- Arrest van 10 november 2011

10/11/2011 - 168/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof verwerpt het beroep.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en R. Henneuse, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul en F. Daoût, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging

Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 9 november 2010 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 10 november 2010, heeft de Vlaamse Regering beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 25 en 26 van de wet van 28 april 2010 houdende diverse bepalingen (wijzigingen van de wet van 9 februari 1981 houdende de voorwaarden voor export van kernmaterialen en kernuitrustingen, alsmede van technologische gegevens), bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 10 mei 2010.

(...)

II. In rechte

(...)

Ten aanzien van de bestreden bepalingen en de situering ervan

B.1.1. De Vlaamse Regering vordert de vernietiging van de artikelen 25 en 26 van de wet van 28 april 2010 houdende diverse bepalingen.

B.1.2. Artikel 25 van de wet van 28 april 2010 schrapt in artikel 1 van de wet van 9 februari 1981 « houdende de voorwaarden voor export van kernmaterialen en kernuitrustingen, alsmede van technologische gegevens » de woorden « aan niet-kernwapenstaten ». Dat artikel 1 bepaalt daardoor :

« Met het oog op de uitvoering van de internationale akkoorden betreffende de nietverspreiding van kernwapens mag niemand kernmaterialen, kernuitrustingen en technologische kerngegevens of hun afgeleiden overdragen, behalve voor vreedzaam gebruik en na de vereiste controles.

Opdat de naleving van die voorwaarden wordt verzekerd, is elke overdracht onderworpen aan een voorafgaande machtiging, die door de Minister tot wiens bevoegdheid de Energie behoort wordt afgegeven na advies van een commissie van advies waarvan de leden door de Koning worden aangewezen en die onder meer bestaat uit vertegenwoordigers van de Ministers tot wier bevoegdheid de Economische Zaken, de Buitenlandse Zaken, de Buitenlandse Handel, de Justitie, de Volksgezondheid, het Leefmilieu en het Wetenschapsbeleid behoren ».

De woorden « aan niet-kernwapenstaten » bevonden zich in het eerste lid van die bepaling tussen de woorden « overdragen » en « , behalve ».

B.1.3. Artikel 26 van de wet van 28 april 2010 heeft in artikel 3 van de voormelde wet van 9 februari 1981 een punt 4 toegevoegd. Dat artikel 3 bepaalt daardoor :

« De Koning bepaalt bij in Ministerraad overlegd besluit :

1. de voorwaarden voor toekenning van de machtiging bedoeld in artikel 1. Deze hebben betrekking op de toepasselijke internationale veiligheidscontroles en op het domein der fysische protectie;

2. de procedure voor toekenning van de machtiging;

3. de samenstelling van de commissie van advies;

4. de voorwaarden waaronder de overdracht van andere dan in het artikel 2 bepaalde materialen, uitrustingen en technologische gegevens aan de in artikel 1 bedoelde machtiging onderworpen is, omdat zij in verband kan gebracht worden met de ontwikkeling, de aanmaak of het gebruik van kernwapens of andere nucleaire explosiemiddelen ».

B.1.4. Artikel 2 van de wet van 9 februari 1981 - waarnaar artikel 3, 4°, van die wet verwijst - bepaalt :

« De materialen, uitrustingen en technologische gegevens bedoeld onder artikel 1, worden door de Koning vastgesteld overeenkomstig de internationale akkoorden op nucleair gebied waarbij België overeenkomstsluitende Partij is ».

De bedoelde materialen, uitrustingen en technologische gegevens werden vastgesteld bij koninklijk besluit van 12 mei 1989 betreffende de overdracht aan niet-kernwapenstaten van kernmaterialen, kernuitrustingen, technologische kerngegevens en hun afgeleiden.

B.2. De bestreden bepalingen worden in de parlementaire voorbereiding toegelicht als volgt :

« Sedert de wet van 9 februari 1981 houdende de voorwaarden voor export van kernmaterialen en kernuitrustingen, alsmede van technologische kerngegevens, heeft de Belgische federale regering bijkomende verplichtingen inzake de overdracht van nucleaire goederen aangegaan.

Aan de directeur-generaal van de Internationale Organisatie voor Atoomenergie heeft onze regering tezamen met de andere leden van de Nuclear Suppliers Group op 20 maart 2006 een verbale nota overgemaakt waarbij zij zich verbindt de controle op de overdracht van nucleaire goederen te versterken :

- de overdracht naar kernwapenstaten kan slechts worden toegestaan nadat de regering van het land van bestemming de garantie aan de Belgische regering heeft gegeven inzake de niet-wederuitvoer aan niet-kernwapenstaten van de over te dragen goederen;

- er dient in de nationale wetgeving een ' catch all-clausule ' te worden opgenomen, d.i. een controle voor de overdrachten van goederen die niet in de nucleaire exportlijsten staan maar die wel in verband kunnen gebracht worden met een kernwapenprogramma in het land van bestemming. Het is gebleken dat sommige goederen die niet in de nucleaire controlelijsten voorkomen, ook kunnen gebruikt worden in een nucleair programma. Bovendien heeft de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties in haar resoluties de lidstaten van de Verenigde Naties verzocht deze proliferatiegevoelige goederen aan controle te [onderwerpen] als de bestemming Iran of de Volksrepubliek Korea zou zijn.

De voorgestelde wijzigingen geven een juridische basis voor de versterkte controle die tevens moet beletten dat de federale regering in een toestand terechtkomt waarbij ze haar nucleaire non-proliferatieverplichtingen ten aanzien van de Organisatie niet meer kan nakomen » (Parl. St., Kamer, 2009-2010, DOC 52-2423/001 en 52-2424/001, pp. 11-12).

Ten gronde

Wat het eerste middel betreft

B.3. In het eerste middel voert de Vlaamse Regering aan dat de bestreden bepalingen niet in overeenstemming zijn met de bevoegdheidverdelende regels vervat in de artikelen 39 en 134 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6, § 1, VI, eerste lid, 4°, en vijfde lid, 8°, en VII, tweede lid, b), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.

B.4.1. Artikel 39 van de Grondwet bepaalt :

« De wet draagt aan de gewestelijke organen welke zij opricht en welke samengesteld zijn uit verkozen mandatarissen de bevoegdheid op om de aangelegenheden te regelen welke zij aanduidt met uitsluiting van die bedoeld in de artikelen 30 en 127 tot 129 en dit binnen het gebied en op de wijze die zij bepaalt. Deze wet moet worden aangenomen met de meerderheid bepaald in artikel 4, laatste lid ».

B.4.2. Artikel 134 van de Grondwet bepaalt :

« De wetten ter uitvoering van artikel 39 bepalen de rechtskracht van de regelen die de organen, welke zij oprichten, uitvaardigen in de aangelegenheden, welke zij aanduiden.

Zij kunnen aan deze organen de bevoegdheid toekennen om decreten met kracht van wet uit te vaardigen op het gebied en op de wijze die zij bepalen ».

B.4.3. Artikel 6, § 1, VI, eerste lid, 4°, en vijfde lid, 8°, en VII, tweede lid, b), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 bepaalt :

« De aangelegenheden bedoeld in artikel 107quater [thans artikel 39] van de Grondwet zijn :

[...]

VI. Wat de economie betreft :

[...]

4° De in-, uit- en doorvoer van wapens, munitie, en speciaal voor militair gebruik of voor ordehandhaving dienstig materieel en daaraan verbonden technologie evenals van producten en technologieën voor tweeërlei gebruik, onverminderd de federale bevoegdheid inzake de in- en uitvoer met betrekking tot het leger en de politie en met naleving van de criteria vastgesteld in de Gedragscode van de Europese Unie op het stuk van de uitvoer van wapens;

[...]

Bovendien is alleen de federale overheid bevoegd voor :

[...]

8° de contingenten en vergunningen met uitzondering van de vergunningen voor de in-, uit- en doorvoer van wapens, munitie, en speciaal voor militair gebruik of voor ordehandhaving dienstig materieel en daaraan verbonden technologie evenals van producten en technologieën voor tweeërlei gebruik, onverminderd de federale bevoegdheid voor deze met betrekking tot het leger en de politie;

[...]

VII. Wat het energiebeleid betreft :

[...]

De federale overheid is echter bevoegd voor de aangelegenheden die wegens hun technische en economische ondeelbaarheid een gelijke behandeling op nationaal vlak behoeven, te weten :

[...]

b) De kernbrandstofcyclus ».

B.5. De Vlaamse Regering is van oordeel dat de aangelegenheden die de bestreden bepalingen regelen, vallen onder « de in-, uit- en doorvoer van wapens, munitie, en speciaal voor militair gebruik of voor ordehandhaving dienstig materieel en daaraan verbonden technologie evenals van producten en technologieën voor tweeërlei gebruik », bedoeld in artikel 6, § 1, VI, eerste lid, 4°, en vijfde lid, 8°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, en niet onder de « kernbrandstofcyclus », bedoeld in artikel 6, § 1, VII, tweede lid, b), van dezelfde bijzondere wet.

B.6.1. De wet van 9 februari 1981, waarvan de artikelen 1 en 3 worden gewijzigd bij de bestreden bepalingen, verbiedt de overdracht van kernmaterialen, kernuitrustingen en technologische kerngegevens of hun afgeleiden aan andere Staten, behalve voor vreedzaam gebruik en na de vereiste controles. Elke overdracht is onderworpen aan een voorafgaande machtiging, die door de minister tot wiens bevoegdheid de Energie behoort, wordt afgegeven na advies van een commissie waarvan de leden door de Koning worden aangewezen (artikel 1).

B.6.2. Het bestreden artikel 25 van de wet van 28 april 2010 brengt met zich mee dat de voormelde voorafgaande machtiging niet enkel geldt voor een overdracht van kernmaterialen, kernuitrustingen en technologische kerngegevens of hun afgeleiden aan niet-kernwapenstaten - waaronder volgens de parlementaire voorbereiding van de wet van 9 februari 1981 diende te worden begrepen « de Staten die geen kernwapens of ander nucleair ontploffingstuig hebben vervaardigd of tot ontploffing gebracht voor 1 januari 1967 » (Parl. St., Kamer, 1977-1978, nr. 358/1, p. 1) -, maar ook voor een overdracht aan kernwapenstaten.

B.6.3. Met het bestreden artikel 26 van de wet van 28 april 2010 heeft de wetgever de voorafgaande machtiging eveneens van toepassing willen maken op overdrachten van materialen, uitrustingen en technologische gegevens die niet « in de nucleaire exportlijsten staan maar die wel in verband kunnen gebracht worden met een kernwapenprogramma in het land van bestemming », omdat « sommige goederen die niet in de nucleaire controlelijsten voorkomen, ook kunnen gebruikt worden in een nucleair programma » (Parl. St., Kamer, 2009-2010, DOC 52-2423/001 en 52-2424/001, p. 12).

B.7. Het eerste lid, 4°, en het vijfde lid, 8°, van artikel 6, § 1, VI, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 werden respectievelijk ingevoegd en gewijzigd bij de bijzondere wet van 12 augustus 2003 tot wijziging van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.

Met die bijzondere wet van 12 augustus 2003 werd de bevoegdheid inzake « de in-, uit- en doorvoer van wapens, munitie, en speciaal voor militair gebruik of voor ordehandhaving dienstig materieel en daaraan verbonden technologie evenals van producten en technologieën voor tweeërlei gebruik » toegewezen aan de gewesten, evenwel « onverminderd de federale bevoegdheid inzake de in- en uitvoer met betrekking tot het leger en de politie en met naleving van de criteria vastgesteld in de Gedragscode van de Europese Unie op het stuk van de uitvoer van wapens ».

B.8.1. In haar advies bij het voorontwerp dat heeft geleid tot de bijzondere wet van 12 augustus 2003, heeft de afdeling wetgeving van de Raad van State gesteld :

« De memorie van toelichting behoort [...] naar behoren te worden aangevuld door erin te bepalen wat in het voorontwerp bedoeld wordt met ' producten en technologieën voor tweeërlei gebruik ', door in voorkomend geval te verwijzen naar de definitie die gegeven wordt van het begrip ' producten voor tweeërlei gebruik ' door artikel 2 van de verordening (EG) nr. 1334/2000 van de Raad, van 22 juni 2000, tot instelling van een communautaire regeling voor controle op de uitvoer van producten en technologie voor tweeërlei gebruik » (Parl. St., Senaat, B.Z. 2003, nr. 3-89/1, p. 11).

B.8.2. Ingaand op die suggestie van de Raad van State, werd in de parlementaire voorbereiding van de bijzondere wet van 12 augustus 2003, wat de omschrijving van het begrip « producten en technologieën voor tweeërlei gebruik » betreft, meermaals verwezen naar de verordening (EG) nr. 1334/2000 van de Raad van 22 juni 2000 tot instelling van een communautaire regeling voor controle op de uitvoer van producten en technologie voor tweeërlei gebruik (Parl. St., Senaat, B.Z. 2003, nr. 3-89/1, p. 2; nr. 3-89/3, pp. 2 en 3; Hand., Senaat, 29 juli 2003, nr. 3-7, p. 23; Hand., Kamer, 30 juli 2003, CRIV 51 PLEN 013, p. 9).

B.8.3. Artikel 2 van de voormelde verordening (EG) nr. 1334/2000 - die inmiddels werd vervangen door de verordening (EG) nr. 428/2009 van de Raad van 5 mei 2009 tot instelling van een communautaire regeling voor controle op de uitvoer, de overbrenging, de tussenhandel en de doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik - omschreef « producten voor tweeërlei gebruik » als « producten, met inbegrip van programmatuur en technologie, die zowel een civiele als een militaire bestemming kunnen hebben, met inbegrip van alle goederen die voor niet-explosieve doeleinden gebruikt kunnen worden en op enige manier bijdragen in de vervaardiging van nucleaire wapens of andere nucleaire explosiemiddelen ».

B.8.4. Daaruit volgt dat bij de bijzondere wet van 12 augustus 2003 aan de gewesten niet alleen de bevoegdheid inzake de in-, uit- en doorvoer van wapens, munitie, en speciaal voor militair gebruik of voor ordehandhaving dienstig materieel en de daaraan verbonden technologie werd toegewezen, maar ook de bevoegdheid inzake de in-, uit- en doorvoer van producten en technologieën die zowel een civiele als een militaire bestemming kunnen hebben, met inbegrip van de goederen die voor niet-explosieve doeleinden kunnen worden gebruikt en op enige manier bijdragen in de vervaardiging van nucleaire wapens of andere nucleaire explosiemiddelen.

B.9. Vermits de materialen, uitrustingen en technologische gegevens en hun afgeleiden, bedoeld in de artikelen 1 en 3 van de wet van 9 februari 1981, zoals gewijzigd bij de bestreden bepalingen, zowel een civiele als een militaire bestemming kunnen hebben en kunnen bijdragen in de vervaardiging van nucleaire wapens of andere nucleaire explosiemiddelen, betreffen zij « producten en technologieën voor tweeërlei gebruik » in de zin van artikel 6, § 1, VI, eerste lid, 4°, en vijfde lid, 8°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980.

B.10. Daaruit volgt dat de gewesten bevoegd zijn om de uitvoer van die materialen, uitrustingen en technologische gegevens en hun afgeleiden te reglementeren, onder meer door hem te onderwerpen aan een vergunningsplicht.

B.11.1. De parlementaire voorbereiding van de bijzondere wet van 12 augustus 2003 doet evenwel ook ervan blijken dat de bijzondere wetgever bij de overdracht aan de gewesten van de aangelegenheden bedoeld in artikel 6, § 1, VI, eerste lid, 4°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 niet heeft willen raken aan de bevoegdheid van de federale overheid voor de aangelegenheden die worden geregeld in de wet van 9 februari 1981 :

« Wat de bevoegdheid inzake kernmaterialen betreft, mag men de uitvoervergunningen die bij het voorliggend ontwerp worden geregionaliseerd, niet verwarren met de voorafgaande machtigingen voor de overdracht van kernmaterialen en kernuitrustingen, en van de technologische gegevens en de afgeleiden ervan. Die machtigingen worden niet geregionaliseerd : zij worden toegekend door de federale overheid, na advies van een interministeriële commissie die de CANVEK [Commissie van advies voor de niet-verspreiding van kernwapens] wordt genoemd, ter uitvoering van de wet van 9 februari 1981 houdende de voorwaarden voor export van kernmaterialen en kernuitrustingen, alsmede van technologische gegevens » (eigen vertaling) (Hand., Kamer, 30 juli 2003, CRIV 51 PLEN 013, p. 44).

In haar advies bij het voorontwerp dat heeft geleid tot de bijzondere wet van 12 augustus 2003 heeft de afdeling wetgeving van de Raad van State overigens erop gewezen dat de « aangelegenheden waarop de [...] overdracht van bevoegdheid betrekking heeft, [...] thans [worden] geregeld in de wet van 5 augustus 1991 betreffende de in-, uit- en doorvoer van wapens, munitie en speciaal voor militair gebruik dienstig materieel en daaraan verbonden technologie, zoals ze is gewijzigd bij de wetten van 25 en 26 maart 2003 » (Parl. St., Senaat, B.Z. 2003, nr. 3-89/1, p. 8).

Tijdens de parlementaire voorbereiding die volgde op dat advies, werd uitsluitend verwezen naar de in dat advies vermelde wetten van 5 augustus 1991, 25 maart 2003 en 26 maart 2003 en naar het ter uitvoering van de wet van 5 augustus 1991 genomen koninklijk besluit van 8 maart 1993 « tot regeling van de in-, uit- en doorvoer van wapens, munitie en speciaal voor militair gebruik of voor ordehandhaving dienstig materieel en de daaraan verbonden technologie » (Parl. St., Senaat, B.Z. 2003, nr. 3-89/1, p. 2; nr. 3-89/3, pp. 2, 6, 7, 9, 10, 15, 18, 19, 20 en 21; Kamer, B.Z. 2003, DOC 51-0129/003, p. 8), en werd het voormelde standpunt van de afdeling wetgeving van de Raad van State niet in twijfel getrokken.

B.11.2. De bijzondere wetgever heeft bijgevolg de aangelegenheden geregeld in de wet van 9 februari 1981 niet overgedragen aan de gewesten.

Dat voorbehoud op de aan de gewesten toegewezen bevoegdheden ligt overigens in de lijn van andere in de bijzondere wet van 8 augustus 1980 vervatte voorbehouden betreffende nucleaire aangelegenheden op de aan de gewesten toegewezen bevoegdheden, zoals die betreffende de kernbrandstofcyclus, bedoeld in artikel 6, § 1, VII, tweede lid, b), en die betreffende de bescherming tegen ioniserende stralingen, met inbegrip van het radioactief afval, bedoeld in artikel 6, § 1, II, tweede lid, 2°.

B.12. Uit het voorgaande volgt dat de uitvoer van de in de artikelen 1 en 3 van de wet van 9 februari 1981 bedoelde materialen, uitrustingen en technologische gegevens en hun afgeleiden, door de gewesten kan worden onderworpen aan vergunningen op grond van artikel 6, § 1, VI, eerste lid, 4°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, en door de federale overheid aan de in de wet van 9 februari 1981 bedoelde voorafgaande machtiging. Het is daarbij niet nodig te onderzoeken of de desbetreffende federale aangelegenheid al dan niet deel uitmaakt van de « kernbrandstofcyclus », bedoeld in artikel 6, § 1, VII, tweede lid, b), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, dan wel valt onder de residuaire bevoegdheden van de federale overheid.

B.13. Het eerste middel is niet gegrond.

Wat het tweede middel betreft

B.14. In het tweede middel voert de Vlaamse Regering aan dat de bestreden bepalingen niet in overeenstemming zijn met de bevoegdheidverdelende regels vervat in de artikelen 39, 134 en 167 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 92bis, § 4bis, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980.

B.15. Artikel 92bis, § 4bis, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 bepaalt :

« De federale overheid, de Gemeenschappen en de Gewesten sluiten, elk wat hen betreft, in ieder geval één of meer samenwerkingsakkoorden over de vertegenwoordiging van België bij internationale en supranationale organisaties en over de procedure in verband met de standpuntbepaling en met de bij gebreke van consensus aan te nemen houding in deze organisaties.

Onverminderd het bepaalde in artikel 83, §§ 2 en 3, wordt in afwachting van dit samenwerkingsakkoord of die samenwerkingsakkoorden overleg gepleegd tussen de federale overheid en de betrokken Regeringen voor de voorbereiding van de onderhandelingen en de beslissingen, evenals voor het opvolgen van de werkzaamheden van de internationale en supranationale organisaties die betrekking hebben op de tot de bevoegdheid van de Gemeenschappen of de Gewesten behorende aangelegenheden ».

B.16. De Vlaamse Regering leidt uit die bepaling af dat, bij gebrek aan een samenwerkingsakkoord over de Belgische deelname aan het Internationaal Agentschap voor Atoomenergie, de federale wetgever de bestreden bepalingen niet kon aannemen zonder overleg te plegen met de gewestregeringen.

B.17. Artikel 92bis, § 4bis, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 regelt de samenwerking tussen de federale overheid, de gemeenschappen en de gewesten op het vlak van de vertegenwoordiging van België bij de internationale en supranationale organisaties, de standpuntbepaling in die organisaties, de voorbereiding van de onderhandelingen en de beslissingen in die organisaties en het opvolgen van de werkzaamheden van die organisaties.

Die bepaling legt aan de federale overheid niet de verplichting op om bij het aannemen van wetten - ongeacht of zij al dan niet beogen uitvoering te geven aan verbintenissen die op internationaal niveau werden aangegaan - overleg te plegen met de gemeenschappen of de gewesten.

B.18. De overige in het middel aangevoerde bepalingen bevatten evenmin zulk een verplichting.

B.19. Het tweede middel is niet gegrond.

Wat het derde middel betreft

B.20. In het derde middel voert de Vlaamse Regering aan dat de bestreden bepalingen in strijd zijn met artikel 92bis, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, met het evenredigheidsbeginsel en met het beginsel van de federale loyauteit, doordat de federale aangelegenheid bedoeld in de wet van 9 februari 1981, en de gewestelijke aangelegenheid bedoeld in artikel 6, § 1, VI, eerste lid, 4°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, dermate verweven zouden zijn dat ze slechts in onderlinge samenwerking zouden kunnen worden geregeld.

B.21.1. Artikel 92bis, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 bepaalt :

« De Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten kunnen samenwerkingsakkoorden sluiten die onder meer betrekking hebben op de gezamenlijke oprichting en het gezamenlijk beheer van gemeenschappelijke diensten en instellingen, op het gezamenlijk uitoefenen van eigen bevoegdheden, of op de gemeenschappelijke ontwikkeling van initiatieven.

Over de samenwerkingsakkoorden wordt onderhandeld en zij worden gesloten door de bevoegde overheid. De akkoorden die betrekking hebben op de aangelegenheden die bij decreet worden geregeld, alsmede de akkoorden die de Gemeenschap of het Gewest zouden kunnen bezwaren of Belgen persoonlijk zouden kunnen binden, hebben eerst gevolg nadat zij instemming hebben verkregen bij decreet. De akkoorden die betrekking hebben op de aangelegenheden die bij wet worden geregeld, alsmede de akkoorden die de Staat zouden kunnen bezwaren of Belgen persoonlijk zouden kunnen binden, hebben eerst gevolg nadat zij instemming hebben verkregen bij wet ».

B.21.2. Die bepaling voorziet slechts in een mogelijkheid - en niet in een verplichting - voor de federale overheid, de gemeenschappen en de gewesten om samenwerkingsakkoorden te sluiten die onder meer betrekking hebben op de gezamenlijke oprichting en het gezamenlijke beheer van gemeenschappelijke diensten en instellingen, op de gezamenlijke uitoefening van eigen bevoegdheden of op de gemeenschappelijke ontwikkeling van initiatieven.

B.22. Het ontbreken van een samenwerkingsakkoord in een aangelegenheid waarvoor, zoals dat te dezen het geval is, de bijzondere wetgever daartoe niet in een verplichting voorziet, houdt in beginsel geen schending in van de bevoegdheidverdelende regels.

Het staat aan de overheden die complementaire bevoegdheden uitoefenen om te beoordelen of het opportuun is gebruik te maken van de in artikel 92bis, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 vermelde mogelijkheid.

B.23.1. In de uitoefening van hun bevoegdheden dienen de wetgevers weliswaar het evenredigheidsbeginsel, dat inherent is aan elke bevoegdheidsuitoefening, in acht te nemen. Dat beginsel houdt in dat geen enkele overheid bij het voeren van het beleid dat haar is toevertrouwd, zo verregaande maatregelen mag nemen dat het voor een andere overheid onmogelijk of overdreven moeilijk wordt om het beleid dat haar is toevertrouwd doelmatig te voeren.

B.23.2. De omstandigheid dat de bestreden bepalingen een weerslag kunnen hebben op de bevoegdheid van de gewesten bedoeld in artikel 6, § 1, VI, eerste lid, 4°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, volstaat evenwel niet om te besluiten tot een schending van het evenredigheidsbeginsel. Bovendien is de desbetreffende bevoegdheid van de federale overheid niet dermate verweven met de voormelde gewestbevoegdheid dat ze alleen in samenwerking kan worden uitgeoefend.

B.24. De bestreden bepalingen schenden het evenredigheidsbeginsel dat bij de uitoefening van bevoegdheden in acht moet worden genomen, niet.

B.25. Uit het beginsel van de federale loyauteit leidt de Vlaamse Regering geen andere argumenten af dan die welke werden afgeleid uit de aangevoerde schending van het evenredigheidsbeginsel.

B.26. Het derde middel is niet gegrond.

Om die redenen,

het Hof

verwerpt het beroep.

Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 10 november 2011.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

M. Bossuyt.

Vrije woorden

  • Beroep tot vernietiging van de artikelen 25 en 26 van de wet van 28 april 2010 houdende diverse bepalingen (wijzigingen van de wet van 9 februari 1981 houdende de voorwaarden voor export van kernmaterialen en kernuitrustingen, alsmede van technologische gegevens), ingesteld door de Vlaamse Regering. Grondwettelijk recht

  • 1. Bevoegdheden van de Staat en de gewesten Uitvoer van kernmaterialen, kernuitrustingen en technologische kerngegevens of hun afgeleiden

  • a. Voorafgaande machtiging

  • Federale bevoegdheid

  • b. Vergunning

  • Bevoegdheid van de gewesten

  • c. Onstentenis van samenwerkingsakkoord

  • 2. Bevoegdheidsuitoefening

  • Evenredigheid

  • 3. Federale loyauteit.