- Arrest van 15 december 2011

15/12/2011 - 192/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

De artikelen 2, 1° en 2°, en 3, § 2, van de wet van 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre zij als gevolg hebben dat de beoefenaars van een vrij beroep van het toepassingsgebied van die wet zijn uitgesloten.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en R. Henneuse, en de rechters A. Alen, J.-P. Snappe, E. Derycke, J. Spreutels en P. Nihoul, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging

Bij drie vonnissen van 7 september 2011 in zake André Culus respectievelijk tegen Stéphane Lefebure en Chantal Deweerdt, tegen Christophe Degrie en Stéphanie Descamps en tegen Dominique Viaene, waarvan de expedities ter griffie van het Hof zijn ingekomen op 8 september 2011, heeft de Vrederechter van het kanton Herne-Sint-Pieters-Leeuw de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schenden de artikelen 2, 1° en 2°, en 3, § 2, van de wet van 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming (W.M.P.C.), al dan niet gelezen in samenhang met artikel 2, 1°, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de misleidende en vergelijkende reclame, de onrechtmatige bedingen en de op afstand gesloten overeenkomsten inzake de vrije beroepen en met de artikelen 2, a), b) en d), en 3.1 van de Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van Richtlijn 84/450/EEG van de Raad, Richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet,

doordat zij de beoefenaars van een vrij beroep uit de toepassing van de W.M.P.C. sluiten, waardoor het deze beoefenaars van een vrij beroep - ten aanzien van een natuurlijke persoon die, uitsluitend voor niet-beroepsmatige doeleinden, beroep doet op diens diensten - toelaat een forumkeuze te bedingen die afwijkt van de bepaling van artikel 624, 1°, 2° en 4°, van het Gerechtelijk Wetboek ? ».

Die zaken, ingeschreven onder de nummers 5197, 5198 en 5199 van de rol van het Hof, werden samengevoegd.

Op 21 september 2011 hebben de rechters-verslaggevers E. Derycke en J.-P. Snappe, met toepassing van artikel 72, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, het Hof ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht voor te stellen een arrest van onmiddellijk antwoord te wijzen.

(...)

III. In rechte

(...)

B.1.1. De wet van 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming (hierna : WMPC) is, net zoals de richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 « betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van Richtlijn 84/450/EEG van de Raad, Richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad » (hierna : de Richtlijn Oneerlijke Handelspraktijken) waarop zij grotendeels steunt, van toepassing op « ondernemingen ».

Het begrip « onderneming » in de zin van het recht van de Europese Unie omvat ook de beoefenaars van een vrij beroep (HvJ, 12 september 2000, C-180/98-C-184/98, Pavlov e.a., punt 77; HvJ, 19 februari 2002, C-309/99, Wouters e.a., punten 45-49).

B.1.2. In tegenstelling tot voormelde richtlijn, sluit artikel 3, § 2, van de WMPC evenwel de beoefenaars van een vrij beroep, alsook de tandartsen en de kinesisten, uit van haar toepassingsgebied. De « beoefenaar van een vrij beroep » wordt door artikel 2, 2°, van de WMPC gedefinieerd als « elke onderneming die geen koopman is in de zin van artikel 1 van het Wetboek van koophandel en die onderworpen is aan een bij wet opgericht tuchtorgaan ».

B.1.3. De beoefenaars van een vrij beroep zijn daarentegen wel onderworpen aan de bepalingen van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de misleidende en vergelijkende reclame, de onrechtmatige bedingen en de op afstand gesloten overeenkomsten inzake de vrije beroepen (hierna : WVB), voor zover zij vallen onder de andersluidende definitie van « vrij beroep » in artikel 2, 1°, van die wet, zijnde « elke zelfstandige beroepsactiviteit die dienstverlening of levering van goederen omvat welke geen daad van koophandel of ambachtsbedrijvigheid is, zoals bedoeld in de wet van 18 maart 1965 op het ambachtsregister en die niet wordt bedoeld in de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument, met uitsluiting van de landbouwbedrijvigheden en de veeteelt ».

B.2. De prejudiciële vraag heeft betrekking op, enerzijds, de uitsluiting van de beoefenaars van vrije beroepen uit het toepassingsgebied van de WMPC en, anderzijds, de daaruit voortvloeiende mogelijkheid voor de beoefenaars van de vrije beroepen om, in tegenstelling tot het bepaalde in artikel 624, 1°, 2° en 4°, van het Gerechtelijk Wetboek, een « forumkeuze » te bedingen.

B.3.1. Volgens een vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie is een onderneming « elke eenheid die een economische activiteit uitoefent, ongeacht haar rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd » (HvJ, 23 april 1991, C-41/90, Höfner en Elser, punt 21; HvJ, 16 november 1995, C-244/94, Fédération française des sociétés d'assurances e.a., punt 14; HvJ, 19 februari 2002, C-309/99, Wouters e.a., punt 46).

Een « economische activiteit » is volgens het Hof van Justitie « iedere activiteit bestaande in het aanbieden van goederen en diensten op een bepaalde markt » (HvJ, 16 juni 1987, C-118/85, Commissie t. Italië, punt 7; HvJ, 18 juni 1998, C-35/96, Commissie t. Italië, punt 36; HvJ, 19 februari 2002, C-309/99, Wouters e.a., punt 47).

B.3.2. Artikel 2, 1°, van de WMPC definieert de « onderneming » als « elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die op duurzame wijze een economisch doel nastreeft, alsmede zijn verenigingen ». Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat dit begrip moet worden opgevat in dezelfde zin als het begrip « onderneming » in het nationale en het Europese mededingingsrecht, behoudens voor wat betreft de beoefenaars van vrije beroepen, de tandartsen en de kinesisten (Parl. St., Kamer, 2009-2010, DOC 52-2340/001, p. 14).

Artikel 2, 6°, van de WMPC definieert het begrip « dienst » als « elke prestatie verricht door een onderneming in het kader van haar professionele activiteit of in uitvoering van haar statutair doel ».

B.4. Ten aanzien van de bescherming van de consument bevinden de beoefenaars van een vrij beroep en de andere ondernemingen zich in voldoende vergelijkbare situaties, aangezien zij beiden in de eerste plaats beogen beroepsmatig te voorzien in hun levensonderhoud. Beide categorieën streven hun economisch doel alleen of in een associatie in de rechtsvorm van een vennootschap na. Beide categorieën dragen de aan de uitoefening van die activiteiten verbonden financiële risico's, omdat zij in geval van een verschil tussen uitgaven en inkomsten zelf het tekort dienen te dragen.

Hoewel de beoefenaars van vrije beroepen zich doorgaans beperken of krachtens hun deontologische codes dienen te beperken tot het leveren van intellectuele diensten, komt het eveneens voor dat zij daden stellen die als daden van koophandel zijn aan te merken. Omgekeerd bestaat de duurzame economische activiteit van verscheidene ondernemingen die geen beoefenaars van een vrij beroep zijn, erin intellectuele diensten aan te bieden.

Ten aanzien van zowel de beoefenaars van een vrij beroep als de andere ondernemingen dient bijgevolg op gelijke wijze hun gedrag op de economische markten in juiste banen te worden geleid, dient de goede werking van het concurrentiespel te worden verzekerd, en dienen de belangen van de concurrenten en de afnemers van goederen en diensten te worden beschermd.

B.5. Het verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende procedures voor verschillende rechtscolleges, is op zich niet discriminerend. Van discriminatie zou slechts sprake kunnen zijn, indien het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die procedures gepaard zou gaan met een onevenredige beperking van de rechten van de betrokken partijen.

B.6. In de parlementaire voorbereiding wordt niet uiteengezet waarom het begrip « beoefenaar van een vrij beroep » wordt beperkt tot die vrije beroepen die zijn onderworpen aan een bij wet opgericht tuchtorgaan. Nochtans heeft die beperking als gevolg dat sommige beoefenaars van beroepen die traditioneel als vrij beroep worden beschouwd, toch zijn onderworpen aan de bepalingen van de WMPC en bijgevolg voor de voorzitter van de rechtbank van koophandel kunnen worden aangesproken met een vordering tot staking op grond van het algemene verbod op oneerlijke marktpraktijken, louter op grond van het gegeven dat voor hun beroepscategorie geen bij wet opgericht tuchtorgaan bestaat.

B.7.1. De beoefenaars van vrije beroepen hebben weliswaar een zekere maatschappelijke verantwoordelijkheid, beschikken over een eigen deontologie en worden gekenmerkt door een hoge graad van onafhankelijkheid en een op discretie steunende vertrouwensrelatie met de cliënt.

Zelfs in de mate waarin die kenmerken en waarden verschillen van die van de ondernemingen die niet onder de definitie van het « vrij beroep » vallen, verantwoorden zij niet dat voor bepaalde door beoefenaars van vrije beroepen verrichte daden niet dezelfde bescherming van de consument en van de concurrent bestaat als onder de WMPC. Er wordt niet aangetoond op welke wijze de algemene toepasselijkheid van de WMPC de voormelde kenmerken en waarden in het gedrang zou kunnen brengen.

Zoals ook blijkt uit artikel 3, lid 8, van de Richtlijn Oneerlijke Handelspraktijken, doet de toepasselijkheid van de WMPC overigens geen afbreuk aan de vestigingsvoorwaarden, de vergunningsregelingen, de deontologische gedragscodes of andere specifieke voorschriften die op de vrije beroepen betrekking hebben om de voormelde kenmerken en waarden te waarborgen.

B.7.2. De vastgestelde ongrondwettigheid van de niet-toepasselijkheid van de WMPC, in haar geheel, op de beoefenaars van de vrije beroepen brengt bijgevolg de ongrondwettigheid teweeg van de niet-toepasselijkheid, op diezelfde beoefenaars, van artikel 74, 23°, van die wet.

B.8. De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

De artikelen 2, 1° en 2°, en 3, § 2, van de wet van 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre zij als gevolg hebben dat de beoefenaars van een vrij beroep van het toepassingsgebied van die wet zijn uitgesloten.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 15 december 2011.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

M. Bossuyt.

Vrije woorden

  • Prejudiciële vragen over de artikelen 2, 1° en 2°, en 3, § 2, van de wet van 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming, gesteld door de Vrederechter van het kanton Herne-Sint-Pieters-Leeuw. Handelsrecht

  • 1. Misleidende reclame, onrechtmatige bedingen en overeenkomsten op afstand

  • a. Beoefenaars van vrije beroepen

  • b. Vordering tot staking

  • 2. Oneerlijke marktpraktijken

  • a. Beoefenaars van vrije beroepen waarvoor een bij de wet opgericht tuchtorgaan bestaat, tandartsen en kinesisten

  • Uitsluiting

  • b. Vordering tot staking

  • Territoriaal bevoegde rechtbank

  • Forumkeuze. # Europees recht

  • Oneerlijke handelspraktijken

  • Algemeen verbod

  • Richtlijn.