- Arrest van 8 december 2011

08/12/2011 - 186/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

- Artikel 2.4.6, § 1, eerste lid, van de bij besluit van de Vlaamse Regering van 15 mei 2009 gecoördineerde « Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening » schendt noch artikel 79, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, noch de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

- In de interpretatie dat de onteigende ten aanzien van wie een voorlopige onteigeningsvergoeding, in de zin van artikel 14 van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte, wordt vastgesteld die lager is dan door hem gevraagd, als de in het ongelijk gestelde partij dient te worden beschouwd, schenden de artikelen 1017, eerste lid, en 1022 van het Gerechtelijk Wetboek de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet.

- In de interpretatie dat de onteigende ten aanzien van wie een voorlopige onteigeningsvergoeding, in de zin van het voormelde artikel 14, wordt vastgesteld die lager is dan door hem gevraagd, als de in het gelijk gestelde partij dient te worden beschouwd, schenden de artikelen 1017, eerste lid, en 1022 van het Gerechtelijk Wetboek niet de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en R. Henneuse, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul en F. Daoût, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging

Bij vonnis van 21 december 2010 in zake het autonoom gemeentebedrijf Stadsontwikkelingsbedrijf Gent tegen de nv « Immo Claes », waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 31 december 2010, heeft de Vrederechter van het vierde kanton Gent de volgende prejudiciële vragen gesteld :

- « Schendt artikel 2.4.6, § 1, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009 de regels die de onderscheiden bevoegdheden van de Staat, de gemeenschappen en de gewesten bepalen, inzonderheid artikel 79, § 1, van de bijzondere wet van 8 januari [lees : augustus] 1980 tot hervorming van de instellingen enerzijds, en de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Aanvullend Protocol van 20 maart 1952 bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Parijs en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 en met artikel 77 van het Vlaamse begrotingsdecreet van 19 december 2003 anderzijds, doordat het bepaalt dat bij het bepalen van de waarde van het onteigend goed geen rekening mag worden gehouden met de waardevermeerdering die voortvloeit uit de voorschriften van een ruimtelijk uitvoeringsplan, voorzover de onteigening wordt gevorderd voor de verwezenlijking van dat ruimtelijk uitvoeringsplan ? »;

- « Schenden de artikelen 1017, § 1 [lees : eerste lid], en 1022 van het Gerechtelijk Wetboek de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Aanvullend Protocol van 20 maart 1952 bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Parijs en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955, aldus geïnterpreteerd dat de onteigende ten aanzien van wie een voorlopige onteigeningsvergoeding wordt vastgesteld die lager is dan door hem/haar gevraagd als in het ongelijk gestelde partij moet worden aanzien die aan de onteigenaar een forfaitaire rechtsplegingsvergoeding verschuldigd is ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag

B.1. Artikel 2.4.6, § 1, eerste lid, van de bij besluit van 15 mei 2009 van de Vlaamse Regering gecoördineerde « Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening » (hierna : VCRO), bepaalt :

« Bij het bepalen van de waarde van het onteigende perceel wordt geen rekening gehouden met de waardevermeerdering of -vermindering die voortvloeit uit de voorschriften van een ruimtelijk uitvoeringsplan, voorzover de onteigening wordt gevorderd voor de verwezenlijking van dat ruimtelijk uitvoeringsplan ».

B.2. Het Hof wordt gevraagd of die bepaling, enerzijds, in overeenstemming is met de bevoegdheidverdelende regels en meer in het bijzonder met artikel 79, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, en anderzijds, bestaanbaar is met de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 77 van « het Vlaamse begrotingsdecreet van 19 december 2003 ».

Uit de algemene teneur van de zaak die hangende is voor de verwijzende rechter, kan worden afgeleid dat met dat laatste decreet wordt bedoeld het decreet van 19 december 2003 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2004.

B.3. De Vlaamse Regering voert aan dat de prejudiciële vraag onontvankelijk is, in zoverre ze betrekking heeft op de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepaling met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, omdat niet erin wordt bepaald welke categorieën van personen met elkaar dienen te worden vergeleken.

B.4. Wanneer het Hof wordt gevraagd of een wetskrachtige bepaling bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met een grondwettelijke of verdragsrechtelijke bepaling waarin een grondrecht wordt gewaarborgd, moet de categorie van personen van wie dat grondrecht zou zijn geschonden, worden vergeleken met de categorie van personen voor wie dat grondrecht is gewaarborgd.

Te dezen wordt het Hof gevraagd of de in het geding zijnde bepaling bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de grondrechten gewaarborgd in artikel 16 van de Grondwet en in artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. De categorie van personen van wie die grondrechten zouden zijn geschonden, dient bijgevolg te worden vergeleken met de categorie van personen voor wie die grondrechten zijn gewaarborgd.

De exceptie wordt verworpen.

B.5. De Vlaamse Regering voert eveneens aan dat de prejudiciële vraag onontvankelijk is, in zoverre erin wordt gevraagd de in het geding zijnde bepaling te toetsen aan artikel 77 van het decreet van 19 december 2003 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2004.

B.6. Noch uit de formulering van de prejudiciële vraag, noch uit de motivering van de verwijzingsbeslissing kan worden afgeleid in welke zin het voormelde artikel 77 van het decreet van 19 december 2003 betrokken zou dienen te worden in het onderzoek van de gestelde prejudiciële vraag.

In zoverre erin melding wordt gemaakt van dat artikel 77, is de prejudiciële vraag niet ontvankelijk.

B.7. Het onderzoek van de overeenstemming van een wetskrachtige bepaling met de bevoegdheidverdelende regels moet in beginsel het onderzoek van de bestaanbaarheid met de bepalingen van titel II van de Grondwet voorafgaan.

B.8.1. Artikel 6, § 1, I, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen bepaalt :

« De aangelegenheden bedoeld in artikel 107quater [thans artikel 39] van de Grondwet zijn :

I. Wat de ruimtelijke ordening betreft :

1° De stedebouw en de ruimtelijke ordening;

2° De rooiplannen van de gemeentewegen;

3° De verkrijging, aanleg en uitrusting van gronden voor industrie, ambachtswezen en diensten of van andere onthaalinfrastructuren voor investeerders, met inbegrip van de investeringen voor de uitrusting van industriezones bij de havens en de beschikbaarstelling daarvan voor de gebruikers;

4° De stadsvernieuwing;

5° De vernieuwing van afgedankte bedrijfsruimte;

6° Het grondbeleid;

7° De monumenten en de landschappen ».

B.8.2. Artikel 79, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 bepaalt :

« Onverminderd § 2, kunnen de Regeringen overgaan tot onteigeningen ten algemenen nutte in de gevallen en volgens de modaliteiten bepaald bij decreet, met inachtneming van de bij de wet vastgestelde gerechtelijke procedures en van het principe van de billijke en voorafgaande schadeloosstelling bepaald bij artikel 11 [thans artikel 16] van de Grondwet ».

B.9. Bij de uitoefening van hun bevoegdheden op het vlak van de ruimtelijke ordening kunnen de gewesten perken stellen aan het eigendomsrecht.

Zij kunnen ook overgaan tot onteigeningen of publiekrechtelijke rechtspersonen machtigen zulks te doen : in dat geval dienen zij evenwel, krachtens artikel 79, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, de bij de federale wet vastgestelde gerechtelijke procedures in acht te nemen, alsmede het grondwettelijke beginsel van de billijke en voorafgaande schadeloosstelling.

Door van de gewesten te eisen dat zij het beginsel van de billijke en voorafgaande schadeloosstelling in acht nemen, heeft de bijzondere wetgever niet de bedoeling gehad hun de bevoegdheid te ontnemen om de berekeningswijze van een dergelijke schadeloosstelling vast te stellen. Om billijk te zijn, moet de schadeloosstelling in beginsel een integraal herstel van het geleden nadeel waarborgen.

B.10.1. De onteigening biedt de overheid de mogelijkheid om voor doeleinden van algemeen nut de beschikking te krijgen over in het bijzonder onroerende goederen die niet middels de gewone wijzen van eigendomsoverdracht kunnen worden verworven. Artikel 16 van de Grondwet bepaalt dat niemand van zijn eigendom kan worden ontzet dan ten algemenen nutte, in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald en tegen billijke en voorafgaande schadeloosstelling.

B.10.2. Aan het begrip « algemeen nut » is in diverse wetskrachtige bepalingen een ruime betekenis verleend.

Zo machtigt artikel 2.4.3 van de VCRO de overheid om de onteigening aan te wenden als middel ter verwezenlijking van de ruimtelijke uitvoeringsplannen :

« § 1. Elke verwerving van onroerende goederen, vereist voor de verwezenlijking van de ruimtelijke uitvoeringsplannen, kan door onteigening ten algemenen nutte tot stand worden gebracht.

§ 2. Ongeacht de bepalingen die andere overheden bevoegd verklaren tot onteigenen, kunnen de volgende instanties als onteigenende instanties optreden ter verwezenlijking van ruimtelijke uitvoeringsplannen : het gewest, de provincies, de gemeenten, de verenigingen van gemeenten, de openbare instellingen en ook de organen die door de Vlaamse Regering gemachtigd zijn om te onteigenen ten algemenen nutte.

Wanneer de voorgenomen onteigening de ordening tot doel heeft van een gedeelte van het grondgebied dat bestemd is om verkaveld te worden met het oog op het oprichten van gebouwen voor huisvestings- of handelsdoeleinden, kan of kunnen de eigenaar of eigenaars die meer dan de helft van de oppervlakte van de in dat gebied begrepen gronden bezitten, vragen om, binnen de termijnen en onder de voorwaarden die de overheid heeft bepaald en voorzover ze er blijk van geven de nodige middelen te bezitten, belast te worden met de uitvoering van de voor die ordening vereiste werken en ook met de herverkavelings- en ruilverkavelingsverrichtingen.

De aanvraag, vermeld in het tweede lid, moet, op straffe van verval, worden ingediend binnen drie maanden na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van het besluit tot goedkeuring van het onteigeningsplan.

Wanneer de onteigening de ordening tot doel heeft van een gedeelte van het grondgebied dat krachtens een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan daartoe aangeduid is, kan de eigenaar of kunnen de eigenaars onder de voorwaarden bepaald in het tweede en derde lid, vragen om met de uitvoering van de ordeningswerken te worden belast.

In gevallen als bepaald in het tweede en het vierde lid zal de onteigenende overheid, op verzoek van de personen die met de ordening van de strook zijn belast, de daartoe vereiste onroerende goederen onteigenen, wanneer de onderhandse verkrijging daarvan onmogelijk is gebleken ».

Het begrip « algemeen nut » wordt ter zake ruimer geïnterpreteerd dan bij een onteigening die tot een ander doel strekt : de onteigening tot verwezenlijking van een ruimtelijk uitvoeringsplan wordt uit kracht van het decreet zelf geacht van openbaar nut te zijn.

Die eigen aard wordt vervolgens benadrukt door het feit dat de onteigenende overheid, zoals blijkt uit het voormelde artikel 2.4.3, § 2, van de VCRO, in bepaalde gevallen, op verzoek van de personen die met de ordening van een strook belast zijn, de daartoe vereiste onroerende goederen kan onteigenen wanneer de onderhandse verkrijging daarvan onmogelijk is gebleken. De termijnen om tot onteigening ter verwezenlijking van ruimtelijke uitvoeringsplannen over te gaan, zijn bovendien in de tijd beperkt door de artikelen 2.4.4 en 2.4.8 van de VCRO.

B.11. De in het geding zijnde bepaling brengt met zich mee dat de eigenaars van een perceel dat wordt onteigend ter verwezenlijking van een ruimtelijk uitvoeringsplan een onteigeningsvergoeding verkrijgen op grond van de waarde van het goed vóór de vaststelling of de wijziging van de bestemming door dat plan.

B.12. De in het geding zijnde bepaling gaat terug op artikel 31 van de wet van 29 maart 1962 « houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedebouw ».

Tijdens de parlementaire voorbereiding van die bepaling werd beklemtoond dat het beginsel « volgens hetwelk de schadeloosstelling moet worden berekend overeenkomstig de gesteldheid van het goed en van de omgeving op het ogenblik dat het onteigeningsbesluit werd genomen, evenals overeenkomstig de waarde er van rekening houdend met de markt van de onroerende goederen op het ogenblik van de minnelijke schikking of van het vonnis, is gesteund op de billijkheid. Zo mag geen rekening worden gehouden met de prijsschommelingen die het gevolg zouden zijn van een bepaalde zoning [lees : zonering], van de uitvoering der op het plan van aanleg voorziene werken, of van de er uit voortvloeiende verbodsbepalingen. Alleen de waardeveranderingen die te wijten zijn aan feiten die met het plan van aanleg hoegenaamd niets te maken hebben, zoals een devaluatie van de munt of een verhoging van de waarde der onroerende goederen in het algemeen, mogen in aanmerking worden genomen » (Parl. St., Senaat, 1958-1959, nr. 124, pp. 62-63, en Parl. St., Senaat, 1959-1960, nr. 275, p. 42). Bijgevolg zal « rekening [...] worden gehouden met de waarde op de dag van de onteigening alsof er geen plan van aanleg was » (Parl. St., Senaat, 1959-1960, ibid.). Of het betrokken goed door het plan een waardevermeerdering dan wel een waardevermindering zou kunnen ondergaan, is daarbij niet relevant.

B.13. Het in de in het geding zijnde bepaling vervatte criterium op grond waarvan de onteigeningsvergoeding wordt vastgesteld, is ingegeven door het rechtstreekse verband tussen het doel van de onteigening - de verwezenlijking van een ruimtelijk uitvoeringsplan - en de oorzaak van de wijziging van de waarde van het te onteigenen goed. Aangezien het door de realisatie van het ruimtelijk uitvoeringsplan middels de onteigening is dat de waarde van het onroerend goed ook daadwerkelijk wordt beïnvloed, is het billijk dat bij de vaststelling van de onteigeningsvergoeding geen rekening wordt gehouden met de waardevermeerdering of -vermindering die uit de verwezenlijking van die doelstelling voortvloeit.

Voor het overige dient niet anders te worden beslist wanneer de door het plan vastgestelde formele bestemming aansluit bij een reeds bestaande feitelijke bestemming. In dat geval zou immers de waarde van het onteigende perceel niet worden aangetast door de verwezenlijking van het plan, zodat de in het geding zijnde bepaling niet zou moeten worden toegepast.

B.14. De in het geding zijnde bepaling schendt het beginsel van de billijke schadeloosstelling niet en is bijgevolg in overeenstemming met de bevoegdheidverdelende regels.

B.15. Uit het voorgaande volgt dat de in het geding zijnde bepaling eveneens bestaanbaar is met artikel 16 van de Grondwet, en, gelet op de in B.4 gepreciseerde draagwijdte van de prejudiciële vraag, met de artikelen 10 en 11 ervan.

Het lezen van die grondwetsartikelen in samenhang met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens leidt niet tot een andere conclusie.

B.16. De eerste prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag

B.17. Artikel 1017, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals vervangen bij de wet van 24 juni 1970 tot wijziging van de wet van 10 oktober 1967 houdende het Gerechtelijk Wetboek en van sommige bepalingen betreffende de bevoegdheid van de hoven en rechtbanken en de burgerlijke rechtspleging, bepaalt :

« Tenzij bijzondere wetten anders bepalen, verwijst ieder eindvonnis, zelfs ambtshalve, de in het ongelijk gestelde partij in de kosten, onverminderd de overeenkomst tussen partijen, die het eventueel bekrachtigt ».

Artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals vervangen bij de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat en gewijzigd bij de wet van 22 december 2008 met hetzelfde opschrift, bepaalt :

« De rechtsplegingsvergoeding is een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij.

Na het advies te hebben ingewonnen van de Orde van Vlaamse Balies en van de Ordre des barreaux francophones et germanophone, stelt de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de basis-, minimum- en maximumbedragen vast van de rechtsplegingsvergoeding, onder meer in functie van de aard van de zaak en van de belangrijkheid van het geschil.

Op verzoek van een van de partijen, dat in voorkomend geval wordt gedaan na ondervraging door de rechter, kan deze bij een met bijzondere redenen omklede beslissing ofwel de vergoeding verminderen, ofwel die verhogen, zonder de door de Koning bepaalde maximum- en minimumbedragen te overschrijden. Bij zijn beoordeling houdt de rechter rekening met :

- de financiële draagkracht van de verliezende partij, om het bedrag van de vergoeding te verminderen;

- de complexiteit van de zaak;

- de contractueel bepaalde vergoedingen voor de in het gelijk gestelde partij;

- het kennelijk onredelijk karakter van de situatie.

Indien de in het ongelijk gestelde partij van de tweedelijns juridische bijstand geniet, wordt de rechtsplegingsvergoeding vastgelegd op het door de Koning vastgestelde minimum, tenzij in geval van een kennelijk onredelijke situatie. De rechter motiveert in het bijzonder zijn beslissing op dat punt.

Wanneer meerdere partijen de rechtsplegingsvergoeding ten laste van dezelfde in het ongelijk gestelde partij genieten, bedraagt het bedrag ervan maximum het dubbel van de maximale rechtsplegingsvergoeding waarop de begunstigde die gerechtigd is om de hoogste vergoeding te eisen aanspraak kan maken. Ze wordt door de rechter tussen de partijen verdeeld.

Geen partij kan boven het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding worden aangesproken tot betaling van een vergoeding voor de tussenkomst van de advocaat van een andere partij ».

B.18. De verwijzende rechter vraagt of die bepalingen, in de interpretatie dat de onteigende die een voorlopige onteigeningsvergoeding - in de zin van artikel 14 van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte (hierna : wet van 26 juli 1962) - krijgt die lager is dan door hem gevraagd, als de in het ongelijk gestelde partij moet worden beschouwd, die bijgevolg aan de onteigenende overheid een rechtsplegingsvergoeding verschuldigd is, bestaanbaar zijn met de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

B.19.1. De nv « Immo Claes » verzoekt het Hof de in het geding zijnde bepalingen niet alleen te toetsen aan de voormelde grondwetsartikelen, maar ook aan « de regels die de onderscheiden bevoegdheid van de Staat, de gemeenschappen en de gewesten bepalen, inzonderheid artikel 79, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen ».

B.19.2. De partijen voor het Hof vermogen niet de inhoud van de prejudiciële vragen te wijzigen of te doen wijzigen.

Het verzoek wordt verworpen.

B.20. In tegenstelling tot wat de Ministerraad beweert, kan uit de omstandigheid dat in de prejudiciële vraag niet wordt bepaald welke categorieën van personen met elkaar dienen te worden vergeleken, niet worden afgeleid dat die vraag onontvankelijk is. Het Hof wordt immers gevraagd of de in het geding zijnde bepalingen bestaanbaar zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de grondrechten gewaarborgd in artikel 16 van de Grondwet en in artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, zodat de categorie van personen van wie die grondrechten zouden zijn geschonden, dient te worden vergeleken met de categorie van personen voor wie die grondrechten zijn gewaarborgd.

B.21. Volgens de in het geding zijnde bepalingen is de rechtsplegingsvergoeding een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij, die ten laste komt van de in het ongelijk gestelde partij. In de interpretatie van de verwijzende rechter dient de onteigende als de in het ongelijk gestelde partij te worden beschouwd wanneer de vrederechter een voorlopige onteigeningsvergoeding vaststelt die lager is dan door hem gevraagd.

B.22. De Ministerraad is van oordeel dat de verwijzende rechter de in het geding zijnde bepalingen foutief interpreteert, omdat de onteigende in de fase van de voorlopige onteigeningsvergoeding niet zou kunnen worden beschouwd als de in het ongelijk gestelde partij.

B.23. Het staat in de regel aan de verwijzende rechter om de bepalingen die hij toepast te interpreteren, onder voorbehoud van een kennelijk verkeerde lezing van de in het geding zijnde bepalingen, wat te dezen niet het geval is.

B.24.1. De wet van 26 juli 1962 regelt de rechtspleging voor onteigeningen bij hoogdringende omstandigheden. Wat de onteigeningsvergoeding betreft, verloopt die rechtspleging in verschillende fasen.

In een eerste fase bepaalt de vrederechter, bij wijze van ruwe schatting, het bedrag van de provisionele vergoedingen die de onteigenaar globaal dient te storten aan ieder van de verweerders en van de als tussenkomend erkende partijen (artikel 8). In een tweede fase bepaalt de vrederechter, na de aanwezige partijen en de door hem aangestelde deskundige te hebben gehoord, voorlopig het bedrag van de vergoeding die voor de onteigening verschuldigd is (artikel 14). De voorlopige vergoedingen die de rechter toekent, worden onherroepelijk, tenzij een van de partijen de herziening ervan aanvraagt bij de rechtbank van eerste aanleg (artikel 16). De vordering tot herziening wordt door de rechtbank behandeld « overeenkomstig de regels van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering » (artikel 16, tweede lid), wat inhoudt dat tegen het vonnis van de rechtbank de beroepen - hoger beroep en cassatieberoep - kunnen worden ingesteld waarin het Gerechtelijk Wetboek voorziet. De procedure in herziening dient te worden beschouwd als een op zichzelf staande procedure (Cass., 3 februari 2000, Arr. Cass., 2000, nr. 88).

B.24.2. De prejudiciële vraag heeft betrekking op de fase betreffende de voorlopige onteigeningsvergoeding.

Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die fase.

B.25.1. Zoals in herinnering is gebracht in B.10.1, biedt de onteigening de overheid de mogelijkheid om voor doeleinden van algemeen nut de beschikking te krijgen over in het bijzonder onroerende goederen die niet middels de gewone wijzen van eigendomsoverdracht kunnen worden verworven. Ter waarborging van de rechten van de eigenaar bepaalt artikel 16 van de Grondwet evenwel dat niemand van zijn eigendom kan worden ontzet dan ten algemenen nutte, in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald en tegen billijke en voorafgaande schadeloosstelling.

B.25.2. Zoals in herinnering is gebracht in B.9, moet de schadeloosstelling, om billijk te zijn, in beginsel een integraal herstel van het geleden nadeel waarborgen.

B.25.3. De in de wet van 26 juli 1962 geregelde procedure beoogt in hoofdzaak de eigenaars te beschermen tegen onrechtmatig optreden van de overheid, en dit in het kader van het grondrecht gewaarborgd bij artikel 16 van de Grondwet. Meer in het bijzonder beoogt die procedure de onteigende het recht op een billijke schadeloosstelling te waarborgen.

B.25.4. Door de beslissing van de overheid om over te gaan tot de onteigening van een goed, wordt de eigenaar van dat goed noodgedwongen partij in een gerechtelijke procedure, die in essentie ertoe strekt het in artikel 16 van de Grondwet bedoelde grondrecht te waarborgen. Door die beslissing wordt de eigenaar, tegen zijn wil, geplaatst in een situatie waarin hij dient te waken over de naleving van zijn grondrechten. Vanwege het juridische en het technische karakter van het onderwerp van de onteigeningsprocedure, is het daarbij niet onredelijk dat hij van oordeel is dat hij zijn rechten slechts ten volle kan laten gelden wanneer hij zich laat bijstaan door een advocaat. De kosten en de erelonen van die advocaat dienen aldus te worden beschouwd als een gevolg van de beslissing van de overheid om over te gaan tot een onteigening, en dienen, opdat het geleden nadeel integraal kan worden hersteld, overeenkomstig artikel 16 van de Grondwet, door de onteigenende overheid te worden vergoed.

B.26. In de interpretatie van de verwijzende rechter brengen de in het geding zijnde bepalingen met zich mee dat de onteigende ten aanzien van wie een voorlopige onteigeningsvergoeding wordt vastgesteld die lager is dan door hem gevraagd, een rechtsplegingvergoeding dient te betalen aan de onteigenende overheid, als tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van die laatste.

In die interpretatie zijn de in het geding zijnde bepalingen niet bestaanbaar met artikel 16 van de Grondwet, en, gelet op de draagwijdte van de prejudiciële vraag zoals vastgesteld in B.20, evenmin met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

B.27. Zoals de Ministerraad aanvoert, kunnen de in het geding zijnde bepalingen echter ook op een andere manier worden geïnterpreteerd.

B.28.1. Vermits de in de wet van 26 juli 1962 geregelde procedure in het bijzonder beoogt de onteigende het recht op een billijke schadeloosstelling te waarborgen, kunnen de in het geding zijnde bepalingen, toegepast op die procedure, in die zin worden geïnterpreteerd dat de onteigenende overheid dient te worden beschouwd als de in het ongelijk gestelde partij. De vonnissen tot vaststelling van de provisionele en voorlopige onteigeningsvergoedingen beogen immers in essentie de onteigenende overheid te dwingen tot het betalen van de in artikel 16 van de Grondwet bedoelde billijke schadeloosstelling. Dit blijkt onder meer uit de artikelen 9, eerste lid, en 15, eerste lid, van de wet van 26 juli 1962, naar luid waarvan de onteigenende overheid, krachtens de vonnissen betreffende de provisionele en voorlopige onteigeningsvergoeding, en zonder dat die dienen te worden betekend, het bedrag van de provisionele en voorlopige onteigeningsvergoeding dient te storten in de Deposito- en Consignatiekas.

B.28.2. Hoewel die interpretatie ertoe kan leiden dat de kosten en de erelonen van de advocaat van de onteigende niet volledig worden vergoed - de rechtsplegingsvergoeding is immers een forfaitaire tegemoetkoming in die kosten en erelonen -, dient te worden vastgesteld, zoals het Hof reeds heeft gedaan in zijn arrest nr. 182/2008 van 18 december 2008, dat de wetgever, door ervoor te kiezen de verhaalbaarheid van de kosten en de erelonen van de advocaat te regelen met de techniek van de forfaitaire bedragen, teneinde de wetgeving in overeenstemming te brengen met de vereisten van het eerlijk proces en van het gelijkheidsbeginsel, geen maatregel heeft genomen die zonder verantwoording is. Door overigens erin te voorzien dat de forfaitaire bedragen na raadpleging van de orden van de balies worden vastgesteld, heeft de wetgever ervoor gezorgd dat die bedragen zouden worden vastgesteld in verhouding tot de door de meeste advocaten gehanteerde erelonen, zodat de toekenning van een forfaitaire rechtsplegingsvergoeding op zich niet kan worden geacht te leiden tot een onbillijke onteigeningsvergoeding.

B.29. In de in B.28.1 vermelde interpretatie zijn de in het geding zijnde bepalingen bestaanbaar met de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet. Het lezen van die grondwetsartikelen in samenhang met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens leidt niet tot een andere conclusie.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

- Artikel 2.4.6, § 1, eerste lid, van de bij besluit van de Vlaamse Regering van 15 mei 2009 gecoördineerde « Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening » schendt noch artikel 79, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, noch de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

- In de interpretatie dat de onteigende ten aanzien van wie een voorlopige onteigeningsvergoeding, in de zin van artikel 14 van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte, wordt vastgesteld die lager is dan door hem gevraagd, als de in het ongelijk gestelde partij dient te worden beschouwd, schenden de artikelen 1017, eerste lid, en 1022 van het Gerechtelijk Wetboek de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet.

- In de interpretatie dat de onteigende ten aanzien van wie een voorlopige onteigeningsvergoeding, in de zin van het voormelde artikel 14, wordt vastgesteld die lager is dan door hem gevraagd, als de in het gelijk gestelde partij dient te worden beschouwd, schenden de artikelen 1017, eerste lid, en 1022 van het Gerechtelijk Wetboek niet de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 8 december 2011.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

M. Bossuyt.

Vrije woorden

  • Prejudiciële vragen betreffende artikel 2.4.6, § 1, van de « Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening » (coördinatie van 15 mei 2009) en de artikelen 1017, eerste lid, en 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door de Vrederechter van het vierde kanton Gent. Grondwettelijk recht

  • Bevoegdheden van de gewesten

  • Vlaams Gewest

  • Ruimtelijke ordening

  • Onteigening tot verwezenlijking van een ruimtelijk uitvoeringsplan

  • Billijke schadeloosstelling. # Bestuursrecht

  • Onteigening ten algemenen nutte

  • 1. Onteigening tot verwezenlijking van een ruimtelijk uitvoeringsplan

  • Vaststelling van de onteigeningsvergoeding

  • Criterium

  • Waarde van het onteigende perceel vóór de vaststelling of de wijziging van de bestemming door het plan

  • 2. Rechtspleging

  • Vaststelling van een voorlopige onteigeningsvergoeding die lager is dan gevraagd door de onteigende. # Gerechtelijk recht

  • Verhaalbaarheid van kosten en honoraria van een advocaat

  • Veroordeling van de onteigenende overheid tot betaling van de rechtsplegingsvergoeding aan de oneigende. # Rechten en vrijheden

  • Eigendomsrecht

  • Onteigening

  • Billijke en voorafgaande schadeloosstelling.