- Arrest van 5 oktober 2011

05/10/2011 - 148/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof verwerpt de vordering tot schorsing.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul en F. Daoût, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter R. Henneuse,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de vordering en rechtspleging

Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 26 juli 2011 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 27 juli 2011, is een vordering tot schorsing ingesteld van de wet van 1 juni 2011 tot instelling van een verbod op het dragen van kleding die het gezicht volledig dan wel grotendeels verbergt (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 13 juli 2011), door Samia Belkacemi, wonende te 1030 Brussel, Paviljoenstraat 92, en Yamina Oussar, wonende te 4020 Luik, rue Léon Frédéricq 23.

Bij hetzelfde verzoekschrift vorderen de verzoekende partijen eveneens de vernietiging van dezelfde wet.

(...)

II. In rechte

(...)

Ten aanzien van de bestreden bepalingen

B.1. De vordering tot schorsing is gericht tegen de wet van 1 juni 2011 « tot instelling van een verbod op het dragen van kleding die het gezicht volledig dan wel grotendeels verbergt ».

Die wet bepaalt :

« Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2. In het Strafwetboek wordt een artikel 563bis ingevoegd, luidende :

' Art. 563bis. Met geldboete van vijftien euro tot vijfentwintig euro en met gevangenisstraf van een dag tot zeven dagen of met een van deze straffen alleen worden gestraft, zij die zich, behoudens andersluidende wetsbepalingen, in de voor het publiek toegankelijke plaatsen begeven met het gezicht geheel of gedeeltelijk bedekt of verborgen, zodat zij niet herkenbaar zijn.

Het eerste lid geldt echter niet voor hen die zich in de voor het publiek toegankelijke plaatsen begeven met het gezicht geheel of gedeeltelijk bedekt of verborgen, zodat zij niet herkenbaar zijn, en wel krachtens arbeidsreglementen of een politieverordening naar aanleiding van feestactiviteiten '.

Art. 3. In artikel 119bis van de Nieuwe Gemeentewet, ingevoegd bij de wet van 13 mei 1999 en gewijzigd bij de wetten van 7 mei 2004, 17 juni 2004, 20 juli 2005, 15 mei 2006, 25 januari 2007 en 15 mei 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1. in § 2, derde lid, worden de woorden ' en 563, 2° en 3° ', vervangen door de woorden ' 563, 2° en 3°, en 563bis ' ;

2. in § 7, 1°, worden de woorden ' of 563, 2° en 3° ' vervangen door de woorden ' 563, 2° en 3°, en 563bis ';

3. in § 8, tweede lid, worden de woorden ' en 563, 2° en 3° ' vervangen door de woorden ', 563, 2° en 3°, en 563bis ' ».

Ten aanzien van het belang

B.2.1. Aangezien de vordering tot schorsing ondergeschikt is aan het beroep tot vernietiging, dient de ontvankelijkheid van dat laatste, en met name het bestaan van het vereiste belang, reeds bij het onderzoek van de vordering tot schorsing te worden betrokken.

B.2.2. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt.

B.2.3. Zoals in het verzoekschrift wordt gepreciseerd, zijn de verzoekende partijen vrouwen die het islamitische geloof belijden, in België leven en beiden de volledige sluier, meer bepaald de nikab, dragen. Ter ondersteuning van hun belang voeren zij aan dat de bestreden wet, zoals die is opgesteld, ondanks de algemene bewoordingen ervan, op overdreven wijze interfereert met vrijheden die zij willen uitoefenen als moslima's die om religieuze redenen de volledige sluier dragen en als vrouwen, en op die manier ten aanzien van hen een discriminerende situatie in het leven roept.

B.2.4. De situatie van de verzoekende partijen zou rechtstreeks en ongunstig kunnen worden geraakt door de bestreden wet, aangezien die laatste bepaalt dat een strafrechtelijke sanctie kan worden opgelegd aan iedere persoon die zich in de voor het publiek toegankelijke plaatsen begeeft met het gezicht geheel of gedeeltelijk bedekt of verborgen, zodat hij niet herkenbaar is.

B.2.5. Het beperkte onderzoek van de ontvankelijkheid van het beroep tot vernietiging waartoe het Hof in het kader van de vordering tot schorsing is kunnen overgaan, toont niet aan dat het beroep tot vernietiging - en dus de vordering tot schorsing - onontvankelijk moet worden geacht.

Ten aanzien van de vordering tot schorsing

B.3. Luidens artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof dienen twee grondvoorwaarden te worden vervuld opdat tot de schorsing kan worden besloten :

- er dienen ernstige middelen te worden aangevoerd;

- de onmiddellijke uitvoering van de bestreden regel dient een moeilijk te herstellen ernstig nadeel te kunnen berokkenen.

Ten aanzien van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel

B.4.1. De schorsing door het Hof van een wetsbepaling moet het mogelijk maken te voorkomen dat de onmiddellijke toepassing van de bestreden normen de verzoekende partij een ernstig nadeel berokkent dat niet of moeilijk zou kunnen worden hersteld wanneer die normen worden vernietigd.

B.4.2. Het door de verzoekende partijen aangevoerde nadeel zou erin bestaan dat zij, zodra de bestreden wet daadwerkelijk wordt toegepast, ertoe zouden zijn verplicht ofwel thuis te blijven, ofwel zich in een voor het publiek toegankelijke plaats te begeven waarbij zij dan het risico lopen te worden bekeurd - hetgeen hun waardigheid zou aantasten - en geldboeten of gevangenisstraffen te worden opgelegd, ofwel nog, tegen hun wil afstand te doen van de uitoefening van bepaalde fundamentele vrijheden om hun vrijheid van verkeer te behouden.

B.5. Uit artikel 22 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof blijkt dat, om te voldoen aan de tweede voorwaarde van artikel 20, 1°, van die wet, de persoon die een vordering tot schorsing instelt, in zijn verzoekschrift concrete en precieze feiten moet uiteenzetten waaruit voldoende blijkt dat de onmiddellijke toepassing van de bepalingen waarvan hij de vernietiging vordert, hem een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen.

Die persoon moet met name het bestaan van het risico van een nadeel, de ernst ervan en het verband tussen dat risico en de toepassing van de bestreden bepalingen aantonen.

B.6.1. Indien de verzoekende partijen voor de strafrechter zouden worden vervolgd omdat zij zich in voor het publiek toegankelijke ruimten begeven met het gezicht volledig of gedeeltelijk verborgen door een kledingstuk waardoor zij niet kunnen worden geïdentificeerd, belet niets dat zij in de loop van die procedure aan de rechter vragen aan het Hof een prejudiciële vraag te stellen over de bestaanbaarheid van het nieuwe artikel 563bis van het Strafwetboek met de grondwetsbepalingen, in samenhang gelezen met de verdragsbepalingen die in het thans onderzochte verzoekschrift worden beoogd.

B.6.2. Indien de verzoekende partijen ten slotte bij beslissing van een strafgerecht zouden worden bestraft met toepassing van de bestreden wet, zouden zij alsnog de intrekking van een dergelijke beslissing kunnen vorderen op basis van artikel 10 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 indien de wetsbepaling waarop die sanctie steunt, door het Hof zou worden vernietigd.

Het bestaan van een risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel staat derhalve niet vast in de hypothese van een eventuele vervolging voor de strafrechter.

B.6.3. Indien de verzoekende partijen zich houden aan de bestreden bepalingen, kan hun niet de strafrechtelijke sanctie worden opgelegd die is verbonden aan het gedrag dat die bepalingen willen verbieden. Ten aanzien van het feit dat de verzoekende partijen in dat geval ertoe zouden zijn verplicht afstand te doen van de uitoefening van sommige fundamentele vrijheden om hun vrijheid van verkeer te behouden, zou een dergelijk nadeel niet als dermate ernstig kunnen worden beschouwd dat het de schorsing van de bestreden wet zou kunnen verantwoorden. Uit het verzoekschrift en de pleidooien blijkt immers dat, hoewel de verzoekende partijen beweren de volledige sluier te dragen uit persoonlijke overtuiging, zij aangeven dat in sommige omstandigheden kan worden afgeweken van de uiting van hun overtuiging. Zij tonen in dit stadium niet aan om welke reden zij een dergelijke afwijking niet zouden kunnen aanvaarden tijdens de beperkte duur van de procedure voor het Hof.

B.7. Aangezien niet is voldaan aan de voorwaarde in verband met het moeilijk te herstellen ernstig nadeel, dient geen uitspraak te worden gedaan over de ernst van de middelen. Het Hof zal die onderzoeken wanneer het uitspraak doet over het beroep tot vernietiging.

Om die redenen,

het Hof

verwerpt de vordering tot schorsing.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 5 oktober 2011.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

R. Henneuse.

Vrije woorden

  • Vordering tot schorsing van de wet van 1 juni 2011 tot instelling van een verbod op het dragen van kleding die het gezicht volledig dan wel grotendeels verbergt, ingesteld door Samia Belkacemi en Yamina Oussar Strafrecht

  • Misdrijven

  • Overtredingen

  • Zich in voor het publiek toegankelijke ruimten begeven met het gezicht geheel of gedeeltelijk verborgen door een kledingstuk. # Schorsing

  • Geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel.