- Arrest van 20 oktober 2011

20/10/2011 - 162/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Artikel 70, in samenhang gelezen met artikel 8, van het Wetboek der successierechten schendt de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, in zoverre het bepaalt dat de erfgenamen, algemene legatarissen en begiftigden in de nalatenschap van een rijksinwoner samen aansprakelijk zijn, ieder in verhouding tot zijn erfdeel, voor de gezamenlijke rechten en interesten verschuldigd door de legatarissen en begiftigden onder algemene titel of onder bijzondere titel, zelfs wanneer de eerstgenoemden niet de mogelijkheid hebben gehad zich ervan te vergewissen dat de laatstgenoemden de rechten en interesten zullen betalen die zij verschuldigd zijn.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de rechters L. Lavrysen, A. Alen, E. Derycke, J. Spreutels en P. Nihoul, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter R. Henneuse,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij vonnis van 29 december 2010 in zake Marie Xhayet en anderen tegen de Belgische Staat en tegen Déborah Hubert en Pierre Sterckmans, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 5 januari 2011, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Luik de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 70 van het Wetboek der successierechten, in samenhang gelezen met artikel 8 van hetzelfde Wetboek, de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet en artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met name in zoverre :

- het een discriminatie teweegbrengt door de erfgenamen die opkomen met bijzondere legatarissen en de erfgenamen die opkomen met een begunstigde van een levensverzekering op identieke wijze te behandelen terwijl, in het eerste geval, de bijzondere legataris de afgifte van zijn legaat moet aanvragen, waardoor de erfgenamen zich vooraf ervan kunnen vergewissen dat de successierechten door de legataris zijn betaald, terwijl, in het tweede geval, de begunstigde van de verzekering de uitbetaling van het verzekerde kapitaal rechtstreeks kan verkrijgen door zich enkel tot de verzekeringsmaatschappij te richten, zonder de medewerking van de erfgenamen, die dus op geen enkele wijze zich ervan kunnen vergewissen dat de successierechten daadwerkelijk zijn betaald;

- het een discriminatie teweegbrengt tussen de erfgenamen naargelang de overledene al dan niet een rijksinwoner is, aangezien artikel 70, tweede lid, van het Wetboek der successierechten de wettelijke erfgenamen enkel verplicht de door de legataris onder bijzondere titel verschuldigde rechten te betalen indien de overledene een rijksinwoner was, terwijl diezelfde verplichting niet op dezelfde erfgenamen rust indien de overledene geen rijksinwoner was;

- de toepassing van artikel 70, tweede lid, van het Wetboek der successierechten in de praktijk leidt tot een onteigening en een inmenging in het eigendomsrecht van de wettelijke erfgenaam, die in fine op willekeurige wijze van zijn eigendom zal worden beroofd zonder dat die eigendomsberoving wordt verantwoord door een doel van algemeen belang ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1.1. Aan het Hof wordt een vraag gesteld over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, van artikel 70, in samenhang gelezen met artikel 8, van het Wetboek der successierechten.

B.1.2. Het Hof is niet bevoegd om wetskrachtige normen rechtstreeks te toetsen aan verdragsbepalingen. Tot de bij de artikelen 10 en 11 van de Grondwet gewaarborgde rechten en vrijheden behoren evenwel de rechten en vrijheden die voortvloeien uit verdragsbepalingen die België binden.

Dat is het geval voor artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens ten aanzien waarvan de bevoegdheid van het Hof door de Ministerraad wordt betwist. In zoverre de prejudiciële vraag verwijst naar die verdragsbepaling, in samenhang gelezen met de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, is zij ontvankelijk.

B.1.3. De artikelen 8 en 70 van het Wetboek der successierechten bepalen :

« Artikel 8. Worden geacht als legaat te zijn verkregen, de sommen, renten of waarden die een persoon geroepen is kosteloos te ontvangen, bij het overlijden van de overledene, ingevolge een contract bevattende een door de overledene of door een derde ten behoeve van de verkrijger gemaakt beding.

Worden eveneens geacht als legaat te zijn verkregen, de sommen, renten of waarden, die een persoon geroepen was kosteloos te ontvangen binnen drie jaar vóór het overlijden van de overledene of die hij geroepen is kosteloos na dit overlijden te ontvangen, ingevolge een contract bevattende een door de overledene ten behoeve van de verkrijger gemaakt beding.

Dit artikel is mede van toepassing op de sommen of waarden die een persoon geroepen is kosteloos te ontvangen bij het overlijden van hem, die een levensverzekering aan order of aan toonder heeft aangegaan.

Wanneer de overledene gehuwd was onder een stelsel van gemeenschap van goederen, worden de sommen, renten of waarden, die aan zijn echtgenoot toevallen ingevolge een door deze echtgenoot afgesloten levensverzekering of contract met vestiging van rente, zomede de sommen, renten of waarden, die hij geroepen is kosteloos te ontvangen ingevolge een contract bevattende een door de overledene of door een derde ten behoeve van de echtgenoot gemaakt beding, geacht als legaat door de echtgenoot te zijn verkregen, tot beloop van hun algeheel bedrag, zo de sommen, renten of waarden werden verkregen als tegenwaarde voor eigen goederen van de overledene, en enkel tot beloop van de helft in al de andere gevallen. Het recht is niet verschuldigd wanneer er bewezen wordt dat de sommen, renten of waarden verkregen werden als tegenwaarde voor eigen goederen van de echtgenoot. De omstandigheid dat het beding wederkerig is, ontneemt daaraan niet de aard van bevoordeling.

De verkrijger wordt ondersteld kosteloos te ontvangen, behoudens tegenbewijs.

Dit artikel is niet van toepassing :

1° op de sommen, renten of waarden, verkregen ingevolge een beding dat aan het registratierecht gevestigd voor de schenkingen werd onderworpen;

2° op de renten en kapitalen gevestigd tot uitvoering van een wettelijke verplichting;

3° op de renten en kapitalen die door tussenkomst van de werkgever van de overledene werden gevestigd ten behoeve van de overlevende echtgenoot van de overledene of, bij gebreke, ten behoeve van zijn kinderen die de leeftijd van eenentwintig jaar niet hebben bereikt, tot uitvoering hetzij van een groepsverzekeringscontract onderschreven ingevolge een bindend reglement van de onderneming en beantwoordende aan de voorwaarden gesteld door de reglementering betreffende de controle van zulke contracten, hetzij van het bindend reglement van een voorzorgsfonds opgericht ten behoeve van het personeel van de onderneming;

4° op de sommen, renten of waarden, bij het overlijden van de overledene verkregen, ingevolge een contract bevattende een door een derde ten behoeve van de verkrijger gemaakt beding, wanneer er bewezen wordt dat deze derde kosteloos ten behoeve van de verkrijger heeft bedongen ».

« Artikel 70. De erfgenamen, legatarissen en begiftigden zijn tegenover de Staat aansprakelijk voor de rechten van successie of van overgang bij het overlijden en voor de interesten, ieder voor het door hem verkregene.

Bovendien, zijn de erfgenamen, algemene legatarissen en begiftigden in de nalatenschap van een Rijksinwoner samen aansprakelijk, ieder in verhouding van zijn erfdeel, voor de gezamenlijke rechten en interesten verschuldigd door de legatarissen en begiftigden onder algemene titel of onder bijzondere titel. Deze regel is niet van toepassing op de rechten en interesten verschuldigd op de in artikel 37 voorziene nieuwe aangiften, wanneer het op hen niet berust deze aangiften in te leveren ».

B.2.1. Artikel 70, tweede lid, in samenhang gelezen met artikel 8, van het Wetboek der successierechten behandelt de erfgenamen, algemene legatarissen en begiftigden in de nalatenschap van een rijksinwoner die, ieder in verhouding tot hun erfdeel, de door de legatarissen of begiftigden verschuldigde successierechten dienen te betalen, op identieke wijze zonder een onderscheid te maken naargelang zij opkomen met bijzondere legatarissen aan wie het legaat moet worden afgegeven en waarbij het bijgevolg mogelijk is zich ervan te vergewissen dat zij de successierechten zullen betalen, of met begunstigden van het kapitaal van een door de overledene aangegane levensverzekering, aan wie het kapitaal wordt uitbetaald zonder het optreden van de erfgenamen, algemene legatarissen en begiftigden die dus niet in staat zijn zich van dezelfde waarborg te vergewissen. Het Hof moet nagaan of die situatie afbreuk doet aan het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie (eerste en tweede aspect van de prejudiciële vraag) en aan het eigendomsrecht van de erfgenamen, algemene legatarissen en begiftigden (derde aspect van de prejudiciële vraag).

B.2.2. De Ministerraad voert aan dat het in het geding zijnde verschil in behandeling in het eerste aspect van de prejudiciële vraag niet tot het fiscaal recht maar tot het burgerlijk recht behoort, zodat het niet relevant zou zijn de grondwettigheid van de in de prejudiciële vraag bedoelde bepalingen in het geding te brengen.

Een dergelijk argument kan niet worden aanvaard aangezien de grondwettigheidstoets die het Hof vermag uit te voeren, losstaat van de mogelijke juridische kwalificaties van de bepalingen die het Hof kan toetsen, van de regels die die bepalingen invoeren of van de begrippen waarnaar die bepalingen verwijzen. Bovendien strekken de bepalingen ertoe vast te stellen in welke mate belastingplichtigen - te dezen erfgenamen en legatarissen - kunnen zijn gehouden tot het betalen van een successiebelasting.

B.3. Het successierecht is een belasting die ontstaat bij het overlijden van een rijksinwoner en die wordt gevestigd op de waarde, na aftrek van de schulden, van al wat uit de nalatenschap van die rijksinwoner wordt verkregen (artikelen 1 en 15 van het Wetboek der successierechten).

De successierechten worden geheven op alle goederen die door vererving zijn overgegaan, ongeacht of zij ingevolge wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling worden overgemaakt (artikel 2 van het Wetboek der successierechten).

B.4. Artikel 8 van het Wetboek der successierechten roept een fictie in het leven volgens welke de sommen, renten of waarden die een persoon geroepen is kosteloos te ontvangen, bij het overlijden van de overledene, ingevolge een contract dat een door de overledene of door een derde ten behoeve van de verkrijger gemaakt beding bevat, worden geacht als legaat te zijn verkregen, en derhalve deel uitmaken van het actief van de nalatenschap. Op die sommen zijn bijgevolg successierechten verschuldigd.

B.5. Artikel 70, eerste lid, van het Wetboek der successierechten bepaalt de omvang van de verplichting tot de schuld aan successierechten van de erfgenamen, legatarissen en begiftigden. De omvang van hun bijdrage tot de schuld wordt vastgesteld in artikel 75 van hetzelfde Wetboek, dat bepaalt :

« In zoverre er geen andersluidende beschikkingen bestaan, worden de rechten van successie en van overgang bij overlijden gedragen door de erfgenamen, legatarissen en begiftigden, ieder voor datgeen wat door hem verkregen wordt ».

B.6. Terwijl artikel 75 voortvloeit uit de bekommernis om de last van de successierechten te verdelen naar gelang van het aan de begunstigden toegevallen voordeel, vormt artikel 70, tweede lid, naast met name zakelijke zekerheden die in de artikelen 84 tot 93 van het Wetboek der successierechten worden geregeld, een waarborg die ertoe strekt de invordering van die rechten voor de Staat te verzekeren en die zijn oorsprong vindt in artikel 2 van de wet van 27 december 1817 voor de inning van de successierechten, die ertoe strekte de belangen van de Schatkist te verzekeren. Uit die bepalingen vloeit voort dat, hoewel de schuld van de successierechten is opgevat als een individuele schuld van elke erfgenaam, legataris of begiftigde volgens het aandeel dat elkeen in de nalatenschap verkrijgt, de vastgestelde waarborgen voor de invordering van de successierechten, rekening houdend met het feit dat de erfgenamen en algemene legatarissen gerechtigd zijn om de gehele nalatenschap te verkrijgen, betrekking hebben op de erfgoederen in het algemeen, zonder een onderscheid te maken naar gelang van de erfopvolger in wiens patrimonium die goederen worden of moeten worden overgedragen.

De grondslag van de waarborg voor de invordering van de successierechten staat dus los van de erfopvolging, vermits hij wordt bepaald door de rechten van de overledene op de goederen die hij bij zijn overlijden nalaat en niet door de rechten van de erfgenamen, legatarissen of begiftigden op de overgedragen goederen.

B.7. De in het geding zijnde bepalingen kunnen bovendien worden verantwoord door de vrees voor onachtzaamheid of fraude die ertoe leidt dat het voorwerp van de bijzondere legaten aan de belasting wordt onttrokken; op zich doen zij niet op onevenredige wijze afbreuk aan de rechten van de betrokkenen, aangezien de erfgenamen, algemene legatarissen en begiftigden de mogelijkheid hebben, wanneer het bijzondere legaat moet worden afgegeven, zich ervan te vergewissen dat de begunstigde de daarop betrekking hebbende successierechten zal betalen en aangezien zij tegen hem over het in artikel 75 van het Wetboek bedoelde rechtsmiddel beschikken.

Op zich doen de in het geding zijnde bepalingen dus geen afbreuk aan het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, noch aan het eigendomsrecht dat is gewaarborgd bij de bepalingen waarnaar de prejudiciële vraag verwijst.

B.8.1. Wanneer het kapitaal van een levensverzekering, dat met een legaat is gelijkgesteld, aan de begunstigde wordt afgegeven zonder het optreden van de tot de schuld gehouden erfgenamen, hebben zij - die de nalatenschap kunnen hebben aanvaard zonder op de hoogte te zijn van het bestaan van de levensverzekering maar die, aangezien ze niet bij testament is ingesteld, geen gebruik kunnen maken van de in artikel 783 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde mogelijkheid om de nalatenschap te verwerpen wanneer een legaat dat onbekend is voor erfgenamen die de nalatenschap hebben aanvaard, een hogere waarde heeft dan die van de helft van die nalatenschap - echter niet de mogelijkheid om zich ervan te vergewissen dat de begunstigde de successierechten zal betalen, terwijl de familiale band die hen vaak nauwer met de overledene kan verbinden dan de band die de overledene met de legataris verbindt, hun nochtans de mogelijkheid biedt om het voordeel van relatief minder hoge successierechten te genieten.

In dat geval zijn de in het geding zijnde bepalingen discriminerend in zoverre zij de twee in B.2 beschreven categorieën van erfgenamen op identieke wijze behandelen en kunnen zij, met betrekking tot de laatstgenoemde categorie, op onevenredige wijze afbreuk doen aan het eigendomsrecht.

B.8.2. Dat aspect van de prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord.

B.9.1. De in het geding zijnde bepalingen brengen ook een verschil in behandeling teweeg tussen erfgenamen naargelang de overledene al dan niet een rijksinwoner was, in zoverre zij, in het laatste geval, niet ertoe zijn gehouden de door de legataris onder bijzondere titel verschuldigde rechten te betalen (tweede aspect van de prejudiciële vraag).

B.9.2. In tegenstelling tot wat de Ministerraad aanvoert, vormen de in het geding zijnde erfgenamen vergelijkbare categorieën want, ook al is het juist dat het successierecht en het recht van overgang verschillende goederen betreffen en dat de respectieve schuldenaars ervan niet dezelfde verplichtingen inzake aangifte en betaling van de rechten hebben, zulks neemt niet weg dat het, met betrekking tot de in de prejudiciële vraag bedoelde categorieën van personen, erom gaat te bepalen in welke mate erfgenamen ertoe kunnen zijn gehouden successierechten te betalen.

B.9.3. Rekening houdend met de vaststelling van een schending van de normen waarvan het Hof de inachtneming dient te verzekeren, zoals zij in B.8 wordt geformuleerd, dient het Hof het in het geding zijnde verschil in behandeling niet meer te onderzoeken in het geval waarin de erfgenamen niet de mogelijkheid hebben gehad zich te vergewissen van de betaling, door de legataris, van de successierechten die hij verschuldigd is.

B.10. De omstandigheid dat op de erfgenamen van een overledene die een rijksinwoner was, zwaardere verplichtingen rusten dan die welke rusten op de rechthebbenden van een overledene die geen rijksinwoner was, wordt verantwoord door de omstandigheid dat die laatste rechthebbenden, krachtens artikel 38, 2°, van het Wetboek der successierechten, ertoe zijn gehouden een aangifte van nalatenschap in te dienen met betrekking tot de in België gelegen onroerende goederen die hun toevallen en bij die gelegenheid een recht van overgang bij overlijden te betalen.

B.11.1. Aangezien de aangifte van nalatenschap het aldus mogelijk maakt de rechten van de Schatkist te vrijwaren, bevinden beide in de prejudiciële vraag bedoelde categorieën van erfgenamen zich in essentieel verschillende situaties die verantwoorden dat enkel de erfgenamen van een rijksinwoner zijn gehouden tot de verplichting die hun bij de in het geding zijnde bepalingen wordt opgelegd.

B.11.2. Dat aspect van de prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 70, in samenhang gelezen met artikel 8, van het Wetboek der successierechten schendt de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, in zoverre het bepaalt dat de erfgenamen, algemene legatarissen en begiftigden in de nalatenschap van een rijksinwoner samen aansprakelijk zijn, ieder in verhouding tot zijn erfdeel, voor de gezamenlijke rechten en interesten verschuldigd door de legatarissen en begiftigden onder algemene titel of onder bijzondere titel, zelfs wanneer de eerstgenoemden niet de mogelijkheid hebben gehad zich ervan te vergewissen dat de laatstgenoemden de rechten en interesten zullen betalen die zij verschuldigd zijn.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 20 oktober 2011.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

R. Henneuse.

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag betreffende artikel 70 van het Wetboek der successierechten, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Luik. Fiscaal recht

  • Successierechten

  • 1. Nalatenschap van een rijksinwoner

  • 2. Legatarissen

  • Verschuldigde rechten en interesten

  • Aansprakelijkheid van de erfgenamen, algemene legatarissen en begiftigden

  • a. Bijzondere legatarissen

  • b. Begunstigden van het kapitaal van een door de overledene aangegane levensverzekering. # Rechten en vrijheden

  • Eigendomsrecht.