- Arrest van 5 oktober 2011

05/10/2011 - 147/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof verwerpt het beroep.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en R. Henneuse, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul en F. Daoût, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging

Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 5 oktober 2010 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 6 oktober 2010, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 10, eerste lid, en 138, 1°, van de wet van 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 12 april 2010) door de vzw « Vlaams Komitee voor Brussel », met maatschappelijke zetel te 1000 Brussel, Drukpersstraat 20.

(...)

II. In rechte

(...)

Wat de bestreden bepalingen betreft

B.1.1. De verzoekende partij, de vzw « Vlaams Komitee voor Brussel », vordert de vernietiging van de artikelen 10, eerste lid, en 138, 1°, van de wet van 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming (hierna : WMPC).

Artikel 10, eerste lid, bepaalt :

« De vermeldingen die het voorwerp zijn van de etikettering en die dwingend voorgeschreven zijn bij deze wet, bij haar uitvoeringsbesluiten en bij de uitvoeringsbesluiten bedoeld in artikel 139, § 2, tweede lid, de gebruiksaanwijzingen en de garantiebewijzen zijn minstens gesteld in een voor de gemiddelde consument begrijpelijke taal, gelet op het taalgebied waar de goederen of diensten, onder bezwarende titel of gratis, aan de consument worden aangeboden ».

Artikel 138, 1°, bepaalt :

« Worden opgeheven :

1° de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument;

[...] ».

B.1.2. De aangelegenheid die met het bestreden artikel 10, eerste lid, van de WMPC wordt geregeld, werd voordien geregeld door artikel 13, eerste lid, van de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument (hierna : WHPC).

Dat artikel 13, eerste lid, bepaalde :

« De vermeldingen die het voorwerp zijn van de etikettering en die dwingend voorgeschreven zijn bij deze wet, bij haar uitvoeringsbesluiten en bij de uitvoeringsbesluiten bedoeld in artikel 122, tweede lid, de gebruiksaanwijzingen en de garantiebewijzen zijn minstens gesteld in de taal of de talen van het taalgebied waar de producten of diensten op de markt worden gebracht ».

Wat de ontvankelijkheid betreft

B.2.1. De Ministerraad voert aan dat het beroep tot vernietiging gedeeltelijk onontvankelijk is, omdat artikel 138, 1°, van de WMPC de gehele opheffing van de WHPC regelt, terwijl het enige middel enkel is gericht tegen de opheffing van artikel 13, eerste lid, van de WHPC.

B.2.2. Daar het enige middel van het verzoekschrift enkel is gericht tegen de in artikel 138, 1°, van de WMPC bepaalde opheffing van artikel 13, eerste lid, van de WHPC, is het door de verzoekende partij ingediende beroep slechts in die mate ontvankelijk.

B.3.1. De Ministerraad voert aan dat het enige middel onontvankelijk is, gelet op de omstandigheid dat zowel de te vergelijken categorieën als de wijze waarop die categorieën verschillend zouden worden behandeld, op loutere hypothesen zouden berusten.

B.3.2. De verzoekende partij is van oordeel dat de artikelen 10, eerste lid, en 138, 1°, van de WMPC de artikelen 10 en 11, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 4, van de Grondwet schenden, omdat daardoor een onverantwoord verschil in behandeling wordt doorgevoerd tussen de Nederlandstalige consumenten en de Franstalige consumenten in Brussel-Hoofdstad (eerste onderdeel) en tussen de bedrijven, actief in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad die er etiketten, garantiebewijzen en handleidingen in de zin van WMPC op de markt brengen en bedrijven, actief in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad die, overeenkomstig artikel 52, § 1, van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, akten en bescheiden die bij de wetten en reglementen zijn voorgeschreven, vaststellen (tweede onderdeel).

B.3.3. De door de verzoekende partij bekritiseerde verschillen in behandeling berusten op hypothesen die hun oorsprong vinden in de wijze waarop de bestreden bepaling door haar wordt geïnterpreteerd. Wanneer een exceptie van onontvankelijkheid tevens betrekking heeft op de draagwijdte die aan de bestreden bepaling dient te worden gegeven, valt het onderzoek van de ontvankelijkheid samen met dat van de grond van de zaak.

Ten gronde

B.4.1. Uit de totstandkoming van de bestreden bepaling blijkt dat de wetgever een wetswijziging noodzakelijk heeft geacht om tegemoet te komen aan de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat het vroegere artikel 13 van de WHPC niet voldeed aan het Unierecht door te eisen dat de informatie op etiketten minstens moet zijn gesteld in de taal of in de talen van het taalgebied waar de producten of diensten op de markt worden gebracht, waardoor het gebruik van andere middelen waarmee de informatie van de consument kan worden verzekerd, zoals pictogrammen, tekeningen of symbolen, werd uitgesloten (HvJ, 3 juni 1999, C-33/97, Colim, punt 41).

B.5.1. De bestreden bepaling wordt in de parlementaire voorbereiding als volgt toegelicht :

« Daarnaast werd ook het vereiste dat de vermeldingen moeten zijn opgesteld in minstens de taal of de talen van het taalgebied waar de goederen of de diensten op de markt worden gebracht, gewijzigd in een vereiste om de vermeldingen op te stellen in een voor de consument begrijpelijke taal. Dit laatste is nodig om tegemoet te komen aan de rechtspraak van het Hof van Justitie (HvJ 3 juni 1999, Colim NV/Bigg's Continent Noord NV, zaak C-33/97, Jur. 1999, I-3175) » (Parl. St., Kamer, 2009-2010, DOC 52-2340/001, pp. 43-44).

B.5.2. Aangaande de betekenis van de begrippen « gemiddelde consument » en « begrijpelijke taal » verduidelijkt de memorie van toelichting :

« Om te vermijden dat het voorgaande zou kunnen worden geïnterpreteerd in de zin dat elke individuele consument zou kunnen eisen geïnformeerd te worden in een voor hem begrijpelijke taal, dus ook bijvoorbeeld een buitenlandse bezoeker die de taal van de streek niet machtig is, wordt gespecificeerd dat de consument die daarbij in aanmerking moet worden genomen, de "gemiddelde" consument is (d.i. de redelijk geïnformeerde, omzichtige en oplettende consument) en wordt er aan toegevoegd dat daarbij rekening moet worden gehouden met het taalgebied waar de goederen of diensten aan de consument worden aangeboden » (ibid., p. 44).

B.5.3. Verder licht de parlementaire voorbereiding nog toe :

« De minister van Klimaat en Energie verwijst naar de algemene bespreking en naar de memorie van toelichting. Daarnaast beklemtoont hij dat vooreerst moet worden opgemerkt dat de Belgische rechtspraak reeds decennia lang quasi unaniem het concept van de gemiddelde consument hanteert. De toevoeging van de kwalificatie "gemiddelde" zal bijgevolg geen verandering brengen aan de rechtspraktijk. Reeds bij de invoering van de regels inzake oneerlijke handelspraktijken jegens consumenten bij wet van 5 juni 2007, werd in de memorie van toelichting uitdrukkelijk gezegd dat het criterium van de in aanmerking te nemen consument, de gemiddelde consument was.

De Europese Commissie heeft België evenwel formeel in gebreke gesteld om het woord "gemiddelde" ook toe te voegen in de wettekst zelf. Het wetsontwerp komt daaraan tegemoet door, waar toepasselijk, in de artikelen die handelspraktijken jegens consumenten betreffen, uitdrukkelijk te vermelden dat het de gemiddelde consument is die in aanmerking moet worden genomen voor de toepassing van de regel » (Parl. St., Kamer, 2009-2010, DOC 52-2340/005, p. 53).

B.5.4. Wat onder « een voor de gemiddelde consument begrijpelijke taal » moet worden verstaan, is als volgt gepreciseerd :

« [...] het [is] de bedoeling om pictogrammen toe te laten, voor zover deze begrijpelijk zijn voor de gemiddelde consument; meldingen in het Engels lijken hem voor de gemiddelde consument ontoereikend. Desgevraagd bevestigt de minister dat niet wordt afgestapt van de taal van het betrokken taalgebied » (ibid., p. 54).

B.6.1. Uit de totstandkoming van de bestreden bepaling blijkt dus dat de wetgever de verwijzing naar « een voor de gemiddelde consument begrijpelijke taal » noodzakelijk heeft geacht om toe te laten dat op etiketten, gebruiksaanwijzingen en garantiebewijzen, voortaan ook beeldtaal moet zijn toegelaten wanneer die begrijpelijk is voor de gemiddelde consument. Uit de geciteerde parlementaire stukken blijkt dat, in tegenstelling tot wat de verzoekster beweert, de wetgever van het vroegere artikel 13, eerste lid, van de WHPC niet heeft willen afwijken voor zover daarin naar de taal van de taalgebieden wordt verwezen. Specifiek wat het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad betreft, zou uit de bestreden bepaling niet kunnen worden afgeleid dat het Nederlands en het Frans door de producenten niet op dezelfde wijze zouden moeten worden behandeld, wanneer de informatie aan de gemiddelde consument niet anders kan worden verzekerd dan door het gebruik van de taal of van de talen van het taalgebied waar het goed of de dienst op de markt wordt gebracht.

B.6.2. Het enige middel berust derhalve op een verkeerde lezing van de bestreden bepaling.

Om die reden,

het Hof

verwerpt het beroep.

Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 5 oktober 2011.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

M. Bossuyt.

Vrije woorden

  • Beroep tot vernietiging van de artikelen 10, eerste lid, en 138, 1°, van de wet van 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming, ingesteld door de vzw « Vlaams Komitee voor Brussel ». Handelsrecht

  • Informatie op etiketten

  • Taal begrijpelijk voor de gemiddelde consument.