- Arrest van 18 januari 2012

18/01/2012 - 7/2012

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof, onder voorbehoud van hetgeen is vermeld in B.14.4 en B.21.5, verwerpt het beroep.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul en F. Daoût, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter R. Henneuse,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging

Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 28 februari 2011 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 1 maart 2011, heeft de Franse Gemeenschapsregering beroep tot vernietiging ingesteld van artikel VIII.11 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 9 juli 2010 betreffende het onderwijs XX (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 31 augustus 2010).

(...)

II. In rechte

(...)

Ten aanzien van de bestreden bepalingen

B.1. Artikel VIII.11 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 9 juli 2010 betreffende het onderwijs XX, dat het voorwerp uitmaakt van het beroep, vervangt artikel III.3, § 1, 1° en 2°, van het decreet van 28 juni 2002 « betreffende gelijke onderwijskansen - I ». Het aldus gewijzigde artikel III.3 van het voormelde decreet van 28 juni 2002 bepaalt :

« Artikel III.3. § 1. Onverminderd de toepassing van artikel III.2, kunnen inrichtende machten voor één of meerdere van hun scholen gelegen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, in het gewoon basisonderwijs en in de eerste graad van het gewoon secundair onderwijs een voorrang verlenen aan leerlingen die in het gezin met minstens één ouder het Nederlands spreken, op voorwaarde dat :

1° de thuistaal Nederlands wordt aangetoond op één van volgende wijzen :

a) door het voorleggen van het Nederlandstalig diploma van secundair onderwijs of daarmee gelijkwaardig Nederlandstalig studiebewijs van vader of moeder;

b) door het voorleggen van het Nederlandstalig getuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs of daarmee gelijkwaardig Nederlandstalig studiebewijs van vader of moeder;

c) door het voorleggen van het bewijs dat vader of moeder het Nederlands beheerst minstens op niveau B1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen;

d) door het voorleggen van het bewijs van voldoende kennis van het Nederlands na het afleggen van een taalexamen bij het Selectiebureau van de Federale Overheid;

e) door het voorleggen van het bewijs dat vader of moeder 9 jaar als regelmatige leerling onderwijs heeft gevolgd in het Nederlandstalig lager én secundair onderwijs.

Het bewijs van niveau B1, bedoeld in c) gebeurt op basis van volgende stukken :

- een studiebewijs van door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs of een daarmee gelijkwaardig Nederlandstalig studiebewijs, dat het vereiste niveau van kennis van het Nederlands aantoont;

- een attest van niveaubepaling uitgevoerd door een Huis van het Nederlands dat het vereiste niveau van kennis van het Nederlands aantoont.

Het bewijs van 9 jaar Nederlandstalig onderwijs, bedoeld in e) gebeurt op basis van attesten daartoe uitgereikt door de betrokken schoolbesturen.

De verwantschap tussen de leerling en de houder van het diploma, getuigschrift of bewijs, wordt aangetoond door een uittreksel uit het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister;

2° het lokaal overlegplatform Brussel vooraf voor het werkingsgebied, of desgevallend per deelgebied het percentage dat voorrang mag krijgen, heeft vastgelegd. Dat percentage moet minstens 55 zijn.

Indien het lokaal overlegplatform geen percentage vastlegt, wordt 55 % leerlingen met thuistaal Nederlands voorrang verleend.

§ 2. De inrichtende macht bepaalt het niveau binnen de school waarop en de periode waarin deze voorrangsregeling van toepassing is. Hierbij gelden de principes zoals bepaald in artikel III.8, § 2, tweede lid, eerste en derde streepje ».

B.2. De bestreden bepalingen hebben hoofdzakelijk tot doel, ten aanzien van de wijze waarop het gebruik van het Nederlands in het gezin wordt bewezen, de verklaring op eer te vervangen door de diploma's, getuigschriften, studiebewijzen en attesten bedoeld in het nieuwe artikel III.3, § 1, 1°, van het decreet van 28 juni 2002, en het percentage leerlingen dat de bij die bepaling ingevoerde voorrang kan genieten, te verhogen van 25 tot 55 pct., waarbij het lokaal overlegplatform een hoger percentage kan vaststellen.

B.3. De bestreden bepalingen werden in het ontwerpdecreet ingevoegd bij een amendement dat als volgt werd verantwoord :

« 1) Het GOK-decreet van 28 juni 2002 (gelijke onderwijskansen) vertrok van een principieel recht op inschrijving in de school van keuze. Op het principe ' eerst komt, eerst maalt ', waren oorspronkelijk geen uitzonderingen voorzien; wél waren twee doorverwijzingsmogelijkheden voorzien, één op basis van thuistaal niet het Nederlands en één op basis van draagkracht voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften.

Onder zware druk van de Nederlandstaligen in Brussel enerzijds, en ouderverenigingen en scholen anderzijds, werden reeds in 2004 twee uitzonderingen ingevoerd : het voorrangsrecht voor Nederlandstalige kinderen in Brussel en het voorrangsrecht voor broers en zussen in alle scholen. Niemand vond het redelijk dat kinderen van eenzelfde gezin naar verschillende scholen moesten, niemand twijfelde aan de bijzondere situatie van de Nederlandstalige kinderen in Brussel, die moeite hadden om een Nederlandstalige school te vinden in de buurt. Bovendien was het de bedoeling om een goeie verhouding na te streven tussen leerlingen met het Nederlands als thuistaal en anderstalige leerlingen.

Aan het voorrangsrecht van Nederlandstalige kinderen in Brussel werd de afgelopen jaren reeds meerdere malen gesleuteld, toch blijkt de huidige regeling ' de verklaring op eer ' nog niet sluitend te zijn. Door het capaciteitsprobleem in bepaalde regio's, zien sommige anderstalige ouders de voorrangsgroep ' Nederlandstalige leerlingen ' als enige mogelijkheid om in de Nederlandstalige school van hun keuze te geraken. Die ouders springen dan ook creatief om met de verklaring op eer en ontnemen op die manier ' voorrangsplaatsen ' van echte Nederlandstalige kinderen.

Momenteel hebben de directies geen juridisch instrument om die ' creatieve verklaringen op eer ' te weerleggen.

Opdat de voorrang voor Nederlandstalige kinderen ook een echte voorrang zou worden voor diegenen voor wie het bedoeld is, is het noodzakelijk dat diegene die er zich wil op beroepen op een sluitende manier kan aantonen dat de thuistaal het Nederlands is.

We kiezen hiervoor de piste van het diploma/getuigschrift/bewijs van kennis van het Nederlands in hoofde van één van de ouders.

De studiebewijzen die kunnen worden voorgelegd als bewijs van kennis van het Nederlands op minstens het niveau B1 (richtgraad 2) zijn studiebewijzen die aantonen dat de betrokkene dit niveau ook effectief heeft behaald. Een deelcertificaat van een module van een opleiding op het niveau B1, wordt niet aanvaard.

Wel wordt ook het bewijs van voldoende kennis van het Nederlands na het afleggen van een taalexamen bij het Selectiebureau van de Federale Overheid (Selor) aanvaard.

Wie de thuistaal Nederlands niet kan bewijzen via een diploma secundair onderwijs, een getuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad secundair onderwijs, noch via een bewijs van niveau B1 of een bewijs van Selor, kan het bewijs leveren door attesten voor te leggen dat hij/zij negen jaar regelmatige leerling is geweest in het Nederlandstalig lager én secundair onderwijs.

2) In 2005 werd in het GOK-decreet in een voorrangscategorie voorzien voor de Nederlandstalige kinderen en jongeren in Brussel. Die voorrang was bedoeld om, binnen de specifieke Brusselse context, een goede verhouding na te streven tussen de leerlingen met het Nederlands als thuistaal en de anderstalige leerlingen. Aan het lokaal overlegplatform (LOP) werd de mogelijkheid gegeven om het percentage voorrangsgerechtigden vast te leggen, maar de decreetgever voorzag een minimum van 20 %. De praktijk van vandaag houdt in dat de Brusselse LOP's het percentage op 45 % hebben vastgelegd. De bijzondere situatie van de Nederlandstalige kinderen en jongeren in Brussel, die grote moeite hebben om een Nederlandstalige school te vinden, verantwoordt het optrekken van het percentage voorrangsgerechtigden naar 55 % » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2009-2010, nr. 526/2, p. 33).

Ten gronde

B.4. De verzoekende partij voert zes middelen aan die nu eens zijn afgeleid uit de schending van de bevoegdheidverdelende regels en dan weer uit de schending van verschillende bepalingen van titel II van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met andere nationaal- of internationaalrechtelijke bepalingen.

B.5. Het Hof onderzoekt eerst de middelen die zijn afgeleid uit de schending van de bevoegdheidverdelende regels.

Ten aanzien van de middelen afgeleid uit de schending van de bevoegdheidverdelende regels

Tweede middel

B.6.1. Het middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 127 en 129 van de Grondwet.

B.6.2. De verzoekende partij voert aan dat artikel 129 van de Grondwet de bevoegdheid om het gebruik van de talen inzake onderwijs in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad te regelen, voorbehoudt aan de federale wetgever, die heeft bepaald dat de onderwijstaal het Frans of het Nederlands is naar keuze van het gezinshoofd (artikel 5 van de wet van 30 juli 1963 houdende taalregeling in het onderwijs).

B.6.3. Volgens de Vlaamse Regering is het middel niet ontvankelijk, omdat het niet de bestreden norm zou bekritiseren, maar een voorrangsregeling, vastgesteld bij vroegere decreten, die de inrichtende machten al dan niet zouden kunnen toepassen en die bovendien geenszins inhoudt dat alle leerlingen van de Nederlandstalige scholen van het taalgebied Brussel-Hoofdstad het Nederlands in het gezin gebruiken.

B.6.4. Het is juist dat de in het geding zijnde voorrang is ingevoerd door de inleidende zin van artikel III.3, § 1, die niet is gewijzigd bij het bestreden decreet en waarin die voorrang wordt voorbehouden aan de leerlingen die in het gezin met minstens één ouder Nederlands spreken. Toch is het zo dat de bestreden bepaling de voorwaarden wijzigt waaronder die voorrang kan worden toegekend.

Het middel is ontvankelijk.

B.7.1. De artikelen 127 en 129 van de Grondwet bepalen :

« Art. 127. § 1. De Parlementen van de Vlaamse en de Franse Gemeenschap regelen, ieder wat hem betreft, bij decreet :

1° de culturele aangelegenheden;

2° het onderwijs, met uitsluiting van :

a) de bepaling van het begin en het einde van de leerplicht;

b) de minimale voorwaarden voor het uitreiken van de diploma's;

c) de pensioenregeling;

3° de samenwerking tussen de gemeenschappen, alsook de internationale samenwerking, met inbegrip van het sluiten van verdragen, voor de aangelegenheden bedoeld in 1° en 2°.

Een wet aangenomen met de in artikel 4, laatste lid, bepaalde meerderheid, stelt de in 1° vermelde culturele aangelegenheden, de in 3° vermelde vormen van samenwerking, alsook de nadere regelen voor het in 3° vermelde sluiten van verdragen vast.

§ 2. Deze decreten hebben kracht van wet respectievelijk in het Nederlandse taalgebied en in het Franse taalgebied, alsmede ten aanzien van de instellingen gevestigd in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad die, wegens hun activiteiten moeten worden beschouwd uitsluitend te behoren tot de ene of de andere gemeenschap ».

« Art. 129. § 1. De Parlementen van de Vlaamse en de Franse Gemeenschap regelen, bij uitsluiting van de federale wetgever, ieder wat hem betreft, bij decreet, het gebruik van de talen voor :

1° de bestuurszaken;

2° het onderwijs in de door de overheid opgerichte, gesubsidieerde of erkende instellingen;

3° de sociale betrekkingen tussen de werkgevers en hun personeel, alsmede de door de wet en de verordeningen voorgeschreven akten en bescheiden van de ondernemingen.

§ 2. Deze decreten hebben kracht van wet, respectievelijk in het Nederlandse taalgebied en in het Franse taalgebied, uitgezonderd wat betreft :

- de gemeenten of groepen van gemeenten palend aan een ander taalgebied en waar de wet het gebruik van een andere taal dan die van het gebied waarin zij gelegen zijn, voorschrijft of toelaat. Voor deze gemeenten kan in de bepalingen betreffende het gebruik van de talen voor de aangelegenheden bedoeld in § 1 geen verandering worden aangebracht dan bij een wet aangenomen met de in artikel 4, laatste lid, bepaalde meerderheid;

- de diensten waarvan de werkkring verder reikt dan het taalgebied waarin zij gevestigd zijn;

- de door de wet aangewezen federale en internationale instellingen waarvan de werking gemeen is aan meer dan één gemeenschap ».

B.7.2. Luidens artikel 129, § 1, 2°, van de Grondwet, regelen de Parlementen van de Vlaamse en de Franse Gemeenschap, bij uitsluiting van de federale wetgever, ieder wat hem betreft, bij decreet, het gebruik van de talen voor het onderwijs in de door de overheid opgerichte, gesubsidieerde of erkende instellingen.

Die decreten hebben kracht van wet, respectievelijk in het Nederlandse taalgebied en in het Franse taalgebied, uitgezonderd wat betreft de gemeenten of groepen van gemeenten palend aan een ander taalgebied en waar de wet het gebruik van een andere taal dan die van het gebied waarin zij gelegen zijn, voorschrijft of toelaat. Voor die gemeenten kan in de bepalingen betreffende het gebruik van de talen voor de aangelegenheid van het onderwijs geen verandering worden aangebracht dan bij een wet aangenomen met de in artikel 4, laatste lid, van de Grondwet bepaalde meerderheid.

Uit die grondwetsbepaling volgt dat alleen de federale wetgever bevoegd is om inzake onderwijs taalregelend op te treden ten aanzien van de gemeenten van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad.

B.7.3. In tegenstelling tot de decreten die het taalgebruik in het onderwijs regelen, hebben de decreten die het onderwijs regelen, krachtens artikel 127, § 2, van de Grondwet, kracht van wet respectievelijk in het Nederlandse taalgebied en in het Franse taalgebied, alsmede ten aanzien van de instellingen gevestigd in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad die wegens hun activiteiten moeten worden beschouwd uitsluitend te behoren tot de ene of de andere gemeenschap.

B.7.4. Door te bepalen op welke wijze kan worden aangetoond dat leerlingen in het gezin met minstens één ouder Nederlands spreken, opdat zij de bij de bestreden bepaling ingevoerde voorrang kunnen genieten, is artikel III.3 van het bestreden decreet geen bepaling die het gebruik van de talen in het onderwijs regelt in de zin van artikel 129, § 1, 2°, van de Grondwet, maar een bepaling die het onderwijs regelt in de zin van artikel 127, § 1, eerste lid, 2°, van de Grondwet.

De bestreden bepalingen vallen bijgevolg onder de bevoegdheid van de decreetgever.

B.8. Het middel is niet gegrond.

Vierde middel

B.9.1. Het middel is afgeleid uit de schending van artikel 143 van de Grondwet en van het beginsel van de federale loyauteit, in samenhang gelezen met artikel 127 van de Grondwet.

B.9.2. De verzoekende partij voert aan dat de bestreden bepaling mathematisch gezien een extra last oplegt aan het Franstalig onderwijs te Brussel, terwijl het aanbod er eveneens ontoereikend is en de allochtone leerlingen, die door de bestreden bepaling geen toegang hebben tot het Nederlandstalig onderwijs, het evenwicht van sommige klassen van het Franstalig onderwijs kunnen verstoren.

B.10. Artikel 143, § 1, van de Grondwet - de paragrafen 2 en 3 van die bepaling hebben betrekking op de procedure betreffende de belangenconflicten en staan dus los van het onderwerp van het middel - bepaalt :

« Met het oog op het vermijden van de belangenconflicten nemen de federale Staat, de gemeenschappen, de gewesten en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, in de uitoefening van hun respectieve bevoegdheden, de federale loyauteit in acht ».

B.11.1. Luidens artikel 143, § 1, van de Grondwet, nemen de federale Staat, de gemeenschappen, de gewesten en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, in de uitoefening van hun respectieve bevoegdheden, de federale loyauteit in acht.

Het beginsel van de federale loyauteit houdt blijkens de parlementaire voorbereiding van die grondwetsbepaling voor de federale overheid en voor de deelgebieden de verplichting in om, wanneer zij hun bevoegdheden uitoefenen, het evenwicht van de federale constructie in haar geheel niet te verstoren; het betreft meer dan het loutere uitoefenen van bevoegdheden : het geeft aan in welke geest dat moet geschieden.

B.11.2. De Vlaamse Regering geeft aan dat de capaciteit van de Nederlandstalige scholen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad niet is gewijzigd. Aangezien niet wordt betwist dat die capaciteit niet onbeperkt is en, zoals wordt aangegeven in de in B.3 weergegeven verantwoording voor het amendement waaruit de bestreden bepaling voortvloeit het aantal beschikbare plaatsen in het onderwijs, in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, ontoereikend is zowel wat het Franstalig onderwijs als wat het Nederlandstalig onderwijs betreft, gaat de decreetgever niet in tegen de federale loyauteit door, bij gebrek aan overleg tussen de bevoegde overheden, de moeilijkheden te trachten op te lossen waarmee de onderwijsinrichtingen die onder zijn bevoegdheid vallen, worden geconfronteerd.

B.12. Het middel is niet gegrond.

Ten aanzien van de middelen afgeleid uit de schending van de grondwettelijke bepalingen betreffende de rechten en vrijheden

Eerste middel

B.13.1. Het middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 8, 9, 10 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 17, 18, 19 en 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met de artikelen 10 en 13 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, met de artikelen 5, 14, 16, 18 en 28 van het Verdrag inzake de rechten van het kind en met de algemene beginselen van de niet-retroactiviteit, de rechtszekerheid, de standstill, de evenredigheid en de inachtneming van de gewettigde verwachtingen van anderen.

B.13.2. De verzoekende partij voert aan dat de bestreden bepaling :

- een eerste onverantwoord verschil in behandeling zou invoeren onder leerlingen die Nederlands spreken, naargelang een van hun ouders al dan niet in staat is, volgens de in de bestreden bepaling vastgestelde regeling aan te tonen dat het Nederlands in het gezin wordt gebruikt, waarbij alleen diegenen die zich in de eerste situatie bevinden de bij die bepaling ingevoerde voorrang kunnen genieten, waarbij zij die overigens kunnen verliezen wanneer de ouder die aan de voorwaarden van het decreet voldoet, zou overlijden of de andere ouder verlaten;

- een tweede onverantwoord verschil in behandeling zou invoeren tussen, enerzijds, de leerlingen die geen Nederlands spreken, maar van wie een ouder beantwoordt aan de bij de bestreden bepaling vastgestelde vereisten en, anderzijds, de leerlingen die Nederlands spreken, maar van wie geen enkele ouder aan die vereisten beantwoordt : alleen de eerstgenoemden kunnen de bij die bepaling ingevoerde voorrang genieten;

- een onverantwoorde gelijke behandeling zou instellen onder kinderen van wie de ouders niet beantwoorden aan de bij de bestreden bepaling vastgestelde vereisten en de daarbij ingevoerde voorrang dus niet kunnen genieten, terwijl nochtans sommigen onder hen Nederlands zouden spreken en die taal in het gezin zou worden gebruikt.

B.13.3. De Vlaamse Regering voert aan dat het middel niet ontvankelijk is wat het eerste en het tweede onderdeel betreft, in zoverre, enerzijds, de twee verschillen in behandeling reeds bestonden vóór de wijziging van artikel III.3 van het decreet van 28 juni 2002 bij de bestreden bepaling en, anderzijds, de verzoekende partij geen rekening ermee zou houden dat het gebruik van het Nederlands in het gezin moet worden aangetoond door een van de ouders, en niet door de leerling.

B.13.4. Het is juist dat het decreet van 28 juni 2002, in de vroegere redactie ervan, verschillen in behandeling onder leerlingen vaststelde die analoog zijn aan die welke de verzoekende partij aangeeft en verband houden met het gebruik van het Nederlands door minstens een van de twee ouders. Echter, door de voorwaarden te wijzigen waaronder dat gebruik moet worden aangetoond, verandert de bestreden bepaling dat verschil in behandeling.

Het middel, dat verwijst naar de ouders die al dan niet beantwoorden aan de bij het decreet vastgestelde voorwaarden, is ontvankelijk.

B.14.1. Om een verschil in behandeling tussen leerlingen te verantwoorden in het licht van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, in samenhang gelezen met de in het middel beoogde verdragsbepalingen en algemene beginselen, volstaat het niet dat dat verschil in behandeling zoals te dezen berust op objectieve criteria; er moet worden aangetoond dat, ten aanzien van de geregelde aangelegenheid, dat onderscheid relevant is in het licht van het door de bestreden bepaling nagestreefde doel en dat het niet op onevenredige wijze afbreuk doet aan de rechten van de betrokkenen.

B.14.2. Onder die rechten bevindt zich de keuzevrijheid van de ouders op het vlak van onderwijs, gewaarborgd bij artikel 24, § 1, van de Grondwet. Die vrijheid houdt evenwel niet in dat zij beschikken over een onvoorwaardelijk recht op de inschrijving van hun kind in de inrichting van hun keuze, waarbij de decreetgever in dat opzicht beschikt over een ruime beoordelingsbevoegdheid om rekening te houden met de diversiteit van de situaties, noch dat zij een gewettigde verwachting kunnen doen steunen op de vroegere regeling van de verklaring op eer, waarbij de decreetgever vermocht ervan uit te gaan dat een wijziging van het beleid noodzakelijk was, gelet op met name het aantal beschikbare plaatsen.

B.14.3. Te dezen strekt de bestreden bepaling, zoals wordt aangegeven in de verantwoording voor het amendement waaruit zij voortvloeit, weergegeven in B.3, ertoe het daadwerkelijke bewijs van het gebruik van het Nederlands in het gezin te waarborgen; de decreetgever heeft geoordeeld dat de vroegere regeling van de verklaring op eer niet volstond om de doelstellingen te waarborgen waarvoor die was ingevoerd, namelijk, zoals in dezelfde verantwoording wordt aangegeven, de Nederlandstalige Brusselse kinderen toelaten een Nederlandstalige school te vinden in de nabijheid van hun huis en een goede verhouding te verkrijgen tussen de leerlingen die thuis het Nederlands gebruiken en de anderstalige leerlingen.

B.14.4. De bestreden bepaling is op zich niet van dien aard dat zij kan waarborgen dat die doelstellingen worden bereikt; er kan evenwel worden aangenomen dat het gebruik van het Nederlands in het gezin ertoe kan leiden dat die taal ook wordt gebruikt op school, dat aldus homogener wordt. De bestreden bepaling maakt het weliswaar niet mogelijk te voorkomen dat leerlingen die, om de ene of de andere reden - die bijvoorbeeld te maken heeft met hun vroegere schooltijd -, het Nederlands zouden kennen, geen prioritaire inschrijving kunnen verkrijgen wanneer geen van hun beide ouders kan voldoen aan de daarin gestelde eisen, noch voorkomen dat ouders die, om de ene of de andere reden, zouden voldoen aan die eisen maar het Nederlands niet in het gezin zouden gebruiken, hun kind bij prioriteit kunnen inschrijven in een door het decreet beoogde school, terwijl dat kind een onvoldoende kennis zou hebben van het Nederlands. De decreetgever, die tegelijk wordt geconfronteerd met de wensen van ouders die voor hun kinderen een onderwijsinrichting willen vinden waar de onderwijstaal de taal is die zij in het gezin gebruiken, met een grote verscheidenheid van situaties in de schoolbevolking en met de wens van de scholen over objectieve maatstaven te beschikken waardoor zij kunnen vermijden dat zij zelf over die situaties moeten oordelen (Parl. St., Vlaams Parlement, 2009-2010, nr. 526/4, p. 37), vermocht, gelet op de ruime beoordelingsbevoegdheid waarover hij beschikt, zoals aangegeven in B.14.2, ervan uit te gaan dat de bestreden bepaling adequaat is.

De maatregel zou niet evenredig zijn indien de van de ouders geëiste bewijzen overdreven moeilijk voor te leggen zouden zijn; uit de verklaringen van de minister van Onderwijs tijdens de parlementaire voorbereiding (ibid., p. 37) blijkt evenwel dat zulks niet het geval is, zodat, onder dat voorbehoud, de bestreden bepaling niet kan worden geacht op discriminerende wijze afbreuk te doen aan de rechten van de betrokkenen.

B.14.5. Het onderzoek van de bestreden bepaling in het licht van de andere in het middel beoogde bepalingen leidt niet tot een andere conclusie.

B.14.6. Onder het in B.14.4 vermelde voorbehoud is het middel niet gegrond.

Derde middel

B.15.1. Het middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11, 24 en 30 van de Grondwet en van het evenredigheidsbeginsel, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 16bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.

B.15.2. De verzoekende partij voert aan dat de bestreden bepaling, in het licht van de vrijheid van het gebruik van de talen, een discriminerende inmenging in de gezinssfeer vormt die niet noodzakelijk is om het de Vlaamse Gemeenschap mogelijk te maken haar onderwijsbevoegdheden uit te oefenen. Bovendien, door de regeling van de verklaring op eer te vervangen door die van de daarin beoogde studiebewijzen, verplicht zij de ouders ertoe het Nederlands in het gezin te gebruiken en doet zij aldus afbreuk aan de waarborgen die de Franstaligen genieten in de gemeenten bedoeld in de artikelen 7 en 8 van de wetten op het gebruik der talen in bestuurszaken, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 18 juli 1966.

B.15.3. De exceptie van niet-ontvankelijkheid van het middel, opgeworpen door de Vlaamse Regering en volgens welke de bestreden bepaling zich ertoe zou beperken aan de onderwijsinrichtingen de mogelijkheid te bieden de bij de bestreden bepaling ingevoerde voorrang toe te kennen wanneer zij inschrijvingsaanvragen ontvangen en als dusdanig geen recht van voorrang zou toekennen aan de leerling, en volgens welke die bepaling het daarin beoogde bewijs slechts van een enkele ouder vereist, is niet gegrond, aangezien het de bestreden bepaling is die de voorwaarden aangeeft waaronder het gebruik van het Nederlands in het gezin moet worden aangetoond. Het verzoekschrift geeft overigens het verband aan dat de verzoekende partij legt tussen de bestreden bepaling en artikel 30 van de Grondwet en artikel 16bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980.

B.16.1. Artikel 16bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 bepaalt :

« De decreten, reglementen en administratieve handelingen mogen geen afbreuk doen aan de op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze bepaling bestaande garanties die de Franstaligen genieten in de gemeenten genoemd in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, en de Nederlandstaligen, respectievelijk Franstaligen en Duitstaligen genieten in de gemeenten genoemd in artikel 8 van diezelfde wetten ».

B.16.2. In de parlementaire voorbereiding met betrekking tot die bepaling wordt aangegeven dat ermee « wordt beoogd aan de rand- en faciliteitengemeenten te garanderen dat de thans bestaande garanties ook na de regionalisering van de organieke gemeentewet en gemeentekieswet onverkort zullen worden gehandhaafd » (Parl. St., Senaat, 2000-2001, nr. 2-709/1, p. 21), en dat de wetgever, met het begrip « garanties », « het geheel [beoogde] van de thans geldende bepalingen die een specifieke regeling voor de in de tekst vermelde particulieren instellen, en in het algemeen alle bepalingen die particulieren, en voornamelijk de mandatarissen in de gemeenten bedoeld in de artikelen 7 en 8 van de gecoördineerde wetten, beschermen » (Parl. St., Kamer, 2000-2001, DOC 50-1280/003, p. 10).

B.16.3. Artikel 30 van de Grondwet bepaalt :

« Het gebruik van de in België gesproken talen is vrij; het kan niet worden geregeld dan door de wet en alleen voor handelingen van het openbaar gezag en voor gerechtszaken ».

B.16.4. Artikel 1 van de wet van 30 juli 1963 houdende taalregeling in het onderwijs bepaalt :

« De officiële inrichtingen voor kleuter-, lager, middelbaar, normaal-, technisch, kunst- of buitengewoon onderwijs en dezelfde door het Rijk gesubsidieerde of erkende vrije inrichtingen, vallen onder de beschikkingen van deze wet.

Nochtans vallen de inrichtingen gevestigd in de gemeenten opgesomd in § 1 van artikel 7 van de wet op het gebruik van de talen in bestuurszaken, wat betreft de onderwijstaal en het tweede taalonderricht, onder de beschikkingen van § 3 van ditzelfde artikel ».

B.16.5. De gemeenten bedoeld in artikel 7, § 1, van de wet van 2 augustus 1963 op het gebruik van de talen in bestuurszaken, waarnaar die bepaling verwijst, zijn Drogenbos, Kraainem, Linkebeek, Sint-Genesius-Rode, Wemmel en Wezembeek-Oppem, voortaan beoogd in artikel 7, eerste lid, van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 18 juli 1966.

Artikel 7, § 3, van de voormelde wet van 2 augustus 1963 bepaalt :

« Inzake onderwijs in de zes gemeenten :

A. De onderwijstaal is het Nederlands.

Het onderwijs in de tweede taal mag in het lager onderwijs worden verstrekt naar rata van vier uur per week in de 2e graad, en van acht uur per week in de 3e en de 4e graad.

B. Het kleuteronderwijs en het lager onderwijs mag worden verstrekt in het Frans indien deze taal de moedertaal of de gebruikelijke taal van het kind is en indien het gezinshoofd verblijf houdt in een van deze gemeenten.

Dit onderwijs mag slechts worden georganiseerd op verzoek van zestien gezinshoofden die in de gemeente verblijf houden.

De gemeente, die vorenvermeld verzoek ontvangt, is ertoe gehouden dit onderwijs te organiseren.

Het onderwijs van de tweede landstaal wordt verplicht in de lagere scholen naar rata van vier uur per week in de 2e graad, en van acht uur per week in de 3e en de 4e graad.

C. Het onderwijs in de tweede taal mag herhalingsoefeningen van de andere stof van het programma omvatten ».

B.16.6. Door de ouders van de leerlingen voor wie de bij het bestreden decreet ingevoerde voorrang wordt aangevraagd, ertoe te verplichten de daarin beoogde studiebewijzen voor te leggen, regelt de decreetgever niet het gebruik van de talen, maar het onderwijs zoals is aangegeven in B.7.4.

B.16.7. Aangezien het bestreden decreet het onderwijs regelt, zou het in beginsel geen afbreuk kunnen doen aan de taalfaciliteiten toegekend aan de particulieren bij de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken.

Het Hof onderzoekt niettemin of het decreet, door die verplichting op te leggen, afbreuk doet aan de waarborgen die de Franstaligen genieten in de gemeenten opgesomd in de artikelen 7 en 8 van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken.

B.16.8. Die waarborgen zijn, krachtens artikel 16bis van de voormelde bijzondere wet van 8 augustus 1980, die welke de betrokkenen genoten wanneer die bepaling in werking is getreden, namelijk op 1 januari 2002 (artikel 9 van de bijzondere wet van 13 juli 2001).

Op dat ogenblik was het decreet van 28 juni 2002, dat bij het bestreden decreet is gewijzigd, nog niet aangenomen en bovendien is de bepaling betreffende de verklaring op eer daarin pas ingevoegd bij het decreet van 15 juli 2005. Hieruit volgt dat, op 1 januari 2002, de betrokkenen geen enkele waarborg genoten in de zin zoals is aangegeven in B.16.2 en dat de bestreden bepaling daaraan dus geen afbreuk zou kunnen doen.

Artikel 16bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 is derhalve niet van toepassing.

B.17. Het middel is niet gegrond.

Vijfde middel

B.18.1. Het middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11, 23, 24 en 191 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 2 van het Aanvullend Protocol bij dat Verdrag.

B.18.2. De verzoekende partij voert, enerzijds, aan dat de bestreden bepaling, door de verplichting die zij invoert, de allochtone ouders ertoe brengt ervan af te zien hun kinderen in het Nederlandstalig onderwijs in te schrijven en hen in te schrijven in het Franstalig onderwijs, en hun een zwaardere verplichting oplegt dan die waarin de vroegere bepaling voor hen voorzag (eerste onderdeel) en, anderzijds, dat die bepaling voor de leerlingen die hun schooltijd in het Nederlands hebben aangevat, de mogelijkheid in het gedrang brengt om die schooltijd voort te zetten in die taal, terwijl zij geen andere landstaal zouden kennen en hun ouders niet zouden beantwoorden aan de vereisten van de bestreden bepaling (tweede onderdeel).

B.19.1. Uit de parlementaire voorbereiding betreffende artikel 23 van de Grondwet blijkt dat de Grondwetgever « de burgers [niet] in een passieve rol [wilde dwingen] of tot een passieve houding [aanzetten] », maar integendeel wilde verklaren dat « wie rechten heeft, [...] ook plichten [heeft] » uitgaande van de idee dat « het de plicht van de burger is om mee te werken aan de sociale en economische vooruitgang van de maatschappij waarin hij leeft » (Parl. St., Senaat, B.Z. 1991-1992, nr. 100-2/4°, pp. 16-17). Daarom heeft hij het de wetgevers die hij belast met het waarborgen van de economische, sociale en culturele rechten, mogelijk gemaakt rekening te houden met de « overeenkomstige plichten », zoals verwoord het tweede lid van artikel 23.

B.19.2. Aan de burgers die de in artikel 23 van de Grondwet vermelde economische, sociale en culturele rechten genieten, kunnen dus verplichtingen worden opgelegd om toegang te verkrijgen tot die rechten. Het woord « daartoe », aan het begin van dat tweede lid, geeft niettemin aan dat die verplichtingen moeten zijn verbonden met de algemene doelstelling die is ingeschreven in het eerste lid van artikel 23, namelijk eenieder in staat te stellen een menswaardig leven te leiden door het genot van de rechten die zijn opgesomd in het derde lid van hetzelfde artikel. Die verplichtingen moeten de personen aan wie zij worden opgelegd, in staat stellen bij te dragen tot de effectieve verwezenlijking van die doelstelling voor henzelf, alsook voor de andere personen die de in artikel 23 opgesomde rechten genieten, en moeten evenredig zijn met de aldus bepaalde doelstelling.

B.19.3. De decreetgever vermocht ervan uit te gaan dat het doel van de bestreden bepalingen, dat erin bestaat de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren, alleen kan worden bereikt indien de leerlingen in staat zijn zich thuis uit te drukken in de taal van hun onderwijs en dat de voorwaarde, voor één van de ouders, een daartoe voldoende kennis van die taal te kunnen aantonen, kan worden beschouwd als een « overeenkomstige plicht » in de zin van artikel 23 van de Grondwet.

B.19.4. Rekening houdend met het in B.14.4 geformuleerde voorbehoud, is de verplichting om het gebruik van die taal aan te tonen op basis van de in de bestreden bepaling vermelde studiebewijzen, niet onevenredig met het in B.19.3 aangegeven doel, daar die enkel betrekking heeft op het gebruik van de taal in het gezin, in voorkomend geval, door een van de ouders.

B.19.5. Het middel valt voor het overige samen met het eerste middel; het onderzoek van de bestreden bepaling in het licht van de andere in het middel bedoelde bepalingen leidt niet tot een andere conclusie.

B.20. Het middel is niet gegrond.

Zesde middel

B.21.1. Het middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 24 van de Grondwet.

B.21.2. De verzoekende partij voert aan dat het percentage van 55 percent dat bij de bestreden bepaling is vastgesteld, discriminerend is ten aanzien van de kinderen die niet het Nederlands in het gezin gebruiken en, gelet op het aantal kinderen dat in het Nederlandstalig onderwijs te Brussel is ingeschreven en van wie één ouder Nederlandstalig is, ertoe leidt een aantal prioritaire plaatsen vast te stellen dat veel hoger ligt dan de vraag.

B.21.3. De parlementaire voorbereiding van het decreet van 7 mei 2004 houdende het Nederlandstalig onderwijs in Brussel-Hoofdstad geeft aan dat het aantal kinderen ingeschreven in het Nederlandstalig onderwijs te Brussel dat in het gezin met minstens één ouder Nederlands kan spreken, fors is afgenomen tussen 1997 en 2003 :

« Volgens de gegevens van de Vlaamse Gemeenschapscommissie is er ook een zeer duidelijke trend naar een steeds sterkere aanwezigheid van kinderen van wie de thuistaal Frans of anderstalig is. De statistieken onderscheiden homogeen Nederlandstalige gezinnen (HN), taalgemengde gezinnen : van één ouder is moedertaal Nederlands (TG); homogeen Franstalige gezinnen : beide ouders Franstalig (HF); homogeen anderstalig : beide ouders spreken een andere taal of Frans als andere taal (HA).

96-97 1 september 2003

% %

Kleuteronderwijs

HN 13,8 12,6

TG 25,7 20,6

HF 31,5 34,8

HA 24,0 32,0

Lager onderwijs

HN 31,1 17,9

TG 30,6 24,9

HF 22,2 30,3

HA 16,1 26,9

Bron : Informatie Vlaamse Gemeenschapscommissie » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2003-2004, nr. 2091/1, p. 16).

Evenzo blijkt uit de cijfergegevens van de Vlaamse Gemeenschapscommissie die de Vlaamse Regering op verzoek van het Hof heeft meegedeeld, dat, van het schooljaar 1979-1980 tot het schooljaar 2010-2011 in het lager onderwijs, het percentage (homogene of taalgemengde) Nederlandstalige gezinnen is gedaald van 96 percent tot 35,9 percent, en dat, van het schooljaar 1991-1992 tot het schooljaar 2010-2011 in het secundair onderwijs, dat percentage is gedaald van 93,7 percent tot 56,8 percent.

B.21.4. In het licht van de verantwoording van het in B.3 aangehaalde amendement kan worden aangenomen dat de decreetgever het nodig vermocht te achten het in het geding zijnde voorrangspercentage op te trekken : enerzijds, blijkt uit een evaluatie van de inschrijvingsprocedure voor het schooljaar 2011-2012 door het lokaal overlegplatform voor het basisonderwijs van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, die de Vlaamse Regering op vraag van het Hof heeft toegezonden, dat in 2011 voor de onthaalklassen, waarop het merendeel van de aanmeldingen betrekking heeft, het aantal kinderen met thuistaal Nederlands 54.8 percent van het aantal aanmeldingen uitmaakten, wat aantoont dat de bestreden bepaling tegemoetkomt aan een reële behoefte; anderzijds, doet de bestreden bepaling niet op onevenredige wijze afbreuk aan de rechten van de leerlingen die niet tot de bestreden voorrangscategorie behoren, vermits zij in aanmerking komen voor de 45 percent resterende plaatsen, en, wanneer minder dan 55 percent van de beschikbare plaatsen wordt ingenomen door kinderen die tot de voorrangscategorie thuistaal Nederlands behoren, voor de aldus vrijgekomen plaatsen.

B.21.5. Uit de bestreden bepaling vloeit ook voort dat het lokaal overlegplatform Brussel voor het werkingsgebied, of in voorkomend geval per deelgebied, een voorrangspercentage voor kinderen met als thuistaal Nederlands kan vastleggen dat hoger is dan 55 percent. Die mogelijkheid is verantwoord door het feit dat niet uit te sluiten valt dat in de toekomst het lokaal overlegplatform Brussel vaststelt dat het aantal ingeschreven kinderen dat tot deze voorrangscategorie behoort toeneemt en dat het nodig is een voorrangspercentage vast te stellen dat hoger is dan het in het decreet bepaalde minimum. Het lokaal overlegplatform Brussel kan de beslissing om een voorrangspercentage vast te stellen dat hoger is dan 55 percent enkel nemen in uitzonderlijke omstandigheden op grond van objectieve en gemotiveerde gegevens die die noodzaak aantonen. Gelet op het feit dat in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad schoolplichtige kinderen woonachtig zijn waarvan de ouders noch het Nederlands, noch het Frans als thuistaal hebben, dient het lokaal overlegplatform er ook over te waken dit percentage niet op een zodanig hoog niveau te bepalen dat de scholen die afhangen van de Vlaamse Gemeenschap niet zouden zijn gehouden een billijk deel van die kinderen op te vangen.

De bevoegde rechter vermag controle uit te oefenen op de naleving door het lokaal overlegplatform Brussel van de voormelde vereisten bij de vaststelling van een voorrangspercentage dat hoger is dan het in het decreet bepaalde minimum.

B.21.6. Onder voorbehoud van hetgeen is vermeld in B.21.5, is het zesde middel niet gegrond.

Om die redenen,

het Hof,

onder voorbehoud van hetgeen is vermeld in B.14.4 en B.21.5, verwerpt het beroep.

Aldus uitgesproken in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 18 januari 2012.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

R. Henneuse.

Vrije woorden

  • Beroep tot vernietiging van artikel VIII.11 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 9 juli 2010 betreffende het onderwijs XX, ingesteld door de Franse Gemeenschapsregering. Grondwettelijk recht

  • Bevoegdheden van de gemeenschappen

  • Onderwijs

  • Vlaamse Gemeenschap

  • Voorrangsrecht in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad

  • Wijze waarop het gebruik van het Nederlands in het gezin wordt bewezen

  • 1. Territoriale toepassingsgebied

  • 2. Federale loyauteit. # Rechten en vrijheden

  • 1. Onderwijs

  • Keuzevrijheid van de ouders

  • 2. Vrijheid van taalgebruik

  • Bestaande garanties

  • 3. Economische, sociale en culturele rechten

  • Overeenkomstige plichten

  • 4. Recht op onderwijs.