- Arrest van 22 december 2011

22/12/2011 - 201/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof verwerpt het beroep.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en R. Henneuse, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul en F. Daoût, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de vordering en rechtspleging

Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 8 september 2011 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 9 september 2011, heeft Luc Lamine, wonende te 3110 Rotselaar, Steenweg op Wezemaal 90, beroep tot gehele of gedeeltelijke vernietiging ingesteld van de artikelen 2, 4, 5, 6 en 9 van de wet van 13 augustus 2011 « tot wijziging van het Wetboek van strafvordering en van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, om aan elkeen die wordt verhoord en aan elkeen wiens vrijheid wordt benomen rechten te verlenen, waaronder het recht om een advocaat te raadplegen en door hem te worden bijgestaan » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 5 september 2011).

Bij hetzelfde verzoekschrift vorderde de verzoekende partij eveneens de gehele of gedeeltelijke schorsing van dezelfde wetsbepalingen. Bij het arrest nr. 177/2011 van 10 november 2011 (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 5 december 2011) heeft het Hof de vordering tot schorsing verworpen.

(...)

II. In rechte

(...)

Ten aanzien van de bestreden bepalingen

B.1.1. Het beroep tot vernietiging is in de eerste plaats gericht tegen artikel 6 van de wet van 13 augustus 2011 « tot wijziging van het Wetboek van strafvordering en van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, om aan elkeen die wordt verhoord en aan elkeen wiens vrijheid wordt benomen rechten te verlenen, waaronder het recht om een advocaat te raadplegen en door hem te worden bijgestaan ». Die bepaling voegt in het nieuwe hoofdstuk II/1 (« Het bevel tot verlenging ») van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis een nieuw artikel 15bis in, dat bepaalt :

« De onderzoeksrechter, die handelt op vordering van de procureur des Konings of ambtshalve optreedt, kan een bevel verlenen tot verlenging van de in artikel 1, 1° of artikel 2 bedoelde termijnen.

De vrijheidsbeneming die het gevolg is van dat bevel mag in geen geval langer duren dan vierentwintig uur te rekenen vanaf de betekening van het bevel.

Het bevel is met redenen omkleed en kan slechts eenmaal verleend worden. Het vermeldt de gegevens die het ingaan van een nieuwe termijn verantwoorden, te weten :

1° de ernstige aanwijzingen van schuld aan een misdaad of een wanbedrijf;

2° de bijzondere omstandigheden van het voorliggende geval.

Het wordt aan de betrokkene betekend binnen een termijn van vierentwintig uren. Die termijn gaat in op het tijdstip dat wordt bepaald door artikel 1, 2° of 3°, of door artikel 2, 5°. Bij gebrek aan een regelmatige betekening binnen de termijn die de wet bepaalt, wordt de persoon vrijgelaten.

Het bevel tot verlenging wordt onmiddellijk meegedeeld aan de procureur des Konings. Er kan geen rechtsmiddel tegen worden ingesteld.

Tijdens de nieuwe periode van vierentwintig uur heeft de persoon het recht gedurende dertig minuten vertrouwelijk overleg te plegen met zijn advocaat ».

B.1.2. Daarnaast beoogt de verzoeker de vernietiging van de artikelen 2, 4, 5 en 9 van de wet van 13 augustus 2011, zij het slechts in zoverre daarin wordt verwezen naar het voormelde artikel 15bis.

B.2. De wet van 13 augustus 2011 heeft als doel de Belgische wetgeving in overeenstemming te brengen met de zogenaamde Salduz-rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Volgens die rechtspraak heeft eenieder die wordt ondervraagd door de politie, recht op bijstand van een advocaat vanaf het eerste verhoor en mag, indien dat recht wordt geschonden, een strafrechtelijke veroordeling niet worden gebaseerd op bekentenissen die de verdachte tijdens het eerste politieverhoor heeft afgelegd (EHRM, 27 november 2008, Salduz t. Turkije, § 55). Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft later verduidelijkt dat elk verhoor van een van zijn vrijheid beroofde verdachte zonder bijstand van een advocaat, wanneer die afwezigheid niet kan worden verantwoord door dwingende redenen, een schending uitmaakt van de artikelen 6.1 en 6.3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, zelfs indien de verdachte tijdens dat verhoor van zijn zwijgrecht gebruik heeft gemaakt (EHRM, 24 september 2009, Pishchalnikov t. Rusland, § 81; EHRM, 13 oktober 2009, Dayanan t. Turkije, § 33). Het Hof heeft wel gepreciseerd dat een strafrechtelijke veroordeling in dat geval mogelijk blijft, indien die niet louter is gebaseerd op de in afwezigheid van de advocaat afgelegde bekentenissen, maar de schuld op grond van andere elementen is aangetoond (EHRM, 21 december 2010, Hovanesian t. Bulgarije). Tot slot verduidelijkte het Hof dat een voorafgaand vertrouwelijk overleg met de advocaat niet volstaat indien die laatste niet effectief tijdens het daarop volgende verhoor aanwezig is (EHRM, 14 oktober 2010, Brusco t. Frankrijk).

B.3.1. Daartoe voegt artikel 4 van de wet van 13 augustus 2011 een nieuw artikel 2bis in de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis in. Die bepaling kent aan eenieder die van zijn vrijheid is beroofd, een recht toe op vertrouwelijk overleg met een advocaat, dat vooraf moet gaan aan het eerste verhoor. Indien de verdachte geen beroep doet op een zelf gekozen advocaat, dient een advocaat te worden aangesteld. De advocaat dient aanwezig te zijn binnen twee uur na de eerste contactname met de permanentiedienst georganiseerd door de balies. Het vertrouwelijke overleg mag maximaal 30 minuten duren. Afstand van dat recht kan enkel worden gedaan door een meerderjarige en na vertrouwelijk telefonisch contact met de permanentiedienst. Van de afstand wordt akte genomen in een door de verdachte gedateerd en ondertekend document.

Dezelfde bepaling kent, in paragraaf 2 ervan, de betrokkene het recht toe op bijstand door zijn advocaat tijdens de verhoren die op het voormelde vertrouwelijke overleg volgen. Die bijstand heeft uitsluitend als doel toezicht mogelijk te maken op de eerbiediging van het recht zichzelf niet te beschuldigen, op de wijze waarop de ondervraagde persoon tijdens het verhoor wordt behandeld, inzonderheid op het al dan niet kennelijk uitoefenen van ongeoorloofde druk of dwang, en op de kennisgeving van de rechten van verdediging aan de verdachte.

B.3.2. Krachtens artikel 2 van de wet van 13 augustus 2011, dat artikel 47bis van het Wetboek van strafvordering wijzigt, dient tijdens het verhoor waarvan sprake in B.3.1, aan elke persoon die wordt verhoord aangaande misdrijven die hem ten laste kunnen worden gelegd, op beknopte wijze kennis te worden gegeven van de feiten waarover hij zal worden verhoord. Tevens dient hem te worden meegedeeld dat hij niet kan worden verplicht zichzelf te beschuldigen, dat hij na de bekendmaking van zijn identiteit de keuze heeft om een verklaring af te leggen, de gestelde vragen te beantwoorden of te zwijgen, en dat hij recht heeft op een vertrouwelijk overleg met een advocaat.

B.3.3. Artikel 15bis van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, ingevoegd bij artikel 6 van de bestreden wet, maakt het mogelijk de in artikel 1, 1°, of de in artikel 2 van die wet van 20 juli 1990 bedoelde vrijheidsberoving met 24 uur te verlengen.

Die laatste artikelen bepalen :

« Artikel 1. Voor de aanhouding bij op heterdaad ontdekte misdaad of op heterdaad ontdekt wanbedrijf gelden de volgende regels :

1° de vrijheidsbeneming mag in geen geval langer duren dan vierentwintig uren;

2° de agenten van de openbare macht stellen de verdachte van wie zij de vlucht hebben verhinderd, onmiddellijk ter beschikking van de officier van gerechtelijke politie. De termijn van vierentwintig uren waarvan sprake is in het 1°, gaat in op het ogenblik dat de verdachte, ten gevolge van het optreden van de agent van de openbare macht, niet meer beschikt over de vrijheid van komen en gaan;

3° iedere particulier die iemand vasthoudt die bij een misdaad of wanbedrijf op heterdaad betrapt werd, geeft de feiten onverwijld aan bij een agent van de openbare macht. De termijn van vierentwintig uren waarvan sprake is in het 1°, gaat in op het ogenblik dat die aangifte wordt gedaan;

4° zodra de officier van gerechtelijke politie tot aanhouding is overgegaan, deelt hij dit onverwijld mee aan de procureur des Konings door middel van de snelste communicatiemiddelen. Hij voert de bevelen van deze magistraat uit, zowel wat de vrijheidsbeneming als wat de uit te voeren plichten betreft;

5° indien het misdrijf het voorwerp uitmaakt van een gerechtelijk onderzoek, wordt de in het 4° bedoelde mededeling gedaan aan de onderzoeksrechter;

6° van de aanhouding wordt proces-verbaal opgemaakt.

Dit proces-verbaal vermeldt :

a) het juiste uur van de effectieve vrijheidsbeneming, met nauwkeurige opgave van de omstandigheden waarin de vrijheidsbeneming tot stand gekomen is;

b) de mededelingen gedaan overeenkomstig het 4° en het 5°, met opgave van het juiste uur en van de beslissingen genomen door de magistraat.

Art. 2. Buiten het geval van op heterdaad ontdekte misdaad of op heterdaad ontdekt wanbedrijf, kan een persoon tegen wie ernstige aanwijzingen van schuld aan een misdaad of een wanbedrijf bestaan, slechts ter beschikking van de rechter worden gesteld, en voor een termijn die niet langer duurt dan vierentwintig uren, met inachtneming van de volgende regels :

1° de beslissing tot vrijheidsbeneming kan alleen worden genomen door de procureur des Konings;

2° indien deze persoon poogt te vluchten of poogt zich te onttrekken aan het toezicht van een agent van de openbare macht, mogen bewarende maatregelen worden getroffen in afwachting dat de procureur des Konings, onverwijld door de snelste communicatiemiddelen op de hoogte gebracht, een beslissing neemt;

3° van de beslissing tot aanhouding wordt onverwijld kennis gegeven aan de betrokkene. Deze kennisgeving bestaat in het mondeling mededelen van de beslissing in de taal van de rechtspleging;

4° er wordt een proces-verbaal opgemaakt. Dit proces-verbaal vermeldt :

a) de beslissing van de procureur des Konings, de door hem getroffen maatregelen en de wijze waarop deze zijn medegedeeld;

b) het juiste uur van de effectieve vrijheidsbeneming, met nauwkeurige opgave van de omstandigheden waarin de vrijheidsbeneming tot stand gekomen is;

c) het juiste uur van de kennisgeving aan de betrokkene van de beslissing tot aanhouding.

5° de aangehouden of vastgehouden persoon wordt in vrijheid gesteld zodra de maatregel niet langer noodzakelijk is. De vrijheidsbeneming mag in geen geval langer duren dan vierentwintig uren te rekenen van de kennisgeving van de beslissing of, ingeval er bewarende dwangmaatregelen zijn genomen, te rekenen van het ogenblik dat de persoon niet meer beschikt over de vrijheid van komen en gaan;

6° wanneer de zaak aanhangig is bij de onderzoeksrechter, oefent deze de bevoegdheden uit die dit artikel aan de procureur des Konings opdraagt ».

Het nieuwe artikel 15bis werd in de parlementaire voorbereiding voorgesteld als een noodzakelijk gevolg van de nieuwe procedurele waarborgen. Het zou niet altijd mogelijk zijn een bevel tot aanhouding te betekenen binnen een termijn van 24 uur, indien de procedures bedoeld in het nieuwe artikel 47bis, § 2, van het Wetboek van Strafvordering en in het nieuwe artikel 2bis van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis zouden worden nageleefd. De minister van Justitie zette hieromtrent het volgende uiteen :

« De arrestatietermijn van 24 uren is een korte termijn waarbinnen veel moet gebeuren. In de huidige situatie is het een termijn die al onder druk staat.

Niettegenstaande de nieuwe rechten die op basis van het wetsontwerp binnen deze termijn ter uitvoering moeten worden gelegd, werd toch de fundamentele keuze gemaakt tot het behoud van de termijn van 24 uur, als zijnde een belangrijk principe voor de bescherming van de vrijheid van personen.

Nochtans was men ook niet blind voor het feit dat bij de invoering van de bijstand van de advocaat de termijn van 24 uur in sommige dossiers moeilijk houdbaar wordt. Dit zal bijvoorbeeld het geval zijn bij grote onderzoeken, waarbij verschillende personen zijn aangehouden, zeker wanneer dezen moeten bijgestaan worden door tolken.

Het wetsvoorstel bepaalt dat ingeval er ernstige aanwijzingen van schuld aan een misdaad of wanbedrijf zijn en ingeval er zich bijzondere omstandigheden voordoen, de onderzoeksrechter een met redenen omkleed bevel tot verlenging kan verlenen.

De vrijheidsbeneming als gevolg van dit bevel, kan niet langer duren dan 24 uur te rekenen van de betekening van het bevel, die moet gebeuren binnen de eerste termijn van 24 uren » (Parl. St., Kamer, 2010-2011, DOC 53-1279/005, pp. 10-11).

In de parlementaire voorbereiding wordt ook aangegeven dat de wetgever geen « systematische verlenging, noch [...] een automatische verlenging van 24 uren naar 48 uren » mogelijk heeft willen maken, maar heeft gekozen voor een punctuele verlenging van de arrestatietermijn, in de concrete gevallen waarin is aangetoond dat dit verantwoord is (Parl. St., Senaat, 2010-2011, nr. 5-663/1, p. 29). Hij heeft in het bijzonder rekening willen houden met het risico van overschrijding van de termijn van 24 uur in de grote strafrechtelijke onderzoeken waarin aangehouden personen mogelijkerwijs niet snel de mogelijkheid zouden hebben om overleg te plegen met een advocaat (ibid., p. 28). Hij heeft ten slotte geoordeeld dat een verlenging van de termijn het mogelijk kon maken dat de onderzoeksrechter beter wordt geïnformeerd alvorens een voorlopige hechtenis te bevelen, hetgeen kan bijdragen tot de bescherming van de vrijheid van de betrokkenen (ibid.). Bovendien moet worden beklemtoond dat het bevel tot verlenging met redenen moet zijn omkleed en de elementen moet vermelden die het ingaan van een nieuwe termijn verantwoorden, namelijk de ernstige aanwijzingen van schuld aan een misdaad of een wanbedrijf en de bijzondere omstandigheden van het voorliggende geval. Zulks houdt in dat een dossier met alle noodzakelijke elementen wordt opgesteld teneinde de mogelijkheid te bieden aan de procureur des Konings om tot vorderingen over te gaan, en aan de onderzoeksrechter om zijn bevel met redenen te omkleden.

Ten aanzien van het belang van de verzoeker

B.4.1. Artikel 142 van de Grondwet en artikel 2, 2°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat iedere natuurlijke persoon die een beroep instelt, doet blijken van een belang om voor het Hof in rechte te treden. Het vereiste belang is slechts aanwezig bij diegenen die door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig in hun situatie zouden kunnen worden geraakt. Daaruit volgt dat de actio popularis niet toelaatbaar is.

B.4.2. De habeas corpus is in alle omstandigheden een dermate essentieel aspect van de vrijheid van de burger, dat iedere fysieke persoon die zich op het Belgische grondgebied bevindt er voortdurend belang bij heeft dat de regels betreffende de aanhouding en de terbeschikkingstelling van het strafgerecht de individuele vrijheid waarborgen. Er kan derhalve niet staande worden gehouden dat een wet betreffende de voorlopige hechtenis slechts die personen aanbelangt die het voorwerp uitmaken of hebben uitgemaakt van een strafrechtelijke procedure. Het is dan ook niet nodig de door de verzoeker aangevoerde elementen betreffende zijn bijzondere persoonlijke toestand te onderzoeken.

B.4.3. Het beroep is ontvankelijk.

Ten gronde

B.5. In zijn eerste middel voert de verzoeker aan dat artikel 15bis van de wet van 20 juli 1990, ingevoegd bij artikel 6 van de bestreden wet, een schending inhoudt van artikel 12 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 5 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, doordat die bepaling het mogelijk maakt dat de duur van de effectieve vrijheidsbeneming tijdens welke nog geen bevel tot aanhouding wordt betekend, de 24 uur overschrijdt, zonder dat de verdachte tijdens de eerste periode van 24 uur door de onderzoeksrechter wordt ondervraagd.

B.6. Artikel 12, derde lid, van de Grondwet bepaalt :

« Behalve bij ontdekking op heterdaad kan niemand worden aangehouden dan krachtens een met redenen omkleed bevel van de rechter, dat moet worden betekend bij de aanhouding of uiterlijk binnen vierentwintig uren ».

Artikel 5 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt :

« 1. Eenieder heeft recht op persoonlijke vrijheid en veiligheid. Niemand mag van zijn vrijheid worden beroofd, behalve in de navolgende gevallen en langs wettelijke weg :

a) indien hij op rechtmatige wijze wordt gevangen gehouden na veroordeling door een daartoe bevoegde rechter;

b) indien hij op rechtmatige wijze is gearresteerd of gevangen wordt gehouden, wegens weigering een overeenkomstig de wet door een rechter gegeven bevel op te volgen of teneinde de nakoming van een door de wet voorgeschreven verplichting te verzekeren;

c) indien hij op rechtmatige wijze is gearresteerd of gevangen gehouden ten einde voor de bevoegde rechterlijke instantie te worden geleid, wanneer redelijke termen aanwezig zijn om te vermoeden, dat hij een strafbaar feit heeft begaan of indien er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat het noodzakelijk is hem te beletten een strafbaar feit te begaan of te ontvluchten nadat hij dit heeft begaan;

d) in het geval van rechtmatige gevangenhouding van een minderjarige met het doel in te grijpen in zijn opvoeding of in het geval van zijn rechtmatige gevangenhouding, ten einde hem voor het bevoegde gezag te geleiden;

e) in het geval van rechtmatige gevangenhouding van personen die een besmettelijke ziekte zouden kunnen verspreiden, van geesteszieken, van verslaafden aan alcohol of verdovende middelen of van landlopers;

f) in het geval van rechtmatige arrestatie of gevangenhouding van personen ten einde hen te beletten op onrechtmatige wijze het land binnen te komen, of indien tegen hen een uitwijzings- of uitleveringsprocedure hangende is.

[...]

3. Eenieder die gearresteerd is of gevangen wordt gehouden, overeenkomstig lid 1 c) van dit artikel moet onmiddellijk voor een rechter worden geleid of voor een andere autoriteit die door de wet bevoegd verklaard is om rechterlijke macht uit te oefenen en heeft het recht binnen een redelijke termijn berecht te worden of hangende het proces in vrijheid te worden gesteld. De invrijheidstelling kan afhankelijk worden gesteld van een waarborg voor de verschijning van de betrokkene in rechte.

[...] ».

B.7. Gelet op het fundamentele belang van de habeas corpus dienen alle beperkingen op de individuele vrijheid restrictief te worden geïnterpreteerd en dient hun grondwettigheid met de grootste omzichtigheid te worden onderzocht.

B.8.1. Wanneer een verdragsbepaling die België bindt, een draagwijdte heeft die analoog is aan die van één van de grondwetsbepalingen waarvan de toetsing tot de bevoegdheid van het Hof behoort en waarvan de schending wordt aangevoerd, vormen de waarborgen vervat in die verdragsbepaling een onlosmakelijk geheel met de waarborgen die in de betrokken grondwetsbepalingen zijn opgenomen.

B.8.2. Vermits zowel artikel 12 van de Grondwet als artikel 5 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens het recht op individuele vrijheid waarborgen, dient het Hof, bij de toetsing aan de in het eerste middel aangehaalde grondwetsbepaling, rekening te houden met de voormelde verdragsbepaling.

B.8.3. De verwijzing naar het interne recht in artikel 5 van dat Verdrag, houdt in dat rekening wordt gehouden met de in artikel 12, derde lid, van de Grondwet besloten waarborgen.

B.9.1. Aan het vereiste van artikel 12, derde lid, van de Grondwet is voldaan indien bij de aanhouding een met redenen omkleed bevel van de rechter wordt betekend dat die aanhouding gelast of nog indien uiterlijk binnen 24 uur vanaf de aanhouding een met redenen omkleed bevel van de rechter wordt betekend dat die aanhouding bevestigt.

Het in artikel 15bis van de wet van 20 juli 1990 bedoelde bevel tot verlenging is een « met redenen omkleed bevel van de rechter », in de zin van artikel 12, derde lid, van de Grondwet. Dat bevel vermeldt immers de gegevens die het ingaan van een nieuwe en eenmalige termijn verantwoorden, inzonderheid de ernstige aanwijzingen van schuld aan een misdaad of een wanbedrijf en de bijzondere redenen van het voorliggende geval (zie in dat opzicht het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State, Parl. St., Kamer, 2010-2011, DOC 53-1279/002, p. 5).

B.9.2. Aan het vereiste van artikel 5.3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens is voldaan indien de persoon die is aangehouden overeenkomstig artikel 5.1, c), van hetzelfde Verdrag, onmiddellijk voor een rechter wordt geleid. Die rechter dient de verdachte persoonlijk te verhoren (EHRM, 18 februari 1999, Hood t. Verenigd Koninkrijk, § 60; grote kamer, 29 maart 2010, Medvedyev e.a. t. Frankrijk, § 124) en dient zich zo spoedig mogelijk op grond van juridische criteria uit te spreken over het bestaan van de redenen die de aanhouding wettigen; indien die redenen ontbreken, moet hij de invrijheidstelling bevelen (EHRM, 25 maart 1999, Nikolova t. Bulgarije, § 49).

De uit de toepassing van artikel 15bis van de wet van 20 juli 1990 voortvloeiende termijn van maximaal 48 uur voldoet aan de voormelde vereiste van onmiddellijkheid (EHRM, 29 april 1999, Aquilina t. Malta, § 51; 15 december 2004, Ikincisoy t. Turkije, § 103; 6 oktober 2005, H.Y. en Hü.Y. t. Turkije, § 141; grote kamer, 3 oktober 2006, McKay t. Verenigd Koninkrijk, §§ 47-48).

B.9.3. Vóór het verstrijken van die termijn van 48 uur staat het in voorkomend geval aan de onderzoeksrechter, overeenkomstig artikel 16 van de wet van 20 juli 1990, een aanhoudingsbevel uit te vaardigen na de verdachte te hebben ondervraagd en gehoord.

B.9.4. Het uitgangspunt dat artikel 12, derde lid, van de Grondwet en artikel 5.3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens een onlosmakelijk geheel vormen, impliceert niet dat voorafgaand aan het rechterlijk bevel, bedoeld in de eerstgenoemde bepaling, de aangehouden persoon door de rechter dient te worden gehoord, zoals vereist door de laatstgenoemde bepaling.

Bovendien vormt het feit dat de beslissing tot verlenging wordt genomen door een magistraat die onafhankelijk is van de vervolgende overheid, een waarborg voor de verdachte.

B.10. Het eerste middel is niet gegrond.

B.11. In zijn tweede middel voert de verzoeker aan dat het voormelde artikel 15bis een schending inhoudt van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 5 en 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 48, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met de algemene beginselen van behoorlijke rechtspraak, waaronder het beginsel van het recht van verdediging en het beginsel audi alteram partem. Die bepalingen en beginselen zouden zijn geschonden doordat de verdachte niet wordt gehoord, terwijl het openbaar ministerie wel wordt gehoord, doordat de verdachte zou worden benadeeld ten opzichte van de « inverdenkinggestelde » in de zin van artikel 16, § 2, van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, die wel door de onderzoeksrechter dient te worden gehoord, en doordat artikel 15bis kan worden toegepast in het kader van een zogenaamde mini-instructie.

B.12.1. De rechten van de verdediging en het recht op een eerlijk proces zijn fundamenteel in een rechtsstaat. Het beginsel van de wapengelijkheid tussen de vervolgende partij en de verdediging, alsook het contradictoire karakter van het proces, met inbegrip van de procedure, zijn fundamentele elementen van het recht op een eerlijk proces.

Een beperking van de voormelde beginselen kan evenwel worden verantwoord, niet alleen wanneer hogere belangen in het geding zijn die dienen te worden afgewogen tegen de rechten van de beklaagde (zie o.a. arrest nr. 105/2007 van 19 juli 2007, B.11), maar ook indien de beperking noodzakelijk is om de inachtneming van andere grondrechten te waarborgen.

B.12.2. Zoals in B.2 reeds is vermeld, beoogt de bestreden wet, teneinde tegemoet te komen aan de Salduz-rechtspraak, op een structurele wijze het recht op bijstand van een advocaat vanaf het eerste verhoor te waarborgen. Aangezien de wetgever zich realiseerde « dat bij de invoering van de bijstand van de advocaat de termijn van 24 uur in sommige dossiers moeilijk houdbaar wordt » (Parl. St., Kamer, 2010-2011, DOC 53-1279/005, p. 11), vermocht hij toe te staan dat die termijn in bijzondere omstandigheden, zonder dat de beklaagde daarover wordt gehoord, kan worden verlengd, teneinde het recht op bijstand van een advocaat vanaf het eerste verhoor in alle omstandigheden te waarborgen.

B.12.3. Rekening houdend met de strikt bepaalde toepassingsvoorwaarden van het bevel tot verlenging alsook met de korte en eenmalige termijn van de verlenging, na afloop waarvan de verdachte in voorkomend geval alsnog door de onderzoeksrechter wordt gehoord, heeft de wetgever niet op onevenredige wijze afbreuk gedaan aan de rechten van de betrokken personen.

Het eerste onderdeel van het tweede middel is niet gegrond.

B.13.1. De verdachte die het voorwerp is van een bevel tot verlenging, bedoeld in artikel 15bis van de wet van 20 juli 1990, bevindt zich in een andere situatie dan de inverdenkinggestelde die het voorwerp is van een gerechtelijk onderzoek en tegen wie een bevel tot aanhouding kan worden uitgevaardigd.

B.13.2. Het verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende procedureregels in verschillende omstandigheden, houdt op zich geen discriminatie in. Van discriminatie zou slechts sprake kunnen zijn indien het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die procedureregels, een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen met zich zou meebrengen.

B.13.3. Zoals in B.12.3 reeds werd vastgesteld, heeft de wetgever niet op onevenredige wijze afbreuk gedaan aan de rechten van de betrokken personen.

Het feit dat het bevel tot verlenging zou kunnen worden verleend in de loop van een procedure van mini-instructie, bedoeld in artikel 28septies van het Wetboek van strafvordering, wijzigt die conclusie niet.

Het tweede en het derde onderdeel van het tweede middel zijn niet gegrond.

Om die redenen,

het Hof

verwerpt het beroep.

Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 22 december 2011.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

M. Bossuyt.

Vrije woorden

  • Beroep tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de artikelen 2, 4, 5, 6 en 9 van de wet van 13 augustus 2011 « tot wijziging van het Wetboek van strafvordering en van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, om aan elkeen die wordt verhoord en aan elkeen wiens vrijheid wordt benomen rechten te verlenen, waaronder het recht om een advocaat te raadplegen en door hem te worden bijgestaan », ingesteld door Luc Lamine. Strafrecht

  • Strafrechtspleging

  • Voorlopige hechtenis

  • 1. Bevel tot verlenging van de vrijheidsberoving met 24 uren

  • 2. Recht op vertrouwelijk overleg met een advocaat

  • 3. Recht op bijstand van een advocaat vanaf het eerste politieverhoor. # Rechten en vrijheden

  • 1. Individuele vrijheid

  • Beperkingen

  • 2. Jurisdictionele waarborgen

  • a. Rechten van de verdediging

  • b.Recht op een eerlijk proces

  • (i) Wapengelijkheid

  • (ii) Contradictoir karakter.