- Arrest van 10 november 2011

10/11/2011 - 165/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Artikel 39, § 1, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, in samenhang gelezen met artikel 103 van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet, in de interpretatie dat, in geval van ontslag van een werknemer die zijn arbeidsprestaties heeft verminderd overeenkomstig artikel 102 van de wet van 22 januari 1985, bij de vaststelling van het bedrag van de opzeggingsvergoeding moet worden uitgegaan van het lopende loon dat overeenstemt met de verminderde activiteiten.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Snappe, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul en F. Daoût, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter R. Henneuse,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij vonnis van 27 juli 2010 in zake Benoît Depelsenaire tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 5 augustus 2010, heeft de Arbeidsrechtbank te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schenden artikel 39 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en/of artikel 103 van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat de werknemer die een vermindering van zijn arbeidsprestaties geniet buiten het kader van het ouderschapsverlof, in geval van ontslag slechts recht heeft op een compensatoire opzeggingsvergoeding berekend op basis van het loon voor verminderde arbeidsprestaties, terwijl de werknemer die een vermindering van zijn arbeidsprestaties geniet in het kader van het ouderschapsverlof, in geval van ontslag recht heeft op een compensatoire opzeggingsvergoeding berekend met inaanmerkingneming van het loon dat hij zou hebben ontvangen indien hij op het moment van de kennisgeving van de opzegging voltijds tewerkgesteld was ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1.1. Artikel 39 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten bepaalt :

« § 1. Is de overeenkomst voor onbepaalde tijd gesloten, dan is de partij die de overeenkomst beëindigt zonder dringende reden of zonder inachtneming van de opzeggingstermijn vastgesteld in de artikelen 59, 82, 83, 84 en 115, gehouden de andere partij een vergoeding te betalen die gelijk is aan het lopend loon dat overeenstemt hetzij met de duur van de opzeggingstermijn, hetzij met het resterende gedeelte van die termijn. De vergoeding is nochtans steeds gelijk aan het lopend loon dat overeenstemt met de duur van de opzeggingstermijn, wanneer de opzegging uitgaat van de werkgever en met miskenning van het bepaalde in artikel 38, § 3, van deze wet of in artikel 40 van de arbeidswet van 16 maart 1971.

De opzeggingsvergoeding behelst niet alleen het lopende loon, maar ook de voordelen verworven krachtens de overeenkomst.

§ 2. Onverminderd het bepaalde in § 1, betaalt de werkgever die, tijdens een van de in artikel 29, 1°, 6° en 7° en in artikel 38, § 3, eerste lid, 3° en 4° bedoelde periodes, het bepaalde in artikel 38, § 3, niet in acht neemt, een vergoeding gelijk aan het normaal loon verschuldigd voor de in artikel 38, § 3, eerste lid, 3° en 4° bedoelde periodes of gedeelten ervan gedurende welke de werknemer niet tewerkgesteld is geweest.

Die vergoeding mag echter niet hoger liggen dan een bedrag dat met drie maand van dat loon overeenstemt voor werklieden en dienstboden of met zes maand voor bedienden en handelsvertegenwoordigers.

§ 3. Onverminderd het bepaalde in § 1, betaalt de werkgever die het bepaalde in artikel 40 van de arbeidswet van 16 maart 1971 niet in acht neemt, de in het derde lid van voormeld artikel 40 voorziene vergoeding ».

B.1.2. Artikel 103 van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, vervangen bij artikel 7 van het koninklijk besluit nr. 424 van 1 augustus 1986 « tot wijziging van Afdeling 5 van Hoofdstuk IV van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen », vervolgens gewijzigd bij artikel 106 van de wet van 20 juli 1991 houdende sociale en diverse bepalingen en bij artikel 15 van de wet van 22 december 1995 houdende maatregelen tot uitvoering van het meerjarenplan voor werkgelegenheid, bepaalt :

« De termijn van de opzegging ter kennis gebracht aan de werknemer die zijn arbeidsprestaties overeenkomstig artikel 102 en 102bis heeft verminderd, zal in geval van eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever, worden berekend alsof de werknemer zijn arbeidsprestaties niet had verminderd. Met de duur van deze opzeggingstermijn moet eveneens rekening worden gehouden bij het vaststellen van de vergoeding, bedoeld bij artikel 39 van de wet van 3 juli 1978 ».

Artikel 102 van de wet van 22 januari 1985, vervangen bij artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 424 van 1 augustus 1986, gewijzigd bij artikel 12 van de wet van 22 december 1995 en bij artikel 73 van de programmawet van 30 december 2001, bepaalt :

« § 1. Een uitkering wordt toegekend aan de werknemer die met zijn werkgever overeenkomt om zijn arbeidsprestaties te verminderen met 1/5, 1/4, 1/3 of 1/2 van het normaal aantal arbeidsuren van een voltijdse betrekking, ofwel de toepassing vraagt van een collectieve arbeidsovereenkomst die in een dergelijke regeling voorziet, ofwel een beroep doet op de bepalingen van artikel 102bis.

De Koning bepaalt bij in Ministerraad overlegd besluit het bedrag van de uitkering, alsmede de nadere voorwaarden en regelen tot toekenning van deze uitkering.

§ 2. De bij § 1 bedoelde overeenkomst wordt schriftelijk vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 11bis van de wet van 3 juli 1978 ».

B.1.3. Artikel 105, § 3, van de wet van 22 januari 1985, opnieuw opgenomen bij artikel 90, 2°, van de wet van 30 december 2009 « houdende diverse bepalingen », luidt :

« Wanneer de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd gedurende een periode van vermindering van arbeidsprestaties in het kader van een ouderschapsverlof genomen in toepassing van deze afdeling, wordt onder ' lopend loon ' in de zin van artikel 39 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten begrepen het loon dat de werknemer krachtens zijn arbeidsovereenkomst zou hebben verdiend indien hij zijn arbeidsprestaties niet had verminderd ».

Die bepaling is in werking getreden op 10 januari 2010 en maakt, zoals de twee voormelde bepalingen, deel uit van afdeling 5 (« Onderbreking van de beroepsloopbaan ») van hoofdstuk IV (« Tewerkstelling en concurrentievermogen ») van de wet van 22 januari 1985.

B.2. Uit de feiten van de zaak die voor de verwijzende rechter aanhangig is en uit de motivering van de verwijzingsbeslissing blijkt dat het Hof wordt verzocht uitspraak te doen over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van artikel 39, § 1, van de wet van 3 juli 1978 en van artikel 103 van de wet van 22 januari 1985, in samenhang gelezen, en in die zin geïnterpreteerd dat zij een verschil in behandeling zouden instellen tussen twee categorieën van werknemers die met hun werkgever zijn overeengekomen hun arbeidsprestaties te verminderen overeenkomstig artikel 102 van de wet van 22 januari 1985 en die, wegens de beëindiging van de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur door de werkgever tijdens de periode van verminderde prestaties, recht hebben op een opzeggingsvergoeding « die gelijk is aan het lopend loon » dat overeenstemt met de duur van de opzeggingstermijn : enerzijds, de werknemer die zijn arbeidsprestaties heeft verminderd in het kader van een ouderschapsverlof in de zin van de raamovereenkomst gehecht aan de richtlijn 96/34/EG van de Raad van 3 juni 1996 « betreffende de door de UNICE, het CEEP en het EVV gesloten raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof », en, anderzijds, de werknemer die zijn arbeidsprestaties om andere redenen heeft verminderd.

De eerste zou recht hebben op een opzeggingsvergoeding berekend op basis van het loon waarop hij recht zou hebben gehad indien hij zijn arbeidsprestaties niet had verminderd, terwijl de vergoeding van de tweede zou worden berekend op basis van het loon dat overeenstemt met de verminderde arbeidsprestaties.

B.3. Krachtens artikel 39, § 1, van de wet van 3 juli 1978 heeft een werknemer die wordt ontslagen zonder opzeggingstermijn recht op een opzeggingsvergoeding die gelijk is aan het lopende loon dat overeenstemt hetzij met de duur van de opzeggingstermijn, hetzij met het resterende gedeelte van die termijn. In de door de rechter aangenomen interpretatie stemt het « lopende loon » in geval van verminderde arbeidsprestaties overeen met het loon dat reëel wordt verworven en niet met het voordien verworven voltijdse loon.

Om de loopbaanonderbreking voldoende attractief te maken, de werkzekerheid van de betrokken werknemers te waarborgen en om mogelijk onevenredige gevolgen van een ontslag tijdens of vanwege de loopbaanonderbreking te matigen, heeft de wetgever voorzien in een forfaitaire beschermingsvergoeding gelijk aan zes maanden loon in geval van een ontslag zonder dringende of voldoende reden (artikel 101, zesde lid, van de wet van 22 januari 1985) en heeft hij bovendien in artikel 103 van de wet van 22 januari 1985 bepaald dat, voor de berekening van de opzeggingstermijn of het aantal maanden dat in aanmerking moet worden genomen voor het vaststellen van het bedrag van de opzeggingsvergoeding bedoeld in artikel 39, § 1, van de wet van 3 juli 1978, moet worden uitgegaan van het basisjaarloon alsof de werknemer zijn arbeidsprestaties niet had verminderd.

Te dezen kan de wetgever evenwel niet in redelijkheid worden verweten dat hij niet zover is gegaan om ook voor het bedrag van de opzeggingsvergoeding te bepalen dat moet worden uitgegaan van het basisjaarloon alsof de werknemer zijn arbeidsprestaties niet had verminderd.

Het behoort immers tot de beoordelingsvrijheid van de wetgever om te bepalen in welke mate de maatregelen tot bescherming tegen ontslag van de werknemer die zijn arbeidsprestaties heeft verminderd, daadwerkelijk ervoor kunnen zorgen dat de werkgever ervan wordt weerhouden tot ontslag over te gaan.

Het Hof zou die keuze enkel kunnen afkeuren in geval van een kennelijk onredelijke beoordeling, wat niet het geval is, ermee rekening houdende dat voor de werknemers die hun arbeidsprestaties hebben verminderd op grond van artikel 102 van de wet van 22 januari 1985 - zoals te dezen het geval lijkt te zijn op grond van de gegevens waarover het Hof beschikt - in artikel 101 van diezelfde wet is bepaald dat de werkgever die de arbeidsovereenkomst beëindigt zonder dringende reden of om een reden waarvan de aard en de oorsprong niet vreemd zijn aan de vermindering van de arbeidsprestaties, naast de opzeggingsvergoeding een forfaitaire beschermingsvergoeding dient te betalen die gelijk is aan het loon van zes maanden.

B.4.1. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in zijn arrest van 22 oktober 2009 (HvJ, 22 oktober 2009, C-116/08, Meerts ) over een prejudiciële vraag gesteld bij arrest van het Hof van Cassatie (Cass., 25 februari 2008, Arr. Cass., 2008, nr. 126) geoordeeld :

« Clausule 2, punten 6 en 7, van de raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof, gesloten op 14 december 1995, die is opgenomen in de bijlage bij richtlijn 96/34/EG van de Raad van 3 juni 1996 betreffende de door de UNICE [Unie van Industrie- en Werkgeversfederaties der Europese Gemeenschap], het CEEP [Europees Centrum van Gemeenschapsbedrijven] en het EVV [Europees Verbond van Vakverenigingen] gesloten raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof, zoals gewijzigd bij richtlijn 97/75/EG van de Raad van 15 december 1997, moet aldus worden uitgelegd dat zij eraan in de weg staat dat, wanneer een werkgever de arbeidsovereenkomst van een voor onbepaalde tijd voltijds in dienst genomen werknemer tijdens diens deeltijds ouderschapsverlof zonder dringende reden of zonder inachtneming van de wettelijk bepaalde opzeggingstermijn eenzijdig beëindigt, de aan de werknemer te betalen vergoeding wordt bepaald op basis van het verminderde loon dat hij ontvangt op het tijdstip van het ontslag ».

Die uitspraak moet worden geplaatst binnen de Europeesrechtelijke context van de voormelde richtlijn en raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof.

B.4.2. Sindsdien heeft de wetgever, rekening houdend met het voormelde arrest van het Hof van Justitie, bij artikel 90, 2°, van de wet van 30 december 2009 houdende diverse bepalingen, het in B.1.3 geciteerde artikel 105, § 3, van de wet van 22 januari 1985 aangenomen.

Uit de parlementaire voorbereiding van die bepaling blijkt dat die regeling enkel betrekking heeft op het ouderschapsverlof en niet op andere vormen van deeltijdse arbeid (Parl. St., Kamer, 2009-2010, DOC 52-2299/016, p. 31). Een amendement om de regeling uit te breiden tot alle vormen van vermindering van arbeidsprestaties met toepassing van de afdelingen 3 en 3bis van de wet van 22 januari 1985 (ibid., DOC 52-2299/003, p. 11) is niet aangenomen (ibid., DOC 52-2299/016, p. 38).

B.4.3. Uit het gegeven dat, op grond van de voormelde rechtspraak van het Hof van Justitie tot uitlegging van de raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof, voor het bepalen van een eventuele opzeggingsvergoeding in geval van ontslag, door de werkgever, van een werknemer tijdens diens ouderschapsverlof moet worden uitgegaan van het loon alsof de werknemer geen ouderschapsverlof heeft genomen, volgt nog niet dat het kennelijk onevenredig zou zijn om voor het bepalen van de eventuele opzeggingsvergoeding in geval van ontslag, door de werkgever, van een werknemer die zijn arbeidsprestaties overeenkomstig artikel 102 van de wet van 22 januari 1985 heeft verminderd, uit te gaan van het lopende loon voor zijn verminderde prestaties, rekening houdend zowel met artikel 103 van diezelfde wet als met het gegeven dat in artikel 101, zesde lid, van diezelfde wet naast de opzeggingsvergoeding voor die werknemer wordt voorzien in een forfaitaire beschermingsvergoeding van zes maanden loon ten laste van de werkgever, indien deze de arbeidsovereenkomst beëindigt zonder dringende reden of om een reden waarvan de aard en de oorsprong niet vreemd zijn aan de vermindering van de arbeidsprestaties.

B.5. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 39, § 1, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, in samenhang gelezen met artikel 103 van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet, in de interpretatie dat, in geval van ontslag van een werknemer die zijn arbeidsprestaties heeft verminderd overeenkomstig artikel 102 van de wet van 22 januari 1985, bij de vaststelling van het bedrag van de opzeggingsvergoeding moet worden uitgegaan van het lopende loon dat overeenstemt met de verminderde activiteiten.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 10 november 2011.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

R. Henneuse.

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag over artikel 39 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en/of artikel 103 van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Brussel. Sociaal recht

  • Arbeidsrecht

  • Arbeidsovereenkomsten

  • Verminderde arbeidsprestaties

  • Ontslag

  • 1. Opzeggingsvergoeding berekend op basis van het loon voor de verminderde arbeidsprestaties

  • Uitzondering

  • Ouderschapsverlof

  • Opzeggingsvergoeding berekend op basis van het loon alsof de werknemer geen ouderschapsverlof heeft genomen

  • 2. Forfaitaire beschermingsvergoeding.