- Arrest van 9 februari 2012

09/02/2012 - 17/2012

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Artikel 35bis, eerste tot derde lid, van de wetten betreffende de preventie van beroepsziekten en de vergoeding van de schade die uit die ziekten voortvloeit, gecoördineerd op 3 juni 1970, zoals het geredigeerd was vóór de wijziging ervan bij de programmawet van 23 december 2009, schendt niet de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 14 van dat Verdrag en met artikel 1, lid 2, van het verdrag nr. 18 van de Internationale Arbeidsorganisatie.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul en F. Daoût, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter R. Henneuse,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging

Bij arrest van 7 februari 2011 in zake het Fonds voor de beroepsziekten tegen Cesira Martinelli, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 16 februari 2011, heeft het Arbeidshof te Brussel de volgende prejudiciële vragen gesteld :

« 1. Schendt artikel 35bis, eerste tot derde lid, van de wetten betreffende de preventie van beroepsziekten en de vergoeding van de schade die uit die ziekten voortvloeit, gecoördineerd op 3 juni 1970, zoals het van kracht was vóór de programmawet van 23 december 2009, de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 14 van dat Verdrag, alsook met artikel 1, lid 2, van het IAO-Verdrag nr. 18, doordat het bij een herziening van de graad van arbeidsongeschiktheid na 65 jaar, het in aanmerking nemen van de sociaaleconomische factoren beperkt of intrekt terwijl zulk een beperking niet geldt voor de slachtoffers van arbeidsongevallen, waardoor het aldus een verschil in behandeling creëert tussen twee categorieën van personen die zich in een vergelijkbare situatie bevinden ?

2. Schendt artikel 35bis, eerste tot derde lid, van de wetten betreffende de preventie van beroepsziekten en de vergoeding van de schade die uit die ziekten voortvloeit, gecoördineerd op 3 juni 1970, zoals het van kracht was vóór de programmawet van 23 december 2009, de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 14 van dat Verdrag, doordat het bij een herziening van de graad van arbeidsongeschiktheid na 65 jaar, het in aanmerking nemen van de sociaaleconomische factoren beperkt of intrekt terwijl zulk een beperking niet geldt voor de slachtoffers van een beroepsziekte die wordt vergoed overeenkomstig de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, waardoor het aldus een verschil in behandeling creëert tussen twee categorieën van personen die zich in een vergelijkbare situatie bevinden ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling

B.1.1. De prejudiciële vragen hebben betrekking op artikel 35bis, eerste tot derde lid, van de wetten betreffende de preventie van beroepsziekten en de vergoeding van de schade die uit die ziekten voortvloeit, gecoördineerd op 3 juni 1970 (hierna : de gecoördineerde wetten op de beroepsziekten), dat vóór de wijziging ervan bij de programmawet van 23 december 2009 bepaalde :

« Ingeval de graad van blijvende arbeidsongeschiktheid wordt vastgesteld, gewijzigd of bevestigd na de leeftijd van 65 jaar, wordt bij de evaluatie van deze graad geen rekening gehouden met de vermindering van het normale vermogen tot verdienen veroorzaakt door de feitelijke beperking van de arbeidsmogelijkheden op de arbeidsmarkt.

Nochtans kan de graad van blijvende arbeidsongeschiktheid die op 31 december 1993 toegekend was aan een slachtoffer van een beroepsziekte die de leeftijd van 65 jaar bereikt heeft vóór 1 januari 1994 slechts verminderd worden indien de lichamelijke arbeidsongeschiktheid verminderd is.

Indien de getroffene na 31 december 1993 de leeftijd van 65 jaar bereikt, wordt de vermindering van het normale vermogen tot verdienen, veroorzaakt door de feitelijke beperking van de arbeidsmogelijkheden op de arbeidsmarkt, van ambtswege niet meer vergoed vanaf de eerste dag van de maand die volgt op die waarin de gerechtigde de leeftijd van 65 jaar bereikt ».

De bepalingen vervat in het eerste en het derde lid werden ingevoegd bij artikel 59 van de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen; de bepaling vervat in het tweede lid werd ingevoegd bij artikel 39 van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen.

B.1.2. Uit de motivering van het arrest waarbij het Hof wordt ondervraagd, blijkt dat de persoon die het slachtoffer is van een beroepsziekte in het voor de verwijzende rechter hangende geschil, de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt vóór 1 januari 1994, zodat het tweede lid van de in het geding zijnde bepaling op hem van toepassing is. Met toepassing van de eerste twee leden van die bepaling, is de totale graad van blijvende arbeidsongeschiktheid die hem naar aanleiding van een herziening werd toegekend, onveranderd gebleven, hoewel de graad van de lichamelijke ongeschiktheid veroorzaakt door de beroepsziekte die hij had opgelopen, was gestegen, omdat het gedeelte van die graad dat de effectieve beperking van de arbeidsmogelijkheden op de arbeidsmarkt vertegenwoordigt, niet meer volledig in aanmerking werd genomen nadat hij de leeftijd van 65 jaar had bereikt.

B.1.3. Artikel 35bis van de gecoördineerde wetten op de beroepsziekten werd bij artikel 70 van de programmawet van 23 december 2009 vervangen en bepaalt voortaan :

« § 1. Ingeval de graad van lichamelijke arbeidsongeschiktheid wordt gewijzigd of bevestigd na de leeftijd van 65 jaar, is de graad die overeenstemt met de vermindering van het normale vermogen tot verdienen veroorzaakt door de feitelijke beperking van de arbeidsmogelijkheden op de arbeidsmarkt, vastgesteld vóór deze leeftijd, niet meer vatbaar voor veranderingen.

§ 2. Ingeval de graad van blijvende arbeidsongeschiktheid wordt vastgesteld na de leeftijd van 65 jaar, wordt bij de evaluatie van deze graad geen rekening gehouden met de vermindering van het normale vermogen tot verdienen veroorzaakt door de feitelijke beperking van de arbeidsmogelijkheden op de arbeidsmarkt ».

Die wetswijziging is op 1 januari 2010 in werking getreden en heeft pas na die datum uitwerking. Zij is niet van toepassing op het geschil dat voor het verwijzende rechtscollege hangende is, zodat het onderzoek van het Hof betrekking moet hebben op artikel 35bis van de gecoördineerde wetten op de beroepsziekten in de redactie ervan die voorafgaat aan de inwerkingtreding van de programmawet van 23 december 2009.

B.1.4. Voor het bepalen van de graad van blijvende ongeschiktheid als gevolg van een beroepsziekte wordt rekening gehouden met twee elementen : de aantasting van de lichamelijke integriteit van het slachtoffer, enerzijds, en de vermindering van diens normale verdienvermogen op de algemene arbeidsmarkt, anderzijds. Hoewel, volgens de rechtspraak van het Hof van Cassatie, de erkenning van een blijvende arbeidsongeschiktheid weliswaar het bestaan van een fysieke ongeschiktheid veronderstelt, vormt de graad van laatstgenoemde ongeschiktheid echter niet noodzakelijkerwijs het doorslaggevende gegeven voor het bepalen van de graad van blijvende ongeschiktheid, en wordt de omvang van de schade niet alleen op grond van de fysieke ongeschiktheid beoordeeld maar ook op grond van de leeftijd, de vakbekwaamheid, het aanpassingsvermogen, de omscholingsmogelijkheden en het concurrentievermogen van de getroffene op de algemene arbeidsmarkt (Cass., 11 september 2006, Arr. Cass., 2006, nr. 401).

Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag

B.2.1. In de eerste prejudiciële vraag wordt het Hof verzocht de situatie van de slachtoffers van een beroepsziekte te vergelijken met de situatie van de slachtoffers van een arbeidsongeval. Met toepassing van de in het geding zijnde bepaling wordt het gedeelte van de graad van blijvende arbeidsongeschiktheid dat overeenstemt met de vermindering van het normale verdienvermogen op de arbeidsmarkt, niet meer in aanmerking genomen wanneer de slachtoffers van een beroepsziekte de leeftijd van 65 jaar bereiken, terwijl de slachtoffers van een arbeidsongeval in dezelfde omstandigheden niet zulk een vermindering moeten ondergaan van de graad van blijvende ongeschiktheid die hun ingevolge het ongeval waarvan zij het slachtoffer zijn, is toegekend.

B.2.2. Het Arbeidshof te Brussel ondervraagt het Hof over de bestaanbaarheid van dat verschil in behandeling met de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 14 van dat Verdrag en met artikel 1, lid 2, van het verdrag nr. 18 van de Internationale Arbeidsorganisatie.

B.3. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen, waarvan artikel 59 het in het geding zijnde artikel 35bis heeft ingevoegd, blijkt dat de wetgever, met het oog op het streven naar een financieel evenwicht in de sociale zekerheid, de schadeloosstelling voor de vermindering van het normale vermogen tot verdienen, veroorzaakt door de feitelijke beperking van de arbeidsmogelijkheden op de arbeidsmarkt na de leeftijd van 65 jaar, heeft willen beperken om reden dat na die leeftijd « [de getroffenen] slechts in zeer beperkte mate beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt » (Parl. St., Senaat, 1993-1994, nr. 980-2, p. 75).

B.4.1. Artikel 23 van de Grondwet bepaalt dat de wet, het decreet en de ordonnantie onder meer het recht op sociale bijstand waarborgen, om ieder in staat te stellen een menswaardig leven te leiden.

Artikel 1 van het verdrag nr. 18 van de Internationale Arbeidsorganisatie verplicht de Staten die partij zijn bij het Verdrag, de slachtoffers van beroepsziekten of hun rechthebbenden een schadeloosstelling te verzekeren die gebaseerd is op de algemene beginselen van hun nationale wetgeving betreffende de schadeloosstelling van arbeidsongevallen, en bepaalt dat het tarief van die schadeloosstelling niet lager mag zijn dan hetwelk de nationale wetgeving bepaalt voor schade die het gevolg is van arbeidsongevallen.

Ten slotte kan uit de combinatie van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens met artikel 14 van dat Verdrag worden afgeleid dat, in zoverre sociale uitkeringen een vermogensrecht vormen dat is beschermd bij het voormelde artikel 1, zij zonder discriminatie moeten worden toegekend.

B.4.2. Die bepalingen verbieden de wetgever echter niet verschillen in te voeren in de berekeningswijze van de schadeloosstelling die respectievelijk aan het slachtoffer van een arbeidsongeval en aan het slachtoffer van een beroepsziekte is verschuldigd, rekening houdend met de specifieke kenmerken van de regelingen die hij invoert, en met de aard van de schade die door ongevallen en ziekten wordt veroorzaakt, voor zover de maatregelen die hij aanneemt redelijk kunnen worden verantwoord.

B.5.1. In tegenstelling tot het arbeidsongeval, dat voortvloeit uit een plotse gebeurtenis die zich voordoet tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst, is de beroepsziekte een ziekte waarvan het slachtoffer, met een zekere intensiteit en gedurende een bepaalde tijd, werd blootgesteld aan het beroepsrisico van die ziekte. De beroepsziekte ontwikkelt zich na verloop van tijd en de gevolgen ervan voor de gezondheidstoestand van de betrokkene kunnen gedurende heel diens leven nog evolueren.

B.5.2. Ook al is het juist dat zowel de vergoeding waarop het slachtoffer van een arbeidsongeval recht heeft, als die waarop het slachtoffer van een beroepsziekte recht heeft, onder meer ertoe strekken het verlies aan of de vermindering van het economisch potentieel van het slachtoffer op de arbeidsmarkt forfaitair te compenseren, toch blijkt uit een vergelijking van de twee vergoedingsregelingen dat er verschillen zijn in de procedures van beoordeling van de graad van ongeschiktheid en van herziening van die graad in geval van verergering of vermindering van die ongeschiktheid. De herziening van de graad van blijvende ongeschiktheid van het slachtoffer van een arbeidsongeval volgt andere regels dan de herziening van de graad van blijvende ongeschiktheid van het slachtoffer van een beroepsziekte.

B.6. De in B.3 vermelde verantwoording voor de in het geding zijnde maatregel blijkt niet onredelijk. Indien het verantwoord is dat in de sector van de beroepsziekten de schadeloosstelling wordt verbonden met de lichamelijke ongeschiktheid, maar ook met de economische ongeschiktheid van het slachtoffer, kan tevens worden verantwoord dat de economische ongeschiktheid niet langer in aanmerking wordt genomen na de leeftijd van 65 jaar.

Aangezien de in het geding zijnde bepaling op zich niet onverantwoord is, maakt de omstandigheid dat een dergelijke maatregel niet bestaat in de regeling van de arbeidsongevallen hem niet onbestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de bepalingen die in de prejudiciële vraag worden beoogd.

B.7. De omstandigheid dat de wetgever in 2009 heeft beslist de in het geding zijnde bepaling voor de toekomst te wijzigen, maakt die bepaling, die ten tijde van de aanneming ervan kon worden verantwoord door redenen die meer bepaald waren verbonden aan de noodzaak van een financieel evenwicht van de sociale zekerheid en in het bijzonder van de sector van de beroepsziekten, ten slotte niet discriminerend.

B.8. De eerste prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag

B.9.1. In de tweede prejudiciële vraag wordt het Hof verzocht de situatie van de slachtoffers van een beroepsziekte die worden vergoed op grond van de gecoördineerde wetten op de beroepsziekten, namelijk in de privésector, te vergelijken met de situatie van de slachtoffers van een beroepsziekte die worden beoogd door de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector.

Met toepassing van de in het geding zijnde bepaling wordt het gedeelte van de graad van blijvende arbeidsongeschiktheid dat overeenstemt met de vermindering van het normale verdienvermogen op de arbeidsmarkt niet meer in aanmerking genomen wanneer de slachtoffers van een beroepsziekte die tot de privésector behoren de leeftijd van 65 jaar bereiken, terwijl de slachtoffers van een beroepsziekte die tot de overheidssector behoren niet een dergelijke vermindering moeten ondergaan van de graad van blijvende ongeschiktheid die hun is toegekend ingevolge de ziekte die zij hebben opgelopen.

B.9.2. Het Arbeidshof te Brussel ondervraagt het Hof over de bestaanbaarheid van dat verschil in behandeling met de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, en met artikel 14 van dat Verdrag.

B.10. Het in het geding zijnde verschil in behandeling berust op het objectieve criterium van het verschil in regeling - voor de overheids- of privésector - op grond waarvan het slachtoffer van een beroepsziekte moet worden vergoed.

B.11. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de wet van 3 juli 1967 werd aangenomen om personeelsleden in overheidsdienst « te verzekeren tegen de gevolgen van de ongevallen op de weg of de plaats van het werk en de beroepsziekten ». « Het nagestreefde doel bestaat erin hun een stelsel te bezorgen dat kan vergeleken worden met het stelsel dat reeds toegepast wordt in de privé-sector ». Nochtans « oordeelde [de Regering] het noch mogelijk noch wenselijk de personeelsleden van de overheidsdiensten te onderwerpen aan dezelfde bepalingen als de arbeiders en de bedienden uit de privé-sector. Het statuut der ambtenaren bevat particulariteiten waarmee rekening dient gehouden en die in zekere gevallen, het aanvaarden van eigen regelen rechtvaardigen » (Parl. St., Kamer, 1964-1965, nr. 1023/1, pp. 3 en 4; in dezelfde zin : Parl. St., Senaat, 1966-1967, nr. 242, pp. 2-3). Ook al is er « van een eenvoudige uitbreiding van het stelsel van de privésector tot de openbare sector [...] dus geenszins sprake » (Parl. St., Kamer, 1966-1967, nr. 339/6, p. 2), toch moet worden opgemerkt dat wat betreft de definiëring van de begrippen arbeidsongeval, ongeval op de weg naar en van het werk en beroepsziekte, het « parallellisme met de privé-sector [...] daarbij volledig [wordt] doorgetrokken » (ibid., p. 5).

B.12.1. Aangezien het door de objectieve verschillen tussen beide categorieën van werknemers verantwoord is dat zij aan verschillende systemen zijn onderworpen, kan worden aanvaard dat bij een nadere vergelijking van beide systemen verschillen in behandeling aan het licht komen, nu eens in de ene zin, dan weer in de andere, onder voorbehoud dat elke regel dient overeen te stemmen met de logica van het systeem waarvan die regel deel uitmaakt.

B.12.2. De eigen logica van de twee systemen verantwoordt dat er verschillen bestaan, meer bepaald wat de procedureregels, het niveau en de wijze van vergoeding betreft. Het behoort, mits het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie in acht wordt genomen, tot de bevoegdheid van de wetgever te oordelen of een grotere gelijkschakeling al dan niet wenselijk is en in voorkomend geval te bepalen op welk tijdstip en op welke wijze via concrete maatregelen vorm moet worden gegeven aan een grotere uniformiteit tussen beide regelgevingen.

B.13. Om de redenen vermeld in B.3 en in B.6, is de in het geding zijnde bepaling niet zonder redelijke verantwoording. Aangezien de wijze van vergoeding niet identiek is in de twee systemen - wat overigens niet verhindert dat, in geval van herziening van de graad van ongeschiktheid, eveneens rekening wordt gehouden, in de regeling van de overheidssector, met de evolutie van de kansen van de betrokkene om opnieuw werk te vinden op de arbeidsmarkt -, kan eveneens worden aanvaard dat de vermindering van de totale graad die het gevolg is van het niet in aanmerking nemen van de sociaaleconomische factor nadat het slachtoffer de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, enkel expliciet is bepaald in de wetgeving betreffende de privésector.

B.14. De tweede prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 35bis, eerste tot derde lid, van de wetten betreffende de preventie van beroepsziekten en de vergoeding van de schade die uit die ziekten voortvloeit, gecoördineerd op 3 juni 1970, zoals het geredigeerd was vóór de wijziging ervan bij de programmawet van 23 december 2009, schendt niet de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 14 van dat Verdrag en met artikel 1, lid 2, van het verdrag nr. 18 van de Internationale Arbeidsorganisatie.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 9 februari 2012.

De griffier,

F. Meersschaut

De voorzitter,

R. Henneuse

Vrije woorden

  • Prejudiciële vragen over artikel 35bis, eerste tot derde lid, van de wetten betreffende de preventie van beroepsziekten en de vergoeding van de schade die uit die ziekten voortvloeit, gecoördineerd op 3 juni 1970, zoals het van kracht was vóór de wijziging ervan bij artikel 70 van de programmawet van 23 december 2009, gesteld door het Arbeidshof te Brussel. Sociaal recht

  • Sociale zekerheid

  • Bepalen van de graad van blijvende arbeidsongeschiktheid

  • Inaanmerkingneming na 65 jaar van de vermindering van het normale verdienvermogen op de arbeidsmarkt

  • 1. Slachtoffers van een beroepsziekte

  • a. Privé-sector

  • b. Overheidssector

  • 2. Slachtoffers van een arbeidsongeval. # Rechten en vrijheden

  • Economische, sociale en culturele rechten

  • a. Recht om een menswaardig leven te leiden

  • b. Recht op sociale bijstand