- Arrest van 20 oktober 2011

20/10/2011 - 161/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

- Artikel 14, § 1, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

- De ontstentenis van een wetsbepaling die een beroep regelt tegen een beslissing die de Hoge Raad voor de Justitie heeft genomen ten aanzien van de kandidaten die deelnemen aan het vergelijkend toelatingsexamen tot de gerechtelijke stage, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit rechter J.-P. Snappe, waarnemend voorzitter, voorzitter M. Bossuyt, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, P. Nihoul en F. Daoût, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van rechter J.-P. Snappe,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij arrest nr. 209.778 van 16 december 2010 in zake P.F. tegen de Belgische Staat en tegen de Hoge Raad voor de Justitie, in aanwezigheid van M.-A. P. en anderen, tussenkomende partijen, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 28 december 2010, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 14, § 1, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, zoals het voortvloeit uit de wet van 15 mei 2007, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het de kandidaten voor een ambt in de magistratuur een beroep bij de Raad van State ontzegt tegen de beslissingen die te hunnen aanzien zijn genomen door de Hoge Raad voor de Justitie en die tot gevolg hebben dat hun de toegang tot het ambt van magistraat wordt ontzegd, terwijl de kandidaten voor een ander openbaar ambt over een dergelijk beroep beschikken tegen de beslissingen die te hunnen aanzien zijn genomen door SELOR ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. Artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt :

« De afdeling [bestuursrechtspraak] doet uitspraak, bij wijze van arresten, over de beroepen tot nietigverklaring wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht, ingesteld tegen de akten en reglementen :

1° van de onderscheiden administratieve overheden;

2° van de wetgevende vergaderingen of van hun organen, daarbij inbegrepen de ombudsmannen ingesteld bij deze assemblees, van het Rekenhof en van het Grondwettelijk Hof, van de Raad van State en van de administratieve rechtscolleges evenals van organen van de rechterlijke macht en van de Hoge Raad voor de Justitie met betrekking tot overheidsopdrachten en leden van hun personeel.

Artikel 159 van de Grondwet is eveneens van toepassing op de in 2° bedoelde akten en reglementen ».

B.2.1. In het arrest waarbij het Hof wordt ondervraagd, oordeelt de Raad van State dat het voormelde artikel 14, § 1, « de bevoegdheid van de Raad van State ten aanzien van de Hoge Raad voor de Justitie expliciet en ondubbelzinnig voorbehoudt aan bepaalde akten van die Raad die exhaustief worden opgesomd, namelijk die met betrekking tot overheidsopdrachten en leden van zijn personeel ». De Raad van State besluit tot zijn onbevoegdheid om kennis te nemen van het beroep dat is ingesteld door de verzoekende partij die niet geslaagd is voor de eerste proef van het vergelijkend toelatingsexamen tot de gerechtelijke stage. Na die vaststelling te hebben gedaan, ondervraagt de Raad van State het Hof over de bestaanbaarheid van artikel 14, § 1, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet « in zoverre het de kandidaten voor een ambt in de magistratuur een beroep bij de Raad van State ontzegt tegen de beslissingen die te hunnen aanzien zijn genomen door de Hoge Raad voor de Justitie en die tot gevolg hebben dat hun de toegang tot het ambt van magistraat wordt ontzegd, terwijl de kandidaten voor een ander openbaar ambt over een dergelijk beroep beschikken tegen de beslissingen die te hunnen aanzien zijn genomen door SELOR ».

B.2.2. Volgens de verzoeker voor de Raad van State moet de vraag worden geherformuleerd teneinde rekening te houden met zijn specifieke geval, zodat wordt bepaald welke rechter bevoegd is om kennis te nemen van het beroep dat betrekking heeft op het verlies van de burgerlijke rechten dat zou voortvloeien uit de hem betreffende beslissing.

De duidelijke bewoordingen van de door de Raad van State gestelde vraag verantwoorden geenszins een herformulering en het antwoord op een vraag die is geformuleerd op basis van de elementen die de verzoeker voor de Raad van State aanvoert, zou niet ertoe bijdragen het aan de Raad van State voorgelegde geschil op te lossen.

Het verzoek wordt verworpen.

B.2.3. De verzoeker voor de Raad van State vraagt dat de memorie van de Ministerraad uit de debatten wordt geweerd, daar de Regering ontslagnemend is en de perken van het begrip lopende zaken haar niet in staat stellen het debat te beïnvloeden door een memorie in te dienen. Hij stelt overigens vast dat de Raad van State zelf de federale overheidsdienst Justitie buiten het geding heeft gesteld.

De verdediging van de belangen van de federale Staat in de procedures voor het Hof overschrijdt niet de grenzen van wat een ontslagnemende regering die met de lopende zaken is belast, vermag te doen. Het gegeven dat de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, buiten het geding is gesteld door het verwijzingsarrest, is overigens niet relevant, vermits het de Ministerraad is die, krachtens artikel 85, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, ertoe gemachtigd is memories aan het Hof te richten.

Het verzoek wordt verworpen.

B.3.1. Uit het arrest blijkt dat de voor de Raad van State bestreden akten betrekking hebben op de beslissingen die door de Hoge Raad voor de Justitie zijn genomen in het kader van de procedure voor toelating tot de gerechtelijke stage bepaald in artikel 259octies van het Gerechtelijk Wetboek. Bij een van die akten werd de verzoekende partij voor de Raad van State ervan op de hoogte gebracht dat ze niet geslaagd was voor het vergelijkend toelatingsexamen tot de gerechtelijke stage, hetgeen, volgens het arrest waarbij aan het Hof een vraag is gesteld, tot gevolg heeft dat zij geen toegang meer heeft tot het ambt van magistraat. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die hypothese.

B.3.2. Met toepassing van het koninklijk besluit van 22 december 2000 betreffende de selectie en de loopbaan van het rijkspersoneel, wordt SELOR ermee belast selectieproeven te organiseren waarbij de toegang tot bepaalde overheidsfuncties afhankelijk wordt gemaakt van het welslagen voor die proeven.

B.4.1. Krachtens de in B.1 vermelde bepaling heeft de wetgever, zonder aan het begrip zelf van administratieve overheid te raken de bevoegdheid van de Raad van State uitgebreid tot administratieve akten die uitgaan van overheden die geen deel uitmaken van de uitvoerende macht en de organen die daarvan afhangen. Die uitbreiding betreft onder meer de akten en reglementen van de Hoge Raad voor de Justitie, voor zover die betrekking hebben op overheidsopdrachten en leden van zijn personeel.

B.4.2. Artikel 151, § 2, van de Grondwet, waarbij de Hoge Raad voor de Justitie wordt opgericht, bepaalt :

« § 2. Er bestaat voor geheel België een Hoge Raad voor de Justitie. Bij de uitoefening van zijn bevoegdheden respecteert hij de onafhankelijkheid bedoeld in § 1.

De Hoge Raad voor de Justitie bestaat uit een Nederlandstalig en uit een Franstalig college. Elk college telt evenveel leden en is paritair samengesteld enerzijds uit rechters en ambtenaren van het openbaar ministerie die rechtstreeks verkozen worden door hun gelijken onder de voorwaarden en op de wijze bij de wet bepaald, en anderzijds uit andere leden benoemd door de Senaat met een meerderheid van twee derden van de uitgebrachte stemmen onder de voorwaarden bij de wet bepaald.

Binnen elk college is er een benoemings- en aanwijzingscommissie en een advies- en onderzoekscommissie, die elk paritair zijn samengesteld overeenkomstig de bepaling van het vorige lid.

De wet bepaalt nader de samenstelling van de Hoge Raad voor de Justitie, zijn colleges en hun commissies evenals de voorwaarden waaronder en de wijze waarop zij hun bevoegdheden uitoefenen ».

B.4.3. De opdrachten van de Hoge Raad voor de Justitie worden vermeld in artikel 151, § 3, van de Grondwet, dat bepaalt :

« § 3. De Hoge Raad voor de Justitie oefent zijn bevoegdheden uit in volgende materies :

1° de voordracht van de kandidaten voor een benoeming tot rechter, zoals bedoeld in § 4, eerste lid, of tot ambtenaar van het openbaar ministerie;

2° de voordracht van de kandidaten voor een aanwijzing in de functies bedoeld in § 5, eerste lid, en in de functies van korpschef bij het openbaar ministerie;

3° de toegang tot het ambt van rechter of van ambtenaar van het openbaar ministerie;

4° de vorming van de rechters en de ambtenaren van het openbaar ministerie;

5° het opstellen van standaardprofielen voor de aanwijzingen bedoeld in 2°;

6° het geven van adviezen en voorstellen inzake de algemene werking en de organisatie van de rechterlijke orde;

7° het algemeen toezicht op en de bevordering van het gebruik van de interne controlemiddelen;

8° met uitsluiting van enige tuchtrechtelijke en strafrechtelijke bevoegdheid :

- het ontvangen en het opvolgen van klachten inzake de werking van de rechterlijke orde;

- het instellen van een onderzoek naar de werking van de rechterlijke orde.

Onder de voorwaarden en op de wijze bepaald bij de wet, worden de bevoegdheden vermeld onder 1° tot en met 4° toegewezen aan de bevoegde benoemings- en aanwijzingscommissie en de bevoegdheden vermeld onder 5° tot en met 8° toegewezen aan de bevoegde advies- en onderzoekscommissie. De wet bepaalt in welke gevallen en op welke wijze de benoemings- en aanwijzingscommissies enerzijds, en de advies- en onderzoekscommissies anderzijds, hun bevoegdheden gezamenlijk uitoefenen.

Een wet aan te nemen met de meerderheid bepaald in artikel 4, laatste lid, bepaalt de overige bevoegdheden van deze Raad ».

De voormelde bepaling maakt dus een onderscheid tussen, enerzijds, de bevoegdheid van de Hoge Raad voor de Justitie om kandidaten voor te dragen voor een ambt van rechter of ambtenaar van het openbaar ministerie en, anderzijds, zijn bevoegdheid inzake toegang tot het ambt van rechter of ambtenaar van het openbaar ministerie. Enkel personen die voordien werden toegelaten tot het ambt van magistraat kunnen worden voorgedragen met het oog op een benoeming of een aanwijzing. De proeven van toegang tot de magistratuur vallen onder de exclusieve bevoegdheid van de Hoge Raad voor de Justitie, terwijl aan die Raad in het kader van de benoeming van een rechter of een ambtenaar van het openbaar ministerie enkel een bevoegdheid van voordracht wordt toegekend, aangezien de eigenlijke benoeming onder de bevoegdheid van de Koning valt.

B.4.4. Drie toegangswegen tot de magistratuur worden geopend door het Gerechtelijk Wetboek. Een van die wegen, gevolgd door de verzoeker voor de Raad van State en voorbehouden aan de kandidaten zonder lange beroepservaring, veronderstelt het slagen voor een vergelijkend examen voor de toelating tot een gerechtelijke stage, dat wordt georganiseerd door de Hoge Raad voor de Justitie. Luidens artikel 259octies, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek wordt het aantal plaatsen van gerechtelijk stagiair jaarlijks bepaald bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit (eerste lid); de geslaagden voor het vergelijkend toelatingsexamen worden benoemd tot gerechtelijk stagiair door de minister van Justitie (tweede lid). Luidens artikel 259octies, § 2, duurt de stage drie jaar. Op het einde van die stage kan de stagiair tot rechter of ambtenaar van het openbaar ministerie worden benoemd (artikelen 187, 190 en 194 van het Gerechtelijk Wetboek).

B.5. Noch artikel 151, § 3, 3°, van de Grondwet, noch de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek die aan de Hoge Raad voor de Justitie de bevoegdheid toekennen om het vergelijkend toelatingsexamen tot de gerechtelijke stage te organiseren, noch artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepalen dat de kandidaten voor dat vergelijkend examen over een beroep voor de Raad van State beschikken tegen beslissingen die te hunnen aanzien worden genomen door de Hoge Raad voor de Justitie. Er bestaat dus een verschil in behandeling in vergelijking met de kandidaten voor een vergelijkend examen voor de toegang tot een openbaar ambt, die over een beroep bij de Raad van State beschikken tegen beslissingen die door SELOR te hunnen aanzien zijn genomen.

Ten aanzien van de bevoegdheid van het Hof

B.6.1. De Ministerraad voert aan dat de Grondwetgever, met het aannemen van artikel 151 van de Grondwet op een ogenblik - 20 november 1998 - dat de Raad van State alleen bevoegd was ten aanzien van de akten en beslissingen van uitsluitend de administratieve overheden, en bijgevolg niet ten aanzien van die van de Hoge Raad voor de Justitie, impliciet maar zeker heeft beoogd dat de akten en beslissingen waarmee die laatste de in artikel 151, § 3, van de Grondwet opgesomde bevoegdheden uitoefent, niet het voorwerp kunnen uitmaken van een beroep tot nietigverklaring voor de Raad van State; het Hof zou niet bevoegd zijn om zich over een keuze van de Grondwetgever uit te spreken.

B.6.2. Het aannemen van een wet na het aannemen van een grondwetsbepaling volstaat niet om duidelijkheid te hebben over een keuze van de Grondwetgever.

Ten aanzien van de vergelijkbaarheid

B.7.1. De Hoge Raad voor de Justitie, de Ministerraad en de tussenkomende partijen werpen tegen dat de situaties niet vergelijkbaar zijn om reden inzonderheid van de verschillende aard van de Hoge Raad voor de Justitie en SELOR, alsmede de verschillende aard van de vacante functies.

B.7.2. Wanneer de toegang tot een rechter voor één categorie van personen wordt belemmerd, kan die categorie van personen worden vergeleken met elke categorie van personen waarvoor de toegang tot een rechter niet wordt belemmerd.

Er dient te worden nagegaan of de door de wetgever ingevoerde regeling niet ertoe leidt dat aan een categorie van personen, op een discriminerende manier, het recht op een daadwerkelijk jurisdictioneel beroep wordt ontzegd.

B.8. Het eigen karakter van de Hoge Raad voor de Justitie, die een grondwettelijke instelling is, vergt dat zijn onafhankelijkheid wordt gewaarborgd.

De noodzaak om die onafhankelijkheid te vrijwaren verantwoordt evenwel niet dat de kandidaten die zich aanbieden voor het vergelijkend toelatingsexamen tot de gerechtelijke stage een beroep tot vernietiging wordt ontzegd tegen de beslissingen die de Hoge Raad voor de Justitie in dat verband heeft genomen.

B.9. Het ontbreken van die jurisdictionele waarborg, die wel is toegekend aan de kandidaten voor een vergelijkend examen voor de toegang tot een openbaar ambt, die over een beroep bij de Raad van State beschikken tegen beslissingen die te hunnen aanzien zijn genomen door SELOR, is strijdig met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie : die ontstentenis staat niet in verhouding tot de gewettigde zorg de vrijheid van handelen van de Hoge Raad voor de Justitie te vrijwaren want het belang dat wordt beschermd door de invoering van een beroep tot nietigverklaring is even reëel en even legitiem bij de kandidaten aan wie de toegang wordt ontzegd tot een ambt ter voorbereiding op de magistratuur als bij de kandidaten aan wie de toegang tot een ander openbaar ambt wordt ontzegd. In zijn advies dat voorafgaat aan de wet van 22 december 1998 « tot wijziging van sommige bepalingen van deel II van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de Hoge Raad voor de Justitie, de benoeming en aanwijzing van magistraten en tot invoering van een evaluatiesysteem », had de Raad van State overigens de vraag gesteld of « geen rechtstreeks beroep tegen de voordracht kan worden ingesteld wanneer die tot gevolg heeft dat een kandidaat definitief wordt uitgesloten » (Parl. St., Kamer, 1997-1998, nr. 1677/2, p. 3, voetnoot).

B.10. Die situatie kan slechts worden verholpen door een optreden van de wetgever, waarbij hij, gelet op de onafhankelijkheid die aan de Hoge Raad voor de Justitie moet worden verzekerd, zou kunnen overwegen te voorzien in specifieke waarborgen waarvoor hij niet moest zorgen bij de totstandkoming van de gecoördineerde wetten op de Raad van State.

B.11. Uit hetgeen voorafgaat volgt dat, in tegenstelling tot wat in het verwijzingsarrest is gesteld, de discriminatie haar oorsprong niet vindt in het voormelde artikel 14, maar in een lacune van de wetgeving, te weten de ontstentenis van organisatie van een beroep tot nietigverklaring van de beslissingen die door de Hoge Raad voor de Justitie worden genomen ten aanzien van kandidaten die deelnemen aan het vergelijkend toelatingsexamen tot de gerechtelijke stage.

B.12. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

- Artikel 14, § 1, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

- De ontstentenis van een wetsbepaling die een beroep regelt tegen een beslissing die de Hoge Raad voor de Justitie heeft genomen ten aanzien van de kandidaten die deelnemen aan het vergelijkend toelatingsexamen tot de gerechtelijke stage, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 20 oktober 2011.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De wnd. voorzitter,

J.-P. Snappe.

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag betreffende artikel 14, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, zoals vervangen bij de wet van 15 mei 2007, gesteld door de Raad van State. Bestuursrecht

  • Raad van State

  • Bevoegdheid

  • Beroep tot nietigverklaring

  • Beslissing van de Hoge Raad voor de Justitie genomen ten aanzien van de kandidaten die deelnemen aan het vergelijkend toelatingsexamen tot de gerechtelijke stage

  • Uitsluiting. # Rechten en vrijheden

  • Jurisdictionele waarborgen

  • Daadwerkelijk beroep voor een onafhankelijk en onpartijdig rechter.