- Arrest van 10 november 2011

10/11/2011 - 174/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Artikel 58, § 1, b), van het decreet van de Franse Gemeenschap van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs schendt de artikelen 10, 11 en 24, § 4, van de Grondwet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit rechter J.-P. Snappe, waarnemend voorzitter, voorzitter M. Bossuyt, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, P. Nihoul en F. Daoût, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van rechter J.-P. Snappe,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij vonnis van 22 december 2010 in zake Samuel Denis en anderen tegen de vzw « Conseil de l'Enseignement des Communes et des Provinces », waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 11 januari 2011, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Voert artikel 58, § 1, b), van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs, in zoverre het voorschrijft dat, wanneer het onmogelijk is een personeelslid dat binnen de inrichtende macht van het gesubsidieerd officieel onderwijs in vast verband is benoemd, toe te laten tot de stage van directeur, die inrichtende macht tot de stage een personeelslid kan toelaten dat binnen een andere inrichtende macht van het gesubsidieerd officieel onderwijsnet in vast verband is benoemd, terwijl artikel 81, § 1, van hetzelfde decreet voorschrijft dat, in identieke omstandigheden, een inrichtende macht van het gesubsidieerd vrij onderwijsnet tot de stage een personeelslid kan toelaten dat in een andere inrichtende macht van het gesubsidieerd vrij of officieel onderwijsnet in vast verband is benoemd, geen bij de artikelen 10, 11 en 24, § 4, van de Grondwet verboden onverantwoorde discriminatie in van de in vast verband benoemde personeelsleden van het gesubsidieerd vrij onderwijs, ten opzichte van de personeelsleden die in het gesubsidieerd officieel onderwijs in vast verband zijn benoemd, daar de eerstgenoemden geen toegang hebben tot een ambt van directeur in het gesubsidieerd officieel onderwijs, terwijl de laatstgenoemden wel toegang hebben tot een dergelijk ambt in het gesubsidieerd vrij onderwijs ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. Aan het Hof wordt een vraag gesteld over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10, 11 en 24, § 4, van de Grondwet, van het verschil in behandeling tussen, enerzijds, de leerkracht die in het gesubsidieerd vrij net in vast verband is benoemd en die, krachtens artikel 58, § 1, b), van het decreet van de Franse Gemeenschap van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs (hierna : het decreet van 2 februari 2007), niet kan worden toegelaten tot de stage teneinde te worden benoemd tot directeur in een inrichting van het gesubsidieerd officieel net en, anderzijds, de leerkracht die in vast verband is benoemd in het gesubsidieerd officieel net en die tot de stage kan worden toegelaten teneinde te worden benoemd tot directeur in een onderwijsinrichting van het gesubsidieerd vrij net, krachtens artikel 81, § 1, b), van het decreet van 2 februari 2007.

B.2.1. Artikel 58, § 1, van het decreet van 2 februari 2007, onder hoofdstuk II getiteld « Het gesubsidieerd officieel onderwijs » van titel III gewijd aan de « bepalingen die specifiek zijn voor elk net », luidt :

« Iedere inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is om een personeelslid tot de stage toe te laten overeenkomstig artikel 57, kan de volgende personeelsleden tot de stage toelaten :

a) ofwel een in vast verband benoemd lid van zijn personeel dat de voorwaarden bedoeld in artikel 57, 1° tot 3° vervult.

Dat personeelslid wordt bij voorrang toegelaten tot de verschillende opleidingsmodules.

b) ofwel een in vast verband benoemd personeelslid dat onder een andere gesubsidieerde officiële inrichtende macht ressorteert en dat binnen deze, aan alle voorwaarden bedoeld in artikel 57, 1° tot 3° en 5° voldoet ».

B.2.2. Artikel 81, § 1, van hetzelfde decreet, onder hoofdstuk III getiteld « Het gesubsidieerd vrij onderwijs » van titel III gewijd aan de « bepalingen die specifiek zijn voor elk net », luidt :

« Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een personeelslid tot de stage toe te laten overeenkomstig artikel 80, kan tot de stage toelaten :

a) ofwel een personeelslid dat aan alle voorwaarden van artikel 80 voldoet behalve aan deze bedoeld in het eerste lid, 4° en 5°.

Dit personeelslid wordt bij voorkeur toegelaten tot de verschillende opleidingsmodules.

b) ofwel een personeelslid dat aan de volgende voorwaarden voldoet :

1° titularis zijn sinds ten minste zeven jaar in het gesubsidieerd onderwijs van één van de wervingsambten, selectieambten of bevorderingsambten van de betrokken categorie. Deze anciënniteit wordt berekend volgens de nadere regels bepaald in artikel 29bis of 29ter van het decreet van 1 februari 1993 houdende het statuut van de gesubsidieerde personeelsleden van het gesubsidieerd vrij onderwijs;

2° titularis zijn, in vast verband, vóór de toelating tot de stage, van een ambt met ten minste de helft van het minimum aantal uren vereist om een ambt met volledige prestaties te vormen in het gesubsidieerd onderwijs;

3° één of meer ambten, in vast verband, uitoefenen die toegang geven tot het toe te kennen ambt van directeur en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 102 van dit decreet;

4° voorafgaandelijk slaagattesten te hebben bekomen voor ten minste drie opleidingsmodules bedoeld in de artikelen 17, § 1 en 18, § 1 van dit decreet.

In het basisonderwijs moet de anciënniteit bedoeld in het eerste lid, b), 1° op het basisniveau verworven zijn ».

B.3.1. Met de aanneming van het decreet van 2 februari 2007 wilde de decreetgever « de functie van directeur in een modern kleedje steken door hem, zowel op het vlak van het algemeen belang als op persoonlijk vlak, de aan het specifieke karakter van die functie verbonden erkenning en middelen te geven » en door hem te voorzien van een « specifiek en adequaat statuut » dat voordien ontbrak (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2006-2007, nr. 339/1, p. 7).

B.3.2. Meer bepaald wat de toegang tot het ambt van directeur betreft, beoogt het decreet de « uniformering » van de voorwaarden van die toegang « tussen de netten » te verzekeren (ibid., p. 8; zie ook CRI, Parlement van de Franse Gemeenschap, 2006-2007, nr. 9, p. 11) :

« Het beginsel is de gelijkheid van de regels los van het onderwijsnet waarop zij van toepassing zijn. De bijzondere bepalingen voor elk van de netten vormen dus de uitzondering om rekening te houden met de objectieve verschillen tussen die netten.

Los van die wil stemt die uitzondering strikt overeen met de logica van dat beroep. Het staat immers vast dat de rol van de directeur, zoals die reeds is omschreven, dezelfde is in alle scholen.

Bovendien is het van belang een zekere eenheid van onderwijs te bieden aan de leerlingen die van het ene net overgaan naar het andere.

Om die reden bepaalt het ontwerpdecreet dat, ongeacht het net, de directeur in principe vóór zijn aanstelling een opleiding moet volgen die noodzakelijk is voor zijn vaste benoeming » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2006-2007, nr. 339/1, p. 8).

B.4. Titel II van het decreet verzekert de nagestreefde uniformisering door de voorwaarde van de vereiste anciënniteit en door de vereiste voor het betrokken personeelslid om benoemd of aangeworven te zijn in vast verband. Ten slotte legt hij een initiële opleiding op aan alle kandidaat-directeurs die een theoretische vorming en een stage van twee jaar omvat.

Titel III van het decreet voert die beginselen uit volgens een schema dat gelijkloopt voor de drie netten - door de Franse Gemeenschap ingericht onderwijs, gesubsidieerd officieel onderwijs en gesubsidieerd vrij onderwijs - en dat rekening houdt met de specifieke kenmerken van elk van die netten.

B.5. De artikelen 57 tot 59 van het decreet van 2 februari 2007, die betrekking hebben op het gesubsidieerd officieel onderwijs, moeten worden gelezen in samenhang met de artikelen 79 tot 81 van hetzelfde decreet, die betrekking hebben op het gesubsidieerd vrij onderwijs; die artikelen voeren een systeem van « trappen » in om tot de stage voor het ambt van directeur te worden toegelaten.

De artikelen 57 en 80 van het decreet van 2 februari 2007 definiëren respectievelijk voor het gesubsidieerd officieel onderwijs en voor het gesubsidieerd vrij onderwijs een « eerste trap » met de vijf voorwaarden, in een ideale situatie, om te worden toegelaten tot de stage voor het ambt van directeur; artikel 57 verwijst met name naar de anciënniteit verworven « binnen de inrichtende macht », terwijl artikel 80 met name verwijst naar de anciënniteit verworven « binnen het gesubsidieerd vrij onderwijs van de betrokken aard ».

Wanneer de inrichtende macht van een inrichting van één van die twee netten tot de stage geen kandidaat kan toelaten die beantwoordt aan de voorwaarden van die eerste trap of wanneer zij slechts één kandidaat vindt die zij zou willen laten concurreren met anderen, voorzien artikel 58 van het decreet, voor het gesubsidieerd officieel onderwijs, en artikel 81 van hetzelfde decreet, voor het gesubsidieerd vrij onderwijs, in een « tweede trap ». Die maakt het mogelijk het materiële toepassingsgebied van de voorwaarden uit te breiden.

In de bij artikel 58, § 1, b), ingevoerde regeling kan enkel een kandidaat die valt onder een « andere gesubsidieerde officiële inrichtende macht » de voorwaarden vervullen, terwijl in de regeling ingevoerd bij artikel 81, § 1, b), een kandidaat een ervaring in het « gesubsidieerd onderwijs » kan aanvoeren die beantwoordt aan de vastgestelde voorwaarden.

Ten slotte voeren de artikelen 59 en 82 van het decreet van 2 februari 2007 respectievelijk voor het gesubsidieerd officieel onderwijs en voor het gesubsidieerd vrij onderwijs andere « trappen » in, wanneer tot de stage geen kandidaat kan worden toegelaten overeenkomstig, respectievelijk, de artikelen 57 en 58 of de artikelen 80 en 81 van het decreet van 2 februari 2007.

B.6. De regeling voor de toegang tot de stage ingevoerd bij de voormelde bepalingen creëert bijgevolg een verschil in behandeling tussen de kandidaat-directeurs, aangezien de toegang tot de stage van directeur in het gesubsidieerd officieel onderwijs afhankelijk is van het behoren tot dat net, wat niet het geval is voor de toegang tot het ambt van directeur in het gesubsidieerd vrij onderwijs. Die bepalingen creëren eveneens een verschil in behandeling tussen de inrichtende machten, aangezien de inrichtende machten van het gesubsidieerd vrij onderwijs, wanneer het voor hen onmogelijk is een kandidaat tot de stage toe te laten volgens de voorwaarden van de « eerste trap », over een aanzienlijk ruimer rekruteringsveld beschikken dan de inrichtende machten van het gesubsidieerd officieel onderwijs.

Het Hof gaat na of dat verschil in behandeling verenigbaar is met de beginselen vervat in de artikelen 10, 11 en 24, § 4, van de Grondwet.

B.7. Hoewel de gelijke behandeling van onderwijsinstellingen en personeelsleden het beginsel is, sluit artikel 24, § 4, van de Grondwet een verschil in behandeling niet uit, op voorwaarde dat dat gegrond is op « de eigen karakteristieken van iedere inrichtende macht ». Om ten aanzien van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie een verschil in behandeling tussen de onderwijsinstellingen en tussen de personeelsleden van de onderwijsnetten te verantwoorden, is het evenwel niet voldoende te wijzen op het bestaan van objectieve verschillen tussen die instellingen en personeelsleden. Bovendien moet worden aangetoond dat, ten aanzien van de geregelde aangelegenheid, het aangevoerde onderscheid relevant is om een verschil in behandeling in redelijkheid te verantwoorden. Anderzijds, kan het gelijkheidsbeginsel inzake onderwijs niet los worden gezien van de andere in artikel 24 van de Grondwet vervatte waarborgen, inzonderheid de vrijheid van onderwijs.

B.8.1. In verband met de algemene voorwaarden voor de toegang en de toewijzing van de betrekkingen van directeur, heeft de afdeling wetgeving van de Raad van State opgemerkt dat « die aanzienlijk verschillen volgens de onderwijsnetten » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2006-2007, nr. 339/1, p. 155), en dat in de memorie van toelichting moest worden aangetoond dat die verschillen in behandeling « verenigbaar zijn met artikel 24, § 4, van de Grondwet, volgens hetwelk de personeelsleden gelijk zijn voor het decreet, maar ook dat het decreet rekening houdt met de objectieve verschillen, waaronder de eigen karakteristieken van iedere inrichtende macht, die een aangepaste behandeling verantwoorden » (ibid., p. 156).

B.8.2. In verband met de regeling voor de toegang tot de stage van directeur in het gesubsidieerd officieel onderwijs, bepaald in artikel 58, § 1, b), van het decreet van 2 februari 2007, heeft de wetgever ervoor gekozen de tweede trap te beperken tot een andere inrichtende macht van het gesubsidieerd officieel onderwijs, zonder evenwel de redenen van die beperking enigszins uit te leggen.

B.8.3. Ten aanzien van de regeling voor de toegang tot de stage van directeur in het gesubsidieerd vrij onderwijs, bepaald in artikel 81, § 1, b), van het decreet van 2 februari 2007, is in de parlementaire voorbereiding uiteengezet :

« Die artikelen regelen de toewijzing van de betrekkingen bij afwezigheid van kandidaten die voldoen aan alle vastgestelde voorwaarden [...].

Zij volgen hetzelfde schema als dat [...] voor het gesubsidieerd officieel onderwijs.

Om rekening te houden met de omvang van de inrichtende machten van het vrij onderwijs is het mogelijke rekruteringsveld van kandidaten evenwel uitgebreid : in eerste instantie tot het vrij onderwijs met hetzelfde karakter; vervolgens tot het hele gesubsidieerde onderwijs » (ibid., p. 25).

Het verschil in behandeling ten aanzien van de toegang tot de directieambten, volgens het net waartoe de kandidaat-directeur behoort, is dus uitsluitend verantwoord door de omvang van de inrichtende machten, die wordt vermoed kleiner te zijn, in het gesubsidieerd vrij onderwijs.

B.9. De bepaling die erin bestaat de inrichtende machten van het gesubsidieerd vrij onderwijs voor wie het praktisch onmogelijk is een kandidaat-directeur afkomstig uit dezelfde inrichtende macht of uit een andere inrichtende macht van hetzelfde net aan te werven, toe te staan het rekruteringsveld uit te breiden, inclusief onder de kandidaten afkomstig uit het gesubsidieerd officieel net, is relevant in zoverre zij de betrokken inrichtende machten de grootst mogelijke kansen biedt een geschikte persoon voor de te begeven betrekking in dienst te kunnen nemen.

B.10. De verantwoording met betrekking tot de, naar wordt vermoed, beperktere omvang van de inrichtende machten in het gesubsidieerd vrij net kan echter niet verklaren om welke reden de inrichtende machten die tot het gesubsidieerd officieel net behoren niet eveneens baat zouden kunnen hebben bij een soortgelijke bepaling. Het is immers niet aangetoond dat er, ook in dat net, geen inrichtende machten van bescheiden omvang bestaan die het gevaar zouden lopen met dezelfde rekruteringsproblemen af te rekenen te hebben en die voordeel zouden kunnen halen uit een aanzienlijke verhoging van het aantal kandidaten voor de vacante betrekking.

De verantwoording afgeleid uit de omvang van de inrichtende machten zou dan ook geen eigen karakteristiek van de inrichtende machten van het gesubsidieerd vrij net kunnen vormen die het mogelijk maakt het in het geding zijnde verschil in behandeling te verantwoorden ten aanzien van artikel 24, § 4, van de Grondwet.

B.11. Bovendien is de onmogelijkheid voor de inrichtende machten van het gesubsidieerd officieel net om, wanneer zij geen kandidaat hebben gevonden die afkomstig is uit hun eigen inrichtende macht of uit hun net, een directeur aan te werven die afkomstig is uit een ander net, in tegenspraak met de in B.3.2 in herinnering gebrachte doelstelling van het decreet, om de voorwaarden voor de toegang tot het ambt te uniformiseren tussen de verschillende netten, alsook met de door de decreetgever gedane vaststelling dat de rol van directeur van een instelling in alle scholen dezelfde is.

Het verlenen van die mogelijkheid aan de inrichtende machten van het gesubsidieerd officieel net kan bovendien de inachtneming verzekeren van artikel 10, tweede lid, van de Grondwet, dat de gelijke toegang tot de openbare bedieningen waarborgt, en kan het beginsel van de gemeentelijke en provinciale autonomie versterken door de plaatselijke besturen die gesubsidieerd officieel onderwijs inrichten de mogelijkheid te bieden op meer autonome wijze de geschikte personen aan te werven voor de betrekkingen van directeur van hun instellingen.

B.12. Ten slotte omvat de opleiding van de kandidaten voor het ambt van directeur, naast een gemeenschappelijk luik, een luik dat eigen is aan elk net voor de verwerving van de administratieve, materiële en financiële bevoegdheden, alsook van de bevoegdheden in verband met de pedagogische en educatieve hoofdlijnen die eigen zijn aan het betrokken net (artikel 18, § 1, van het decreet van 2 februari 2007). De kandidaat-directeur die ervaring heeft in een ander net geniet dan ook een opleiding die hem de mogelijkheid biedt zich zonder moeilijkheden aan te passen aan de eigen kenmerken van het net waarin hij is geroepen zijn nieuw ambt uit te oefenen.

B.13. Bovendien is elke directeur van een schoolinstelling die behoort tot het gesubsidieerd officieel net verplicht tot inachtneming van de decretale bepalingen met betrekking tot de neutraliteit die aan de instellingen van dat net zijn opgelegd met toepassing van het decreet van 17 december 2003 houdende organisatie van de neutraliteit eigen aan het gesubsidieerd officieel onderwijs en houdende diverse maatregelen inzake onderwijs. Artikel 10 van dat decreet bepaalt :

« Alle personeelsleden worden ertoe gehouden het beginsel van de neutraliteit ingericht door dit decreet in acht te nemen, ten gevolge van hun aanwijzing of aanwerving door een inrichtende macht die dit decreet moet naleven.

Daartoe, worden de opvoedkundige en pedagogische projecten bedoeld bij hoofdstuk VII van het voornoemde decreet van 24 juli 1997 overgezonden aan het personeelslid ter handtekening, met de melding ' Gelezen en goedgekeurd ' ervoor ».

Niets laat vermoeden dat een directeur die voordien personeelslid is geweest van een instelling van het gesubsidieerd vrij net zich niet aan die vereisten zou kunnen conformeren. Indien een dergelijk geval zich evenwel zou voordoen, zou het aan de bevoegde overheid toekomen de maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn krachtens onder meer artikel 11 van hetzelfde decreet.

B.14. De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 58, § 1, b), van het decreet van de Franse Gemeenschap van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs schendt de artikelen 10, 11 en 24, § 4, van de Grondwet.

Aldus uitgesproken in het Frans en in het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 10 november 2011.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De wnd. voorzitter,

J.-P. Snappe.

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag betreffende artikel 58, § 1, b), van het decreet van de Franse Gemeenschap van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Onderwijs

  • Franse Gemeenschap

  • Statuut van de directeurs

  • Toegang tot de stage van directeur

  • Voorwaarden

  • 1. Gesubsidieerd vrij onderwijs

  • Anciënniteit verworven in het gesubsidieerd onderwijs

  • 2. Gesubsidieerd officieel onderwijs

  • Anciënniteit verworven binnen een andere gesubsidieerde officiële inrichtende macht.