- Arrest van 13 oktober 2011

13/10/2011 - 156/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

De artikelen 67, 81 en 82 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en R. Henneuse, en de rechters L. Lavrysen, A. Alen, E. Derycke, J. Spreutels en P. Nihoul, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij arrest van 19 januari 2011 in zake Gertrudis Maria Richard Reynaert tegen de vzw « Internationaal Perscentrum Vlaanderen », waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 26 januari 2011, heeft het Arbeidshof te Antwerpen de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Zijn de artikelen 67, 81 en 82 van de arbeidsovereenkomstenwet in strijd met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre deze bepalingen toelaten om een werknemer tijdens de proeftijd te ontslaan met verkorte opzeggingstermijn om redenen van de prestaties of van de geschiktheid van de werknemer terwijl ook een werknemer die ontslagen wordt tijdens de proeftijd om redenen vreemd aan zijn prestaties of geschiktheid met verkorte opzeggingstermijn kan ontslagen worden ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. De in het geding zijnde bepalingen maken deel uit van titel III « De arbeidsovereenkomst voor bedienden » van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.

Krachtens artikel 67 kan de arbeidsovereenkomst een proefbeding bevatten. Op straffe van nietigheid moet dat beding voor iedere bediende afzonderlijk worden vastgesteld, uiterlijk op het tijdstip waarop de bediende in dienst treedt. De proeftijd duurt minstens een maand, maar de partijen kunnen een langere proeftijd overeenkomen. De maximumduur van de proeftijd bedraagt zes of twaalf maanden en is afhankelijk van de hoogte van het loon.

Artikel 82 regelt de duur van de opzeggingstermijn in geval van eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur, wanneer de opzegging niet tijdens de proeftijd plaatsvindt. Die opzeggingstermijn is afhankelijk van de hoogte van het loon en van de anciënniteit van de bediende. Zij bedraagt minstens drie maanden wanneer de overeenkomst door de werkgever wordt opgezegd.

Artikel 81 regelt de eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst tijdens de proeftijd. Het bepaalt :

« § 1. Onverminderd de toepassing van artikel 79, kan de overeenkomst tijdens de proeftijd zonder dringende reden niet eenzijdig worden beëindigd dan met inachtneming van een opzeggingstermijn van zeven dagen, waarvan kennis wordt gegeven in de vorm bepaald in artikel 37, tweede tot vierde lid. Wanneer een dergelijke opzegging tijdens de eerste maand wordt gegeven, dan heeft de beëindiging ten vroegste op de laatste dag van deze maand uitwerking.

§ 2. De partij die de overeenkomst beëindigt zonder dringende reden of zonder inachtneming van de opzeggingstermijn gesteld in § 1, is gehouden de andere partij een vergoeding te betalen die gelijk is aan het lopend loon en de voordelen verworven krachtens overeenkomst, overeenstemmend hetzij met de duur van de opzeggingstermijn, hetzij met het resterende gedeelte van die termijn.

Wanneer die beëindiging gebeurt tijdens de eerste maand van de proeftijd dan is de vergoeding gelijk aan het lopend loon en de voordelen verworven krachtens overeenkomst, overeenstemmend met het resterende gedeelte van die maand vermeerderd met de duur van de opzeggingstermijn ».

Artikel 79, waarnaar in de voormelde bepaling wordt verwezen, staat de beëindiging van de overeenkomst gedurende de proeftijd zonder vergoeding toe in geval van afwezigheid wegens ziekte of ongeval die meer dan zeven dagen duurt. Die uitzondering is te dezen niet in het geding.

B.2. De prejudiciële vraag heeft betrekking op de in artikel 81 vermelde opzeggingstermijn. Het Hof wordt gevraagd of die termijn de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt doordat hij voor werknemers die wegens ongeschiktheid voor de functie worden ontslagen en voor werknemers die om een andere reden worden ontslagen, dezelfde is.

B.3. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet waarborgen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Dat beginsel verhindert niet alleen dat personen die zich in dezelfde situatie bevinden, verschillend worden behandeld, wanneer dat verschil in behandeling niet redelijk kan worden verantwoord. Het beginsel staat eveneens eraan in de weg dat personen die zich in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op dezelfde wijze worden behandeld, wanneer voor die gelijke behandeling geen redelijke verantwoording bestaat.

B.4. Bij het bepalen van zijn beleid in sociaaleconomische aangelegenheden beschikt de wetgever over een ruime beoordelingsbevoegdheid. Inzake de bescherming van de werknemer tijdens de proeftijd kan een gelijke behandeling op het vlak van de opzeggingstermijn slechts discriminerend worden bevonden wanneer die gelijke behandeling kennelijk onredelijk is.

B.5. Weliswaar is een proeftijd in hoofdzaak bedoeld om de geschiktheid van de werknemer te beoordelen voor het uitoefenen van de betrekking waarvoor hij werd aangeworven. Niettemin blijkt dat de proeftijd in artikel 81 als een testperiode in de ruimere zin is opgevat, die de betrekking in het algemeen betreft en die derhalve ook om andere redenen dan de geschiktheid van de werknemer een verminderde ontslagbescherming kan rechtvaardigen.

Het zou enkel aan de wetgever toekomen, met eerbiediging van de in het geding zijnde beginselen, de redenen te beperken die tot de beëindiging van de arbeidsovereenkomst tijdens de proeftijd, met inachtneming van een opzeggingstermijn van zeven dagen, aanleiding kunnen geven.

B.6. Zoals de Ministerraad aanvoert, kan het misbruik van de soepele ontslagregeling tijdens de proeftijd aanleiding geven tot het toekennen van een schadevergoeding, waarmee op voldoende wijze wordt tegemoetgekomen aan het recht op bescherming tegen iedere vorm van kennelijk onredelijk ontslag, zoals met name gewaarborgd bij artikel 30 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

B.7. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

De artikelen 67, 81 en 82 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 13 oktober 2011.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

M. Bossuyt.

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag over de artikelen 67, 81 en 82 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, gesteld door het Arbeidshof te Antwerpen. Sociaal recht

  • Arbeidsrecht

  • Arbeidsovereenkomsten

  • Bedienden

  • Ontslag tijdens de proeftijd

  • 1. Verkorte opzeggingstermijn

  • 2. Ontslag wegens ongeschiktheid voor de functie

  • 3. Ontslag om redenen vreemd aan de ongeschiktheid voor de functie.