- Arrest van 2 februari 2012

02/02/2012 - 14/2012

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof verwerpt de vordering tot schorsing.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en R. Henneuse, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul en F. Daoût, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de vordering en rechtspleging

Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 14 november 2011 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 15 november 2011, hebben Muharrem Topallaj en Dyka Topallaj, wonende te 8200 Brugge, Koning Albert I-laan 78, een vordering tot schorsing ingesteld van artikel 9 van de wet van 8 juli 2011 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen wat betreft de voorwaarden tot gezinshereniging (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 12 september 2011, derde editie).

Bij hetzelfde verzoekschrift vorderen de verzoekende partijen eveneens de vernietiging van dezelfde wetsbepaling.

(...)

II. In rechte

(...)

B.1.1. De vordering tot schorsing heeft betrekking op artikel 9 van de wet van 8 juli 2011 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen wat betreft de voorwaarden tot gezinshereniging. Dat artikel 9 luidt :

« Artikel 40ter van dezelfde wet ingevoegd bij de wet van 25 april 2007 wordt vervangen als volgt :

' Art. 40ter. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de familieleden van een Belg, voor zover het betreft :

- de familieleden vermeld in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 1° tot 3°, die de Belg begeleiden of zich bij hem voegen;

- de familieleden vermeld in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 4° die de ouders zijn van een minderjarige Belg, die hun identiteit aantonen met een identiteitsdocument. en die de Belg begeleiden of zich bij hem voegen.

Voor wat betreft de in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 1° tot 3° bedoelde familieleden moet de Belgische onderdaan aantonen :

- dat hij over stabiele, toereikende en regelmatige bestaansmiddelen beschikt. Aan die voorwaarde wordt geacht voldaan te zijn indien de bestaansmiddelen ten minste gelijk zijn aan honderd twintig procent van het bedrag bedoeld in artikel 14, § 1, 3° van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie. Bij het beoordelen van deze bestaansmiddelen :

1° wordt rekening gehouden met hun aard en regelmatigheid;

2° worden de middelen verkregen uit de aanvullende bijstandsstelsels, met name het leefloon en de aanvullende gezinsbijslagen, alsook de financiële maatschappelijke dienstverlening en de gezinsbijslagen niet in aanmerking genomen;

3° worden de wachtuitkering en de overbruggingsuitkering niet in aanmerking genomen en wordt de werkloosheidsuitkering enkel in aanmerking genomen voor zover de betrokken echtgenoot of partner kan bewijzen dat hij actief werk zoekt.

- dat hij over behoorlijke huisvesting beschikt die toelaat het familielid of de familieleden, die gevraagd heeft of hebben om zich bij hem te komen voegen, te herbergen en die voldoet aan de voorwaarden die gesteld worden aan een onroerend goed dat wordt verhuurd als hoofdverblijfplaats zoals bepaald in het artikel 2 van Boek III, Titel VIII, Hoofdstuk II, Afdeling 2 van het Burgerlijk Wetboek en over een ziektekostenverzekering beschikt die de risico's in België voor hem en zijn familieleden dekt. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de wijze waarop de vreemdeling bewijst dat het onroerend goed voldoet aan de gestelde voorwaarden.

Voor wat betreft de in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 1° bedoelde personen, dienen beide echtgenoten of partners ouder te zijn dan eenentwintig jaar.

Onder de voorwaarden vermeld in artikel 42ter en artikel 42quater kan voor het familielid van een Belg eveneens een einde worden gesteld aan het verblijf wanneer niet meer is voldaan aan de in het tweede lid vastgestelde voorwaarden. ' ».

Die wet is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad op 12 september 2011 en is in werking getreden op 22 september 2011. De vordering tot schorsing is dus binnen de termijnen ingesteld.

B.1.2. De nieuwe wetgeving inzake gezinshereniging is strenger dan de vorige voor de ouders die zich zouden willen voegen bij hun kinderen in België. De burgers van Staten die geen lid zijn van de Europese Unie (hierna : derdelanders) die zich zouden willen voegen bij hun Belgisch kind, kunnen dat alleen als dat kind nog minderjarig is (artikel 40ter, eerste lid, tweede streepje). Derdelanders die zich in België zouden willen voegen bij hun niet-Belgisch kind dat onderdaan is van een andere lidstaat van de Europese Unie, vallen, wegens de toepasselijkheid van het recht van de Europese Unie, onder de meer gunstige regeling van artikel 40bis van de wet van 15 december 1980 en kunnen zich onder bepaalde voorwaarden eveneens voegen bij hun kind als het al meerderjarig is.

Ten aanzien van het belang

B.2. De Ministerraad voert aan dat de verzoekende partijen geen belang bij het beroep tot vernietiging hebben, aangezien zij evenmin zouden voldoen aan de voorwaarden van de vóór 22 september 2011 toepasselijke wetgeving op de gezinshereniging.

B.3.1. Aangezien de vordering tot schorsing ondergeschikt is aan het beroep tot vernietiging, dient de ontvankelijkheid van het beroep, inzonderheid het voorhanden zijn van het vereiste belang bij het instellen ervan, reeds bij het onderzoek van de vordering tot schorsing te worden betrokken.

B.3.2. Uit het beperkte onderzoek van de ontvankelijkheid van het beroep tot vernietiging waartoe het Hof in het kader van de vordering tot schorsing is kunnen overgaan, blijkt niet dat het beroep tot vernietiging - en dus de vordering tot schorsing - onontvankelijk moet worden geacht, daar de vernietiging van een norm de wetgever die deze heeft aangenomen, ertoe verplicht de gegevens waarmee hij rekening heeft gehouden, te heronderzoeken, zodat de verzoekende partijen opnieuw de kans zouden krijgen dat die wetgever een voor hen gunstige bepaling zou aannemen.

Ten aanzien van de vordering tot schorsing

B.4. Naar luid van artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, dient aan twee grondvoorwaarden te zijn voldaan opdat tot schorsing kan worden besloten :

- de middelen die worden aangevoerd moeten ernstig zijn;

- de onmiddellijke uitvoering van de bestreden maatregel moet een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kunnen berokkenen.

Daar de twee voorwaarden cumulatief zijn, leidt de vaststelling dat één van die voorwaarden niet is vervuld tot verwerping van de vordering tot schorsing.

Ten aanzien van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel

B.5. De verzoekende partijen zetten het risico van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel als volgt uiteen :

« De bestreden wetsbepaling vormt de rechtsgrond en de enige motivatie voor een beslissing tot weigering met bevel het grondgebied te verlaten. Hun plotse uitwijzing ingevolge de nieuwe wet zal ernstig nadeel berokkenen. Het opgebouwde gezinsleven wordt ernstig aangetast, en de facto onmogelijk gemaakt. Dit kan niet worden gecompenseerd door steeds heen en weer te reizen van Kosovo naar België. Eerste verzoeker is 75 jaar oud. Tweede verzoekster is 68 jaar oud. Zij verblijven sinds maart 2011 legaal in het land. Zij zijn niet meer van voldoende jonge leeftijd om nog veelvuldig reizen te ondernemen. Bovendien is het niet zeker dat wanneer zij het grondgebied verlaten zij opnieuw de toegang tot het Belgisch grondgebied zouden verkrijgen. Omgekeerd kan de zoon van verzoekers niet om de haverklap naar Kosovo reizen ».

B.6. Door in artikel 22 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 te preciseren dat de vordering een uiteenzetting van de feiten bevat waaruit moet blijken dat de onmiddellijke toepassing van de bestreden norm een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen, heeft de wetgever de bewijsvoering van het risico van een nadeel en van het belang ervan geëist.

B.7. De verzoekende partijen geven niet aan waarom zij, indien zij in afwachting van een uitspraak ten gronde over het beroep tot vernietiging het Belgische grondgebied zouden verlaten of zouden moeten verlaten, niet in Kosovo zouden kunnen verblijven, zoals zij worden geacht te hebben gedaan tot in maart 2011. Evenmin tonen zij aan in welke mate het noodzakelijk zou zijn dat zij, in afwachting van het arrest ten gronde, samen met hun zoon, hetzij in België, hetzij in Kosovo, verblijven.

Indien het Hof binnen enkele maanden zou beslissen de bestreden bepaling te vernietigen, zou de vroegere wet opnieuw in werking treden en zouden de verzoekende partijen opnieuw de procedure voor gezinshereniging kunnen opstarten en, in voorkomend geval, aantonen dat aan de door die wet bepaalde voorwaarden is voldaan. Zij kunnen die procedure ook vanuit Kosovo opstarten. Er is niet aangetoond dat een eventuele scheiding van de betrokken gezinsleden voor hooguit enkele maanden, een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan veroorzaken. Die scheiding zou bovendien des te korter zijn daar, zoals de Ministerraad opmerkt, het beroep dat zij voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen hebben ingesteld tegen het aan hen betekende bevel om het grondgebied te verlaten, een opschortende werking heeft, waardoor zij in België kunnen verblijven totdat die Raad zich over dat beroep heeft uitgesproken.

B.8. De verzoekende partijen tonen niet genoegzaam, aan de hand van concrete feiten, de werkelijkheid en de belangrijkheid aan van het risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel dat uit de onmiddellijke toepassing van de bestreden bepaling zou voortvloeien.

De verzoekende partijen voldoen niet aan de tweede voorwaarde bedoeld in artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989. Bijgevolg dient niet te worden onderzocht of de middelen aangevoerd ter staving van de vordering tot schorsing ernstig zijn.

Om die redenen,

het Hof

verwerpt de vordering tot schorsing.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 2 februari 2012.

De griffier,

F. Meersschaut

De voorzitter,

M. Bossuyt

Vrije woorden

  • Vordering tot schorsing van artikel 9 van de wet van 8 juli 2011 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen wat betreft de voorwaarden tot gezinshereniging, ingesteld door Muharrem Topallaj en Dyka Topallaj. Bestuursrecht

  • Vreemdelingenrecht

  • Verblijfsrecht

  • Gezinshereniging

  • 1. Aanvraag tot hereniging van niet-EU-burgers met hun Belgisch kind

  • 2. Aanvraag tot hereniging van niet-EU-burgers met hun kind dat onderdaan is van een andere lidstaat van de Europese Unie. # Schorsing

  • Geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel.