is voorzien voor de oorspronkelijke machtiging van de methode, vereist voor de verlenging of hernieuwing ervan. Er is derhalve niet op onevenredige wijze afbreuk gedaan aan het recht op de naleving van het privéleven van de betrokken personen door niet erin te voorzien de hernieuwing van uitzonderlijke methoden te beperken tot een bepaald aantal gevallen.

B.71. Die grief is niet gegrond.

b) De voorwaarden inzake het afluisteren, het kennisnemen van en het opnemen van communicaties door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (artikelen 18/2, § 2, 7°, 18/9 en 18/17 van de wet van 30 november 1998, ingevoegd bij artikel 14 van de bestreden wet)

B.72. De verzoekende partijen in de zaak nr. 4955 leiden een vierde middel af uit de schending, door de artikelen 18/2, § 2, 7°, 18/9 en 18/17 van de wet van 30 november 1998, ingevoegd bij artikel 14 van de wet van 4 februari 2010, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het recht op een eerlijk proces, gewaarborgd bij artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, en met het recht op een daadwerkelijk beroep, gewaarborgd bij artikel 13 van hetzelfde Verdrag.

In een eerste onderdeel van het middel stellen de verzoekende partijen vast dat de bestreden bepalingen op specifieke wijze steunen op de reglementering opgenomen in de artikelen 90ter tot 90decies van het Wetboek van strafvordering. Die bepalingen voorzien echter in twee waarborgen die geen equivalent zouden vinden in de bestreden bepalingen : de procespartijen kunnen inzage hebben in de relevant geachte communicaties, terwijl de communicaties die de officier van gerechtelijke politie belast met de uitvoering en de onderzoeksrechter niet relevant achten, eveneens kunnen worden gecontroleerd teneinde eventueel de relevante elementen à charge - voor de burgerlijke partij of à décharge - voor de inverdenkinggestelde, de beklaagde of de beschuldigde - in het dossier te voegen, opdat de gerechtelijke instanties hun oordeel op die elementen kunnen doen steunen.

Drie grieven zijn gericht tegen de bestreden bepalingen. Ten eerste wordt die bepalingen verweten niet te voorzien in een debat op tegenspraak in het kader van de inlichtingenmethoden voor gegevens van dezelfde aard als die waarvoor dat debat daadwerkelijk wordt georganiseerd in het kader van een strafonderzoek. Ten tweede zou die beperking van het recht op de tegenspraak het resultaat zijn van een abstracte wetgeving zonder controle op basis van de concrete zaak. Ten derde, in ondergeschikte orde, zou het optreden van het Vast Comité I in die hypothese in de regel alleen plaatshebben na de vernietiging van de registraties en overschrijvingen. Het Comité zou dus enkel toegang hebben tot het register met betrekking tot de maatregelen betreffende de registratie, de overschrijving en de vernietiging en niet tot de registraties zelf.

In een tweede onderdeel van het middel wordt vastgesteld dat, terwijl de geldigheidsduur van elke oorspronkelijke toezichtsmaatregel in de strafprocedure en van elke verlenging niet meer mag bedragen dan één maand, de duur van de geldigheid van een uitzonderlijke inlichtingenmethode twee maanden bedraagt. Elke verlenging van de toezichtsmaatregel in het kader van een strafprocedure moet worden verantwoord door precieze omstandigheden. In het kader van een inlichtingenmethode moet die echter pas na de tweede verlenging, namelijk na vier maanden, worden gemotiveerd.

In een derde onderdeel van het middel wordt vastgesteld dat artikel 90ter, § 1, derde lid, van het Wetboek van strafvordering op duidelijke en restrictieve wijze de personen, middelen, communicaties en plaatsen definieert ten aanzien waarvan het afluisteren, het kennisnemen en het registreren van de communicaties mogelijk zijn, hetgeen een bescherming inhoudt tegen het zogenaamd « verkennend afluisteren ». Een dergelijke graad van nauwkeurigheid zou echter niet vereist zijn voor de overeenstemmende inlichtingenmethode.

De verzoekende partijen in de zaak nr. 4955 leiden een vijfde middel af uit de schending, door artikel 18/17 van de wet van 30 november 1998, van de artikelen 15 en 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

De grief tegen de bestreden bepaling is identiek aan die welke is uiteengezet door dezelfde verzoekende partijen in het derde onderdeel van hun vierde middel. Daaraan wordt toegevoegd dat de bij de bestreden wet ingevoerde mogelijkheid voor de interceptie van de communicaties zonder in de wet nauwkeurig te definiëren welke communicaties kunnen worden beoogd en welke voorwaarden moeten worden nageleefd, geen voldoende nauwkeurig en restrictief kader zou bieden om ervoor te zorgen dat het afluisteren, het kennisnemen van en het registreren van communicaties in overeenstemming zou zijn met de in het middel beoogde grondwets- en verdragsbepalingen.

B.73.1. Artikel 18/2, § 2, 7°, van de wet van 30 november 1998 bepaalt :

« De uitzonderlijke methoden voor het verzamelen van gegevens zijn :

[...]

7° het afluisteren, het kennisnemen van en het opnemen van communicaties ».

B.73.2. Artikel 18/9 van de wet van 30 november 1998 bepaalt :

« § 1. De in artikel 18/2, § 2, bedoelde uitzonderlijke methoden voor het verzamelen van gegevens kunnen worden aangewend :

1° door de Veiligheid van de Staat, wanneer er ernstige bedreigingen bestaan voor de inwendige veiligheid van de Staat en het voortbestaan van de democratische en grondwettelijke orde, de uitwendige veiligheid van de Staat en de internationale betrekkingen of het wetenschappelijk of economisch potentieel en wanneer die bedreigingen betrekking hebben op een activiteit die verband houdt met spionage, terrorisme, hieronder begrepen het radicaliseringproces, de proliferatie, schadelijke sektarische organisaties en de criminele organisaties, zoals omschreven in artikel 8, 1°;

2° door de algemene Dienst Inlichting en Veiligheid van de Krijgsmacht, wanneer er ernstige bedreigingen bestaan voor de onschendbaarheid van het nationale grondgebied, de militaire defensieplannen, de vervulling van de opdrachten van de strijdkrachten, het wetenschappelijk en economisch potentieel met betrekking tot de actoren, zowel de natuurlijke als de rechtspersonen, die actief zijn in de economische en industriële sectoren die verbonden zijn met defensie en die opgenomen zijn in een op voorstel van de Minister van Justitie en de minister van Landsverdediging door het ministerieel Comité voor Inlichting en Veiligheid goedgekeurde lijst, de veiligheid van de Belgische onderdanen in het buitenland, de militaire veiligheid van het personeel dat onder de minister van Landsverdediging ressorteert, de militaire installaties, wapens, munitie, uitrusting, plannen, geschriften, documenten, informatica- en verbindingssystemen of andere militaire voorwerpen of het geheim dat, krachtens de internationale verbintenissen van België of teneinde de onschendbaarheid van het nationaal grondgebied en de vervulling van de opdrachten van de strijdkrachten te verzekeren, verbonden is met de militaire installaties, wapens, munitie, uitrusting, met de plannen, geschriften, documenten of andere militaire voorwerpen, met de militaire inlichtingen en verbindingen, alsook met de militaire informatica- en verbindingssystemen of systemen die de Minister van Landsverdediging beheert, en wanneer die bedreigingen betrekking hebben op een activiteit zoals gedefinieerd in artikel 11, § 2.

§ 2. Bij uitzondering en rekening houdend met een potentiële bedreiging bedoeld in § 3 kunnen de in artikel 18/2, § 2, bedoelde uitzonderlijke methoden voor het verzamelen van gegevens slechts aangewend worden indien de gewone en de specifieke methoden voor het verzamelen van gegevens ontoereikend worden geacht om de informatie te verzamelen die nodig is om de inlichtingenopdracht te volbrengen.

Het diensthoofd mag de aanwending van een uitzonderlijke methode slechts machtigen na eensluidend advies van de commissie.

§ 3. De uitzonderlijke methode moet worden gekozen in functie van de graad van de ernst van de potentiële bedreiging en van de risico's die de uitvoering van de inlichtingsopdracht met zich meebrengt voor de veiligheid van de agenten van de diensten en van derden.

§ 4. De uitzonderlijke methoden kunnen slechts aangewend worden ten opzichte van een advocaat, een arts of een journalist, of van hun lokalen of communicatiemiddelen die ze voor beroepsdoeleinden gebruiken, of van hun verblijfplaats, of van hun woonplaats, op voorwaarde dat de inlichtingen- en veiligheidsdienst vooraf over ernstige aanwijzingen beschikt dat de advocaat, de arts of de journalist persoonlijk en actief meewerkt of heeft meegewerkt aan het ontstaan of aan de ontwikkeling van de ernstige bedreigingen bedoeld in § 1, 1° en 2° ».

B.73.3. Artikel 18/17 van de wet van 30 november 1998 bepaalt :

« § 1. In het belang van de uitvoering van hun opdrachten kunnen de inlichtingen- en veiligheidsdiensten gemachtigd worden om communicaties af te luisteren, er kennis van te nemen en ze te registreren.

§ 2. Hiertoe kunnen de inlichtingen- en veiligheidsdiensten gemachtigd worden op ieder ogenblik en zonder medeweten of toestemming van de eigenaar of zijn rechthebbende, publieke plaatsen, private plaatsen die al dan niet toegankelijk zijn voor het publiek, woningen of een door een woning omsloten eigen aanhorigheid in de zin van de artikelen 479, 480 en 481 van het Strafwetboek of in een lokaal aangewend voor beroepsdoeleinden of als woonplaats door een advocaat, of door een arts of een journalist, te betreden om er een technisch middel te installeren, te herstellen of terug te nemen teneinde de communicaties af te luisteren, er kennis van te nemen en ze te registreren.

§ 3. Indien er een ingreep nodig is op een elektronisch communicatienetwerk, wordt de operator van het netwerk of de verstrekker van een elektronische communicatiedienst met een schriftelijke vraag van het diensthoofd gevorderd en is hij, als gevolg van deze aanvraag ertoe gehouden zijn technische medewerking te verlenen. Deze vraag vermeldt, naargelang het geval, de aard van het eensluidend advies van de commissie, de aard van het eensluidend advies van de voorzitter van de commissie of de aard van de toelating van de betrokken minister.

Eenieder die zijn technische medewerking weigert te verlenen aan de in het eerste lid bedoelde vorderingen, wordt gestraft met een geldboete van zesentwintig euro tot tienduizend euro. De nadere regels en termijnen voor deze technische medewerking worden door de Koning vastgesteld, op voorstel van de Ministers van Justitie, van Landsverdediging en van de Minister bevoegd voor de Elektronische Communicatie.

§ 4. De communicaties die verzameld werden aan de hand van de in § 1 bedoelde uitzonderlijke methode worden opgenomen. Het voorwerp van de uitzonderlijke methode alsook de dagen en uren waarop deze is uitgevoerd, worden opgenomen bij het begin en op het einde van iedere opname die erop betrekking heeft.

Alleen die delen van de opname van communicaties die door het diensthoofd of, naargelang het geval, in zijn opdracht door de directeur Operaties of de persoon die hij daartoe heeft aangewezen voor de Veiligheid van de Staat, of door de officier of de burgerambtenaar, die minstens de graad van commissaris heeft, voor de algemene Dienst Inlichting en Veiligheid relevant worden geacht, kunnen worden overgeschreven.

Iedere notitie die in het kader van de uitvoering van de uitzonderlijke methode door de daartoe aangewezen personen werd genomen en die niet werd opgenomen in een verslag, wordt vernietigd door de in het tweede lid vermelde personen of door de persoon die zij hiertoe aanwijzen. Deze vernietiging maakt het voorwerp uit van een vermelding in het bijzondere register waarin wordt voorzien in § 6.

§ 5. De opnamen worden samen met de eventuele overschrijving van de relevant geachte communicaties of de eventuele vertaling bewaard, op een beveiligde plaats die het diensthoofd aanduidt overeenkomstig de vereisten van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen.

§ 6. Een regelmatig bijgehouden bijzonder register bevat een overzicht van elk van de in de §§ 1 en 2 bedoelde maatregelen.

Het overzicht vermeldt de datum en het uur waarop de maatregel is gestart en waarop hij werd beëindigd.

§ 7. De opnamen worden samen met de eventuele overschrijving van de communicaties en de eventuele vertaling ervan vernietigd volgens de door de Koning te bepalen nadere regels, onder het toezicht van de commissie en van de in § 4, tweede lid, vermelde personen of de door deze laatsten aangewezen persoon, binnen een termijn van twee maanden vanaf de dag waarop de exploitatie ervan beëindigd is. De exploitatie door de inlichtingendiensten is beperkt tot een termijn van één jaar die aanvangt op de dag van de opname.

De vernietiging wordt vermeld in het in § 6 vermelde bijzonder register ».

B.73.4. Op grond van artikel 18/17 van de wet van 30 november 1998 kunnen de inlichtingen- en veiligheidsdiensten in het belang van de uitvoering van hun opdrachten worden gemachtigd om communicaties af te luisteren, er kennis van te nemen en ze te registreren. Onder « communicatie » dient te worden begrepen « elke overbrenging, uitzending of ontvangst van tekens, seinen, geschriften, beelden, klanken of gegevens van alle aard, per draad, radio-elektriciteit, optische seingeving of een ander elektromagnetisch systeem; de communicatie per telefoon, gsm, mobilofoon, telex, telefax of elektronische gegevensoverdracht via computer of computernetwerk, evenals iedere andere privécommunicatie » (artikel 3, 10°, van de wet van 30 november 1998).

De verzamelde communicaties moeten worden opgenomen en het voorwerp van de uitzonderlijke methode, alsook de dagen en uren waarop die is uitgevoerd, moeten bij het begin en op het einde van iedere opname worden vermeld (artikel 18/17, § 4, eerste lid, van de wet van 30 november 1998). De overschrijving van de opname wordt beperkt tot die delen van de opname die door het diensthoofd als relevant worden geacht. Iedere notitie die in het kader van de uitvoering van een uitzonderlijke methode werd genomen en die niet werd opgenomen in een verslag, moet worden vernietigd (artikel 18/17, § 4, derde lid, van de wet van 30 november 1998).

B.74. De regeling voor de methoden voor onderschepping van de telecommunicaties is geïnspireerd op de wet van 30 juni 1994 ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer tegen het afluisteren, kennisnemen en openen van privé-communicatie en -telecommunicatie (Parl. St., Senaat, 2008-2009, nr. 4-1053/1, pp. 22-23) :

« [Artikel 18/17] strekt ertoe de inlichtingen- en veiligheidsdiensten te machtigen elektronische en privécommunicatie af te luisteren, er kennis van te nemen of ze te registreren.

Paragraaf 2 betreft meer bepaald het direct afluisteren waarvoor de ambtenaren van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten de toelating dienen te krijgen om binnen te dringen in woningen om er een technisch middel te installeren om communicaties af te luisteren, er kennis van te nemen en ze te registreren.

De tekst is geïnspireerd op artikelen 90ter tot 90septies van het Wetboek van strafvordering die betrekking hebben op het afluisteren in het kader van het gerechtelijk onderzoek » (ibid., pp. 54-55).

B.75.1. Het eerste onderdeel van het vierde middel dient te worden begrepen als zijnde de omstandigheid dat de gegevens die zijn vastgesteld in het kader van de uitzonderlijke inlichtingenmethode van artikel 18/17 van de wet van 30 november 1998, en die worden vermeld in het niet-geclassificeerde proces-verbaal (artikel 19/1 van de wet van 30 november 1998), moeten worden vernietigd « binnen een termijn van twee maanden vanaf de dag waarop de exploitatie ervan beëindigd is », zonder dat de beklaagde, de beschuldigde en de burgerlijke partij nog de mogelijkheid hebben de juistheid van de communicatie na te gaan of te laten nagaan.

In het geval van een door de onderzoeksrechter bevolen afluistermaatregel kunnen de relevant geachte opnamen worden geconsulteerd, met het oog op het nazicht van de betrouwbaarheid van de weergave ervan in het proces-verbaal (artikel 90septies, zesde lid, van het Wetboek van strafvordering), terwijl die mogelijkheid niet meer bestaat wanneer de gegevens verzameld in het kader van een inlichtingenonderzoek zijn vernietigd.

B.75.2. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft meerdere malen geoordeeld dat het vaststellen van de regels betreffende het gebruik en de toelaatbaarheid van een bewijs in een rechtszaak tot het domein van het nationale recht behoort (EHRM, 12 juli 1988, Schenk t. Zwitserland, § 46; EHRM, 9 juni 1998, Teixeira de Castro t. Portugal, § 34; EHRM, 11 juli 2006, Jalloh t. Duitsland, § 94; EHRM 1 maart 2007, Heglas t. Tsjechische Republiek, § 84; EHRM, 28 juli 2009, Lee Davies t. België, § 40; EHRM, 1 juni 2010, Gäfgen t. Duitsland, § 162).

Niettemin blijkt uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat het aanwenden van een onrechtmatig bewijs in een rechtszaak, in bepaalde omstandigheden, kan leiden tot een schending van het recht op een eerlijk proces, gewaarborgd door artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Bij de beoordeling van een mogelijke schending van dat recht dient de procedure in haar geheel te worden onderzocht; in het bijzonder dient aandacht te worden besteed aan de authenticiteit en de kwaliteit van het bewijs en het belang ervan in de desbetreffende zaak en aan de vraag of de rechten van verdediging werden geëerbiedigd, in die zin dat de betrokkene de mogelijkheid moet hebben gehad om de authenticiteit en de kwaliteit van het bewijs te betwisten (EHRM, 12 mei 2000, Khan t. Verenigd Koninkrijk, §§ 34-35; EHRM, 25 september 2001, P.G en J.H. t. Verenigd Koninkrijk, §§ 76-77; EHRM, 5 november 2002, Allan t. Verenigd Koninkrijk, §§ 42-43; EHRM, 1 maart 2007, Heglas t. Tsjechische Republiek, §§ 85-86; EHRM, grote kamer, 10 maart 2009, Bykov t. Rusland, §§ 89-90; EHRM, 28 juli 2009, Lee Davies t. België, §§ 41-42).

B.76. Zoals is opgemerkt in B.8, worden, in het kader van de specifieke en uitzonderlijke methoden voor het verzamelen van gegevens door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, niet alle verzamelde gegevens in het strafdossier opgenomen. Alleen de elementen opgenomen in het proces-verbaal dat is opgesteld door de Bestuurlijke Commissie, die strikt zijn opgesomd in artikel 19/1 van de wet van 30 november 1998, worden immers onderworpen aan de tegenspraak en zijn toegankelijk voor de onderzoeksgerechten en de feitengerechten. Bovendien kunnen die rechtscolleges van het Vast Comité I, dat beschikt over een volledige toegang tot het dossier, een advies in verband met de wettigheid van die methoden vorderen.

B.77. Door erin te voorzien dat de exploitatie door de inlichtingendiensten van de registraties en van de overschrijving van de mededelingen en de eventuele vertaling ervan is beperkt tot een termijn van één jaar die ingaat op de dag van de registratie, en dat die elementen moeten worden vernietigd binnen een termijn van twee maanden vanaf de dag waarop de exploitatie ervan door alleen die diensten is beëindigd, heeft de wetgever een maatregel genomen die niet zonder redelijke verantwoording is. Wegens het gebruik van de woorden « vanaf de dag waarop de exploitatie ervan beëindigd is » dient de bestreden bepaling in die zin te worden geïnterpreteerd dat de termijn van twee maanden niet van toepassing is wanneer een niet-geclassificeerd proces-verbaal, dat op dergelijke elementen steunt, aan de procureur des Konings of de federale procureur is meegedeeld door de Bestuurlijke Commissie, waardoor het Vast Comité I toegang kan hebben tot die elementen om, met kennis van zaken, een schriftelijk advies uit te brengen over de wettigheid van de methode voor het verzamelen van gegevens, met toepassing van de artikelen 131bis, 189quater of 279bis van het Wetboek van strafvordering. De bestreden bepaling schendt derhalve niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

B.78. Onder voorbehoud van de in B.77 vermelde interpretatie is het eerste onderdeel van het vierde middel in de zaak nr. 4955 niet gegrond.

B.79.1. Wat het tweede onderdeel van het vierde middel in de zaak nr. 4955 betreft, voeren de verzoekende partijen aan dat de gerechtelijke tapmaatregel geschiedt op basis van beschikkingen van de onderzoeksrechter (en uitzonderlijk de procureur des Konings), die maximaal één maand gelden, en dit op straffe van nietigheid (artikel 90quater, § 1, tweede lid, 4°, van het Wetboek van strafvordering), verlengbaar tot een maximumduur van zes maanden (artikel 90quinquies, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering) en waarbij een rapportering over de tenuitvoerlegging van de gerechtelijke tap aan de onderzoeksrechter plaatsvindt om de vijf dagen (artikel 90quater, § 3, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering), terwijl de uitzonderlijke inlichtingenmethode inzake het afluisteren, kennisnemen en registreren van communicatie in artikel 18/17 van de wet van 30 november 1998 niet zou zijn onderworpen aan een bijzondere maximumtermijn, zodat de algemene termijn voor uitzonderlijke inlichtingenmethoden van twee maanden van toepassing is (artikel 18/10, § 1, tweede lid, van de wet van 30 november 1998), dat de maatregel onbeperkt in de tijd verlengbaar zou zijn onder de voorwaarden van artikel 18/10, § 5, van de wet van 30 november 1998 en dat er geen tussentijdse verplichte rapportering zou zijn.

B.79.2. Allereerst dient te worden opgemerkt dat voor het aanwenden van een uitzonderlijke inlichtingenmethode een aantal algemene voorwaarden, zoals bepaald in artikel 2, § 1, en artikel 18/9, §§ 1 en 2, van de wet van 30 november 1998, moeten worden nageleefd, zoals daar zijn : (1) de methoden voor het verzamelen van gegevens kunnen niet worden gebruikt met het doel individuele rechten en vrijheden te verminderen of te belemmeren (artikel 2, § 1, derde lid, van de voormelde wet); (2) om hun opdrachten te vervullen kunnen de inlichtingen- en veiligheidsdiensten slechts dwangmiddelen gebruiken onder de voorwaarden die door de wet worden bepaald (artikel 12 van dezelfde wet); (3) de Veiligheid van de Staat en de Algemene Dienst inlichting en veiligheid van de Krijgsmacht kunnen de uitzonderlijke methoden slechts aanwenden, wanneer er « ernstige bedreigingen bestaan » voor de door hen te beschermen belangen (artikel 18/9, § 1, 1°, van dezelfde wet); (4) de uitzonderlijke inlichtingenmethoden kunnen enkel worden aangewend bij uitzondering en rekening houdend met de ernstige dreiging, en slechts indien de gewone en specifieke inlichtingenmethoden ontoereikend worden geacht om de informatie te verzamelen die nodig is om de inlichtingenopdracht te volbrengen (artikelen 2, § 1, vierde lid, en 18/9, § 2, van dezelfde wet); (5) de uitzonderlijke inlichtingenmethode moet worden gekozen naar gelang van de graad van de ernst van de bedreiging en van de risico's die de uitvoering van de inlichtingenopdracht met zich meebrengt voor de veiligheid van de agenten van de diensten en van derden (artikelen 2, § 1, vierde lid, en 18/9, § 3, van dezelfde wet).

Bovendien veronderstelt de aanwending van een uitzonderlijke inlichtingenmethode een voorafgaande machtiging van het diensthoofd. Een ontwerp van machtiging moet voor eensluidend advies worden voorgelegd aan de Bestuurlijke Commissie, die onderzoekt of de voorwaarden voor de aanwending van de uitzonderlijke methode zijn vervuld, alsook de subsidiariteits- en proportionaliteitsvoorwaarde (artikel 18/10, § 1, van de wet van 30 november 1998).

B.79.3. Te dezen wordt vastgesteld dat, overeenkomstig artikel 18/10, § 1, derde lid, van de wet van 30 november 1998, de inlichtingenofficier die is aangesteld om de uitzonderlijke inlichtingenmethode aan te wenden, op regelmatige wijze het diensthoofd informeert. Die verslaggeving stelt het diensthoofd in de mogelijkheid om de op hem rustende verplichting correct na te leven om de maatregel te beëindigen indien die niet langer nuttig is of indien de bedreigingen zijn weggevallen (artikel 18/10, § 1, vierde lid, van de wet van 30 november 1998). Daarnaast moet het diensthoofd op zijn beurt de Bestuurlijke Commissie inlichten over de uitvoering van de methode, wat haar in staat stelt om op elk ogenblik controle uit te oefenen op de wettigheid van de uitzonderlijke methode. Voormeld wettigheidstoezicht omvat de controle op de voorwaarde van de ernstige bedreigingen zoals omschreven in artikel 18/9, § 1, van de wet van 30 november 1998.

Ook het Vast Comité I dient op korte termijn op de hoogte te worden gehouden door de Bestuurlijke Commissie (artikelen 18/10, § 7, en 43/3 van de wet van 30 november 1998) en naar aanleiding daarvan over te gaan tot een controle a posteriori (artikel 43/4 van de wet van 30 november 1998), zelfs reeds heel vroeg bij de aanwending van de maatregel.

B.79.4. In tegenstelling tot de vaststelling dat elke verlenging van de gerechtelijke onderzoeksmaatregel is onderworpen aan een bijzondere motiveringsplicht, in die zin dat voor elke verlenging de precieze omstandigheden moeten worden aangegeven die een verlenging noodzakelijk maken (artikel 90quinquies, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering), geldt de bijzondere motiveringsverplichting voor een uitzonderlijke inlichtingenmethode slechts vanaf de tweede verlenging (artikel 18/10, § 5, tweede lid, van de wet van 30 november 1998). Evenwel veronderstelt elke verlenging van de uitzonderlijke inlichtingenmethode een machtiging van het diensthoofd, waarbij het ontwerp van machtiging onder meer de ernstige bedreigingen omschrijft die de aanwending van de uitzonderlijke inlichtingenmethode wettigen en de redenen aangeeft waarom de uitzonderlijke methode onontbeerlijk is. Een dergelijke motiveringsverplichting geldt a fortiori ten aanzien van de beoogde verlenging van de maatregel.

B.79.5. Het tweede onderdeel van het vierde middel is niet gegrond.

B.80.1. Het derde onderdeel van het vierde middel en het vijfde middel in de zaak nr. 4955 berusten op de veronderstelling dat artikel 18/17, § 1, van de wet van 30 november 1998 het mogelijk zou maken over te gaan tot een « verkennend afluisteren, waarbij de interceptie zou worden georganiseerd van bijvoorbeeld de communicatie van personen die in aanmerking komen voor een bepaald misdrijf, zonder dat er evenwel precieze aanwijzingen zijn ten aanzien van deze persoon », of nog, tot een « grootscheepse lukrake afluistercampagne in een poging om de dader te vinden ».

B.80.2. In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen beweren, is het, in het kader van de wet van 30 november 1998, niet toegestaan over te gaan tot « verkennend afluisteren ». De inlichtingenmethode is immers onderworpen aan verschillende wettelijke voorwaarden. Daarenboven bepaalt artikel 18/10, § 2, 3°, van die wet expliciet dat de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die het voorwerp van de uitzonderlijke inlichtingenmethode uitmaakt, uitdrukkelijk moet worden vermeld in het ontwerp van machtiging dat wordt voorgelegd aan de Bestuurlijke Commissie voor eensluidend advies, net zoals de redenen waarom de aanwending van die uitzonderlijke inlichtingenmethode onontbeerlijk is (artikel 18/10, § 2, 2°, van dezelfde wet) en betreft het hier, zoals de aanhef van voormeld artikel duidelijk aangeeft, een vereiste « op straffe van onwettigheid ».

B.81. Het derde onderdeel van het vierde middel en het vijfde middel in de zaak nr. 4955 zijn niet gegrond.

4. De voorwaarden in verband met de kennisgeving, door het hoofd van de inlichtingen- en veiligheidsdienst, aan de betrokken persoon dat die laatste het voorwerp heeft uitgemaakt van een specifieke of uitzonderlijke methode voor het verzamelen van gegevens (artikel 2, § 3, van de wet 30 november 1998, ingevoegd bij artikel 2, 3°, van de bestreden wet)

B.82.1. Als tweede middel wordt door de verzoekende partijen in de zaak nr. 4955 opgeworpen dat artikel 2, § 3, van de wet van 30 november 1998, de artikelen 15 en 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (eerste onderdeel) en de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het recht op een eerlijk proces, gewaarborgd bij artikel 6 van hetzelfde Verdrag, en met het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel, gewaarborgd bij artikel 13 van dat Verdrag (tweede onderdeel), schendt.

B.82.2. In beide onderdelen wordt de bestreden bepaling verweten niet te voorzien in een verplichte kennisgeving ambtshalve, maar te eisen dat de betrokkene daarom verzoekt, op te leggen dat een termijn van meer dan vijf jaar verstrijkt sinds de beëindiging van de methode en alleen de natuurlijke personen te beogen met uitsluiting van de rechtspersonen.

B.83.1. Artikel 2, § 3, van de wet van 30 november 1998 bepaalt :

« Onverminderd de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen, de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur en de wet van 8 december 1992 betreffende de bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, en op verzoek van iedere natuurlijke persoon met een wettelijk belang, informeert het diensthoofd deze persoon schriftelijk dat hij het voorwerp heeft uitgemaakt van een methode zoals bedoeld in artikel 18/2, §§ 1 en 2, op voorwaarde :

1° dat een periode van meer dan vijf jaar is verstreken sinds het beëindigen van de methode;

2° dat met betrekking tot de aanvrager sinds het einde van de methode geen nieuwe gegevens werden verzameld.

De medegedeelde informatie stipt het juridische kader aan waarbinnen de dienst gemachtigd werd de methode te gebruiken.

Het diensthoofd van de betrokken dienst informeert de commissie over elk verzoek om informatie en over het geleverde antwoord.

De Koning bepaalt, bij een in de Ministerraad overlegd koninklijk besluit, na advies van het ministerieel Comité voor Inlichtingen en Veiligheid, de wijze waarop de informatie bedoeld in het eerste lid wordt medegedeeld ».

B.83.2. De kennisgeving bedoeld in artikel 2, § 3, van de wet van 30 november 1998 kan worden omschreven als een « kennisgeving op verzoek », in die zin dat het initiatief van kennisgeving dient uit te gaan van een natuurlijke persoon met een wettig belang en niet van het diensthoofd zelf; derhalve wordt een ambtshalve kennisgeving, waarbij het diensthoofd van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten op eigen initiatief overgaat tot kennisgeving, door de wet van 30 november 1998 niet opgelegd.

B.83.3. Door te verwijzen naar de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur en de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens heeft de wetgever geen bijkomende beperkingen aan de kennisgeving opgelegd, maar heeft hij integendeel verwezen naar de twee voormelde bijkomende wettelijke mogelijkheden tot kennisname door de rechtsonderhorige, die bestaan naast de mogelijkheid van een verzoek tot kennisgeving zoals omschreven in artikel 2, § 3, van de wet van 30 november 1998.

B.84. Met het voorgestelde artikel 2, § 3, wilde de wetgever :

« aan elke burger die een wettig belang kan aantonen, [toestaan] om zich rechtstreeks tot de inlichtingendiensten te wenden om te weten of hij het voorwerp was van een specifieke of uitzonderlijke methode. Indien dat zo is en die persoon sedert 5 jaar de aandacht van een inlichtingendienst niet meer op zich heeft gevestigd, moet de dienst hem antwoorden en vermelden welk juridisch kader aan de basis lag van het aanwenden van een methode jegens hem. De op deze wijze geïnformeerde burger zal zich dan eventueel tot het Vast Comité I kunnen wenden, zodat dit kan nagaan of de wettelijke voorschriften bij die gelegenheid door de dienst werden gerespecteerd.

Door op deze wijze te werk te gaan, zullen de diensten verplicht zijn om hun gegevensbanken te herevalueren en na te gaan of het wel nodig is om gegevens met een persoonlijk karakter te bewaren, indien betrekking hebben op burgers waarvoor de dienst sedert meer dan 5 jaar geen interesse meer had » (Parl. St., Senaat, 2008-2009, nr. 4-1053/1, pp. 35-36).

B.85. Ten aanzien van het recht op de naleving van het privéleven, komen de afwezigheid van een verplichte kennisgeving ambtshalve of de overdreven restrictieve voorwaarden waaraan de kennisgeving te dezen is onderworpen, volgens de verzoekende partijen niet tegemoet aan een dwingende noodzaak. De maatregel zou bijgevolg niet relevant zijn om het door de wetgever nagestreefde gewettigde doel te bereiken.

B.86. De kwestie van de latere kennisgeving van toezichtsmaatregelen is onlosmakelijk verbonden met het daadwerkelijke karakter van de jurisdictionele beroepen en dus met het bestaan van daadwerkelijke waarborgen tegen misbruik; wanneer de betrokkene niet wordt ingelicht over de buiten zijn weten genomen maatregelen, kan hij in beginsel de wettigheid ervan moeilijk op retrospectieve wijze in rechte betwisten.

B.87. Artikel 2, § 3, van de wet van 30 november 1998 bepaalt dat het diensthoofd op verzoek van iedere natuurlijke persoon met een wettelijk belang de betrokken persoon schriftelijk meedeelt dat die laatste het voorwerp heeft uitgemaakt van een methode bedoeld in artikel 18/2, §§ 1 en 2, van de wet van 30 november 1998. Hieruit vloeit voort dat de kennisgeving niet van toepassing is op de gewone methoden voor het verzamelen van gegevens.

Ermee rekening houdend dat de wetgever « een juist evenwicht [wenste] te vinden tussen de bescherming van de fundamentele belangen van de Staat en de bescherming van de fundamentele rechten van de mens » en bijgevolg een striktere methode wilde invoeren ten aanzien van de specifieke en uitzonderlijke methoden in zoverre zij in grotere mate afbreuk doen aan die fundamentele rechten (Parl. St., Senaat, 2008-2009, nr. 4/1053/1, p. 12), is de uitsluiting van de gewone methoden van het toepassingsgebied van de bestreden bepaling redelijk verantwoord.

B.88. Dezelfde bekommernis om het voormelde evenwicht te bewaren, kan verantwoorden dat een zekere termijn moet verlopen tussen het einde van de maatregel en de kennisgeving waarin de bestreden bepaling voorziet. De noodzaak, die uit de voormelde rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens voortvloeit om de betrokken persoon na de beëindiging van de inlichtingenmethode in te lichten, mag immers de doeltreffendheid van de betrokken methode niet in het gedrang brengen (EHRM, 29 juni 2006, Weber en Saravia t. Duitsland, § 135; EHRM, 6 september 1978, Klass en anderen t. Duitsland, §§ 57 en 58, en EHRM, 26 maart 1987, Leander t. Zweden, § 66).

Artikel 2, § 3, 2°, bepaalt dat er enkel een kennisgeving van gegevens kan gebeuren wanneer er « met betrekking tot de aanvrager sinds het einde van de methode geen nieuwe gegevens werden verzameld ». Onder het begrip « nieuwe gegevens » moeten alle gegevens worden verstaan, dus ook de gegevens die ingevolge een gewone inlichtingenmethode zijn vastgesteld en die aan het dossier zijn toegevoegd. Ook al zijn de gewone inlichtingenmethoden in se minder ingrijpend, toch is de maatregel niet zonder redelijke verantwoording. Indien de betrokken persoon in de loop van de laatste vijf jaar het voorwerp van een gewone methode heeft uitgemaakt, heeft hij aldus « de aandacht van een inlichtingendienst [...] op zich [...] gevestigd », en kan de geheimhouding dus nog nuttig zijn voor die dienst opdat hij zijn wettelijke opdrachten kan uitvoeren (Parl. St., Senaat, 2008-2009, nr. 4-1053/1, p. 36).

Hoewel het wenselijk is de betrokken persoon na de beëindiging van de specifieke of uitzonderlijke methode voor het verzamelen van gegevens in te lichten, vereisen de in het middel aangevoerde grondwets- en verdragsbepalingen niet noodzakelijk een systematische kennisgeving. Een dergelijke verplichting kan immers de doelstelling van de methode in het gedrang brengen, waardoor het door de wetgever gewilde juiste evenwicht op onevenredige wijze wordt verstoord. Een kennisgeving op verzoek maakt het tegelijk mogelijk het vertrouwelijke karakter van het onderzoek niet op overdreven wijze te beperken en het recht van iedere persoon te vrijwaren om na te gaan of die laatste het voorwerp van een dergelijke methode heeft uitgemaakt. Dit neemt niet weg dat de persoon die het voorwerp van de methode heeft uitgemaakt, daarover ook moet worden ingelicht zodra een dergelijke kennisgeving volgens de Bestuurlijke Commissie mogelijk is zonder dat het doel van het toezicht in het gedrang wordt gebracht.

Het tweede middel is in die mate gegrond.

B.89. Een laatste grief is gericht tegen het bestreden artikel 2, § 3, in zoverre dat alleen van toepassing is op de natuurlijke personen en niet op de rechtspersonen. Artikel 2, § 3, vermeldt immers uitdrukkelijk « op verzoek van iedere natuurlijke persoon ».

B.90. De Ministerraad is van oordeel dat de regeling van de kennisgeving ook van toepassing zou zijn op een rechtspersoon via een natuurlijke persoon die de rechtspersoon vertegenwoordigt of optreedt als lasthebber van een rechtspersoon. Artikel 43/4 van de wet van 30 november 1998 bepaalt immers dat « een ieder die een persoonlijk en rechtmatig belang kan aantonen » een klacht kan indienen bij het Vast Comité I, dat aldus tot de controle a posteriori zal overgaan.

B.91. Artikel 13 van de wet van 30 november 1998 bepaalt dat de inlichtingen- en veiligheidsdiensten inlichtingen en persoonsgegevens kunnen opsporen, verzamelen, ontvangen en verwerken die nuttig kunnen zijn om hun opdrachten te vervullen en een documentatie bijhouden, « meer bepaald met betrekking tot de gebeurtenissen, de groeperingen en de personen die een belang vertonen voor de uitoefening van hun opdrachten ». Derhalve wordt het werkterrein van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten niet beperkt tot natuurlijke personen, maar kunnen ook rechtspersonen het voorwerp uitmaken van een inlichtingenonderzoek.

De inhoud en de betekenis van een duidelijke wettelijke bepaling kunnen evenwel niet worden gewijzigd door de verwijzing naar een ander artikel dat zich bevindt in hoofdstuk IV/2 aangaande de controle a posteriori van de specifieke en uitzonderlijke methoden voor het verzamelen van gegevens door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Artikel 43/4 van de wet van 30 november 1998 regelt de bevoegdheid van het Vast Comité I als jurisdictioneel orgaan, waarbij dat Comité een finale controle uitoefent op de wettigheid van een aangewende specifieke en uitzonderlijke inlichtingenmethode, in voorkomend geval op klacht van « een ieder die een persoonlijk en rechtmatig belang kan aantonen », en niet de kennisgeving zoals bepaald in artikel 2, § 3, van de wet van 30 november 1998.

Het eerste onderdeel van het tweede middel in de zaak nr. 4955 is gegrond.

B.92. Artikel 2, § 3, van de wet van 30 november 1998 schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen, enerzijds, met artikel 22 ervan en met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre het slechts voorziet in een kennisgeving op verzoek van iedere persoon die doet blijken van een wettelijk belang, zonder te bepalen dat een kennisgeving eveneens dient te gebeuren op initiatief van de betrokken diensten zodra de Bestuurlijke Commissie een dergelijke kennisgeving mogelijk acht, en, anderzijds, met de artikelen 6 en 13 van dat Verdrag, in zoverre het de rechtspersonen van zijn toepassingsgebied uitsluit.

Artikel 2, § 3, van de wet van 30 november 1998 dient derhalve te worden vernietigd.

5. Het beweerde vage en onnauwkeurige karakter van de volgende begrippen :

a) Het begrip « radicaliseringsproces » in artikel 3, 15°, van de wet van 30 november 1998, ingevoegd bij artikel 3 van de bestreden wet

B.93. Een grief in de zaak nr. 5014 is afgeleid uit de schending, door artikel 3, 15°, van de wet van 30 november 1998, van artikel 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre de definitie van het « radicaliseringsproces » de woorden « mentaal gevormd wordt of bereid is » bevat, die de verzoekende partij te vaag en onnauwkeurig acht.

B.94. De bestreden bepaling definieert het radicaliseringsproces als « een proces waarbij een individu of een groep van individuen op dusdanige wijze wordt beïnvloed dat dit individu of deze groep van individuen mentaal gevormd wordt of bereid is tot het plegen van terroristische handelingen ».

B.95. Het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens staat met betrekking tot artikel 8.2 enkel een inmenging in de uitoefening van het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer toe om redenen van nationale veiligheid, voor zover in die inmenging is voorzien door de wet, en die wet toegankelijk is voor de betrokkenen en precies is. Die vereisten inzake toegankelijkheid en voorzienbaarheid van de wet dienen om ieder arbitrair gedrag door het openbaar gezag te vermijden. De wet is duidelijk wanneer de termen die ze hanteert, de burger in staat stellen zonder dubbelzinnigheid de gevolgen in te schatten van haar toepassing.

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens aanvaardt evenwel dat het niveau aan duidelijkheid van de wet minder kan zijn in het domein van de nationale veiligheid dan in andere domeinen.

Daarnaast heeft het Europees Hof voor de Rechten van Mens in zijn arrest Weber en Saravia t. Duitsland van 29 juni 2006 de minimumwaarborgen omschreven die in de wet moeten zijn vastgelegd, teneinde misbruik van bevoegdheid te vermijden :

« 95. In zijn rechtspraak met betrekking tot de maatregelen van geheim toezicht zet het Hof de volgende minimumwaarborgen tegen misbruik van bevoegdheid uiteen die de wet moet bevatten : de aard van de misdrijven die aanleiding kunnen geven tot een machtiging tot interceptie, de bepaling van de categorieën van personen die mogen worden afgeluisterd, het vastleggen van een beperking van de duur van de uitvoering van de maatregel, de procedure die moet worden gevolgd voor het onderzoek, het gebruik en de bewaring van de ingezamelde gegevens, de voorzorgen die moeten worden genomen voor het mededelen van de gegevens aan andere partijen, en de omstandigheden waarin de opnames mogen of moeten worden gewist of vernietigd (zie met name voormeld arrest Huvig, § 34, voormeld arrest Amann, § 76, voormeld arrest Valenzuela Contreras, § 46, en arrest Prado Bugallo t. Spanje, nr. 58496/00, § 30, 18 februari 2003) ».

B.96.1. Met de wettelijke omschrijving van het begrip « radicaliseringsproces » wordt door de wetgever geen strafbaarstelling geformuleerd (Parl. St., Senaat, 2008-2009, nr. 4-1053/7, p. 33); er wordt derhalve geen gerechtelijke finaliteit nagestreefd. De inlichtingendiensten opereren in een ander spectrum dan de politiediensten en de gerechtelijke autoriteiten. De term « radicaliseringsproces » dient niet te worden gesitueerd binnen het strafonderzoek, maar binnen de eigen aard en de finaliteit van een inlichtingenonderzoek :

« [Het gaat] hier niet [...] om het omschrijven van een misdrijf, maar wel om het probleem dat de veiligheidsdiensten een eigen operatieruimte hebben die zich onderscheidt van de bestrijding van een misdrijf. Men doelt aldus op de fase die voorafgaat aan het plegen van potentiële misdrijven. [...]

[...] Het begaan zelf van de terroristische daad valt dan onder het strafrecht » (Parl. St., Senaat, 2008-2009, nr. 4-1053/7, p. 34).

B.96.2.1. Artikel 18/9 van de wet van 30 november 1998 omschrijft het toepassingsgebied van de uitzonderlijke inlichtingenmethoden. Artikel 18/9, § 1, 1°, bepaalt :

« § 1. De in artikel 18/2, § 2, bedoelde uitzonderlijke methoden voor het verzamelen van gegevens kunnen worden aangewend :

1° door de Veiligheid van de Staat, wanneer er ernstige bedreigingen bestaan voor de inwendige veiligheid van de Staat en het voortbestaan van de democratische en grondwettelijke orde, de uitwendige veiligheid van de Staat en de internationale betrekkingen of het wetenschappelijk of economisch potentieel en wanneer die bedreigingen betrekking hebben op een activiteit die verband houdt met spionage, terrorisme, hieronder begrepen het radicaliseringproces, de proliferatie, schadelijke sektarische organisaties en de criminele organisaties, zoals omschreven in artikel 8, 1° ».

Uit de lezing van artikel 18/9, § 1, 1°, van de wet van 30 november 1998 en uit de wettelijke omschrijving van het begrip « radicaliseringsproces » in artikel 3, 15°, van de wet van 30 november 1998, blijkt dat dit begrip dient te worden gelezen in samenhang met het begrip « terrorisme ».

B.96.2.2. Artikel 8, 1°, b), van de wet van 30 november 1998 bepaalt :

« Voor de toepassing van artikel 7 wordt verstaan onder :

1° ' activiteit die bedreigt of zou kunnen bedreigen ' : elke individuele of collectieve activiteit ontplooid in het land of vanuit het buitenland die verband kan houden met spionage, inmenging, terrorisme, extremisme, proliferatie, schadelijke sektarische organisaties, criminele organisaties, daarbij inbegrepen de verspreiding van propaganda, de aanmoediging of de rechtstreekse of onrechtstreekse steun, onder meer door het verstrekken van financiële, technische of logistieke middelen, het verstrekken van inlichtingen over mogelijke doelwitten, de ontwikkeling van structuren en van actiecapaciteit en de verwezenlijking van de nagestreefde doeleinden.

Voor de toepassing van het vorige lid wordt verstaan onder :

[...]

b) terrorisme : het gebruik van geweld tegen personen of materiële belangen om ideologische of politieke redenen met het doel zijn doelstellingen door middel van terreur, intimidatie of bedreigingen te bereiken ».

B.96.3. Met het begrip « radicaliseringsproces », gelezen in samenhang met het begrip « terrorisme », wordt aldus verwezen naar de fase die voorafgaat aan het plegen van terroristische handelingen. In het bijzonder wordt met proces van radicalisering een voorbereidend proces van manipulatie of wilsbeïnvloeding geviseerd, waarbij veiligheidsrisico's ontstaan. Artikel 3, 15°, van de wet van 30 november 1998 geeft op duidelijke wijze aan dat dit een proces betreft, bestaande in beïnvloeding op dusdanige wijze dat betrokkene mentaal gevormd wordt of bereid is tot het plegen van terroristische handelingen. De bevoegdheid om uitzonderlijke inlichtingenmethoden aan te wenden in het geval van een ernstige bedreiging die betrekking heeft op een activiteit in verband met het radicaliseringsproces, is gesitueerd in het preventief optreden tegen terrorisme.

B.97. Uit wat voorafgaat vloeit voort dat geen afbreuk wordt gedaan aan de wettigheidsvereiste van artikel 22 van de Grondwet.

De grief is niet gegrond.

b) De begrippen « plaatsen die toegankelijk zijn voor het publiek », « private plaatsen die niet toegankelijk zijn voor het publiek », « woningen », « lokaal aangewend voor beroepsdoeleinden » en « woonplaats van een advocaat, een arts of een journalist » in de artikelen 18/2, § 1, 1° en 2°, § 2, 1° en 2°, en § 3, 18/4, 18/9, § 4, 18/11, 18/12, § 1, 1°, 2° en 3°, 18/16, § 2, en 18/17, § 2, van de wet van 30 november 1998, ingevoegd bij artikel 14 van de bestreden wet

B.98. De verzoekende partij in de zaak nr. 5014 voert voorts de schending aan, door de artikelen 18/2, § 1, 1° en 2°, § 2, 1° en 2°, § 3, 18/4, 18/9, § 4, 18/11, 18/12, § 1, 1°, 2° en 3°, 18/16, § 2, en 18/17, § 2, van de wet van 30 november 1998, van artikel 22 van de Grondwet en van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

Er wordt aangevoerd dat het begrip « privéplaatsen » in de bestreden bepalingen onvoldoende wordt onderscheiden van dat van de woning of de woonplaats en dermate vaag is dat geen sprake zou kunnen zijn van een afwijking in de zin van de in het middel beoogde grondwets- en verdragsbepalingen.

B.99.1. In tegenstelling tot wat de verzoekende partij in de zaak nr. 5014 beweert, wordt het begrip « private plaats » gedefinieerd in artikel 3, 12°, van de wet van 30 november 1998 :

« ' private plaats ' : de plaats die kennelijk geen woning is, of een door een woning omsloten eigen aanhorigheid in de zin van de artikelen 479, 480 en 481 van het Strafwetboek, of een lokaal aangewend voor beroepsdoeleinden of als woonplaats door een advocaat, door een arts of door een journalist ».

B.99.2. In het voorontwerp van wet dat oorspronkelijk in de Senaat is ingediend, definieerde artikel 3, 12°, de private plaats als volgt :

« - de plaats die kennelijk geen woning is, of

- een door een woning omsloten eigen aanhorigheid in de zin van de artikelen 479, 480 en 481 van het Strafwetboek is » (Parl. St., Senaat, 2006-2007, nr. 3-2138/1, p. 256).

De afdeling wetgeving van de Raad van State had opgemerkt :

« Deze definitie is gebaseerd op die van artikel 46quinquies van het Wetboek van strafvordering in verband waarmee de rechtsleer heeft gewezen op interpretatieproblemen :

' Daar het begrip " woning " niet wettelijk gedefinieerd is, maar kan evolueren volgens de rechtspraak van het Hof van Cassatie, blijkt het nieuwe artikel 46quinquies immers een waar " broeinest van processen " dat voor grote rechtsonzekerheid kan zorgen ' [eigen vertaling].

Een fundamenteler bezwaar is dat in de ontworpen definitie, in tegenstelling tot artikel 46quinquies, geen melding wordt gemaakt van de lokalen voor beroepsdoeleinden.

Het voorontwerp moet bijgevolg worden gewijzigd op dat punt » (ibid., p. 287).

Artikel 3, 12°, is gewijzigd in de zin van de huidige formulering ervan :

« Teneinde de leesbaarheid van de wet te verhogen en afwijkende interpretaties te vermijden, herneemt dit artikel de definities van de wet van 27 december 2005 waarbij de wet van 6 januari 2003 betreffende de bijzondere opsporingsmethoden werd gewijzigd (woning, private plaats en post). Zo wordt het begrip ' private plaats ' gedefinieerd zoals in artikel 46quinquies, § 1, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering. De voorgestelde bepaling conformeert zich dus op deze bepaling om te antwoorden op de opmerking [van] de Raad van State » (Parl. St., Senaat, 2008-2009, nr. 4-1053/1, p. 36).

B.100.1. Artikel 46quinquies, § 1, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering bepaalt :

« Een private plaats in de zin van dit artikel is de plaats die kennelijk :

- geen woning is;

- geen door een woning omsloten eigen aanhorigheid in de zin van de artikelen 479, 480 en 481 van het Strafwetboek is;

- geen lokaal aangewend voor beroepsdoeleinden of de woonplaats van een advocaat of een arts is als bedoeld in artikel 56bis, derde lid ».

De artikelen 479, 480 en 481 van het Strafwetboek, waarnaar artikel 3, 12°, van de wet van 30 november 1998 verwijst, bepalen :

« Art. 479. Als bewoond huis wordt beschouwd elk gebouw, appartement, verblijf, loods, elke zelfs verplaatsbare hut of elke andere gelegenheid die tot woning dient.

Art. 480. Als aanhorigheden van een bewoond huis worden beschouwd de binnenplaatsen, neerhoven, tuinen en alle andere besloten erven, alsook de schuren, stallen en alle andere bouwwerken die zich daarin bevinden, onverschillig waarvoor zij gebruikt worden, zelfs wanneer zij een afzonderlijke ruimte vormen binnen de algemene omheining.

Art. 481. Verplaatsbare omheiningen, bestemd om vee in het open veld ingesloten te houden, op welke wijze ook gemaakt, worden als aanhorigheden van een bewoond huis beschouwd, wanneer zij staan op hetzelfde stuk grond als de verplaatsbare hutten of andere schuilplaatsen, bestemd voor de veehoeders ».

Door de verwijzing naar die bepalingen verkrijgt het begrip « woning » dezelfde betekenis als in artikel 15 van de Grondwet.

B.100.2. De door de wetgever beoogde afstemming van het begrip « private plaats » in artikel 3, 12°, van de wet van 30 november 1998 op de omschrijving van dat begrip in artikel 46quinquies, § 1, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering, laat toe te verwijzen naar de parlementaire voorbereiding van artikel 46quinquies (Parl. St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-2055/001, pp. 16-17, en Parl. St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-2055/005, p. 20) en naar de rechtspraak van het Hof met betrekking tot artikel 46quinquies (arrest nr. 155/2007, B.6.3 en B.6.4).

De wetgever heeft bij de begripsomschrijving het begrip « kennelijk » gehanteerd, zodat moet worden aangenomen dat een private plaats een plaats is die voor eenieder objectief en duidelijk geen woning, geen aanhorigheid of geen beroepslokaal of woonplaats van een arts, advocaat of journalist is.

B.101.1. Daarnaast wordt door de verzoekende partij opgeworpen dat de bestreden bepalingen afbreuk doen aan artikel 22 van de Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, doordat de wetgever de begrippen « verblijfplaats », « woonplaats », « private plaats », door elkaar zou gebruiken.

B.101.2. Het bepaalde in artikel 3, 12°, van de wet van 30 november 1998 geeft geen aanleiding tot een verwarring tussen de begrippen « woonplaats », « verblijfplaats » en « woning »; voormeld artikel onderscheidt andere begrippen, die beantwoorden aan de categorieën van plaatsen waarvoor in de wet van 30 november 1998 een verschillende wettelijke regeling geldt.

Bovendien dienen de begrippen « woning », « verblijfplaats » en « woonplaats », overeenkomstig de rechtspraak van het Hof van Cassatie, als synoniemen te worden beschouwd. Immers, het Hof van Cassatie heeft geoordeeld :

« Overwegende dat onder het begrip ' woning ' in de zin van de artikel 15 Grondwet moet worden verstaan de plaats die een persoon bewoont om er zijn verblijf of zijn werkelijke verblijfplaats te vestigen en waar hij uit dien hoofde recht heeft op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer, zijn rust en meer in het algemeen zijn privé-leven » (Cass., 26 oktober 2004, Arr. Cass., 2004, nr. 509).

B.101.3. Uit hetgeen voorafgaat vloeit voort dat de bestreden bepaling geen afbreuk doet aan de wettigheidsvereiste van artikel 22 van de Grondwet.

B.102. De grief is niet gegrond.

c) De woorden « ontoereikend » en « graad van ernst van de potentiële bedreiging » in artikel 18/3, § 1, van de wet van 30 november 1998, ingevoegd bij artikel 14 van de bestreden wet

B.103. De verzoekende partij in de zaak nr. 5014 voert ook de schending aan, door artikel 18/3, § 1, van de wet van 30 november 1998, van artikel 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

Aan de termen « ontoereikend » en « graad van ernst van de potentiële bedreiging » vervat in de bestreden bepaling wordt verweten dat zij te vaag zijn.

B.104.1.1. Het bestreden artikel 18/3 stelt de voorwaarden vast voor de aanwending van de specifieke methoden voor het verzamelen van gegevens. Met name wordt daarin gepreciseerd dat de inlichtingen- en veiligheidsdiensten daarop enkel een beroep mogen doen indien de gewone methoden voor het verzamelen van gegevens ontoereikend worden geacht om de informatie te verzamelen die nodig is om de inlichtingenopdracht te volbrengen. Daarbij herinnert de bestreden bepaling aan het beginsel van subsidiariteit dat aan de basis ligt van de aanwending van de verschillende bij de wet bepaalde methoden, rekening houdend met het gradueel indringend karakter dat die methoden kunnen hebben ten opzichte van de personen op wie ze worden toegepast, en dat uitdrukkelijk is verankerd in artikel 2 van de wet van 30 november 1998.

B.104.1.2. Er is geen reden om aan de term « ontoereikend » een andere betekenis te geven dan die welke in het gewone taalgebruik eraan wordt gegeven, zodat ervan moet worden uitgaan dat de specifieke methoden voor het verzamelen van gegevens enkel zullen kunnen worden aangewend indien de gewone methoden het de inlichtingen- en veiligheidsdiensten niet mogelijk maken de verwachte resultaten te bereiken. Een dergelijk begrip kan niet als dermate vaag worden beschouwd dat het niet zou voldoen aan de voorschriften van artikel 22 van de Grondwet en van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

B.104.2.1. Het begrip « graad van ernst van de potentiële bedreiging » verwijst naar het beginsel van proportionaliteit voor de aanwending van de methoden voor het verzamelen van gegevens, eveneens verankerd in artikel 2 van de wet van 30 november 1998.

Zo wordt in de parlementaire voorbereiding van de bestreden wet gepreciseerd :

« De specifieke methode moet eveneens worden gekozen in functie van de graad van de ernst van de potentiële dreiging waarvoor de methode wordt aangewend. Hier moet het proportionaliteitsprincipe nauwgezet worden gerespecteerd. Er is dus geen sprake van dat men een specifieke methode gaat aanwenden voor een weinig geloofwaardige dreiging » (Parl. St., Senaat, 2008-2009, nr. 4-1053/1, p. 42).

B.104.2.2. De bestreden bepaling verwijst naar de potentiële bedreiging bedoeld in artikel 18/1 van de wet.

Dat bepaalt :

« Deze onderafdeling is van toepassing :

1° op de Veiligheid van de Staat voor de uitoefening, op het grondgebied van het Rijk, van de opdrachten bedoeld in de artikelen 7, 1°, en 8, 1° tot 4°, onverminderd artikel 18/9, § 1, 1°;

2° op de algemene Dienst Inlichting en Veiligheid van de Krijgsmacht voor de uitoefening, op het grondgebied van het Rijk, van de opdrachten bedoeld in de artikelen 11, § 1, 1° tot 3°, en § 2, met uitzondering van de interceptie van communicaties uitgezonden in het buitenland, bedoeld in de artikelen 44bis en 44ter en in artikel 259bis, § 5, van het Strafwetboek ».

B.104.2.3. De artikelen van de wet van 30 november 1998 waarnaar aldus wordt verwezen, beschrijven de opdrachten van de Veiligheid van de Staat en die van de Algemene Dienst inlichting en veiligheid van de Krijgsmacht.

De opdrachten van de Veiligheid van de Staat worden als volgt beschreven :

« Art. 7. De Veiligheid van de Staat heeft als opdracht :

1° het inwinnen, analyseren en verwerken van inlichtingen die betrekking hebben op elke activiteit die de inwendige veiligheid van de Staat en het voortbestaan van de democratische en grondwettelijke orde, de uitwendige veiligheid van de Staat en de internationale betrekkingen, het wetenschappelijk of economisch potentieel, zoals gedefinieerd door het Ministerieel Comité, of elk ander fundamenteel belang van het land, zoals gedefinieerd door de Koning op voorstel van het Ministerieel Comité, bedreigt of zou kunnen bedreigen;

[...]

Art. 8. Voor de toepassing van artikel 7 wordt verstaan onder :

1° ' activiteit die bedreigt of zou kunnen bedreigen ' : elke individuele of collectieve activiteit ontplooid in het land of vanuit het buitenland die verband kan houden met spionage, inmenging, terrorisme, extremisme, proliferatie, schadelijke sektarische organisaties, criminele organisaties, daarbij inbegrepen de verspreiding van propaganda, de aanmoediging of de rechtstreekse of onrechtstreekse steun, onder meer door het verstrekken van financiële, technische of logistieke middelen, het verstrekken van inlichtingen over mogelijke doelwitten, de ontwikkeling van structuren en van actiecapaciteit en de verwezenlijking van de nagestreefde doeleinden.

Voor de toepassing van het vorige lid wordt verstaan onder :

a) spionage : het opzoeken of het verstrekken van inlichtingen die voor het publiek niet toegankelijk zijn en het onderhouden van geheime verstandhoudingen die deze handelingen kunnen voorbereiden of vergemakkelijken;

b) terrorisme : het gebruik van geweld tegen personen of materiële belangen om ideologische of politieke redenen met het doel zijn doelstellingen door middel van terreur, intimidatie of bedreigingen te bereiken;

c) extremisme : racistische, xenofobe, anarchistische, nationalistische, autoritaire of totalitaire opvattingen of bedoelingen, ongeacht of ze van politieke, ideologische, confessionele of filosofische aard zijn, die theoretisch of in de praktijk strijdig zijn met de beginselen van de democratie of de mensenrechten, met de goede werking van de democratische instellingen of andere grondslagen van de rechtsstaat;

d) proliferatie : de handel of de transacties betreffende materialen, producten, goederen. of know-how die kunnen bijdragen tot de productie of de ontwikkeling van non-conventionele of zeer geavanceerde wapensystemen. In dit verband worden onder meer bedoeld de ontwikkeling van nucleaire, chemische en biologische wapenprogramma's, de daaraan verbonden transmissiesystemen, alsook de personen, structuren of landen die daarbij betrokken zijn;

e) schadelijke sektarische organisatie : elke groep met filosofische of religieuze inslag of die voorwendt dat te zijn en die qua organisatie of in haar praktijk schadelijke onwettige activiteiten uitoefent, individuen of de maatschappij nadeel berokkent of de menselijke waardigheid schendt;

f) criminele organisatie : iedere gestructureerde vereniging van meer dan twee personen die duurt in de tijd, met als oogmerk het in onderling overleg plegen van misdaden en wanbedrijven, om direct of indirect vermogensvoordelen te verkrijgen, waarbij gebruik gemaakt wordt van intimidatie, bedreiging, geweld, listige kunstgrepen of corruptie, of waarbij commerciële of andere structuren worden aangewend om het plegen van misdrijven te verbergen of te vergemakkelijken. In dit kader worden bedoeld de vormen en structuren van de criminele organisaties die wezenlijk betrekking hebben op de activiteiten bedoeld in artikel 8, 1°, a) tot e) en g), of die destabiliserende gevolgen kunnen hebben op het politieke of sociaal-economische vlak;

g) inmenging : de poging om met ongeoorloofde, bedrieglijke of clandestiene middelen beslissingsprocessen te beïnvloeden;

2° ' de inwendige veiligheid van de Staat en het voortbestaan van de democratische en grondwettelijke orde ' :

a) de veiligheid van de instellingen van de Staat en het vrijwaren van de continuïteit van de regelmatige werking van de rechtsstaat, de democratische instellingen, de elementaire beginselen die eigen zijn aan iedere rechtsstaat, alsook de mensenrechten en de fundamentele vrijheden;

b) de veiligheid en de fysieke en morele vrijwaring van personen en de veiligheid en de vrijwaring van goederen;

3° ' de uitwendige veiligheid van de Staat en de internationale betrekkingen ' : het vrijwaren van de onschendbaarheid van het nationaal grondgebied, van de soevereiniteit en de onafhankelijkheid van de Staat, van de belangen van de landen waarmee België gemeenschappelijke doeleinden nastreeft, alsook van de internationale en andere betrekkingen die België met vreemde Staten en internationale of supranationale instellingen onderhoudt;

4° ' het wetenschappelijk of economisch potentieel ' : de vrijwaring van de essentiële elementen van het wetenschappelijk of economisch potentieel;

[...] ».

De opdrachten van de Algemene Dienst inlichting en veiligheid van de Krijgsmacht worden als volgt beschreven :

« Art. 11. § 1. De Algemene Dienst inlichting en veiligheid heeft als opdracht :

1° het inwinnen, analyseren en verwerken van inlichtingen die betrekking hebben op elke activiteit die de onschendbaarheid van het nationaal grondgebied, de militaire defensieplannen, het wetenschappelijk en economisch potentieel met betrekking tot de actoren, zowel de natuurlijke als de rechtspersonen, die actief zijn in de economische en industriële sectoren die verbonden zijn met defensie en die opgenomen zijn in een op voorstel van de Minister van Justitie en de Minister van Landsverdediging door het ministerieel Comité voor Inlichting en Veiligheid goedgekeurde lijst, de vervulling van de opdrachten van de strijdkrachten, of de veiligheid van de Belgische onderdanen in het buitenland of elk ander fundamenteel belang van het land, zoals gedefinieerd door de Koning op voorstel van het Ministerieel Comité, bedreigt of zou kunnen bedreigen, en er de bevoegde ministers onverwijld over inlichten alsook de regering, op haar verzoek, advies te verlenen bij de omschrijving van haar buitenlands defensiebeleid;

2° het zorgen voor het behoud van de militaire veiligheid van het personeel dat onder de Minister van Landsverdediging ressorteert, de militaire installaties, wapens, munitie, uitrusting, plannen, geschriften, documenten, informatica- en verbindingssystemen of andere militaire voorwerpen en, in het kader van de cyberaanvallen op militaire informatica- en verbindingssystemen of systemen die de Minister van Landsverdediging beheerst, de aanval neutraliseren en er de daders van identificeren, onverminderd het recht onmiddellijk met een eigen cyberaanval te reageren overeenkomstig de bepalingen van het recht van de gewapende conflicten;

3° het beschermen van het geheim dat, krachtens de internationale verbintenissen van België of teneinde de onschendbaarheid van het nationaal grondgebied en de vervulling van de opdrachten van de strijdkrachten te verzekeren, verbonden is met de militaire installaties, wapens, munitie, uitrusting, met de plannen, geschriften, documenten of andere militaire voorwerpen, met de militaire inlichtingen en verbindingen, alsook met de militaire informatica- en verbindingssystemen of die systemen die de Minister van Landsverdediging beheert;

[...]

§ 2. Voor de toepassing van § 1 wordt verstaan onder :

1° ' activiteit die de onschendbaarheid van het nationaal grondgebied bedreigt of zou kunnen bedreigen ' : elke uiting van het voornemen om, met middelen van militaire aard, het gehele grondgebied of een gedeelte ervan, alsook het luchtruim boven dat grondgebied of de territoriale wateren, in te nemen, te bezetten of aan te vallen, of de bescherming of het voortbestaan van de bevolking, het nationaal patrimonium of het economisch potentieel van het land in gevaar te brengen;

2° ' activiteit die de militaire defensieplannen bedreigt of zou kunnen bedreigen ' : elke uiting van het voornemen om op ongeoorloofde wijze kennis te nemen van de plannen betreffende de militaire verdediging van het nationaal grondgebied, van het luchtruim boven dat grondgebied of van de territoriale wateren en van de vitale belangen van de Staat, of betreffende de gemeenschappelijke militaire verdediging in het kader van een bondgenootschap of een internationaal of supranationaal samenwerkingsverband;

2°/1 ' activiteit die het wetenschappelijk en economisch potentieel bedreigt of zou kunnen bedreigen met betrekking tot de actoren, zowel de natuurlijke als de rechtspersonen, die actief zijn in de economische en industriële sectoren en die opgenomen zijn in een op voorstel van de Minister van Justitie en de Minister van Landsverdediging door het ministerieel Comité voor Inlichting en Veiligheid goedgekeurde lijst ' : elke uiting van het voornemen om de essentiële elementen van het wetenschappelijk en economisch potentieel van deze actoren in het gedrang te brengen;

3° ' activiteit die de vervulling van de opdrachten van de strijdkrachten bedreigt of zou kunnen bedreigen ' : elke uiting van het voornemen om de paraatstelling, de mobilisatie en de aanwending van de Belgische Krijgsmacht, van de geallieerde strijdkrachten of van intergeallieerde defensie-organisaties te neutraliseren, te belemmeren, te saboteren, in het gedrang te brengen of te verhinderen bij opdrachten, acties of operaties in nationaal verband, in het kader van een bondgenootschap of een internationaal of supranationaal samenwerkingsverband;

4° ' activiteit die de veiligheid van Belgische onderdanen in het buitenland bedreigt of zou kunnen bedreigen ' : elke uiting van het voornemen om het leven of de lichamelijke integriteit van Belgen in het buitenland en van hun familieleden collectief te schaden door verwoesting, afslachting of plundering ».

B.104.2.4. Rekening houdend met de aldus beschreven opdrachten van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, en in het bijzonder met de in de voormelde bepalingen aangebrachte preciseringen ten aanzien van het begrip « bedreiging », doet het bestreden artikel 18/3 geen afbreuk aan artikel 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

B.105. De grief is niet gegrond.

B.106. Ten slotte voert de verzoekende partij in de zaak nr. 5014 de schending aan, door artikel 16 van de wet van 30 november 1998, gewijzigd bij artikel 10 van de bestreden wet, van artikel 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

Volgens de verzoekende partij in de zaak nr. 5014 zou die wetswijziging het de inlichtingen- en veiligheidsdiensten voortaan mogelijk maken om, overeenkomstig artikel 3, § 3, van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, bij iedere persoon of organisatie die behoort tot de privésector, de inlichtingen in te winnen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van hun opdrachten. Voormeld artikel zou enkel in een wettelijke basis voorzien om inlichtingen bij de privésector te vragen maar zou niets zeggen over de verplichting van de privésector om inlichtingen te geven. De wet van 8 december 1992 zou in het algemeen niet toelaten gegevens te verschaffen. Het zou niet duidelijk zijn of de wet van 4 februari 2010 afwijkt van de wet van 8 december 1992. Het bestreden artikel zou zo dubbelzinnig zijn dat het niet als een rechtsgeldige wettelijke afwijking zou kunnen worden beschouwd.

B.107. Artikel 16 van de wet van 30 november 1998 bepaalt :

« In overeenstemming met artikel 3, § 4, van de wet van 8 december 1992, tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, kunnen de inlichtingen- en veiligheidsdiensten de inlichtingen noodzakelijk voor de uitoefening van hun opdrachten, met inbegrip van persoonsgegevens, inwinnen bij elke persoon of organisatie die behoort tot de privé-sector ».

B.108.1. Volgens de parlementaire voorbereiding houdt dit artikel een technische wijziging in :

« Het artikel 3 van de wet van 8 december 1992 werd gewijzigd door het artikel 4 van de wet van 11 december 1998 tot omzetting van de richtlijn 95/46/EG van 24 oktober 1995 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrij verkeer van die gegevens, waarbij de inhoud van de derde paragraaf van dat artikel, licht gewijzigd werd overgebracht naar de vierde paragraaf van dit artikel. De verwijzing in het artikel 16 dient ten gevolge van deze wijziging te worden aangepast » (Parl. St., Senaat, 2008-2009, nr. 4-1053/1, p. 40).

B.108.2. De Ministerraad werpt op dat het ingediende beroep laattijdig is. Immers, door het bestreden artikel 10 van de wet van 4 februari 2010 wordt enkel en alleen de verwijzing naar artikel 3, § 3, van de wet van 8 december 1992 vervangen door een verwijzing naar artikel 3, § 4. Bovendien kan, volgens de Ministerraad, niet worden aangenomen dat de wetgever een oude bepaling in een nieuwe wetgeving heeft overgenomen en zodoende op die wijze zich de inhoud van die bepaling zou hebben toegeëigend; de wetgever heeft duidelijk niet opnieuw willen legifereren. De vernietiging van artikel 10 van de wet van 4 februari 2010 zou enkel tot gevolg hebben dat het oude artikel 16 van de wet van 30 november 1998 opnieuw van kracht wordt en een onjuiste verwijzing zou bevatten naar de wet van 8 december 1992.

B.109.1. Het bestreden artikel 10 heeft, in artikel 16 van de wet van 30 november 1998, de woorden « artikel 3, § 3 » vervangen door de woorden « artikel 3, § 4 ».

Een dergelijke wijziging kan enkel worden beschouwd als een louter technische verduidelijking en geen uiting van de wil van de wetgever om in die aangelegenheid opnieuw wetgevend op te treden.

B.109.2. Het beroep is derhalve in werkelijkheid gericht tegen een wettelijke bepaling die is ingevoerd door de wet van 30 november 1998, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 18 december 1998, dit is meer dan zes maanden vóór de indiening van het huidige beroep tot vernietiging. Het beroep tegen die bepaling is derhalve niet ontvankelijk, omdat het niet is ingesteld binnen de termijn vastgesteld bij artikel 3, § 1, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof.

B.110. De grief is niet ontvankelijk.

Om die redenen,

het Hof

- vernietigt artikel 2, § 3, van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, ingevoegd bij artikel 2, 3°, van de wet van 4 februari 2010 betreffende de methoden voor het verzamelen van gegevens door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten;

- verwerpt de beroepen voor het overige, onder voorbehoud van de interpretaties vermeld in B.26.1 en B.77.

Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 22 september 2011.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

M. Bossuyt.

Vrije woorden

  • Beroepen tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de wet van 4 februari 2010 betreffende de methoden voor het verzamelen van gegevens door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, ingesteld door de Orde van Vlaamse balies en Jo Stevens en door de vzw « Liga voor Mensenrechten ». Veiligheid van de Staat

  • Methoden voor het verzamelen van gegevens door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten

  • A. Specifieke en uitzonderlijke methoden

  • 1. Controle a priori

  • Bestuurlijke Commissie

  • a Adviesbevoegdheid

  • b. Wettigheidscontrole

  • 2. Controle a posteriori

  • Vast Comité I

  • a. Wettigheidscontrole

  • (i) Adviesbevoegdheid

  • Ernstige aanwijzingen over strafbare feiten

  • (ii) Rechtsprekende bevoegdheid

  • b. Procedure

  • c. Samenstelling

  • 3. Ernstige aanwijzingen over strafbare feiten

  • Verplichte kennisgeving aan de Bestuurlijke Commissie

  • Niet-geclassificeerd proces-verbaal

  • Overzending aan de gerechtelijke overheden

  • 4. Kennisgeving op verzoek aan de betrokken persoon

  • 5. Subsidiariteitsvereiste

  • 6. Proportionaliteitsvereiste

  • B. Specifieke methoden

  • 1. Machtiging van het diensthoofd

  • Uitzondering

  • Uiterst dringende noodzakelijkheid

  • 2. Verlenging en hernieuwing

  • 3. Meenemen van voorwerpen

  • C. Uitzonderlijke methoden

  • 1. Verlenging en hernieuwing

  • 2. Afluisteren, kennisnemen van en opnemen van communicaties. # Rechten en vrijheden

  • 1. Jurisdictionele waarborgen

  • a. Rechten van de verdediging

  • b. Onafhankelijk en onpartijdig rechter

  • c. Recht op een eerlijk proces

  • (i) Wapengelijkheid

  • (ii) Contradictoir karakter

  • (iii) Toegang tot het inlichtingendossier

  • (iv) Recht op toegang tot de rechter

  • 2. Recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven

  • a. Beperkingen

  • b. Wettigheidsbeginsel

  • 3. Eigendomsrecht

  • Beperkingen.