- Arrest van 10 november 2011

10/11/2011 - 170/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

- In zoverre het tot gevolg heeft het bedrag van de tegemoetkomingen aan personen met een handicap van een persoon die niet over inkomsten beschikt en die, zonder als paar te leven, een huishouden vormt met een persoon die geen bloed- of aanverwant is in de eerste, tweede of derde graad en die over inkomsten beschikt, te verminderen tot onder het bedrag van het leefloon waarop die persoon recht zou hebben krachtens artikel 14, §§ 1 en 2, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, schendt artikel 7 van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

- Artikel 7 van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet in zoverre het verschillen in behandeling invoert onder personen met een handicap die samenleven met een persoon die inkomsten heeft, naargelang zij als paar, in familieverband of in een gemeenschap van twee of meer personen leven. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 10 november 2011.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul en F. Daoût, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter R. Henneuse,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging

a. Bij arrest van 29 november 2010 in zake Marc Mikolajczak tegen de FOD Sociale Zekerheid, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 6 december 2010, heeft het Arbeidshof te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 7 van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat het tot een verschillende behandeling leidt van :

- de sociaal verzekerden die geen bestaansmiddelen hebben, naargelang zij een handicap hebben en tegemoetkomingen voor personen met een handicap ontvangen, dan wel in goede gezondheid verkeren en het leefloon ontvangen;

- de personen met een handicap die geen bestaansmiddelen hebben en die in gemeenschap leven, echter niet als paar noch in familieverband, naargelang de gemeenschap twee of meer personen telt;

- de personen die inkomsten hebben en die in gemeenschap leven, echter niet als paar noch in familieverband, met een persoon zonder inkomen, naargelang de samenwonende een handicap heeft en tegemoetkomingen voor personen met een handicap ontvangt, dan wel in goede gezondheid verkeert en het leefloon ontvangt ? ».

b. Bij vonnis van 8 februari 2011 in zake L.B. tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 17 februari 2011, heeft de Arbeidsrechtbank te Charleroi de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 7, § 3, van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, in zoverre het het begrip ' huishouden ' definieert als ' elke samenwoning van twee personen die geen bloed- of aanverwant zijn in de eerste, tweede of derde graad ', de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat het een verschil in behandeling invoert tussen, enerzijds, een persoon met een handicap die met zijn moeder of grootmoeder samenwoont en aan wie een inkomensvervangende tegemoetkoming van categorie A en een integratietegemoetkoming worden toegekend zonder de inkomsten van de bloedverwant in de opgaande lijn in aanmerking te nemen en, anderzijds, een persoon met een handicap die samenwoont met een dame met wie hij een affectieve band heeft die vergelijkbaar is met die ten opzichte van een pleegmoeder maar die de eerstgenoemde niet kan adopteren wegens een te klein leeftijdsverschil, en aan wie een tegemoetkoming van categorie C wordt toegekend waarbij de inkomsten van de samenwonende in aanmerking worden genomen, met als gevolg dat de tegemoetkoming wordt ingetrokken wegens het in aanmerking nemen van de inkomsten van de samenwonende ? ».

Die zaken, ingeschreven onder de nummers 5065 en 5106 van de rol van het Hof, werden samengevoegd.

(...)

III. In rechte

B.1. Artikel 7 van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap bepaalt :

« § 1. De in artikel 1 bedoelde tegemoetkomingen kunnen enkel toegekend worden indien het bedrag van het inkomen van de persoon met een handicap en het bedrag van het inkomen van de persoon met wie hij een huishouden vormt, het in artikel 6 bedoelde bedrag van de tegemoetkomingen niet overschrijden.

De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, wat moet worden verstaan onder ' inkomen ' en door wie, volgens welke criteria en op welke wijze het bedrag ervan moet worden bepaald.

De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, bepalen dat sommige inkomsten of delen van het inkomen, onder de voorwaarden die Hij bepaalt, niet of slechts gedeeltelijk in aanmerking worden genomen. Hij kan daarbij een onderscheid maken naargelang het gaat om een inkomensvervangende tegemoetkoming, een integratietegemoetkoming of een tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden. Hij kan eveneens een onderscheid maken naargelang de gerechtigde behoort tot categorie A, B of C, naargelang de graad van zelfredzaamheid van de persoon met een handicap, naargelang het gaat om het inkomen van de persoon met een handicap zelf of om het inkomen van de persoon met wie hij een huishouden vormt, of naargelang de bron van het inkomen.

§ 2. De persoon met een handicap en de persoon met wie hij een huishouden vormt, moeten hun rechten laten gelden :

1° op de uitkeringen en vergoedingen waarop hij aanspraak kan maken krachtens een andere Belgische of buitenlandse wetgeving of krachtens de regels van toepassing op het personeel van een internationale openbare instelling, en die hun grond vinden in een beperking van het verdienvermogen, in een gebrek aan of vermindering van de zelfredzaamheid of in de artikelen 1382 en volgende van het Burgerlijk Wetboek betreffende de burgerlijke aansprakelijkheid;

2° op sociale uitkeringen inzake ziekte en invaliditeit, werkloosheid, arbeidsongevallen, beroepsziekten, rust- en overlevingspensioenen, de inkomensgarantie voor ouderen en het gewaarborgd inkomen voor bejaarden.

§ 3. Onder ' huishouden ' moet worden verstaan elke samenwoning van twee personen die geen bloed- of aanverwant zijn in de eerste, tweede of derde graad.

Het bestaan van een huishouden wordt vermoed wanneer ten minste twee personen die geen bloed- of aanverwant zijn in de eerste, tweede of derde graad, hun hoofdverblijfplaats op hetzelfde adres hebben. Het tegenbewijs kan met alle mogelijke middelen worden geleverd door de persoon met een handicap of door de bestuursdirectie van de uitkeringen aan personen met een handicap.

Wanneer echter één van de leden van het huishouden opgesloten is in een gevangenis of opgenomen is in een instelling voor sociaal verweer, dan houdt het huishouden op te bestaan.

§ 4. De in artikel 1 bedoelde tegemoetkomingen kunnen aan de aanvrager worden toegekend als voorschot op de uitkeringen en vergoedingen bedoeld in § 2.

De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, onder welke voorwaarden, op welke wijze en tot welk bedrag deze voorschotten kunnen worden toegekend, alsmede de wijze waarop ze kunnen worden teruggevorderd. De uitbetalingsdienst of -instelling treedt in de rechten van de gerechtigde tot het bedrag van de toegekende voorschotten ».

B.2.1. Om de prejudiciële vragen te beantwoorden dient het Hof na te gaan of die bepaling bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij leidt tot verschillen in behandeling :

- tussen personen met een handicap - en personen die samenleven met een persoon met een handicap - naargelang zij als paar, in familieverband of in gemeenschap van twee of meer personen leven;

- tussen personen met een handicap en de begunstigden van een leefloon.

B.2.2. Uit de feiten en de motivering van de verwijzingsbeslissingen blijkt dat bij de verwijzende rechters geschillen aanhangig zijn gemaakt die betrekking hebben op een persoon met een handicap zonder inkomsten die, zonder als paar samen te leven, een huishouden vormt met een persoon die geen bloed- of aanverwant is in de eerste, tweede of derde graad en die wel over inkomsten beschikt.

Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die hypothese.

Ten aanzien van de verschillen in behandeling onder personen met een handicap

B.3.1. Luidens de artikelen 1 en 2 van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap kunnen personen met een handicap drie types van tegemoetkoming krijgen : de inkomensvervangende tegemoetkoming, die wordt toegekend aan de persoon met een handicap die 21 tot 65 jaar oud is, wiens lichamelijke of psychische toestand zijn verdienvermogen in aanzienlijke mate heeft verminderd; de integratietegemoetkoming, die wordt toegekend aan de persoon met een handicap die 21 tot 65 jaar oud is, bij wie een gebrek aan of een vermindering van zelfredzaamheid is vastgesteld; de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden, die wordt toegekend aan de persoon met een handicap die ten minste 65 jaar oud is en bij wie een gebrek aan of een vermindering van zelfredzaamheid is vastgesteld.

Die tegemoetkomingen vormen een financiële hulp waarvan het bedrag prioritair de bestaanszekerheid van de minstbedeelden moet waarborgen. Het bedrag van die tegemoetkomingen is vastgelegd bij artikel 6 van de wet.

De uitgaven die voortvloeien uit de toepassing van die wet vallen ten laste van de Staat (artikel 22).

B.3.2. Zoals gewijzigd bij artikel 157 van de programmawet van 9 juli 2004, bepaalt artikel 7 van de wet van 27 februari 1987 dat de tegemoetkomingen aan personen met een handicap enkel kunnen worden toegekend « indien het bedrag van het inkomen van de persoon met een handicap en het bedrag van het inkomen van de persoon met wie hij een huishouden vormt, het in artikel 6 bedoelde bedrag van de tegemoetkomingen niet overschrijden » ( § 1). De wetgever verstaat onder « huishouden » « elke samenwoning van twee personen die geen bloed- of aanverwant zijn in de eerste, tweede of derde graad » ( § 3, eerste lid). « Het bestaan van een huishouden wordt vermoed wanneer ten minste twee personen die geen bloed- of aanverwant zijn in de eerste, tweede of derde graad, hun hoofdverblijfplaats op hetzelfde adres hebben. Het tegenbewijs kan met alle mogelijke middelen worden geleverd door de persoon met een handicap of door de bestuursdirectie van de uitkeringen aan personen met een handicap » ( § 3, tweede lid).

B.3.3. Uit de parlementaire voorbereiding van de programmawet van 9 juli 2004 blijkt dat de wetgever de definitie van het begrip « huishouden », zoals zij voortvloeide uit artikel 121 van de programmawet (I) van 24 december 2002, heeft willen wijzigen :

« Voortaan wordt een huishouden gedefinieerd als het samenwonen van twee personen die geen bloed- of aanverwant zijn in de eerste tot en met derde graad. Dat betekent dat het uitgangspunt van de wet van 2002 behouden blijft in die zin dat de aard van samenwoning (al dan niet met iemand van het andere geslacht) niet langer een bepalende factor is, wat een aantal discriminaties wegwerkt.

Aan de andere kant wordt de definitie van de wet van 2002 wel beperkt tot een samenwonen van twee personen, terwijl het in de wet van 2002 kon gaan om een onbeperkt aantal samenwonenden die allemaal samen als ' huishouden ' konden worden beschouwd » (Parl. St., Kamer, 2003-2004, DOC 51-1138/019, pp. 30-31).

B.3.4. Uit de parlementaire voorbereiding van de programmawet (I) van 24 december 2002 blijkt dat de wetgever, door de definitie van het begrip « huishouden » te wijzigen, de criteria en modaliteiten voor toekenning van de tegemoetkomingen aan personen met een handicap nauwer wilde doen aansluiten bij de huidige samenlevingsvormen, door niet alleen rekening te houden met het eigen inkomen van de persoon met een handicap, maar ook met dat van de personen met wie hij een huishouden vormt (Parl. St., Kamer, 2002-2003, DOC 50-2124/001, pp. 86 tot 88 en 92).

Zich ervan bewust dat de administratie onmogelijk elke afzonderlijke feitelijke levenssituatie kon uitpluizen, heeft de wetgever geopteerd voor een systeem van vermoeden van het bestaan van een huishouden wanneer twee of meer personen op hetzelfde adres zijn gedomicilieerd, waarbij echter aan de betrokkene de mogelijkheid wordt gelaten om met alle mogelijke middelen aan te tonen dat de feitelijke toestand afwijkt van de juridische, zoals die blijkt uit het Rijksregister (ibid., p. 92).

B.3.5. Uit de parlementaire voorbereiding van de programmawet van 9 juli 2004 blijkt bovendien dat de wetgever de familiale zorg heeft willen aanmoedigen door de bloed- en aanverwanten in de eerste, tweede of derde graad uit te sluiten van het begrip « huishouden » (Parl. St., Kamer, 2003-2004, DOC 51-1138/001 en 51-1139/001, p. 92).

B.4. De regeling in verband met de tegemoetkomingen aan personen met een handicap vormt een bijzonder stelsel van maatschappelijke dienstverlening. In tegenstelling tot het traditionele stelsel van de sociale zekerheid, dat de betaling van bijdragen inhoudt, wordt dit bijzonder stelsel volledig gefinancierd door de algemene inkomsten van de Staat en wil het een door de wet bepaald inkomen verschaffen aan diegenen die niet over voldoende andere bestaansmiddelen beschikken.

Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap blijkt dat de wetgever de drie in de wet bedoelde tegemoetkomingen enkel heeft willen toekennen aan de personen met een handicap wier inkomen een bepaald plafond niet overschrijdt. Aangezien die tegemoetkomingen uitsluitend worden gefinancierd met overheidsgeld, bestond het door de wetgever nagestreefde doel erin ze toe te kennen aan de minstbedeelden (Parl. St., Kamer, 1985-1986, nr. 448/1, pp. 2 en 6).

In zijn arrest nr. 65/2000 van 30 mei 2000 heeft het Hof op grond daarvan geoordeeld dat de wetgever redelijkerwijze vermocht te oordelen dat hij, om budgettaire redenen, voor de berekening van het bedrag van de tegemoetkomingen die moeten worden toegekend aan een persoon met een handicap die gehuwd is of een huishouden vormt, rekening zou houden met het beroepsinkomen van diens echtgenoot of de persoon met wie hij een huishouden vormt.

B.5.1. Door de tegemoetkomingen bedoeld in artikel 1 van de wet van 27 februari 1987 niet toe te kennen aan een persoon met een handicap zonder inkomen indien het bedrag van het inkomen van de persoon met wie hij een huishouden vormt - in de zin van artikel 7 van de in het geding zijnde wet - het bedrag van de tegemoetkomingen overschrijdt, heeft de wetgever een maatregel genomen die redelijk kan worden verantwoord, rekening houdend met het doel van solidariteit dat hij nastreeft in een bijzonder stelsel van maatschappelijke dienstverlening en rekening houdend met zijn bekommernis om de huidige samenlevingsvormen in aanmerking te nemen, zonder de administratie te verplichten zich te mengen in het privéleven van de betrokken personen. Aangezien de inclusie, in het begrip « huishouden », van religieuze gemeenschappen of lekengemeenschappen niet aan dat doel beantwoordde - zoals het Hof oordeelde in zijn arrest nr. 123/2004 van 7 juli 2004 -, is het verantwoord dat de wetgever het begrip « huishouden » heeft beperkt tot de samenwoning van twee personen.

B.5.2. Door de bloed- of aanverwanten in de eerste, tweede of derde graad uit te sluiten van het begrip « huishouden », creëert artikel 7, § 3, van de in het geding zijnde wet een verschil in behandeling dat redelijk kan worden verantwoord ten opzichte van het doel van de wetgever dat erin bestaat de familiale zorg voor personen met een handicap aan te moedigen. Die bepaling maakt het weliswaar niet mogelijk rekening te houden met de solidariteit vanwege een persoon die, zonder een bloed- of aanverwant te zijn, een persoon met een handicap ten laste neemt zonder als paar met hem samen te leven. De wetgever kan echter niet die specifieke situaties in aanmerking nemen zonder zich te mengen in het privéleven van de betrokkenen. Overigens kunnen die personen meestal hun toevlucht nemen tot adoptie, of een pleeggezin vormen. Zij worden dan beschouwd als bloedverwanten in de eerste graad. Het Hof wijst bovendien erop dat het vermoeden van het bestaan van een huishouden kan worden weerlegd indien de gemeenschappelijke domicilie niet gepaard gaat met het samenbrengen van de inkomsten en lasten van het huishouden. De in de prejudiciële vragen beoogde verschillen in behandeling tussen personen met een handicap zijn bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Ten aanzien van de verschillen in behandeling tussen personen met een handicap en de sociaal verzekerden die een leefloon ontvangen

B.6. Het Hof moet nog nagaan of artikel 7 van de in het geding zijnde wet, doordat het de in artikel 1 van de wet bedoelde tegemoetkomingen niet toekent aan een persoon met een handicap zonder inkomen indien het bedrag van het inkomen van de persoon met wie hij een huishouden vormt, het bedrag van de tegemoetkomingen overschrijdt, een verschil in behandeling creëert, dat niet redelijk zou zijn verantwoord, tussen de personen met een handicap en de personen die een leefloon ontvangen.

B.7.1. Artikel 14, §§ 1 en 2, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie bepaalt :

« § 1. Het leefloon bedraagt :

1° 4 400 EUR voor elke persoon die met één of meerdere personen samenwoont.

Onder samenwoning wordt verstaan het onder hetzelfde dak wonen van personen die hun huishoudelijke aangelegenheden hoofdzakelijk gemeenschappelijk regelen.

2° 6 600 EUR voor een alleenstaande persoon en voor een dakloze die recht heeft op een in de artikelen 11, §§ 1 en 3, en 13, § 2, bedoeld geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie.

3° 8 800 EUR voor een persoon die samenwoont met een gezin te zijnen laste.

Dit recht wordt geopend van zodra er ten minste één minderjarig ongehuwd kind aanwezig is.

Het dekt meteen het recht van de eventuele echtgeno(o)t(e) of levenspartner.

Onder gezin ten laste wordt verstaan, de echtgenoot, de levenspartner, het ongehuwd minderjarig kind of meerdere kinderen onder wie minstens één ongehuwd minderjarig kind.

De levenspartner is de persoon met wie de aanvrager een feitelijk gezin vormt.

De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, in welke mate de echtgenoot of de levenspartner de in artikel 3 bedoelde voorwaarden moet vervullen.

§ 2. Het bedrag van het leefloon wordt verminderd met de bestaansmiddelen van de aanvrager, berekend overeenkomstig de bepalingen van titel II, hoofdstuk II ».

Artikel 34 van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 houdende het algemeen reglement betreffende het recht op maatschappelijke integratie bepaalt :

« § 1. In geval de aanvrager gehuwd is en onder hetzelfde dak woont, of een feitelijk gezin vormt, met een persoon die geen aanspraak maakt op het genot van de wet, moet het gedeelte van de bestaansmiddelen van die persoon in aanmerking genomen worden, dat het bedrag overschrijdt van het leefloon bepaald voor de categorie van begunstigden bedoeld bij artikel 14, § 1, 1°, van de wet.

Twee personen die als koppel samenleven vormen een feitelijk gezin.

§ 2. In geval de aanvrager samenwoont met één of meer meerderjarige ascendenten en/of descendenten van de eerste graad, kan het gedeelte van de bestaansmiddelen van ieder van die personen dat het bij artikel 14, § 1, 1°, van de wet bepaalde bedrag te boven gaat, geheel of gedeeltelijk in aanmerking genomen worden; bij de toepassing van deze bepaling moet aan de aanvrager en zijn meerderjarige ascendenten en/of descendenten van de eerste graad fictief het bij artikel 14, § 1, 1°, van de wet bepaalde bedrag toegekend worden.

§ 3. In de andere gevallen van samenwonen met personen die geen aanspraak maken op het genot van de wet worden de bestaansmiddelen van die personen niet in aanmerking genomen.

§ 4. Indien de aanvrager gerechtigd is op een leefloon bedoeld in artikel 14, § 1, eerste lid, 3°, van de wet worden alle bestaansmiddelen van de echtgenoot of levenspartner in aanmerking genomen. Deze inkomsten worden berekend overeenkomstig de bepalingen van titel II, hoofdstuk II van de wet ».

B.7.2. Uit die bepalingen volgt dat, in tegenstelling tot hetgeen de in het geding zijnde wet bepaalt voor de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, de inkomsten van de samenwonende met wie de begunstigde van een leefloon niet als paar samenleeft, niet in aanmerking worden genomen om het bedrag van de uitkering vast te stellen. Zoals het Arbeidshof te Brussel erop wijst in zijn arrest van 30 april 2009 dat werd gewezen in de zaak nr. 5065, kan de persoon met een handicap een aanvulling vragen tot het niveau van het leefloon, om zijn tegemoetkomingen voor een persoon met een handicap aan te vullen.

B.8. De tegemoetkomingen die aan personen met een handicap worden toegekend, vormen een bijzondere regeling van maatschappelijke dienstverlening, die prioritair de bestaanszekerheid van de minst gegoeden moet waarborgen (Parl. St., Kamer, 1985-1986, nr. 448-1, p. 2). Het leefloon valt daarentegen onder een algemene regeling van maatschappelijke dienstverlening, die ertoe strekt eenieder in staat te stellen over een inkomen te beschikken om van te leven.

Ook al kunnen er objectieve verschillen zijn tussen die twee regelingen wat de toekenningsvoorwaarden en de omvang van de toegekende steun betreft, toch doet een bepaling die tot gevolg heeft dat de tegemoetkomingen voor personen met een handicap tot onder het bedrag van het leefloon zakken, op onevenredige wijze afbreuk aan de rechten van die personen, en houdt zij geen rekening met het doel van de wetgever dat erin bestaat prioritair de bestaanszekerheid te waarborgen van de personen die wegens hun handicap aanzienlijk zijn beperkt in hun verdienvermogen of in hun zelfredzaamheid. Die bepaling verplicht de persoon met een handicap bovendien aanvullende stappen te ondernemen om een aanvulling tot het niveau van het leefloon te verkrijgen, terwijl die persoon zich reeds bevindt in een situatie van afhankelijkheid en reeds met moeilijkheden op het vlak van maatschappelijke re-integratie wordt geconfronteerd.

B.9. In zoverre het tot gevolg heeft het bedrag van de tegemoetkomingen aan personen met een handicap van een persoon die niet over inkomsten beschikt en die, zonder als paar te leven, een huishouden vormt met een persoon die geen bloed- of aanverwant is in de eerste, tweede of derde graad en die over inkomsten beschikt, te verminderen tot onder het bedrag van het leefloon waarop die persoon recht zou hebben krachtens artikel 14, §§ 1 en 2, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, is artikel 7 van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

- In zoverre het tot gevolg heeft het bedrag van de tegemoetkomingen aan personen met een handicap van een persoon die niet over inkomsten beschikt en die, zonder als paar te leven, een huishouden vormt met een persoon die geen bloed- of aanverwant is in de eerste, tweede of derde graad en die over inkomsten beschikt, te verminderen tot onder het bedrag van het leefloon waarop die persoon recht zou hebben krachtens artikel 14, §§ 1 en 2, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, schendt artikel 7 van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

- Artikel 7 van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet in zoverre het verschillen in behandeling invoert onder personen met een handicap die samenleven met een persoon die inkomsten heeft, naargelang zij als paar, in familieverband of in een gemeenschap van twee of meer personen leven.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 10 november 2011.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

R. Henneuse.

Vrije woorden

  • Prejudiciële vragen over artikel 7 van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, gesteld door het Arbeidshof te Brussel en de Arbeidsrechtbank te Charleroi. Sociaal recht

  • Sociale zekerheid

  • Tegemoetkomingen aan personen met een handicap

  • Toekenningsvoorwaarden

  • Persoon wier eigen inkomen en dat van de persoon met wie hij een huishouden vormt een bepaald plafond niet overschrijdt

  • 1. Begrip huishouden

  • 2. Eventuele vermindering van het bedrag van de tegemoetkomingen tot onder het bedrag van het leefloon.