- Arrest van 5 oktober 2011

05/10/2011 - 146/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof verwerpt het beroep.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit rechter J.-P. Snappe, waarnemend voorzitter, voorzitter M. Bossuyt, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Moerman, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul en F. Daoût, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van rechter J.-P. Snappe,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging

Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 29 juni 2010 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 1 juli 2010, hebben de vzw « Jurileven », met zetel te 1040 Brussel, Louis Hapstraat 198, de vzw « Pro Vita », met zetel te 1081 Brussel, Simonisplein 15, en de vzw « Jongeren voor het Leven », met zetel te 1081 Brussel, J. Besmestraat 132, beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 26, 3°, van de wet van 23 december 2009 houdende diverse bepalingen inzake volksgezondheid (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 29 december 2009).

(...)

II. In rechte

(...)

B.1.1. De wet van 19 december 2008 « inzake het verkrijgen en het gebruik van menselijk lichaamsmateriaal met het oog op de geneeskundige toepassing op de mens of het wetenschappelijk onderzoek » is in beginsel van toepassing op « de donatie, de wegneming, het verkrijgen, testen, bewerken, preserveren, bewaren, distribueren en gebruiken van menselijk lichaamsmateriaal, bestemd voor de toepassing op de mens of het wetenschappelijk onderzoek » (artikel 3, § 1, eerste lid, van die wet).

Artikel 3, § 4, van de wet van 19 december 2008 bepaalde oorspronkelijk :

« De bepalingen van deze wet gelden onverminderd de bepalingen van de wet van 11 mei 2003 betreffende het onderzoek op embryo's in vitro.

Onverminderd de wet van 6 juli 2007 betreffende de medisch begeleide voortplanting en de bestemming van de overtallige embryo's en de gameten, stelt de Koning, bij in Ministerraad overlegd besluit, de lijst van de artikelen van onderhavige wet vast die van toepassing zijn op de donatie, de wegneming, de handelingen en het gebruik wanneer gameten, gonaden, fragmenten van gonaden, embryo's of foetussen hiervan het voorwerp zijn.

Het in artikel 2, g), van de wet van 6 juli 2007 bedoelde fertiliteitscentrum wordt gelijkgesteld met een bank voor menselijk lichaamsmateriaal voor de toepassing van deze wet.

De handelingen met gameten en embryo's kunnen uitsluitend worden verricht door de in het vorige lid bedoelde fertiliteitscentra ».

B.1.2. Artikel 26, 3°, van de wet van 23 december 2009 houdende diverse bepalingen inzake volksgezondheid vervangt het tweede lid van die bepaling door de volgende tekst :

« Onverminderd de bepalingen van de wet van 6 juli 2007 betreffende de medisch begeleide voortplanting en de bestemming van de overtallige embryo's en de gameten, zijn de bepalingen van deze wet, met uitzondering van de artikelen 7, § 4, 8, § 1, eerste lid, 4°, en § 2, en 10, § 4, van toepassing op de donatie, de wegneming, de handelingen en het gebruik wanneer gameten, gonaden, fragmenten van gonaden, embryo's of foetussen hiervan het voorwerp zijn.

De bepaling van het tweede lid van deze paragraaf geldt niet voor artikel 4, § 1, en voor artikel 13, eerste en derde lid, in geval van wegneming van mannelijke gameten.

De bepaling van het tweede lid van deze paragraaf geldt niet voor artikel 4, § 2, in het geval van partnerdonatie van mannelijke gameten die onmiddellijk ter plaatse worden toegepast op de vrouwelijke partner met het oog op de voortplanting.

De bepaling het tweede lid van deze paragraaf geldt niet voor artikel 20, § 2, in de gevallen het een gebruik van embryo's of foetaal menselijk lichaamsmateriaal betreft of gameten of gonaden met het oog op het tot stand brengen van embryo's ».

Ten aanzien van het belang van de verzoekende partijen

B.2.1. Artikel 142, derde lid, van de Grondwet en artikel 2, 2°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof leggen iedere rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, de verplichting op te doen blijken van een belang.

Van het vereiste belang doen enkel de personen blijken wier situatie rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt door de bestreden norm. De actio popularis is niet toelaatbaar.

Wanneer een vereniging zonder winstoogmerk die niet haar persoonlijk belang aanvoert, voor het Hof optreedt, is vereist dat haar maatschappelijk doel van bijzondere aard is en, derhalve, onderscheiden van het algemeen belang; dat zij een collectief belang verdedigt; dat haar maatschappelijk doel door de bestreden norm kan worden geraakt; dat ten slotte niet blijkt dat dit maatschappelijk doel niet of niet meer werkelijk wordt nagestreefd.

B.2.2. De eerste verzoekende partij leidt haar belang bij het vorderen van de vernietiging van artikel 26, 3°, van de wet van 23 december 2009 af uit het feit dat, luidens artikel 3 van haar huidige statuten (bekendgemaakt in de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad van 19 april 2007), haar doel bestaat in « de bevordering van de eerbied voor het menselijk leven en de integriteit van de persoon, rechtssubject vanaf de conceptie en in alle stadia van zijn bestaan ».

B.2.3. Dat maatschappelijk doel is onderscheiden van het algemeen belang.

B.2.4. De wet van 19 december 2008 is in beginsel van toepassing op de donatie, de wegneming, het verkrijgen, testen, bewerken, preserveren, bewaren, distribueren en gebruiken van menselijk lichaamsmateriaal bestemd voor de toepassing op de mens of het wetenschappelijk onderzoek (artikel 3, § 1, eerste lid, van die wet).

De bestreden bepaling heeft tot doel het toepassingsgebied van die wet af te bakenen voor bepaalde delen van dat materiaal, namelijk de gameten, de gonaden, fragmenten van gonaden, de embryo's of de foetussen.

Aangezien de regels waarvan het toepassingsgebied met name wordt gedefinieerd door de bestreden bepaling, de eerbied voor het menselijk leven, in de zin van het maatschappelijk doel van de eerste verzoekende partij, rechtstreeks en ongunstig kunnen raken, doet zij blijken van het vereiste belang om de vernietiging ervan te vorderen.

B.2.5. Er dient niet te worden onderzocht of de twee andere verzoekende partijen eveneens doen blijken van het vereiste belang om die bepaling te bestrijden.

Ten aanzien van het eerste middel

B.3. Uit de uiteenzetting van het verzoekschrift tot vernietiging blijkt dat het eerste middel betrekking heeft op de grondwettigheid van artikel 3, § 4, tweede en vijfde lid, van de wet van 19 december 2008, gewijzigd bij artikel 26, 3°, van de wet van 23 december 2009.

Het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid van die bepaling met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre de bestreden bepaling, ten aanzien van de wegneming en het gebruik, een verschil in behandeling zou invoeren tussen de foetussen in vitro en de foetussen in vivo, alsook een verschil in behandeling tussen, enerzijds, de « ouder » van een embryo in vitro en, anderzijds, de « ouder » van een embryo en van een foetus in vivo.

B.4. Het bestaan van beide verschillen in behandeling die in het middel worden aangeklaagd, veronderstelt dat de bestreden bepaling het statuut van het embryo of de foetus in vivo anders regelt dan dat van het embryo of de foetus in vitro.

De bestreden bepaling past echter dezelfde regeling toe met betrekking tot enerzijds, het embryo of de foetus in vivo en, anderzijds, het embryo of de foetus in vitro.

B.5. Het eerste middel steunt op een verkeerde lezing van de bestreden bepaling en is derhalve niet gegrond.

Ten aanzien van het tweede middel

B.6. Uit de uiteenzetting van het verzoekschrift tot vernietiging blijkt dat het tweede middel betrekking heeft op artikel 3, § 4, tweede lid, van de wet van 19 december 2008, vervangen bij artikel 26, 3°, bij de wet van 23 december 2009.

Het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid van die bepaling met artikel 22bis van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 2.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 6, lid 1, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, en met artikel 6, lid 1, van het Verdrag inzake de rechten van het kind, in zoverre de bestreden bepaling voortaan de « wegneming » en het « gebruik » van embryo's in vivo en van foetussen in vivo zou toestaan voor toepassingen op de mens of met het oog op wetenschappelijk onderzoek.

B.7. Het embryo is « de cel of het functioneel geheel van cellen met een leeftijd tussen de bevruchting en een ontwikkeling van acht weken en met het vermogen, door hun ontwikkeling, te leiden tot de geboorte van een menselijk persoon » (artikel 2, 4°, van de wet van 19 december 2008), terwijl de foetus « het functioneel geheel van cellen met een ontwikkeling van meer dan acht weken en met het vermogen, door hun ontwikkeling, te leiden tot de geboorte van een menselijke persoon » is (artikel 2, 5°, van de wet van 19 december 2008).

B.8. Artikel 22bis van de Grondwet - ingevoegd bij de grondwetsherziening van 23 maart 2000 en gewijzigd bij de grondwetsherziening van 22 december 2008 - bepaalt :

« Elk kind heeft recht op eerbiediging van zijn morele, lichamelijke, geestelijke en seksuele integriteit.

Elk kind heeft het recht zijn mening te uiten in alle aangelegenheden die het aangaan; met die mening wordt rekening gehouden in overeenstemming met zijn leeftijd en zijn onderscheidingsvermogen.

Elk kind heeft recht op maatregelen en diensten die zijn ontwikkeling bevorderen.

Het belang van het kind is de eerste overweging bij elke beslissing die het kind aangaat.

De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen deze rechten van het kind ».

B.9. De rechten toegekend aan kinderen door artikel 22bis van de Grondwet strekken zich niet uit tot het embryo en de foetus in de zin van de wet van 19 december 2008.

B.10. Het tweede middel is niet gegrond.

Om die redenen,

het Hof

verwerpt het beroep.

Aldus uitgesproken in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 5 oktober 2011.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux

De wnd. voorzitter,

J.-P. Snappe

Vrije woorden

  • Beroep tot vernietiging van artikel 26, 3°, van de wet van 23 december 2009 houdende diverse bepalingen inzake volksgezondheid, ingesteld door de vzw « Jurileven » en anderen. Gezondheidsrecht

  • Gebruik van menselijk lichaamsmateriaal

  • 1. Embryo of foetus in vivo

  • 2. Embryo of foetus in vitro. # Rechten en vrijheden

  • Rechten van het kind.