- Arrest van 11 januari 2012

11/01/2012 - 3/2012

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en R. Henneuse, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul en F. Daoût, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij vonnis van 11 februari 2011 in zake Mikhail Petrushevich tegen de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 18 februari 2011, heeft de Arbeidsrechtbank te Mechelen de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 4 van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in ' samenhang ' gelezen met artikel 191 ervan, met artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag, doordat het een onderscheid maakt tussen een vreemdeling die ingevolge een machtiging om zich in het koninkrijk te vestigen in het bevolkingsregister is ingeschreven en een vreemdeling die ingevolge een machtiging om in het koninkrijk onbeperkt te verblijven in het vreemdelingenregister is ingeschreven ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 4 van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, dat bepaalt :

« § 1. De tegemoetkomingen bedoeld in artikel 1 kunnen enkel toegekend worden aan een persoon die zijn werkelijke verblijfplaats in België heeft en die :

1° Belg is;

2° onderdaan is van een lidstaat van de Europese Unie;

3° Marokkaan, Algerijn of Tunesiër is en die voldoet aan de voorwaarden van de Verordening (EEG) nr. 1408 van 14 juni 1971 van de Raad van de Europese gemeenschappen betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen;

4° staatloos is en die onder de toepassing valt van het Verdrag betreffende de status van staatlozen, ondertekend in New York op 28 september 1954 en goedgekeurd door de wet van 12 mei 1960;

5° vluchteling is zoals bedoeld in artikel 49 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;

6° niet tot de in 1° tot 5° bepaalde categorieën behoort, maar die tot 21 jaar de verhoging van de kinderbijslag genoten heeft, bedoeld in artikel 47, § 1, van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders of in artikel 20, § 2, van het koninklijk besluit van 8 april 1976 houdende regeling van de gezinsbijslag ten voordele van de zelfstandigen.

§ 2. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad [de] toepassing van deze wet, onder de door Hem gestelde voorwaarden, uitbreiden tot andere categorieën van personen dan deze beoogd in § 1 die hun werkelijke verblijfplaats in België hebben.

§ 3. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, wat voor de toepassing van deze wet onder werkelijke verblijfplaats moet worden verstaan.

§ 4. Indien een persoon aan wie een tegemoetkoming bedoeld in artikel 1 werd toegekend niet meer voldoet aan de voorwaarden bedoeld in § 1 of § 2, dan wordt zijn recht op deze tegemoetkoming afgeschaft. Wanneer hij opnieuw voldoet aan deze voorwaarden, dan kan hij een nieuwe aanvraag indienen.

§ 5. De Koning kan de wijze bepalen waarop wordt toegezien op de naleving van dit artikel ».

B.1.2. Met het koninklijk besluit van 9 februari 2009 houdende wijziging van het koninklijk besluit van 17 juli 2006 tot uitvoering van artikel 4, § 2, van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, heeft de Koning, met ingang van 12 december 2007, de toepassing van de wet uitgebreid tot vreemdelingen die zijn ingeschreven in het bevolkingsregister. Artikel 1 van het koninklijk besluit van 17 juli 2006 bepaalt thans :

« De tegemoetkomingen bedoeld in artikel 1 van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap kunnen eveneens worden toegekend aan de personen die :

1° onderdaan zijn van IJsland, Liechtenstein, Noorwegen of Zwitserland, voldoen aan de voorwaarden van Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, en in België hun werkelijke verblijfplaats hebben, of

2° de echtgenoot, de wettelijk samenwonende, of een ander gezinslid zijn in de zin van de vernoemde Verordening nr. 1408/71 van 14 juni 1971 van een persoon zoals bedoeld in artikel 4, § 1, 1° tot 5° van de voornoemde wet van 27 februari 1987 of van een onderdaan van een Staat bedoeld in artikel 1, 1° van dit besluit, zelf geen onderdaan zijnde van deze Staten, en die in België hun werkelijke verblijfplaats hebben [;]

3° ingeschreven zijn als vreemdeling in het bevolkingsregister.

Men verstaat onder gezinslid van de onderdaan de minderjarige kinderen evenals de meerderjarige kinderen, de vader, de moeder, de schoonvader en de schoonmoeder die ten laste zijn van de onderdaan. De persoon die onder hetzelfde dak woont als de onderdaan en die wordt beschouwd als persoon ten laste van de onderdaan in de zin van de wet betreffende de verplichte verzekering voor gezondheidszorgen en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994 wordt beschouwd als zijnde ten laste van de onderdaan ».

B.2.1. De verwijzende rechter vraagt het Hof of artikel 4 van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, in samenhang gelezen met artikel 191 ervan, met artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag, doordat het een onderscheid maakt tussen een vreemdeling die ingevolge een machtiging om zich in het Koninkrijk te vestigen in het bevolkingsregister is ingeschreven en een vreemdeling die ingevolge een machtiging om in het Koninkrijk onbeperkt te verblijven in het vreemdelingenregister is ingeschreven, nu deze laatste, in tegenstelling tot de eerste, geen recht heeft op een tegemoetkoming.

B.2.2. De Ministerraad voert in hoofdorde aan dat het Hof niet bevoegd zou zijn om de prejudiciële vraag te beantwoorden, nu het vermelde verschil in behandeling niet kan worden toegeschreven aan artikel 4 van de wet van 27 februari 1987, doch wel aan artikel 1, 3°, van het koninklijk besluit van 17 juli 2006, zoals ingevoegd bij het koninklijk besluit van 9 februari 2009.

B.3.1. Artikel 4, § 1, van de wet van 27 februari 1987 somt de categorieën van personen op aan wie een tegemoetkoming voor gehandicapten kan worden toegekend, waartoe ook verschillende categorieën van vreemdelingen behoren. Artikel 4, § 2, machtigt de Koning ertoe om, onder bepaalde voorwaarden, het toepassingsgebied van de wet uit te breiden tot andere categorieën van personen. Het toepassingsgebied van de wet wordt aldus bepaald door, enerzijds, artikel 4, § 1, en door, anderzijds, artikel 4, § 2, van de wet van 27 februari 1987, in samenhang gelezen met de koninklijke besluiten uitgevaardigd op grond van die wetsbepaling.

B.3.2. Bij zijn arrest nr. 153/2007 van 12 december 2007 heeft het Hof geoordeeld dat artikel 4 van de wet van 27 februari 1987 een discriminatie inhoudt, in zoverre het de vreemdeling die ingevolge een machtiging om zich in het Koninkrijk te vestigen in het bevolkingsregister is ingeschreven, uitsluit van het voordeel van de tegemoetkomingen aan personen met een handicap. Die discriminatie werd ongedaan gemaakt door het koninklijk besluit van 17 juli 2006, zoals gewijzigd bij koninklijk besluit van 9 februari 2009, op grond van de machtiging daartoe aan de Koning verleend.

Die vaststelling neemt niet weg dat het personele toepassingsgebied betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap in hoofdorde wordt bepaald in artikel 4, § 1, van de wet van 27 februari 1987, dat de verschillende categorieën van vreemdelingen vermeldt die aanspraak kunnen maken op de bedoelde tegemoetkoming. De verwijzende rechter kon derhalve terecht van oordeel zijn dat het in B.2.2 vermelde verschil in behandeling kan worden toegeschreven aan de in het geding zijnde wetsbepaling, doordat zij onder de categorieën van vreemdelingen die in artikel 4, § 1, worden opgesomd, niet de vreemdelingen vermeldt die zijn ingeschreven in het vreemdelingenregister. Het Hof is derhalve bevoegd om de prejudiciële vraag te beantwoorden.

B.4. De vaststelling door het Hof, in het voormelde arrest nr. 153/2007, dat artikel 4 van de wet van 27 februari 1987 een discriminatie inhield, in zoverre het de vreemdeling die in het bevolkingsregister is ingeschreven, uitsloot van het voordeel van de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, werd gemotiveerd als volgt :

« B.7.1. Het voordeel van de in het geding zijnde tegemoetkomingen, dat oorspronkelijk bij artikel 4 van de wet van 27 februari 1987 was beperkt tot de Belgen, de vluchtelingen, de staatlozen en de personen van onbepaalde nationaliteit, is bij de wet van 20 juli 1991 uitgebreid tot twee bijkomende categorieën van vreemdelingen, namelijk de 'personen die vallen onder de toepassing van de verordening (EEG) nr. 1408/71 van 14 juni 1971' en de personen 'die tot 21 jaar genoten hebben van de verhoging van de kinderbijslag voorzien in artikel 47, § 1, van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders'. Bij de wet van 22 februari 1998 heeft de wetgever vervolgens het voordeel van de in het geding zijnde tegemoetkomingen uitgebreid tot de personen die een soortgelijke verhoging hebben genoten waarin de regeling van de gezinsbijslag ten voordele van de zelfstandigen voorziet. De programmawet (I) van 24 december 2002 heeft het mogelijk gemaakt in het toepassingsgebied van de wet alle Europese onderdanen op te nemen, alsook de Marokkanen, Algerijnen of Tunesiërs die voldoen aan de voormelde verordening (EEG) nr. 1408/71.

B.7.2. De geleidelijke uitbreiding van het personele toepassingsgebied van het stelsel van de tegemoetkomingen aan personen met een handicap werd vanuit een drievoudig perspectief doorgevoerd : voldoen aan de vereisten die voortvloeien uit de internationale verbintenissen van België; gelijke tred houden met het stelsel van het bestaansminimum en met dat van het gewaarborgd inkomen voor bejaarden; vermijden dat de handicap van kinderen van vreemdelingen, die wegens hun handicap verhoogde kinderbijslag hebben genoten, niet langer door de overheid in aanmerking wordt genomen.

B.8. Met zijn arrest Koua Poirrez t. Frankrijk van 30 september 2003 heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens zich uitgesproken over de weigering van de Franse overheid om een tegemoetkoming voor gehandicapten toe te kennen omdat de aanvrager niet de Franse nationaliteit had, terwijl hij voldeed aan de andere wettelijke voorwaarden om daarop recht te hebben. Het heeft geoordeeld dat dat verschil in behandeling tussen een vreemdeling en de Franse onderdanen of de onderdanen van landen die een wederkerigheidsovereenkomst hebben gesloten, op geen enkele objectieve en redelijke verantwoording berustte ( § 49). Het heeft eraan herinnerd dat alleen 'zeer sterke overwegingen' het ertoe kunnen brengen een uitsluitend op de nationaliteit berustend verschil in behandeling bestaanbaar te achten met het Europees Verdrag voor de rechten van de mens ( § 46).

B.9. Volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens zou het feit dat het land van herkomst van de verzoeker, Ivoorkust, geen wederkerigheidsovereenkomst met Frankrijk heeft gesloten, 'terwijl de verzoeker een invaliditeitskaart had verkregen, hij in Frankrijk verbleef, de adoptiezoon was van een Franse burger die in Frankrijk verbleef en werkte en, ten slotte, voorafgaandelijk het bestaansminimum had genoten, op zich de weigering van de in het geding zijnde tegemoetkoming niet kunnen verantwoorden' ( § 39).

B.10. Met zijn arrest nr. 92/2004 heeft het Grondwettelijk Hof, toen het Arbitragehof, geoordeeld dat het verschil in behandeling dat in het nadeel van de vreemdelingen is ingevoerd bij artikel 4 van de wet van 27 februari 1987, bepaling die in de onderhavige zaak in het geding is, niet kennelijk onverantwoord was en niet in strijd was met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 191 ervan, met artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag. Het heeft gepreciseerd dat de aan hem voorgelegde zaak een belangrijk verschil vertoonde met de zaak Koua Poirrez, daar de vreemdeling aan wie tegemoetkomingen worden geweigerd, in België in voorkomend geval aanspraak kan maken op maatschappelijke dienstverlening waarbij met zijn handicap rekening wordt gehouden. Het betrof in dat geval een vreemdeling die ertoe gemachtigd was op het grondgebied van het Koninkrijk te verblijven - en niet er zich te vestigen - en die bijgevolg ingeschreven was in het vreemdelingenregister - en niet in het bevolkingsregister.

B.11. De eiseres voor de verwijzende rechter bevindt zich in een andere situatie dan die van de persoon die in de zaak nr. 92/2004 in het geding was.

Uit het verwijzingsvonnis blijkt immers dat de eiseres, die van Amerikaanse nationaliteit is, al 40 jaar in België leeft, dat zij na een eerste huwelijk de Belgische nationaliteit van 29 januari 1977 tot 23 juli 1983 heeft bezeten, dat haar twee kinderen, onder wie een minderjarig kind dat met haar samenleeft, Belg zijn, dat zij in 2005 voor haar twee kinderen kinderbijslag heeft ontvangen en dat zij ertoe gemachtigd is geweest zich in België te vestigen, zodat zij in het bevolkingsregister en niet in het vreemdelingenregister is ingeschreven.

B.12. De eiseres voor de verwijzende rechter heeft met België even sterke banden als die van de verzoeker Koua Poirrez met Frankrijk.

Er dient derhalve te worden nagegaan of er 'zeer sterke overwegingen' bestaan die verantwoorden dat het voordeel van de tegemoetkomingen aan personen met een handicap wordt geweigerd aan de categorie van vreemdelingen die, zoals de eiseres voor de verwijzende rechter, ertoe gemachtigd zijn geweest zich in België te vestigen.

B.13. In de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest nr. 75/2003 heeft het Hof geoordeeld dat het niet discriminerend was het bestaansminimum, dat het voorwerp uitmaakte van de wet van 7 augustus 1974, voor te behouden aan de personen die de Belgische nationaliteit bezitten. Ten aanzien van de vreemdelingen die ertoe zijn gemachtigd zich in het Rijk te vestigen, heeft het vastgesteld dat de wetgever aan het bekritiseerde verschil in behandeling een einde had gemaakt met de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, die op grond van artikel 3, 3°, ervan, zowel op de Belgen als op de in het bevolkingsregister ingeschreven vreemdelingen van toepassing is. Het heeft geoordeeld dat het 'niet blijkt dat de wetgever die gelijke behandeling heeft verwezenlijkt binnen een kennelijk onredelijke termijn' (B.11).

B.14.1. In de zaak die heeft geleid tot het arrest nr. 5/2004 was bij het Hof een beroep tot vernietiging ingesteld tegen met name dat artikel 3, 3°, van de wet van 26 mei 2002, in zoverre het derde streepje ervan het recht op maatschappelijke integratie beperkt tot de persoon die 'als vreemdeling is ingeschreven in het bevolkingsregister'.

B.14.2. Het heeft in de eerste plaats de intentie van de wetgever onderzocht :

'B.6.2. In de memorie van toelichting wordt in dat verband erop gewezen dat de wet "een gelijke behandeling tussen de Belgen en de vreemdelingen ingeschreven in het bevolkingsregister" nastreeft. Er wordt gepreciseerd dat het "voornamelijk [gaat om] de vreemdelingen die in de jaren 60 werden aangezocht om hier te werken en die ondertussen in België gevestigd zijn" en dat "het potentieel van deze groep vreemdelingen moet worden aangeboord", teneinde "een waar kansenbeleid [te ontwikkelen dat] het mogelijk [moet] maken de integratiedrempels te overwinnen" (Parl. St., Kamer, 2001-2002, DOC 50-1603/001, p. 9)'.

B.14.3. Vervolgens heeft het Hof de bepalingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de vreemdelingen onderzocht die een onderscheid invoeren tussen de vreemdelingen die ertoe zijn gemachtigd zich in het Koninkrijk te vestigen en diegenen die ertoe zijn gemachtigd er voor een beperkte of onbeperkte tijd te verblijven (B.6.3, eerste en tweede alinea).

B.14.4. Het Hof heeft ten slotte, in de derde alinea van B.6.3 van zijn arrest, het bekritiseerde verschil in behandeling in de volgende bewoordingen verantwoord :

'Het criterium "gemachtigd te zijn tot vestiging in het Rijk", hetgeen blijkt uit de inschrijving in het bevolkingsregister, is relevant ten opzichte van het doel om de maatschappelijke integratie van de in België verblijvende personen te bevorderen. Het is immers niet onredelijk dat de wetgever de bijzondere inspanningen en middelen die hij wil aanwenden om die doelstelling te verwezenlijken, voorbehoudt aan personen die, wegens hun administratief statuut, verondersteld zijn definitief of op zijn minst voor een betekenisvolle duur in België gevestigd te zijn. Het betreft trouwens vreemdelingen wier verblijfstoestand in hoge mate gelijk is aan die van Belgen die hun werkelijke verblijfplaats in België hebben'.

B.14.5. Het sloot aldus aan bij de wil van de wetgever die in de parlementaire voorbereiding als volgt werd uitgedrukt :

'Nieuw is de categorie van de vreemdelingen die ingeschreven is in het bevolkingsregister. Aangezien er geen feitelijke, noch juridische argumenten zijn die een andere behandeling dan de Belgen rechtvaardigen, worden ook zij toegelaten tot het recht op maatschappelijke integratie' (Parl. St., Kamer, 2001-2002, DOC 50-1603/001, p. 12).

B.15. Uit hetgeen voorafgaat, vloeit voort dat, hoewel kan worden aangenomen dat een vreemdeling die ertoe is gemachtigd in België te verblijven, ofwel voor korte duur (hoofdstuk 2 van de vreemdelingenwet), ofwel voor een duur van meer dan drie maanden, en die bijgevolg is ingeschreven in het vreemdelingenregister (artikel 12 van dezelfde wet), geen voldoende sterke band met België vertoont om de tegemoetkomingen te genieten waarin de wet van 27 februari 1987 voorziet, er geen 'zeer sterke overwegingen' bestaan die het mogelijk maken - en bijgevolg is het niet redelijkerwijze verantwoord - de vreemdeling die ertoe is gemachtigd zich in België te vestigen en bijgevolg in het bevolkingsregister is ingeschreven, en wegens zijn administratief statuut wordt geacht op definitieve wijze of op zijn minst voor een betekenisvolle duur in België te zijn gevestigd, van het voordeel van die tegemoetkomingen uit te sluiten ».

B.5. Uit de motivering van het hierboven geciteerde arrest nr. 153/2007 blijkt dat artikel 4 van de wet van 27 februari 1987, in samenhang gelezen met het koninklijk besluit van 17 juli 2006, geen discriminatie inhoudt, in zoverre het toepassingsgebied van de wet niet werd uitgebreid tot de vreemdelingen die, ingevolge een toelating of een machtiging om in het Koninkrijk te verblijven voor een duur van meer dan drie maanden, in het vreemdelingenregister zijn ingeschreven, aangezien het administratief statuut van die personen aantoont dat zij een band met België hebben die de wetgever als minder sterk kon beschouwen dan die welke de personen die in het bevolkingsregister zijn ingeschreven, vertonen. De gevolgen van dat onderscheid zijn niet onevenredig, nu de vreemdeling aan wie de tegemoetkoming voor gehandicapten wordt geweigerd, in voorkomend geval aanspraak kan maken op maatschappelijke dienstverlening waarbij met zijn handicap rekening wordt gehouden.

B.6. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 4 van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 191 ervan, met artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag, in zoverre het de vreemdeling die ingevolge een machtiging om in het Koninkrijk onbeperkt te verblijven in het vreemdelingenregister is ingeschreven, niet het voordeel toekent van de tegemoetkomingen aan personen met een handicap.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 11 januari 2012.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux

De voorzitter,

M. Bossuyt

Vrije woorden