- Arrest van 15 december 2011

15/12/2011 - 188/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof

vernietigt artikel 55, 3°, van het decreet van het Vlaamse Gewest van 16 juli 2010 houdende aanpassing van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009 en van het decreet van 10 maart 2006 houdende decretale aanpassingen inzake ruimtelijke ordening en onroerend erfgoed als gevolg van het bestuurlijk beleid.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en R. Henneuse, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul en F. Daoût, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging

a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 7 januari 2011 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 10 januari 2011, is beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 55 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 16 juli 2010 houdende aanpassing van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009 en van het decreet van 10 maart 2006 houdende decretale aanpassingen inzake ruimtelijke ordening en onroerend erfgoed als gevolg van het bestuurlijk beleid (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 9 augustus 2010) door André de Spoelberch, wonende te 1840 Londerzeel, Drietorenstraat 41, Cécile Cornet d'Elzius, wonende te 1200 Brussel, Lommerlaan 21, Elisabeth Cornet d'Elzius, wonende te 5361 Scy, rue Hector Montjoie 6, en André Cornet d'Elzius, wonende te 1200 Brussel, Lommerlaan 21.

b. Bij verzoekschriften die aan het Hof zijn toegezonden bij op 7 februari 2011 ter post aangetekende brieven en ter griffie zijn ingekomen op 8 februari 2011, zijn vier beroepen tot vernietiging ingesteld van artikel 55, 3°, van voormeld decreet van het Vlaamse Gewest van 16 juli 2010 respectievelijk door de NV « Alpagy-Invest », de NV « Gap-Invest », de NV « Sparrenhof-Invest », alle drie met maatschappelijke zetel te 9052 Gent (Zwijnaarde), Klossestraat 12, Françoise de Buck van Overstraeten, wonende te 1950 Kraainem, Jagerslaan 11, Patricia Kervyn de Volkaersbeke, die keuze van woonplaats doet te 2018 Antwerpen, Jan Van Rijswijcklaan 16, Alexandra Kervyn de Volkaersbeke, wonende te 1180 Brussel, Albert Lancasterlaan 103, en Guillaume Kervyn de Volkaersbeke, wonende te 8340 Moerkerke-Damme, Hoornstraat 1, door Thierry Storme, wonende te 9880 Aalter, Schoonberg 15, Dominique Storme, wonende te 9031 Drongen, Wafelijzerhoeve 1, Brigitte Storme, wonende te 9031 Drongen, Varendrieskouter 199, en Alain Storme, die keuze van woonplaats doet te 2018 Antwerpen, Jan Van Rijswijcklaan 16, door Denis Slachmuylders, wonende te 2811 Mechelen (Hombeek), Mechelseweg 1, Gisela Slachmuylders, wonende te 2800 Mechelen, Beekstraat 29, Jozef Slachmuylders, wonende te 2811 Mechelen (Leest), Juniorslaan 16, en Carine Slachmuylders, wonende te 1880 Kapelle-op-den-Bos, Grotstraat 3, en door Eddy Ceuppens en Marcelline Remue, wonende te 2160 Wommelgem, Herentalsebaan 400.

c. Bij verzoekschriften die aan het Hof zijn toegezonden bij op 9 februari 2011 ter post aangetekende brieven en ter griffie zijn ingekomen op 10 februari 2011, zijn twee beroepen tot vernietiging ingesteld van artikel 55, 3°, van voormeld decreet van het Vlaamse Gewest van 16 juli 2010 respectievelijk door Georges Cornet d'Elzius, wonende te 4500 Hoei, rue de la Tête Noire 34A, Paul Cornet d'Elzius, wonende te 1040 Brussel, Commandant Lothairelaan 67, Christine Cornet d'Elzius, wonende te 5500 Furfooz (Dinant), Ferme de Sûre 78, François Cornet d'Elzius, wonende te 1380 Ohain (Lasne), Chemin de la Brire 7, en de BVBA « Agro-Ecolo Brabant », met maatschappelijke zetel te 1040 Brussel, Commandant Lothairelaan 67, en door Jan Pincket, wonende te 1850 Grimbergen, Grimbergsesteenweg 16.

Die zaken, ingeschreven onder de nummers 5078, 5095, 5096, 5097, 5098, 5102 en 5103 van de rol van het Hof, werden samengevoegd.

(...)

II. In rechte

(...)

Ten aanzien van de bestreden bepaling en de context ervan

B.1.1. Het bestreden artikel 55, 3°, van het decreet van het Vlaamse Gewest van 16 juli 2010 houdende aanpassing van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009 en van het decreet van 10 maart 2006 houdende decretale aanpassingen inzake ruimtelijke ordening en onroerend erfgoed als gevolg van het bestuurlijk beleid voegt aan artikel 7.4.11, tweede lid, van de bij besluit van de Vlaamse Regering van 15 mei 2009 gecoördineerde Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna : VCRO) een zinsnede toe (vanaf : « met dien verstande [...] »), zodat het tweede lid van dat artikel, dat deel uitmaakt van afdeling 7 (« Planschade en planbaten » van hoofdstuk IV (« Planning ») van titel VII (« Diverse temporele en overgangsmaatregelen ») van de VCRO, thans bepaalt :

« Vorderingen tot betaling van planschadevergoedingen die zijn ontstaan uit eerdere plannen van aanleg, worden afgehandeld overeenkomstig de bepalingen van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, zoals dat gold op 31 augustus 2009, met dien verstande dat deze bepalingen geïnterpreteerd worden in die zin dat enkel de eerste 50 meter vanaf de rooilijn in aanmerking komt voor planschade ».

B.1.2. Met de zinsnede in voormeld artikel « overeenkomstig de bepalingen van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, zoals dat gold op 31 augustus 2009 » wordt in het bijzonder gerefereerd aan artikel 35 van het bij besluit van de Vlaamse Regering van 22 oktober 1996 gecoördineerde decreet van het Vlaamse Gewest betreffende de ruimtelijke ordening (hierna : Coördinatiedecreet), waarvan de meest relevante bepalingen, vóór de opheffing van dat decreet bij artikel 104 van het decreet van 27 maart 2009 tot aanpassing en aanvulling van het ruimtelijke plannings-, vergunningen- en handhavingsbeleid, luidden als volgt :

« Schadevergoeding is al naar het geval verschuldigd door het Vlaamse Gewest, de vereniging van gemeenten of de gemeente, wanneer het bouw- of verkavelingsverbod volgend uit een plan dat bindende kracht heeft verkregen, een einde maakt aan het gebruik waarvoor een goed dient of normaal bestemd is de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding.

[...]

Het recht op schadevergoeding ontstaat ofwel bij overdracht van het goed ofwel bij de weigering van een bouw- of verkavelingsvergunning of nog bij het afleveren van een negatief stedebouwkundig attest.

De waardevermindering van het goed volgend uit het bouw- of verkavelingsverbod, moet evenwel zonder vergoeding gedoogd worden ten belope van twintig ten honderd van die waarde.

[...]

Er is geen vergoeding verschuldigd in de volgende gevallen :

1° verbod te bouwen of te verkavelen als gevolg van een in uitzicht gestelde onteigening van het goed; zulks, onder voorbehoud van de toepassing van artikel 33;

2° verbod een grotere oppervlakte van een perceel te bebouwen dan het plan van aanleg toelaat, of bij een verkaveling de door het plan bepaalde bebouwingsdichtheid te overschrijden;

3° verbod de exploitatie van gevaarlijke, ongezonde en hinderlijke bedrijven voort te zetten na het verstrijken van de tijd waarvoor vergunning was verleend;

4° verbod te bouwen op een stuk grond dat de minimumafmetingen vastgesteld bij het plan van aanleg, niet heeft;

5° verbod om een stuk grond gelegen aan een weg die, gelet op de plaatselijke toestand, onvoldoende is uitgerust, te verkavelen of te bebouwen;

6° verbod te bouwen of te verkavelen buiten de bebouwde kernen, wegens de dwingende eisen van de verkeersveiligheid;

7° verbod een stuk grond te verkavelen waarvoor een vroeger verleende verkavelingsvergunning vervallen was op de datum van de inwerkingtreding van het plan dat bedoeld verbod inhoudt;

8° voor de gebouwen of vaststaande inrichtingen vernield door een natuurramp als het verbod van hun wederopbouw voortvloeit uit het koninklijk besluit genomen in uitvoering van artikel 12, § 3 eerste alinea, van de wet van 12 juli 1976 betreffende het herstel van zekere schade veroorzaakt aan private goederen door natuurrampen ».

B.1.3. De hiervoor geciteerde passages uit artikel 35 van het Coördinatiedecreet stemmen grotendeels overeen met het bij de coördinatie overgenomen artikel 37 van de wet van 29 maart 1962 « houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedebouw » (hierna : Stedenbouwwet), zoals vervangen bij artikel 2 van de wet van 22 december 1970 en gewijzigd bij de wetten van 12 juli 1976 (artikel 12, § 4) en 22 december 1977 (artikelen 177 en 178).

B.1.4. Sinds het decreet van het Vlaamse Gewest van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna : DRO) wordt de vergoeding van planschade die het gevolg is van de ruimtelijke uitvoeringsplannen, geregeld bij de artikelen 84 tot 86 van het DRO, die thans zijn gecoördineerd in de artikelen 2.6.1 tot 2.6.3 van de VCRO.

Artikel 2.6.1, § 3, van de VCRO bepaalt inzonderheid :

« § 3. Voor de toepassing van planschadevergoeding moet bovendien aan volgende criteria samen worden voldaan op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van het definitieve plan :

1° het perceel moet gelegen zijn aan een voldoende uitgeruste weg overeenkomstig artikel 4.3.5, § 1;

2° het perceel moet stedenbouwkundig en bouwtechnisch voor bebouwing in aanmerking komen;

3° het perceel moet gelegen zijn binnen een bebouwbare zone zoals bepaald in een plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan;

4° enkel de eerste 50 meter vanaf de rooilijn komt in aanmerking voor planschade ».

De in fine van die bepaling opgenomen regel, hierna ook de vijftigmeterregel genoemd, is in de parlementaire voorbereiding ervan als volgt verantwoord :

« Alleen de eerste vijftig meter vanaf de rooilijn komt in aanmerking voor een planschadevergoeding (punt 4). Deze beperking vloeit enerzijds reeds voort uit de vereiste van ligging aan een voldoende uitgeruste weg, en is overgenomen uit de analyse van de heersende rechtspraak die hieruit de 50 meter-regel ontwikkelde. De diepte van 50 meter vanaf de rooilijn is de algemeen gangbare bouwdiepte. De achterliggende gronden die zich verder dan de eerste strook van 50 meter situeren komen niet voor planschadevergoeding in aanmerking (zie onder meer Hof van Cassatie, nr. 7028, 30 november 1990) » (Parl. St., Vlaams Parlement, 1998-1999, nr. 1332/1, p. 46).

B.1.5. Het Hof dient derhalve uitspraak te doen over de regel dat, wat betreft de vergoeding wegens planschade, enkel de strook binnen de eerste vijftig meter vanaf de rooilijn in aanmerking wordt genomen.

De beroepen hebben geen betrekking op de vijftigmeterregel zoals vervat in artikel 2.6.1., § 3, 4°, van de VCRO met betrekking tot planschade als gevolg van de ruimtelijke uitvoeringsplannen, maar op de interpretatie, in het bij de « diverse temporele en overgangsmaatregelen » opgenomen artikel 7.4.11, tweede lid, van de VCRO, dat die regel eveneens geldt ten aanzien van de vergoeding voor planschade die voortspruit uit « eerdere plannen van aanleg », en, derhalve, op basis van de vroegere gelijklopende regelingen van artikel 37 van de Stedenbouwwet en artikel 35 van het Coördinatiedecreet.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid

B.2.1. Om hun belang bij het beroep te staven, voeren de verzoekende partijen aan dat zij partij zijn bij hangende rechtsgedingen waarbij zij aanspraak maken op planschadevergoeding als gevolg van plannen van aanleg.

In tegenstelling tot wat de Vlaamse Regering als exceptie van niet-ontvankelijkheid aanvoert, doen zowel de verzoekende partijen in de zaak nr. 5102 als de verzoekende partij in de zaak nr. 5103 als partijen in hangende rechtsgedingen over planschade afzonderlijk blijken van hun belang.

B.2.2. Aangezien elk van de verzoekschriften hoe dan ook uitgaat of mede is ingediend door natuurlijke personen die het beroep op ontvankelijke wijze hebben ingesteld, is er geen aanleiding om in te gaan op de exceptie, opgeworpen door de Vlaamse Regering, dat sommige van de verzoekende partijen, als rechtspersonen, nalaten de beslissing om het beroep in te stellen voor te leggen en evenmin een kopie van de bekendmaking van hun statuten in het Belgisch Staatsblad hebben bezorgd.

B.2.3. Hoewel de verzoekende partijen in de zaak nr. 5078 de vernietiging vragen van het gehele artikel 55 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 16 juli 2010, blijkt uit de uiteenzetting van hun grieven en uit de verzoekschriften in de daarmee samengevoegde zaken, dat enkel het 3° van dat artikel wordt geviseerd.

Ten gronde

B.3.1. De verzoekende partijen voeren onder meer aan dat de bestreden bepaling in strijd is met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie gewaarborgd bij de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met onder meer de artikelen 84 en 133 ervan, het beginsel van niet-retroactiviteit van wetten, het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel en het recht op een eerlijk proces, gewaarborgd bij artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

Zij zijn met name van oordeel dat de bestreden bepaling ten onrechte wordt voorgesteld als een interpretatieve bepaling, terwijl die bepaling in werkelijkheid een nieuwe rechtsregel zou zijn die met terugwerkende kracht wordt ingevoerd en waarmee wordt ingegrepen in hangende rechtsgedingen waarin zij partij zijn.

B.3.2. Zij voeren bovendien aan dat de gewestelijke decreetgever niet bevoegd is om interpretatieve decreten aan te nemen en dat derhalve ook de bevoegdheidverdelende regels zijn geschonden.

B.3.3. De Vlaamse Regering betoogt dat het gaat om een zuiver interpretatieve bepaling en dat de terugwerkende kracht ervan is verantwoord door haar interpretatieve karakter.

B.4. Een wetsbepaling is interpretatief wanneer ze aan een bepaling de betekenis geeft die de wetgever bij de aanneming ervan heeft willen geven en die zij redelijkerwijze kon krijgen. Het behoort dus tot het wezen van een dergelijke wetsbepaling dat, onder voorbehoud van het strafrechtelijk wettigheidsbeginsel, zij terugwerkt tot op de datum van inwerkingtreding van de bepalingen die zij interpreteert.

De waarborg van de niet-retroactiviteit van de wetten zou echter niet kunnen worden omzeild door het enkele feit dat een wetsbepaling met terugwerkende kracht als een interpretatieve bepaling zou worden voorgesteld. Er dient dus te worden onderzocht of de wetgever aan de bepaling de betekenis heeft gegeven die zij redelijkerwijze kon krijgen sinds de aanneming ervan.

B.5. De bestreden bepaling is het resultaat van een amendement tijdens de parlementaire voorbereiding van het decreet van 16 juli 2010, dat als volgt is verantwoord :

« De derde aanpassing van artikel 7.4.11 dient duidelijkheid te verschaffen over de interpretatie van de bepalingen inzake planschade van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, zoals dat gold op 31 augustus 2009. De artikelen 35 en 36 van laatstgenoemd decreet hebben de grondslag uitgemaakt vooreerst van de regelgeving vervat in de artikelen 84 tot en met 86 van het decreet van 18 mei 1999 betreffende de organisatie van de ruimtelijke ordening, en vervolgens van de nieuwe regelgeving vervat in de artikelen 2.6.1 tot en met 2.6.3 van de VCRO.

De interpretatie die de vroegere wet- en decreetgever steeds voor ogen heeft gehad, en die voorheen uitdrukkelijk werd opgenomen in artikel 84, § 3, eerste lid, 4° van het decreet van 18 mei 1999 betreffende de organisatie van de ruimtelijke ordening, en thans artikel 2.6.1, § 3, eerste lid, 4°, van de VCRO (' enkel de eerste 50 meter vanaf de rooilijn komt in aanmerking voor planschade ') wordt door dit voorstel als interpretatieve bepaling uitdrukkelijk mee opgenomen in artikel 7.4.11, tweede lid, van de VCRO.

Tot nadere toelichting bij dit voorstel kan verwezen worden naar de artikelsgewijze bespreking van de betrokken voorwaarde in het decreet van 18 mei 1999 betreffende de organisatie van de ruimtelijke ordening. Daarin werd het volgende gesteld (Parl. St. Vl. Parl., 1998-99, nr. 1332/1, p. 46) :

' § 3. In deze paragraaf worden een aantal bijkomende criteria bepaald waaraan cumulatief dient te zijn voldaan opdat een perceel in aanmerking kan komen voor planschadevergoeding. Deze voorwaarden worden gesteld omdat de planschadevergoeding enkel wordt verleend voor percelen die het karakter van bouwgrond hebben.

Onder punt 2 wordt de voorwaarde gesteld dat het perceel stedenbouwkundig en technisch voor bebouwing in aanmerking moet komen. Het is natuurlijk mogelijk op elke grond te bouwen, maar daarom verkrijgt de grond nog niet het karakter van bouwgrond. In de heersende rechtspraak en rechtsleer is reeds op bevredigende wijze invulling gegeven aan dit criterium. Gronden die van nature niet geschikt zijn om erop te bouwen, tenzij door er op kunstmatige wijze het karakter ervan te veranderen om de grond bouwrijp te maken, worden uitgesloten.

Onder punt 3 wordt uitdrukkelijk de voorwaarde gesteld dat het perceel moet gelegen zijn binnen een bebouwbare zone zoals bepaald in een plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan. Percelen die in een plan van aanleg of uitvoeringsplan reeds gereserveerd werden voor andere doeleinden dan bebouwing, bijvoorbeeld groene ruimten, worden uitgesloten.

De [voorwaarde] vermeld onder punt 2, met name de vereiste van ligging aan een voldoende uitgeruste weg, is niet van toepassing op het bekomen van een planschadevergoeding voor bestaande landbouwbedrijven en hun exploitantenwoning, gezien deze gebouwen wegens hun aard niet altijd voldoen aan die voorwaarde. Alleen de eerste vijftig meter vanaf de rooilijn komt in aanmerking voor een planschadevergoeding (punt 4). Deze beperking vloeit enerzijds reeds voort uit de vereiste van ligging aan een voldoende uitgeruste weg, en is overgenomen uit de analyse van de heersende rechtspraak die hieruit de 50-meter regel ontwikkelde. De diepte van 50 meter vanaf de rooilijn is de algemeen gangbare bouwdiepte. De achterliggende gronden die zich verder dan de eerste strook van 50 meter situeren komen niet voor planschadevergoeding in aanmerking (zie onder meer Hof van Cassatie, nr. 7028, 30 november 1990)' [...].

Een verdere verantwoording voor deze interpretatieve bepaling is gelegen in de uitzonderingsgrond voor planschade, vervat in artikel 35, tiende lid, 5°, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, zoals dat gold op 31 augustus 2009. Daarin werd bepaald dat geen vergoeding verschuldigd is in geval van een verbod om een stuk grond, gelegen aan een weg die, gelet op de plaatselijke toestand, onvoldoende is uitgerust, te verkavelen of te bebouwen. Deze uitzonderingsgrond maakte in identieke bewoordingen ook al deel uit van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en de stedenbouw, gewijzigd bij de wet van 22 december 1970, en dient bijgevolg geacht te worden van toepassing te zijn op alle planschadeprocedures, ingeleid op grond van de artikelen 37 en 38 van de Stedenbouwwet (later de artikelen 35 [...] en 36 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996). Bedoelde uitzonderingsgrond bevat duidelijk de voorwaarde dat, om in aanmerking te kunnen komen voor planschadevergoeding, het stuk grond gelegen moet zijn aan een weg die, gelet op de plaatselijke toestand, voldoende is uitgerust om te verkavelen of te bebouwen. Het stuk grond moet bijgevolg liggen aan een voldoende uitgeruste weg, en deze voorwaarde geldt zowel voor een bouwgrond als voor een zogenaamde 'verkavelingsgrond'. De wettelijke vereiste van de ligging aan een voldoende uitgeruste weg voor een stuk bouwgrond of 'verkavelingsgrond' heeft als gevolg dat een stuk bouwgrond of 'verkavelingsgrond' dat niet is gelegen aan een weg, uiteraard evenmin kan gelegen zijn aan een voldoende uitgeruste weg, wettelijke voorwaarde voor planschade. Achterliggende bouw- of 'verkavelingsgronden', gelegen meer dan 50 meter vanaf de rooilijn, kunnen bijgevolg nooit in aanmerking komen voor planschade.

Aangezien op 17 december 2009 door het Hof van Cassatie twee arresten werden gewezen die het principe van de zogenaamde 50-meterregel op de helling zouden kunnen zetten, is een interpretatieve bepaling noodzakelijk.

Als interpretatieve bepaling is geen specifieke inwerkingtredingsbepaling vereist, aangezien dergelijke bepalingen geacht worden de interpretatie te bevatten die ex tunc aan de betrokken artikelen diende en dient gegeven te worden » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2009-2010, nr. 349/9, pp. 15-16).

B.6.1. Noch in de parlementaire voorbereiding van de Stedenbouwwet of van de wetten tot wijziging van artikel 37 daarvan, noch in die van artikel 35 van het Coördinatiedecreet, is de vijftigmeterregel inzake planschadevergoeding als zodanig ter sprake gekomen, terwijl in die wetteksten zelf een opsomming is opgenomen van gevallen waarin geen planschadevergoeding verschuldigd is. Uit het gegeven dat enkel zekere, actuele en objectief vaststelbare schade werd beoogd (Parl. St., Senaat, 1959-1960, nr. 275, p. 57), dat de planschadevergoeding een enigszins beperkte vergoeding moet betreffen, of nog dat rekening moet worden gehouden met de concrete feitelijke toestand en dus met de ligging van de grond, zoals de Vlaamse Regering betoogt, volgt niet dat van meet af aan als algemene regel is aangenomen dat enkel planschadevergoeding kan worden toegekend voor de strook binnen de eerste vijftig meter vanaf de rooilijn.

B.6.2. Onder verwijzing naar de geciteerde parlementaire voorbereiding van de bestreden bepaling betoogt de Vlaamse Regering nog dat de wet- en decreetgever hebben bepaald dat geen planschadevergoeding wordt toegekend indien het betrokken stuk grond niet is gelegen aan een weg die, gelet op de plaatselijke toestand, voldoende is uitgerust om te verkavelen of te bebouwen (artikel 37, tiende lid, 5°, van de Stedenbouwwet en artikel 35, tiende lid, 5°, van het Coördinatiedecreet) en dat daaruit volgt dat een stuk « achterliggende » grond of « verkavelingsgrond » dat niet is gelegen aan een voldoende uitgeruste weg niet in aanmerking komt voor planschadevergoeding. Uit die bepaling volgt niet dat de wet- en decreetgever redelijkerwijze konden hebben bedoeld dat de planschadevergoeding in alle omstandigheden is beperkt tot de strook binnen de eerste vijftig meter vanaf de rooilijn. Overigens, wanneer hij bij decreet van 18 mei 1999 een analoge planschaderegeling heeft aangenomen met betrekking tot de ruimtelijke uitvoeringsplannen, heeft de decreetgever de vijftigmeterregel niet ingevoerd als een onderdeel van artikel 84, § 3, 1°, van het DRO (thans artikel 2.6.1, § 3, 1°, van de VCRO), maar als een aanvullende bepaling in artikel 84, § 3, 4°, ervan (thans artikel 2.6.1, § 3, 4°, van de VCRO).

Voorts, indien al mag worden aangenomen dat de diepte van 50 meter vanaf de rooilijn de gebruikelijke bouwdiepte is, wettigt zulks nog niet de conclusie dat de dieper liggende stukken grond van hetzelfde geheel - dat doorgaans ook in zijn geheel als bouwgrond of verkavelbare grond is verhandeld - per definitie niet voor bebouwing in aanmerking kunnen komen en geen recht kunnen geven op planschadevergoeding.

B.6.3. Uit het arrest van het Hof van Cassatie van 30 november 1990 (Arr. Cass., 1990-1991, nr. 172) waaraan in de parlementaire voorbereiding is gerefereerd, is niet onomstotelijk op te maken dat het Hof van Cassatie toen de vijftigmeterregel heeft bevestigd. Het Hof concludeert enkel dat het bestreden arrest, zonder artikel 37 van de Stedenbouwwet te schenden, vermocht rekening te houden zowel met het voorheen door de overheid gevoerde beleid - en met name de eerdere weigering van een verkavelingsvergunning - als met de feitelijke situatie van de gronden aan de hand van de ligging aan een voldoende uitgeruste weg, de nabijheid van andere woningen en de technische geschiktheid voor bebouwing.

Voorts kunnen uit de rechtsleer die de Vlaamse Regering aanhaalt en waarin wordt verwezen naar niet bekendgemaakte rechtspraak die betrekking heeft op de criteria om uit te maken of een grond als bouwgrond kan worden aangemerkt, geen eenduidige conclusies worden getrokken over het hanteren, in de rechtspraak, van de vijftigmeterregel inzake planschadevergoeding.

Uit twee arresten van het Hof van Cassatie van 17 december 2009 (Arr. Cass., 2009, nrs. 758 en 759) blijkt dat dat Hof de gelding van de vijftigmeterregel inzake planschadevergoeding zoals aangehaald in de grieven, verwerpt. In het tweede arrest oordeelt het Hof van Cassatie inzonderheid, in antwoord op de grief dat « achterliggende gronden, gelegen voorbij de gebruikelijke bouwdiepte (doorgaans 50 meter vanaf de rooilijn) [...] niet voor planschadevergoeding in aanmerking [komen] », dat « artikel 37 van de Stedenbouwwet het recht op planschadevergoeding niet [beperkt] tot het deel van het perceel grond dat zich situeert binnen de gebruikelijke bouwdiepte » en dat het middel, in zoverre het uitgaat van het tegendeel, faalt naar recht.

B.6.4. Er blijkt derhalve niet dat het bestreden artikel 55, 3°, van het decreet van 16 juli 2010 aan respectievelijk artikel 37 van de Stedenbouwwet en artikel 35 van het Coördinatiedecreet een betekenis geeft die de wetgever of de decreetgever bij de aanneming ervan heeft willen geven en die zij redelijkerwijze konden krijgen.

B.7. Nu de bestreden bepaling niet kan worden beschouwd als een interpretatieve bepaling, vormt zij een zuiver retroactieve bepaling en die enkel worden verantwoord indien wordt voldaan aan de voorwaarden waaraan de geldigheid van een dergelijke bepaling is onderworpen.

B.8. De niet-retroactiviteit van wetten is een waarborg ter voorkoming van de rechtsonzekerheid. Die waarborg vereist dat de inhoud van het recht voorzienbaar en toegankelijk is, zodat de rechtzoekende in redelijke mate de gevolgen van een bepaalde handeling kan voorzien op het tijdstip dat die handeling wordt verricht. De terugwerkende kracht kan enkel worden verantwoord wanneer zij onontbeerlijk is voor de verwezenlijking van een doelstelling van algemeen belang.

Indien bovendien - zoals te dezen - blijkt dat de terugwerkende kracht tot gevolg heeft dat de afloop van gerechtelijke procedures in een bepaalde zin kan worden beïnvloed, vereist de aard van het in het geding zijnde beginsel dat uitzonderlijke omstandigheden of dwingende motieven van algemeen belang het optreden van de wetgever verantwoorden, dat ten nadele van een categorie van burgers afbreuk doet aan de aan allen geboden jurisdictionele waarborgen.

B.9. De Vlaamse Regering voert aan dat de bestreden bepaling mede kan worden verantwoord door de bekommernis de rechtszekerheid te herstellen die in het gedrang zou zijn gebracht door de twee voormelde arresten van het Hof van Cassatie van 17 december 2009.

Uit wat is uiteengezet in B.6.3, blijkt dat de vijftigmeterregel niet kan worden beschouwd als een voldoende vaststaand gegeven in de rechtspraak over planschadevergoedingen en dat het Hof van Cassatie met de arresten van 17 december 2009 veeleer heeft bijgedragen tot de rechtszekerheid dan deze te verstoren. Door de verduidelijking die met die recente rechtspraak is aangebracht, op de helling te zetten, heeft de decreetgever in gedingen waarbij het Gewest partij is afbreuk gedaan aan de rechtmatige verwachtingen van de categorie van personen waartoe de verzoekende partijen behoren, op een planschadevergoeding die niet per definitie was beperkt tot de strook binnen de eerste vijftig meter vanaf de rooilijn.

Te dezen blijkt derhalve niet dat er uitzonderlijke omstandigheden of dwingende motieven van algemeen belang zijn die een retroactief optreden van de decreetgever zouden verantwoorden.

B.10. Het middel is gegrond.

Er is geen aanleiding om de overige middelen te onderzoeken, aangezien zij niet tot een ruimere vernietiging kunnen leiden.

Om die redenen,

het Hof

vernietigt artikel 55, 3°, van het decreet van het Vlaamse Gewest van 16 juli 2010 houdende aanpassing van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009 en van het decreet van 10 maart 2006 houdende decretale aanpassingen inzake ruimtelijke ordening en onroerend erfgoed als gevolg van het bestuurlijk beleid.

Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 15 december 2011.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

M. Bossuyt.

Vrije woorden

  • Beroepen tot vernietiging van artikel 55, 3°, van het decreet van het Vlaamse Gewest van 16 juli 2010 houdende aanpassing van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009 en van het decreet van 10 maart 2006 houdende decretale aanpassingen inzake ruimtelijke ordening en onroerend erfgoed als gevolg van het bestuurlijk beleid, ingesteld door André de Spoelberch en anderen. stuursrecht

  • Ruimtelijke ordening en stedenbouw

  • Vlaams Gewest

  • Plannen van aanleg

  • Wijziging van bestemming

  • Schadevergoedingsregeling

  • 1. Vijftigmeterregel

  • 2. Wijziging van de wetgeving

  • Terugwerkende kracht

  • a. Rechtszekerheid

  • b. Tussenkomst in hangende gedingen

  • Gewekt vertrouwen.