- Arrest van 27 januari 2011

27/01/2011 - 11/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Artikel 626 van het Gerechtelijk Wetboek, geïnterpreteerd in die zin dat met « de eiser » enkel de onderhoudsgerechtigde is bedoeld, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en R. Henneuse, de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Snappe en P. Nihoul, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter M. Melchior, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij vonnis van 30 maart 2010 in zake Philippe Compernolle tegen Ann-Lisbeth De Zegher en Laurens Compernolle, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 6 april 2010, heeft de Vrederechter van het tweede kanton Kortrijk de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 626 van het Gerechtelijk Wetboek het gelijkheidsbeginsel uitgedrukt in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, wanneer het wordt toegepast in die zin dat de rechter van de woonplaats van de onderhoudsgerechtigde wel territoriaal bevoegd is om kennis te nemen van een vordering tot toekenning of aanpassing van een in artikel 591, 7° van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde onderhoudsbijdrage, terwijl de rechter van de woonplaats van de onderhoudsplichtige territoriaal niet bevoegd is om kennis te nemen van een vordering tot afschaffing of aanpassing van een in artikel 591, 7° van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde onderhoudsbijdrage ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. Krachtens artikel 591, 7°, van het Gerechtelijk Wetboek neemt de vrederechter, ongeacht het bedrag van de vordering, kennis van de geschillen betreffende uitkeringen tot onderhoud.

Artikel 626 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt de territoriale bevoegdheid van de vrederechter :

« De vorderingen betreffende de uitkeringen tot onderhoud, bedoeld in artikel 591, 7°, kunnen worden gebracht voor de rechter van de woonplaats van de eiser ».

B.2. Volgens de verwijzende rechter wordt met « de eiser » de onderhoudsgerechtigde bedoeld en kan de onderhoudsplichtige die een afschaffing of vermindering van de uitkering vordert, niet als « de eiser » in de zin van artikel 626 van het Gerechtelijk Wetboek worden beschouwd.

De prejudiciële vraag strekt ertoe van het Hof te vernemen of die bepaling, aldus geïnterpreteerd, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt doordat de onderhoudsgerechtigden een vordering betreffende de onderhoudsuitkeringen voor de rechter van hun woonplaats kunnen instellen, terwijl de onderhoudsplichtigen dat niet zouden kunnen.

B.3. Artikel 10 van de wet van 19 maart 2010 tot bevordering van een objectieve berekening van de door de ouders te betalen onderhoudsbijdragen voor hun kinderen heeft artikel 626 van het Gerechtelijk Wetboek aangevuld met de volgende zinsnede : « de vorderingen strekkende tot de verlaging of de opheffing van deze uitkeringen uitgezonderd ».

Die aanvulling strekt ertoe, zo blijkt uit de parlementaire voorbereiding, « een einde [te maken] aan de heersende controverse in de rechtspraak [...], waarbij sommige beslissingen gesteund worden op de ratio legis van artikel 626 van het Gerechtelijk Wetboek, namelijk de bescherming van de onderhoudsgerechtigde, maar andere stellen dat de keuze van de territoriaal bevoegde rechter welke door artikel 626 van het Gerechtelijk Wetboek aan de eiser wordt verleend om een vordering met betrekking tot een onderhoudsuitkering in te stellen, ook geldt wanneer het de verlaging of opheffing van de uitkering betreft » (Parl. St., Kamer, 2008-2009, DOC 52-0899/004, pp. 4-5).

De wetgever geeft met die aanvulling te kennen dat het begrip « eiser » in zijn gebruikelijke betekenis moet worden begrepen, maar ook dat de onderhoudsplichtige, wanneer hij als eiser optreedt, door een verlaging of de opheffing van de uitkering te vorderen, zijn vordering niet voor de rechter van zijn woonplaats kan instellen.

De wet van 19 maart 2010 is op 1 augustus 2010 in werking getreden, maar is slechts van toepassing op de na die datum ingeleide vorderingen (artikel 17). Zij heeft derhalve geen weerslag op de vordering die voor de verwijzende rechter werd ingeleid.

B.4. De regeling van de territoriale bevoegdheid van de rechtbanken behoort tot de beoordelingsbevoegdheid van de wetgever. Het Hof zou een dergelijke regeling slechts strijdig kunnen bevinden met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet indien het verschil in behandeling dat uit die regeling voortvloeit, een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen met zich zou meebrengen.

B.5. Bij het regelen van de territoriale bevoegdheid voor geschillen betreffende onderhoudsuitkeringen, heeft de wetgever « de voorkeur gegeven aan de rechter van de woonplaats van eiser. Die magistraat kent de toestand van de behoeftige het best. Bovendien kan de behoeftige met die keuze het geschil aanhangig maken bij een rechtbank waarvan de bevoegdheid vaststaat en die dichtbij zijn woonplaats is gelegen, zonder zich aan de kosten bloot te stellen welke voortvloeien uit een geding, dat in een heel andere streek van het land moet worden gevoerd » (Parl. St., Kamer, 1950-1951, nr. 582, p. 2).

B.6. Door aldus de voorkeur te geven aan de vrederechter van de woonplaats van de onderhoudsgerechtigde, die zich vaak in een sociaaleconomisch zwakkere positie bevindt dan de onderhoudsplichtige, heeft de wetgever niet op onevenredige wijze afbreuk gedaan aan de rechten van de onderhoudsplichtige die een afschaffing of vermindering van de uitkering wenst te vorderen. Gewis zou het inleiden van die vordering voor de vrederechter van zijn eigen woonplaats voor hem een voordeliger keuze zijn, maar de voorkeur van de wetgever voor een andere territoriaal bevoegde vrederechter houdt geen buitensporige belemmering in van zijn recht op toegang tot de rechter.

B.7. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 626 van het Gerechtelijk Wetboek, geïnterpreteerd in die zin dat met « de eiser » enkel de onderhoudsgerechtigde is bedoeld, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 27 januari 2011.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

M. Bossuyt.

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag betreffende artikel 626 van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door de Vrederechter van het tweede kanton Kortrijk. Gerechtelijk recht

  • Bevoegdheid van de rechtscolleges

  • Vrederechter

  • 1. Volstrekte bevoegdheid

  • Geschillen betreffende onderhoudsuitkeringen

  • 2. Territoriale bevoegdheid

  • Rechter van de woonplaats van de eiser / onderhoudsgerechtigde. # Rechten en vrijheden

  • Jurisdictionele waarborgen

  • Recht op toegang tot de rechter.