- Arrest van 10 november 2011

10/11/2011 - 177/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof verwerpt de vordering tot schorsing.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en R. Henneuse, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul en F. Daoût, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de vordering en rechtspleging

Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 8 september 2011 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 9 september 2011, heeft Luc Lamine, wonende te 3110 Rotselaar, Steenweg op Wezemaal 90, een vordering tot gehele of gedeeltelijke schorsing ingesteld van de artikelen 2, 4, 5, 6 en 9 van de wet van 13 augustus 2011 « tot wijziging van het Wetboek van strafvordering en van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, om aan elkeen die wordt verhoord en aan elkeen wiens vrijheid wordt benomen rechten te verlenen, waaronder het recht om een advocaat te raadplegen en door hem te worden bijgestaan » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 5 september 2011).

Bij hetzelfde verzoekschrift vordert de verzoekende partij eveneens de gehele of gedeeltelijke vernietiging van dezelfde wetsbepalingen.

(...)

II. In rechte

(...)

Ten aanzien van de bestreden bepalingen

B.1.1. Het beroep tot vernietiging en de vordering tot schorsing zijn in de eerste plaats gericht tegen artikel 6 van de wet van 13 augustus 2011 « tot wijziging van het Wetboek van strafvordering en van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, om aan elkeen die wordt verhoord en aan elkeen wiens vrijheid wordt benomen rechten te verlenen, waaronder het recht om een advocaat te raadplegen en door hem te worden bijgestaan ». Die bepaling voegt in het nieuwe hoofdstuk II/1 (« Het bevel tot verlenging ») van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis een nieuw artikel 15bis in, dat bepaalt :

« De onderzoeksrechter, die handelt op vordering van de procureur des Konings of ambtshalve optreedt, kan een bevel verlenen tot verlenging van de in artikel 1, 1° of artikel 2 bedoelde termijnen.

De vrijheidsbeneming die het gevolg is van dat bevel mag in geen geval langer duren dan vierentwintig uur te rekenen vanaf de betekening van het bevel.

Het bevel is met redenen omkleed en kan slechts eenmaal verleend worden. Het vermeldt de gegevens die het ingaan van een nieuwe termijn verantwoorden, te weten :

1° de ernstige aanwijzingen van schuld aan een misdaad of een wanbedrijf;

2° de bijzondere omstandigheden van het voorliggende geval.

Het wordt aan de betrokkene betekend binnen een termijn van vierentwintig uren. Die termijn gaat in op het tijdstip dat wordt bepaald door artikel 1, 2° of 3°, of door artikel 2, 5°. Bij gebrek aan een regelmatige betekening binnen de termijn die de wet bepaalt, wordt de persoon vrijgelaten.

Het bevel tot verlenging wordt onmiddellijk meegedeeld aan de procureur des Konings. Er kan geen rechtsmiddel tegen worden ingesteld.

Tijdens de nieuwe periode van vierentwintig uur heeft de persoon het recht gedurende dertig minuten vertrouwelijk overleg te plegen met zijn advocaat ».

B.1.2. Daarnaast beoogt de verzoeker de schorsing en de vernietiging van de artikelen 2, 4, 5 en 9 van de wet van 13 augustus 2011, zij het slechts in zoverre daarin wordt verwezen naar het voormelde artikel 15bis.

B.2. De wet van 13 augustus 2011 heeft als doel de Belgische wetgeving in overeenstemming te brengen met de zogenaamde « Salduz -rechtspraak » van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Volgens die rechtspraak heeft eenieder die wordt ondervraagd door de politie, recht op bijstand van een advocaat vanaf het eerste verhoor en mag, indien dat recht wordt geschonden, een strafrechtelijke veroordeling niet worden gebaseerd op bekentenissen die de verdachte tijdens het eerste politieverhoor heeft afgelegd (EHRM, 27 november 2008, Salduz t. Turkije, § 55). Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft later verduidelijkt dat elk verhoor van een van zijn vrijheid beroofde verdachte zonder bijstand van een advocaat, wanneer die afwezigheid niet kan worden verantwoord door dwingende redenen, een schending uitmaakt van de artikelen 6.1 en 6.3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, zelfs indien de verdachte tijdens dat verhoor van zijn zwijgrecht gebruik heeft gemaakt (EHRM, 24 september 2009, Pishchalnikov t. Rusland, § 81; EHRM, 13 oktober 2009, Dayanan t. Turkije, § 33). Het Hof heeft wel gepreciseerd dat een strafrechtelijke veroordeling in dat geval mogelijk blijft, indien die niet louter is gebaseerd op de in afwezigheid van de advocaat afgelegde bekentenissen, maar op grond van andere elementen is aangetoond (EHRM, 21 december 2010, Hovanesian t. Bulgarije). Tot slot verduidelijkte het Hof dat een voorafgaand vertrouwelijk overleg met de advocaat niet volstaat indien die laatste niet effectief tijdens het daarop volgende verhoor aanwezig is (EHRM, 14 oktober 2010, Brusco t. Frankrijk).

B.3.1. Daartoe voegt artikel 4 van de wet van 13 augustus 2011 een nieuw artikel 2bis in de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis in. Die bepaling kent aan eenieder die van zijn vrijheid is beroofd, een recht toe op vertrouwelijk overleg met een advocaat, dat vooraf moet gaan aan het eerste verhoor. Indien de verdachte geen beroep doet op een zelf gekozen advocaat, dient een advocaat te worden aangesteld. De advocaat dient aanwezig te zijn binnen twee uren na de eerste contactname met de permanentiedienst georganiseerd door de balies. Het vertrouwelijke overleg mag maximaal 30 minuten duren. Afstand van dat recht kan enkel worden gedaan door een meerderjarige en na vertrouwelijk telefonisch contact met de permanentiedienst. Van de afstand wordt akte genomen in een door de verdachte gedateerd en ondertekend document.

Dezelfde bepaling kent, in paragraaf 2 ervan, de betrokkene het recht toe op bijstand door zijn advocaat tijdens de verhoren die op het voormelde vertrouwelijke overleg volgen. Die bijstand heeft uitsluitend als doel toezicht mogelijk te maken op de eerbiediging van het recht zichzelf niet te beschuldigen, op de wijze waarop de ondervraagde persoon tijdens het verhoor wordt behandeld, inzonderheid op het al dan niet kennelijk uitoefenen van ongeoorloofde druk of dwang, en op de kennisgeving van de rechten van verdediging aan de verdachte.

B.3.2. Krachtens artikel 2 van de wet van 13 augustus 2011, dat artikel 47bis van het Wetboek van strafvordering wijzigt, dient tijdens het verhoor waarvan sprake in B.3.1, aan elke persoon die wordt verhoord aangaande misdrijven die hem ten laste kunnen worden gelegd, op beknopte wijze kennis te worden gegeven van de feiten waarover hij zal worden verhoord. Tevens dient hem te worden meegedeeld dat hij niet kan worden verplicht zichzelf te beschuldigen, dat hij na de bekendmaking van zijn identiteit de keuze heeft om een verklaring af te leggen, de gestelde vragen te beantwoorden of te zwijgen, en dat hij recht heeft op een vertrouwelijk overleg met een advocaat.

B.3.3. Artikel 15bis van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, ingevoegd bij artikel 6 van de bestreden wet, maakt het mogelijk de in artikel 1, 1°, of de in artikel 2 van die wet van 20 juli 1990 bedoelde vrijheidsberoving met 24 uren te verlengen.

Die laatste artikelen bepalen :

« Artikel 1. Voor de aanhouding bij op heterdaad ontdekte misdaad of op heterdaad ontdekt wanbedrijf gelden de volgende regels :

1° de vrijheidsbeneming mag in geen geval langer duren dan vierentwintig uren;

2° de agenten van de openbare macht stellen de verdachte van wie zij de vlucht hebben verhinderd, onmiddellijk ter beschikking van de officier van gerechtelijke politie. De termijn van vierentwintig uren waarvan sprake is in het 1°, gaat in op het ogenblik dat de verdachte, ten gevolge van het optreden van de agent van de openbare macht, niet meer beschikt over de vrijheid van komen en gaan;

3° iedere particulier die iemand vasthoudt die bij een misdaad of wanbedrijf op heterdaad betrapt werd, geeft de feiten onverwijld aan bij een agent van de openbare macht. De termijn van vierentwintig uren waarvan sprake is in het 1°, gaat in op het ogenblik dat die aangifte wordt gedaan;

4° zodra de officier van gerechtelijke politie tot aanhouding is overgegaan, deelt hij dit onverwijld mee aan de procureur des Konings door middel van de snelste communicatiemiddelen. Hij voert de bevelen van deze magistraat uit, zowel wat de vrijheidsbeneming als wat de uit te voeren plichten betreft;

5° indien het misdrijf het voorwerp uitmaakt van een gerechtelijk onderzoek, wordt de in het 4° bedoelde mededeling gedaan aan de onderzoeksrechter;

6° van de aanhouding wordt proces-verbaal opgemaakt.

Dit proces-verbaal vermeldt :

a) het juiste uur van de effectieve vrijheidsbeneming, met nauwkeurige opgave van de omstandigheden waarin de vrijheidsbeneming tot stand gekomen is;

b) de mededelingen gedaan overeenkomstig het 4° en het 5°, met opgave van het juiste uur en van de beslissingen genomen door de magistraat.

Art. 2. Buiten het geval van op heterdaad ontdekte misdaad of op heterdaad ontdekt wanbedrijf, kan een persoon tegen wie ernstige aanwijzingen van schuld aan een misdaad of een wanbedrijf bestaan, slechts ter beschikking van de rechter worden gesteld, en voor een termijn die niet langer duurt dan vierentwintig uren, met inachtneming van de volgende regels :

1° de beslissing tot vrijheidsbeneming kan alleen worden genomen door de procureur des Konings;

2° indien deze persoon poogt te vluchten of poogt zich te onttrekken aan het toezicht van een agent van de openbare macht, mogen bewarende maatregelen worden getroffen in afwachting dat de procureur des Konings, onverwijld door de snelste communicatiemiddelen op de hoogte gebracht, een beslissing neemt;

3° van de beslissing tot aanhouding wordt onverwijld kennis gegeven aan de betrokkene. Deze kennisgeving bestaat in het mondeling mededelen van de beslissing in de taal van de rechtspleging;

4° er wordt een proces-verbaal opgemaakt. Dit proces-verbaal vermeldt :

a) de beslissing van de procureur des Konings, de door hem getroffen maatregelen en de wijze waarop deze zijn medegedeeld;

b) het juiste uur van de effectieve vrijheidsbeneming, met nauwkeurige opgave van de omstandigheden waarin de vrijheidsbeneming tot stand gekomen is;

c) het juiste uur van de kennisgeving aan de betrokkene van de beslissing tot aanhouding.

5° de aangehouden of vastgehouden persoon wordt in vrijheid gesteld zodra de maatregel niet langer noodzakelijk is. De vrijheidsbeneming mag in geen geval langer duren dan vierentwintig uren te rekenen van de kennisgeving van de beslissing of, ingeval er bewarende dwangmaatregelen zijn genomen, te rekenen van het ogenblik dat de persoon niet meer beschikt over de vrijheid van komen en gaan;

6° wanneer de zaak aanhangig is bij de onderzoeksrechter, oefent deze de bevoegdheden uit die dit artikel aan de procureur des Konings opdraagt ».

Het nieuwe artikel 15bis werd in de parlementaire voorbereiding voorgesteld als een noodzakelijk gevolg van de nieuwe procedurele waarborgen. Het zou niet mogelijk zijn een bevel tot aanhouding te betekenen binnen een termijn van 24 uren, indien de procedures bedoeld in het nieuwe artikel 47bis, § 2, van het Wetboek van Strafvordering en in het nieuwe artikel 2bis van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis zouden worden nageleefd. De minister van Justitie zette hieromtrent het volgende uiteen :

« De arrestatietermijn van 24 uren is een korte termijn waarbinnen veel moet gebeuren. In de huidige situatie is het een termijn die al onder druk staat.

Niettegenstaande de nieuwe rechten die op basis van het wetsontwerp binnen deze termijn ter uitvoering moeten worden gelegd, werd toch de fundamentele keuze gemaakt tot het behoud van de termijn van 24 uur, als zijnde een belangrijk principe voor de bescherming van de vrijheid van personen.

Nochtans was men ook niet blind voor het feit dat bij de invoering van de bijstand van de advocaat de termijn van 24 uur in sommige dossiers moeilijk houdbaar wordt. Dit zal bijvoorbeeld het geval zijn bij grote onderzoeken, waarbij verschillende personen zijn aangehouden, zeker wanneer dezen moeten bijgestaan worden door tolken.

Het wetsvoorstel bepaalt dat ingeval er ernstige aanwijzingen van schuld aan een misdaad of wanbedrijf zijn en ingeval er zich bijzondere omstandigheden voordoen, de onderzoeksrechter een met redenen omkleed bevel tot verlenging kan verlenen.

De vrijheidsbeneming als gevolg van dit bevel, kan niet langer duren dan 24 uur te rekenen van de betekening van het bevel, die moet gebeuren binnen de eerste termijn van 24 uren » (Parl. St., Kamer, 2010-2011, DOC 53-1279/005, pp. 10-11).

Ten aanzien van het belang van de verzoeker

B.4.1. Artikel 142 van de Grondwet en artikel 2, 2°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat iedere natuurlijke persoon die een beroep instelt, doet blijken van een belang om voor het Hof in rechte te treden. Het vereiste belang is slechts aanwezig bij diegenen die door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig in hun situatie zouden kunnen worden geraakt. Daaruit volgt dat de actio popularis niet toelaatbaar is.

B.4.2. De habeas corpus is in alle omstandigheden een dermate essentieel aspect van de vrijheid van de burger, dat iedere fysieke persoon die zich op het Belgische grondgebied bevindt er voortdurend belang bij heeft dat de regels betreffende de aanhouding en de terbeschikkingstelling van het strafgerecht de individuele vrijheid waarborgen. Men kan derhalve niet staande houden dat een wet betreffende de voorlopige hechtenis slechts die personen aanbelangt die het voorwerp uitmaken of hebben uitgemaakt van een strafrechtelijke procedure. Het is dan ook niet nodig de door de verzoeker aangevoerde elementen betreffende zijn bijzondere persoonlijke toestand te onderzoeken.

B.4.3. Het beperkte onderzoek van de ontvankelijkheid van het beroep tot vernietiging waartoe het Hof in het kader van de vordering tot schorsing is kunnen overgaan, toont niet aan dat het beroep tot vernietiging - en dus de vordering tot schorsing - onontvankelijk moet worden geacht.

Ten aanzien van de voorwaarden van de schorsing

B.5. Naar luid van artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof dient aan twee grondvoorwaarden te zijn voldaan opdat tot schorsing kan worden besloten :

- de middelen die worden aangevoerd moeten ernstig zijn;

- de onmiddellijke uitvoering van de bestreden maatregel moet een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kunnen berokkenen.

Daar de twee voorwaarden cumulatief zijn, leidt de vaststelling dat één van die voorwaarden niet is vervuld tot de verwerping van de vordering tot schorsing.

Wat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel betreft

B.6.1. De schorsing van een wetsbepaling door het Hof moet het mogelijk maken te vermijden dat, voor de verzoekende partij, een ernstig nadeel voortvloeit uit de onmiddellijke toepassing van de bestreden normen, nadeel dat niet of moeilijk zou kunnen worden hersteld in geval van een eventuele vernietiging.

B.6.2. Uit artikel 22 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof blijkt dat, om te voldoen aan de tweede voorwaarde van artikel 20, 1°, van die wet, de persoon die een vordering tot schorsing instelt, in zijn verzoekschrift concrete en precieze feiten moet uiteenzetten waaruit voldoende blijkt dat de onmiddellijke toepassing van de bepalingen waarvan hij de vernietiging vordert, hem een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen.

Die persoon moet met name het bestaan van het risico van een nadeel, de ernst ervan en het verband tussen dat risico en de toepassing van de bestreden bepalingen aantonen.

B.7.1. De verzoeker verwijst naar het feit dat hij in 2008 tot een gevangenisstraf van twaalf maanden is veroordeeld en dat hij daardoor bijzonder kwetsbaar is, in de zin dat hij opnieuw zou kunnen worden opgepakt. Hij verwijst in dat opzicht naar de « mensonwaardige » toestand van de politiecellen en de druk die ter gelegenheid van een ondervraging op hem zou kunnen worden uitgeoefend. Volgens de verzoeker kunnen die eventuele nadelen niet ongedaan worden gemaakt door een schadevergoeding achteraf.

B.7.2. Het door de verzoeker aangevoerde nadeel is hypothetisch, inzonderheid indien hij geen strafbare feiten pleegt.

Indien hij dergelijke feiten wel zou plegen of indien hij, bijvoorbeeld omdat hij verkeerdelijk als verdachte zou worden beschouwd, toch van zijn vrijheid zou worden beroofd, is het nog niet zeker dat de bestreden bepaling op hem zou worden toegepast, nu de onderzoeksrechter ze slechts kan toepassen indien aan de daarin uiteengezette voorwaarden is voldaan, te weten het bestaan van « ernstige aanwijzingen van schuld aan een misdaad of een wanbedrijf » en het bestaan van « bijzondere omstandigheden van het voorliggende geval ».

In dat geval heeft de bijstand van een advocaat tijdens het verhoor, zoals dat wordt gewaarborgd door het nieuwe artikel 2bis, § 2, derde lid, 2°, van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, precies als doelstelling dat wordt toegezien op « de wijze waarop de ondervraagde persoon tijdens het verhoor wordt behandeld, inzonderheid op het al dan niet kennelijk uitoefenen van ongeoorloofde druk of dwang ».

B.8. Aangezien niet is voldaan aan één van de voorwaarden die zijn vereist bij artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, kan de vordering tot schorsing niet worden ingewilligd.

Om die redenen,

het Hof

verwerpt de vordering tot schorsing.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 10 november 2011.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

M. Bossuyt.

Vrije woorden

  • Vordering tot gehele of gedeeltelijke schorsing van de artikelen 2, 4, 5, 6 en 9 van de wet van 13 augustus 2011 « tot wijziging van het Wetboek van strafvordering en van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, om aan elkeen die wordt verhoord en aan elkeen wiens vrijheid wordt benomen rechten te verlenen, waaronder het recht om een advocaat te raadplegen en door hem te worden bijgestaan », ingesteld door Luc Lamine. Strafrecht

  • Strafrechtspleging

  • Voorlopige hechtenis

  • 1. Bevel tot verlenging van de vrijheidsberoving met 24 uren

  • 2. Recht op vertrouwelijk overleg met een advocaat

  • 3. Recht op bijstand van een advocaat vanaf het eerste politieverhoor. # Schorsing

  • Geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel.