- Arrest van 15 december 2011

15/12/2011 - 187/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof verwerpt het beroep.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en R. Henneuse, en de rechters E. De Groot, A. Alen, J.-P. Snappe, T. Merckx-Van Goey en F. Daoût, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging

Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 24 december 2010 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 28 december 2010, is beroep tot vernietiging ingesteld van de wet van 2 juni 2010 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek teneinde de werking van de mede-eigendom te moderniseren en transparanter te maken (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 28 juni 2010, tweede editie), minstens van artikel 10 ervan, door het Instituut van de Bedrijfsrevisoren, met zetel te 1000 Brussel, Renaissancegebouw, Emile Jacqmainlaan 135/1, het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten, met zetel te 1000 Brussel, Renaissancegebouw, Emile Jacqmainlaan 135/1, Renaud de Borman, wonende te 1970 Wezembeek-Oppem, Lange Eikstraat 3, de BVBA « Renaud de Borman, Réviseur d'entreprises Bedrijfsrevisor », met maatschappelijke zetel te 1970 Wezembeek-Oppem, Lange Eikstraat 3, Benoît Vanderstichelen, wonende te 1160 Brussel, Albert Crommelynckgaarde 3, Jean-Luc Kilesse, wonende te 4877 Olne, Le Fief 7, Jean-Guy Didier, wonende te 1840 Londerzeel, Eeckhout 35, Philippe Druart, wonende te 1150 Brussel, Drie Kleurengaarde 4, Jean-François Fayen, wonende te 4800 Petit-Rechain, rue de Battice 28, Patricia Cozza, wonende te 5000 Namen, avenue Félicien Rops 38, Christian Ronsse, wonende te 4602 Wezet, rue de l'Eglise 37, Bart Van Coile, wonende te 9030 Gent, Albrecht Dürerlaan 53, André Bert, wonende te 2820 Bonheiden, Rijmenamseweg 150, Jacques Hellin, wonende te 8510 Rollegem, Eikendreef 15, Lucien Ceulemans, wonende te 2610 Wilrijk, Eglantierlaan 91, Fredegonda Schelfhaut, wonende te 9190 Kemzeke, P.P. Rubenslaan 8, Sylvia Troonbeeckx, wonende te 3560 Lummen, Hegstraat 4, Peter Goethals, wonende te 9000 Gent, Martelaarslaan 406, Denise Bauwens, wonende te 9000 Gent, Keizer Karellaan 406, Els Schenkels, wonende te 2381 Weelde, Singelstraat 52, Robert Moreaux, wonende te 2650 Edegem, Romeinse Put 3, Jean-Claude Dekeyser, wonende te 8510 Marke, Sperlekestraat 2-4, Gilbert Geloen, wonende te 8000 Brugge, Spiegelrei 25, Jozef Van Beek, wonende te 2100 Deurne, Bosuil 23, Jean-Marie Hillewaere, wonende te 8792 Desselgem, Schoendalestraat 379, Ludo Van den Bossche, wonende te 9050 Gentbrugge, Verdoncklaan 57, en Jacques Colson, wonende te 2630 Aartselaar, F. Van den Berghelaan 35.

(...)

II. In rechte

(...)

Ten aanzien van de bestreden bepalingen

B.1. De verzoekende partijen voeren de schending aan van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie gewaarborgd bij de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 16 van de Grondwet, met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met het algemene rechtsbeginsel van het gewettigd vertrouwen, met het algemene rechtsbeginsel van de rechtszekerheid en met het « decreet d'Allarde » van 2 en 17 maart 1791, door de wet van 2 juni 2010 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek teneinde de werking van de mede-eigendom te moderniseren en transparanter te maken (hierna : de wet van 2 juni 2010), of minstens door artikel 10 ervan.

B.2. Het Hof stelt vast dat het middel van de verzoekende partijen in wezen artikel 10 van de wet van 2 juni 2010 viseert. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die bepaling.

Het bestreden artikel 10 van de wet van 2 juni 2010 bepaalt :

« In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 577-8/2 ingevoegd, luidende :

'Art. 577-8/2. De algemene vergadering wijst jaarlijks een commissaris van de rekeningen aan, die al dan niet mede-eigenaar is, wiens verplichtingen en bevoegdheden bij het reglement van mede-eigendom worden bepaald.' ».

Ten aanzien van de ontvankelijkheid

B.3.1. De Ministerraad voert aan dat het middel gedeeltelijk onontvankelijk is, aangezien het algemene rechtsbeginsel van het gewettigd vertrouwen, het algemene rechtsbeginsel van de rechtszekerheid en het « decreet d'Allarde » van 2 en 17 maart 1791 geen deel uitmaken van de regels waaraan het Hof vermag te toetsen.

B.3.2. Het Hof vermag niet rechtstreeks te toetsen aan algemene rechtsbeginselen. Wanneer evenwel de vraag rijst naar de bestaanbaarheid met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, dient het Hof na te gaan of een wettelijke maatregel die een verschil in behandeling inhoudt, berust op een pertinent criterium in het licht van het door de wetgever beoogde doel en of hij op onevenredige wijze afbreuk doet aan de rechten van een categorie van personen, rechten die inzonderheid kunnen worden afgeleid uit algemene rechtsbeginselen, met inbegrip van de vrijheid van handel en nijverheid in het « decreet d'Allarde ». Aldus is het Hof bevoegd om in het raam van zijn toetsing aan het gelijkheidsbeginsel ook met algemene rechtsbeginselen rekening te houden.

B.3.3. De exceptie wordt verworpen.

Ten gronde

B.4.1. In een eerste onderdeel van het middel verwijten de verzoekende partijen de bestreden bepaling dat zij een discriminatie teweegbrengt tussen de bedrijfsrevisoren en externe accountants, enerzijds, en de andere beroepscategorieën aan wie een wettelijk monopolie wordt toegekend, anderzijds, aangezien de bestreden bepaling, zonder verantwoording, het aan de eerstgenoemde categorie van personen toegekende monopolie ontneemt, althans voor wat betreft de controle van de rekeningen van mede-eigendommen, ten voordele van personen die, in voorkomend geval, niet over de minste deskundigheid op het gebied van boekhouding zouden beschikken.

B.4.2. In een tweede onderdeel van het middel bekritiseren de verzoekende partijen de bestreden bepaling eveneens in die zin dat zij een discriminatie teweegbrengt tussen de bedrijfsrevisoren, enerzijds, en de andere beroepen waaraan een titel wordt voorbehouden, anderzijds, aangezien de eerstgenoemde categorie van personen, zonder verantwoording, een titel zou verliezen die haar eigen is.

B.5. De Ministerraad betoogt dat een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet wordt aangevoerd zonder dat de verzoekende partijen preciseren welke categorieën van personen met elkaar moeten worden vergeleken, in welke zin het verschil in behandeling discriminerend zou zijn en in welk opzicht de aangevoerde grondrechten zouden zijn geschonden.

B.6.1. Om te voldoen aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, moeten de middelen van het verzoekschrift te kennen geven welke van de regels waarvan het Hof de naleving waarborgt, zouden zijn geschonden, alsook welke de bepalingen zijn die deze regels zouden schenden, en uiteenzetten in welk opzicht die regels door de bedoelde bepalingen zouden zijn geschonden.

Wanneer een schending van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie wordt aangevoerd, moet in de regel worden gepreciseerd welke categorieën van personen met elkaar moeten worden vergeleken en in welk opzicht de aangevochten bepaling een verschil in behandeling teweegbrengt dat discriminerend zou zijn.

Wanneer echter een schending van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, in samenhang gelezen met een ander grondrecht, wordt aangevoerd, volstaat het te preciseren in welk opzicht dat grondrecht is geschonden. De categorie van personen van wie dat grondrecht is geschonden, moet immers worden vergeleken met de categorie van personen voor wie dat grondrecht is gewaarborgd.

B.6.2. De verzoekende partijen zetten niet uiteen op welke manier artikel 16 van de Grondwet, artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, het algemene rechtsbeginsel van het gewettigd vertrouwen, het algemene rechtsbeginsel van de rechtszekerheid en het « decreet d'Allarde » van 2 en 17 maart 1791 zouden zijn geschonden. Het Hof onderzoekt bijgevolg slechts de aangevoerde schending van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie.

B.7.1. De verzoekende partijen verwijzen naar de artikelen 4, 9, 10 en 17 van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen, naar artikel 10 van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, naar artikel 25 van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, naar de artikelen 130 tot 143 en 526ter van het Wetboek van vennootschappen, naar boek III van het koninklijk besluit van 30 januari 2001 tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen, en naar artikel 45 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 9 januari 2003 betreffende de doorzichtigheid, de autonomie en de controle in verband met de overheidsinstellingen, de maatschappijen voor schoolgebouwen en de maatschappijen voor vermogensbeheer die onder de Franse Gemeenschap ressorteren, teneinde te staven dat de wetgever sedert 21 februari 1985 de titel « commissaris van de rekeningen » steeds heeft voorbehouden aan het beroep van bedrijfsrevisor.

B.7.2. Zonder zich te moeten uitspreken over de vraag of die bepalingen al dan niet een monopolie vestigen of het gebruik van een titel aan een bepaalde beroepscategorie voorbehouden, dient het Hof vast te stellen dat een latere wet van een dergelijke principiële beslissing zou vermogen af te wijken. Elke wetswijziging zou onmogelijk worden, indien zou worden aangenomen dat een nieuwe bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet zou schenden om de enkele reden dat zij de vroegere wetgeving wijzigt. Dit is des te meer het geval wanneer de wetgever aangelegenheden met een verschillend onderwerp regelt.

B.8.1. De oorspronkelijke tekst van de bestreden bepaling, zoals aangenomen in de Kamer van volksvertegenwoordigers, luidde als volgt :

« De algemene vergadering wijst jaarlijks een mede-eigenaar of een daartoe erkende externe expert aan als verificateur van de rekeningen, wiens verplichtingen en bevoegdheden bij het reglement van mede-eigendom worden bepaald » (Parl. St., Kamer, 2007-2008, DOC 52-1334/012, p. 14).

B.8.2. Als reactie op een opmerking in het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State (Parl. St., Senaat, 2009-2010, nr. 4-1409/3, p. 7), heeft de Senaat die bepaling als volgt geamendeerd :

« De algemene vergadering wijst jaarlijks een verificateur van de rekeningen aan, die al dan niet mede-eigenaar is, wiens verplichtingen en bevoegdheden bij het reglement van mede-eigendom worden bepaald » (Parl. St., Senaat, 2009-2010, nr. 4-1409/4, p. 17).

In de toelichting bij dat amendement wordt erop gewezen dat het begrip « expert » geen bestaand juridisch begrip is.

B.8.3. Meer in het algemeen streefde de wetgever met de aanwijzing van een « commissaris van de rekeningen » een ruimere verantwoordingsplicht en een betere bescherming van de mede-eigenaars (Parl. St., Kamer, 2007-2008, DOC 52-1334/001, pp. 7 en 15), een betere controle van de rekeningen (ibid., p. 25), en de versterking van de transparantie van het financieel beleid (Parl. St., Senaat, 2009-2010, nr. 4-1409/10, p. 3) na.

B.9. De wetgever vermocht ervan uit te gaan dat het past de functie van « commissaris van de rekeningen » tevens open te stellen voor mede-eigenaars die niet noodzakelijk bedrijfsrevisor of externe accountant zijn, opdat die functie kan bijdragen tot de betere betrokkenheid van de mede-eigenaars bij het toezicht op de rekeningen van de mede-eigendom. De wetgever kon daarenboven ervan uitgaan dat de boekhouding van de mede-eigendom in de regel niet dezelfde kenmerken vertoont als de in B.7.1 bedoelde wettelijke bepalingen, waarin hij het optreden van een bedrijfsrevisor noodzakelijk heeft geacht.

B.10. Met de creatie van de functie van de commissaris van de rekeningen heeft de wetgever niet op onevenredige wijze afbreuk gedaan aan de rechten van de bedrijfsrevisoren en externe accountants, gelet op het beperkte karakter ervan. Zij heeft immers alleen betrekking op de verenigingen van mede-eigenaars en zij verbiedt die verenigingen niet om de functie van « commissaris van de rekeningen » aan een bedrijfsrevisor of een externe accountant toe te wijzen.

B.11. Het middel is niet gegrond.

Om die redenen,

het Hof

verwerpt het beroep.

Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 15 december 2011.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

M. Bossuyt.

Vrije woorden

  • Beroep tot vernietiging van de wet van 2 juni 2010 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek teneinde de werking van de mede-eigendom te moderniseren en transparanter te maken, en, minstens, van artikel 10 ervan, ingesteld door het Instituut van de Bedrijfsrevisoren en anderen. Burgerlijk recht

  • Gedwongen mede-eigendom van gebouwen of groepen van gebouwen

  • Controle van de rekeningen

  • Commissaris van de rekeningen

  • 1. Mede-eigenaar

  • 2. Afwezigheid van noodzakelijk optreden van een bedrijfsrevisor of externe accountant.