- Arrest van 16 februari 2012

16/02/2012 - 23/2012

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

- Artikel 7, § 1, van de wet van 6 februari 1970 betreffende de verjaring van schuldvorderingen ten laste of ten voordele van de Staat en de provinciën, dat artikel 106, § 1, van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 17 juli 1991, vormt, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

- De ontstentenis van een wetsbepaling die voorziet in een vijfjarige verjaring van de vordering tot terugbetaling van wedden die ten onrechte werden betaald door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Moerman, P. Nihoul en F. Daoût, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter R. Henneuse,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij vonnis van 27 oktober 2011 in zake het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Estinnes tegen Luc Gaudier, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 4 november 2011, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Charleroi de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 7, § 1, van de wet van 6 februari 1970 betreffende de verjaring van schuldvorderingen ten laste of ten voordele van de Staat en de provinciën, dat artikel 106, § 1, van de bij het koninklijk besluit van 7 [lees : 17] juli 1991 gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit vormt, het voorschrift van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en de beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie, in zoverre het niet van toepassing is op de verjaring van de schuldvorderingen tot terugbetaling van wedden die de openbare centra voor maatschappelijk welzijn ten onrechte hebben uitgekeerd ? ».

Op 30 november 2011 hebben de rechters-verslaggevers P. Nihoul en E. De Groot, met toepassing van artikel 72, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, het Hof ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht voor te stellen een arrest van onmiddellijk antwoord te wijzen.

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. Artikel 106, § 1, eerste lid, van de bij het koninklijk besluit van 17 juli 1991 gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit bepaalt :

« Inzake wedden, voorschotten daarop en vergoedingen of uitkeringen, die een toebehoren van de wedden vormen of ermede gelijkstaan, zijn de door de Staat ten onrechte uitbetaalde sommen voorgoed vervallen aan hen die ze hebben ontvangen, als de terugbetaling daarvan niet gevraagd is binnen een termijn van vijf jaar te rekenen van de eerste januari van het jaar van de betaling ».

Die bepaling is thans opgenomen in artikel 114 van de wet van 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de federale Staat. Zij is tevens terug te vinden, wat de gemeenschappen en de gewesten betreft, in artikel 16 van de wet van 16 mei 2003 « tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof ».

B.2. Aangezien voor de openbare centra voor maatschappelijk welzijn in geen bijzondere verjaringstermijn is voorzien wat betreft hun vorderingen tot terugbetaling van ten onrechte uitbetaalde wedden, voorschotten daarop en vergoedingen, toelagen of uitkeringen, die een toebehoren van de wedden vormen of ermee gelijkstaan, verjaren die vorderingen te hunnen aanzien overeenkomstig de gemeenrechtelijke bepalingen (artikel 2262bis, § 1, van het Burgerlijk Wetboek) na tien jaar, terwijl soortgelijke vorderingen van de Staat overeenkomstig het in het geding zijnde artikel 7, § 1, na vijf jaar verjaren.

B.3. Die termijn, wat de vorderingen van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn tot terugbetaling van ten onrechte aan hun ambtenaren betaalde wedden betreft, bedraagt het dubbele van die welke geldt voor vorderingen van de Staat tot terugbetaling van ten onrechte aan zijn ambtenaren betaalde wedden.

Dat verschil in behandeling heeft onevenredige gevolgen wat de ambtenaren van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn betreft, aangezien de vordering tot terugbetaling van wedden die hun onterecht zijn betaald, betrekking heeft op periodiek uitbetaalde geldsommen waarvan het bedrag toeneemt naarmate de tijd verstrijkt, en waarop, indien die sommen dienen te worden terugbetaald, in beginsel de kortere verjaringstermijn vastgelegd in artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek bijgevolg van toepassing zou moeten zijn; de terugvordering van wedden die gedurende lange tijd onterecht zijn betaald, kan immers betrekking hebben op bedragen die, op termijn, een dermate grote schuld zijn geworden dat die de schuldenaar zouden kunnen ruïneren.

Het in het geding zijnde verschil in behandeling is niet redelijk verantwoord.

B.4. Die discriminatie vindt haar oorsprong evenwel niet in de in het geding zijnde bepaling, maar in de ontstentenis van een wetsbepaling die van toepassing is op de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en voorziet in een vijfjarige verjaring van de termijn voor de terugvordering van de onterecht betaalde wedden.

B.5. Uit hetgeen voorafgaat, vloeit voort dat het aangeklaagde verschil in behandeling niet is gesitueerd in artikel 7, § 1, van de wet van 6 februari 1970 betreffende de verjaring van schuldvorderingen ten laste of ten voordele van de Staat en de provinciën, zodat de prejudiciële vraag ontkennend dient te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

- Artikel 7, § 1, van de wet van 6 februari 1970 betreffende de verjaring van schuldvorderingen ten laste of ten voordele van de Staat en de provinciën, dat artikel 106, § 1, van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 17 juli 1991, vormt, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

- De ontstentenis van een wetsbepaling die voorziet in een vijfjarige verjaring van de vordering tot terugbetaling van wedden die ten onrechte werden betaald door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 16 februari 2012.

De griffier,

F. Meersschaut

De voorzitter,

R. Henneuse

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag over artikel 7, § 1, van de wet van 6 februari 1970 betreffende de verjaring van schuldvorderingen ten laste of ten voordele van de Staat en de provinciën, dat artikel 106, § 1, van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd bij het koninlijk besluit van 17 juli 1991, vormt, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Charleroi. Openbare financiën

  • Rijkscomptabiliteit

  • Schuldvorderingen ten voordele van de Staat en de gemeenten

  • Schuldvorderingen tot terugbetaling van ten onrechte betaalde wedden

  • Verjaringstermijn

  • 1. Door de Staat betaalde wedden

  • Vijfjarige verjaring

  • 2. Door de O.C.M.W. betaalde wedden

  • Tienjarige verjaring.