- Arrest van 11 januari 2012

11/01/2012 - 4/2012

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Artikel 55, § 3, b), van de wet van 25 ventôse jaar XI op het notarisambt, zoals dat artikel is vervangen bij artikel 32 van de wet van 4 mei 1999, schendt artikel 11 van de Grondwet niet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de rechters E. De Groot, A. Alen, J.-P. Moerman, E. Derycke en P. Nihoul, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter R. Henneuse,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij vonnis van 16 februari 2011 in zake Jean-François Coureaux tegen Antoine Frippiat, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 28 februari 2011, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Neufchâteau de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 55, § 3, b), van de wet van 16 maart 1803 op het notarisambt, de zogeheten Ventôsewet, dat bepaalt dat 'in geval van associatie [...] het bedrag van de vergoeding gelijk [is] aan twee en een halve maal het aandeel van de geassocieerde notaris in het inkomen van het kantoor bedoeld onder a), zoals dit aandeel is vastgesteld in het vennootschapscontract', terwijl artikel 55, § 1, a), van dezelfde wet bepaalt dat 'alle lichamelijke en onlichamelijke roerende bestanddelen die verband houden met de organisatie van het kantoor en het ereloon op uitgiften en het uitvoeringsereloon, [...] tegen vergoeding aan de in opvolging benoemde notaris [moeten] worden overgedragen binnen de in artikel 54, eerste lid, gestelde termijn', niet de artikelen vervat in titel II van de Grondwet en meer bepaald artikel 11 ervan, in zoverre het zonder onderscheid van toepassing is op het geval van een geassocieerde notaris die 'alle lichamelijke en onlichamelijke roerende bestanddelen die verband houden met de organisatie van het kantoor' overdraagt waarvan die notaris eigenaar is gebleven wanneer de andere geassocieerde notaris enkel zijn nijverheid heeft ingebracht overeenkomstig artikel 52, § 2, tweede lid, van de Ventôsewet, en op dat van de opgevolgde notaris die vooraf een deel van die bestanddelen had overgedragen aan de geassocieerde notaris bij de oprichting van de vennootschap zodat die opgevolgde notaris geen eigenaar meer was van alle voormelde lichamelijke en onlichamelijke bestanddelen ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling

B.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 55, § 3, b), van de wet van 25 ventôse jaar XI op het notarisambt (hierna : « de wet op het notarisambt »), zoals vervangen bij artikel 32 van de wet van 4 mei 1999.

Artikel 55, § 1, a), van de wet op het notarisambt bepaalt :

« Alle lichamelijke en onlichamelijke roerende bestanddelen die verband houden met de organisatie van het kantoor en het ereloon op uitgiften en het uitvoeringsereloon, moeten tegen vergoeding aan de in opvolging benoemde notaris worden overgedragen binnen de in artikel 54, eerste lid, gestelde termijn.

Alle schulden die geen verband houden met arbeidsovereenkomsten of met de uitvoering van lopende huur- en leveringscontracten, zijn van de overdracht uitgesloten ».

Artikel 55, § 3, a) en b), van die wet bepaalt :

« a) Het bedrag van de in § 1, a), bepaalde vergoeding is gelijk aan twee en een halve maal het gemiddelde, geïndexeerde en eventueel gecorrigeerde, inkomen over de laatste vijf jaar van het kantoor.

b) In geval van associatie is het bedrag van de vergoeding gelijk aan twee en een halve maal het aandeel van de geassocieerde notaris in het inkomen van het kantoor bedoeld onder a), zoals dit aandeel is vastgesteld in het vennootschapscontract ».

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de tussenkomst van de Nationale Kamer van Notarissen

B.2.1. De Nationale Kamer van Notarissen heeft aan het Hof een memorie tot tussenkomst doen toekomen.

B.2.2. Artikel 87, § 1, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof bepaalt :

« Wanneer het Grondwettelijk Hof, bij wijze van prejudiciële beslissing, uitspraak doet op vragen als bedoeld in artikel 26, kan ieder die van een belang doet blijken in de zaak voor de rechter die de verwijzing gelast, een memorie aan het Hof richten binnen dertig dagen na de bekendmaking voorgeschreven in artikel 74. Hij wordt daardoor geacht partij in het geding te zijn ».

B.2.3. De Nationale Kamer van Notarissen heeft met name, krachtens artikel 91, eerste lid, 1° en 8°, van de wet op het notarisambt, tot taak de algemene regels inzake deontologie vast te stellen, een algemeen reglementair kader vast te stellen waarbinnen de bevoegdheden van de kamers van notarissen om beroepsgeschillen tussen notarissen te voorkomen en door minnelijke schikking te regelen, worden uitgeoefend, en op eigen initiatief of op verzoek, ten behoeve van alle openbare overheden of privépersonen, adviezen uit te brengen in verband met aangelegenheden van algemeen belang betreffende de uitoefening van het notarisberoep.

Hoewel de tussenkomende partij geen partij is voor de verwijzende rechter, blijkt uit de wettelijke definitie van haar taken dat de Nationale Kamer van Notarissen doet blijken van een toereikend belang om tussen te komen in een zaak betreffende de regels die moeten worden toegepast bij de overdracht van een notarieel kantoor tussen geassocieerde notarissen.

Ten aanzien van de prejudiciële vraag

B.3.1. In de prejudiciële vraag wordt het Hof verzocht de situatie van de notaris-titularis die geassocieerd is en als enige eigenaar is gebleven van de lichamelijke en onlichamelijke roerende bestanddelen die verband houden met de organisatie van het kantoor, waarbij de andere geassocieerde notaris of notarissen alleen hun nijverheid in de associatie hebben ingebracht, te vergelijken met die van de notaris-titularis die, op het ogenblik van de oprichting van de vennootschap of later, onder bezwarende titel een deel van die bestanddelen heeft afgestaan aan de andere geassocieerde notaris of notarissen. De notaris die zich in de eerste situatie bevindt, is op het ogenblik van zijn ontslag nog altijd eigenaar van alle roerende bestanddelen, terwijl diegene die zich bevindt in de tweede situatie op hetzelfde ogenblik alleen nog eigenaar is van een deel van die bestanddelen.

B.3.2. Op het ogenblik van zijn ontslag moet de notaris-titularis, met toepassing van artikel 55, § 1, a), van de wet op het notarisambt, aan de in opvolging benoemde notaris alle lichamelijke en onlichamelijke roerende bestanddelen die verband houden met de organisatie van het kantoor overdragen, alsook de erelonen op uitgiften en de uitvoeringserelonen. De notaris-overnemer moet aan de notaris-overdrager een vergoeding betalen in ruil voor die afstand. Artikel 55, § 3, a), van dezelfde wet schrijft voor dat de vergoeding wordt berekend, niet op basis van de handelswaarde van de overgedragen roerende bestanddelen, maar wel volgens het gemiddelde inkomen van het kantoor. Wanneer de notaris-titularis deel uitmaakte van een vennootschap van notarissen, is de vergoeding, met toepassing van de in het geding zijnde bepaling, gelijk aan twee en een halve maal zijn aandeel in het gemiddelde inkomen over de laatste vijf jaar van het kantoor. Dat aandeel is vastgelegd in het vennootschapscontract.

B.3.3. Het Hof moet zich uitspreken over een eventuele discriminatie die zou voortvloeien uit de toepassing van de in het geding zijnde bepaling op de twee categorieën van notarissen die in B.3.1 worden onderscheiden, aangezien de notarissen die eigenaar zijn gebleven van alle roerende bestanddelen een deel van de waarde van die bestanddelen die zij moeten afstaan, zouden verliezen, waarbij de vergoeding die zij in ruil daarvoor ontvangen niet de integrale waarde ervan dekt, terwijl de notarissen die vooraf een deel van die bestanddelen hadden afgestaan, geen gelijkwaardig verlies zouden moeten lijden.

B.4.1. In de parlementaire voorbereiding van de wet van 4 mei 1999 tot wijziging van de wet van 25 ventôse jaar XI op het notarisambt wordt aangegeven dat de wetgever met name de intentie had « het ambt van notaris open te stellen voor een groot aantal kandidaten en de samenwerking in teamverband te bevorderen » (Parl. St., Kamer, 1997-1998, nr. 1432/1, p. 6). Daartoe maakt de wet het mogelijk vennootschappen van notarissen op te richten. Het staat de notarissen vrij de vorm te kiezen van de vennootschap die zij oprichten, met uitsluiting van de naamloze of de commanditaire vennootschap. De wet bepaalt overigens uitdrukkelijk, in artikel 52, § 2, tweede lid, ervan, dat een kandidaat-notaris die een vennoot van de notaris-titularis wordt, zich kan beperken tot het inbrengen van zijn nijverheid in de associatie en preciseert dat in het associatiecontract wordt bepaald welke rechten hij verkrijgt in het vennootschapsvermogen en in het inkomen van het kantoor.

B.4.2. Ten aanzien van de overnamevergoeding in geval van ontslag of overlijden van de notaris die het ambt alleen uitoefent of van een van de geassocieerde notarissen, heeft de wetgever « in de wet [...] een duidelijke regeling en een berekening van de vergoeding [willen opnemen, hetgeen] juist een waarborg voor de gelijkheid van de kandidaten [is] », waarbij hij heeft vastgesteld dat het « in het belang van alle kandidaten voor een benoeming [is] dat zij vooraf weten welke vergoeding zij zullen moeten betalen, en dat zij kunnen beschikken over de waarborg dat de vergoeding in een correcte verhouding staat tot de waarde van hetgeen zij overnemen » (ibid., p. 16).

B.5. De vergoeding die de notaris-overnemer verschuldigd is in ruil voor de lichamelijke en onlichamelijke roerende bestanddelen die de ontslagnemende notaris hem moet overdragen, is forfaitair vermits die is berekend op basis van het gemiddelde inkomen van het betrokken kantoor.

De keuze voor die berekeningswijze is relevant om het nagestreefde doel van transparantie te bereiken. Zij is op zich niet onredelijk, aangezien men ervan kan uitgaan dat het inkomen van het kantoor niet losstaat van de waarde van de lichamelijke en onlichamelijke roerende bestanddelen die verband houden met de organisatie ervan.

B.6. De in het geding zijnde bepaling, die erin voorziet dat, in geval van een associatie, de vergoeding overeenstemt met het aandeel dat toekomt aan de notaris-overdrager in het inkomen van het kantoor, is eveneens relevant. Het werk van de geassocieerde notaris draagt immers ertoe bij de waarde te behouden of te vergroten van die roerende bestanddelen, waaronder de clientèle die zich handhaaft en ontwikkelt dankzij het werk van alle vennoten. Het werk van de geassocieerde notaris draagt eveneens ertoe bij het algemeen inkomen van het kantoor te verwezenlijken. Aangezien de forfaitaire vergoeding die de notaris-overnemer verschuldigd is, afhankelijk is van dat inkomen, is het coherent dat zij niet wordt berekend op het volledige inkomen van het kantoor, maar wel op het aandeel dat toekomt aan de notaris die hij opvolgt.

B.7. Hetzelfde geldt wanneer de notaris-titularis als enige eigenaar is gebleven van de lichamelijke en onlichamelijke roerende bestanddelen die het voorwerp van de afstand uitmaken. Het staat immers aan de notaris-titularis en aan de kandidaat-notaris die een vennootschapscontract sluiten, het aandeel te bepalen dat ieder van hen in het inkomen van het kantoor zal verkrijgen. Niets belet hen bij die gelegenheid rekening te houden met de gevolgen van de gekozen verdeelsleutel voor de vergoeding die aan de notaris-titularis door de notaris die hem opvolgt, zal moeten worden betaald op het ogenblik van het ontslag van die notaris-titularis, rekening houdend met de inbreng van elke partij bij de oprichting van de vennootschap van notarissen en met de verwachte termijn tussen dat ogenblik en dat van het ontslag van de notaris-titularis.

B.8. Uit hetgeen voorafgaat, vloeit voort dat de in het geding zijnde bepaling relevant is en geen onevenredige gevolgen met zich meebrengt.

B.9. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 55, § 3, b), van de wet van 25 ventôse jaar XI op het notarisambt, zoals dat artikel is vervangen bij artikel 32 van de wet van 4 mei 1999, schendt artikel 11 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 11 januari 2012.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux

De voorzitter,

R. Henneuse

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag betreffende artikel 55, § 3, b), van de wet van 25 ventôse jaar XI op het notarisambt, zoals dat artikel is vervangen bij artikel 32 van de wet van 4 mei 1999, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Neufchâteau. Notariaat

  • Geassocieerde notarissen

  • Notaris-titularis

  • 1. Ontslag

  • Overdracht van de roerende bestanddelen

  • Forfaitaire overnamevergoeding berekend op het aandeel van de notaris-overdrager in het inkomen van het kantoor

  • 2. Eigenaar van alle roerende bestanddelen

  • 3. Eigenaar van een deel van de roerende bestanddelen.