- Arrest van 1 maart 2012

01/03/2012 - 29/2012

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zendt de zaak terug naar het verwijzende rechtscollege.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en R. Henneuse, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Moerman, T. Merckx-Van Goey en F. Daoût, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij arrest van 7 april 2011 in zake het auditoraat-generaal bij het Arbeidshof tegen Marc Libbrecht, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 9 mei 2011, heeft het Hof van Beroep te Gent de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 35, § 1, vierde lid, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet doordat het vierde lid van de voornoemde bepaling, in geval van bedrieglijke onderwerping van een of meer personeelsleden aan de toepassing van de RSZ-wet, voorziet in de ambtshalve veroordeling van de werkgever, diens aangestelden en lasthebbers tot betaling van het drievoud van de bedrieglijk aangegeven bijdragen, terwijl, in geval van niet-onderwerping aan de toepassing van de RSZ-wet, artikel 35, § 1, vijfde lid, van de RSZ-wet enkel voorziet in de ambtshalve veroordeling van de werkgever en, in voorkomend geval, de hoofdelijke aansprakelijke aannemer, en niet in de ambtshalve veroordeling van de aangestelden en lasthebbers van de werkgever ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op de bestaanbaarheid met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie gewaarborgd bij de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van artikel 35, § 1, vierde lid, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders (hierna : de wet van 27 juni 1969), dat bepaalt :

« § 1. [...]

Bij bedrieglijke onderwerping van een of meer personen aan de toepassing van deze wet, veroordeelt de rechter ambtshalve de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers tot betaling aan [de] inninginstelling van de socialezekerheidsbijdragen van een vergoeding gelijk aan het driedubbel van de bedrieglijk aangegeven bijdragen ».

De vraag noopt tot een vergelijking van die bepaling met artikel 35, § 1, vijfde lid, van dezelfde wet, dat bepaalt :

« Bij niet-onderwerping van één of meer personen aan de toepassing van deze wet, veroordeelt de rechter ambtshalve de werkgever, en in voorkomend geval, de hoofdelijk aansprakelijke aannemer bedoeld bij artikel 30bis, § 3, tweede lid, wat betreft de personen tewerkgesteld door zijn medecontractant bij de uitvoering van de werken, tot betaling aan [het] inningorganisme van de sociale zekerheidsbijdragen van een vergoeding gelijk aan het drievoud van de ontdoken bijdragen ».

De vraag is meer bepaald wat verantwoordt dat de maatregel bedoeld in het vierde lid moet worden bevolen ten aanzien van werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers, terwijl de maatregel bedoeld in het vijfde lid moet worden bevolen ten aanzien van de werkgever en, in voorkomend geval, de hoofdelijk aansprakelijke aannemer, maar niet ten aanzien van de aangestelden of lasthebbers.

B.2. Artikel 35 van de wet van 27 juni 1969 werd met ingang van 9 januari 2006 vervangen bij artikel 84 van de programmawet van 27 december 2005, met het oog op een betere strijd tegen de sociale fraude en het oneigenlijk gebruik van de reglementering (Parl. St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-2097/014, p. 3).

Artikel 35, § 1, vierde lid, van de wet van 27 juni 1969 is nagenoeg ongewijzigd overgenomen uit het derde lid van het oorspronkelijke artikel 35 van de wet van 27 juni 1969.

Artikel 35, § 1, vijfde lid, van de wet van 27 juni 1969, is grotendeels overgenomen uit het vierde lid van artikel 35 van de wet van 27 juni 1969, zoals aangevuld bij artikel 24 van de programmawet van 6 juli 1989. Die bepaling vormde een onderdeel van een reeks maatregelen waarmee de wetgever beoogde de activiteiten van de koppelbazen op doeltreffende wijze te bestrijden (Parl. St., Kamer, 1988-1989, nr. 833/1, p. 10).

B.3. Zoals het Hof reeds oordeelde in zijn arresten nrs. 98/99, 92/2000 en 80/2001, heeft artikel 35, § 1, vierde en vijfde lid, van de wet van 27 juni 1969 (voorheen artikel 35, derde en vierde lid) een overwegend repressief karakter.

B.4.1. De Ministerraad werpt op dat de zaak naar het verwijzende rechtscollege moet worden terugverwezen opdat dit beoordeelt of het antwoord op de vraag nog onontbeerlijk is, nu het vierde en het vijfde lid van artikel 35, § 1, van de wet van 27 juni 1969 met ingang van 1 juli 2011 zijn opgeheven.

B.4.2. Sinds de inwerkingtreding, op 1 juli 2011, van de wet van 6 juni 2010 tot invoering van het Sociaal Strafwetboek, waarbij artikel 35 van de wet van 27 juni 1969 werd opgeheven (artikel 109, 21°, b), van de wet van 6 juni 2010), bevat artikel 221 van het Sociaal Strafwetboek de volgende maatregel ten aanzien van feiten van bedrieglijke onderwerping van een of meer personen aan de toepassing van de wet van 27 juni 1969 :

« Bedrieglijke onderwerping

Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die :

1° een of meer personen bedrieglijk heeft onderworpen aan de toepassing van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;

2° een of meer personen bedrieglijk heeft onderworpen aan de toepassing van de besluitwet van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de zeelieden ter koopvaardij.

Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken, wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.

De rechter kan bovendien de straffen bepaald in de artikelen 106 [exploitatieverbod en bedrijfssluiting] en 107 [beroepsverbod en bedrijfssluiting] uitspreken ».

Ten aanzien van het niet-betalen van de socialezekerheidsbijdragen verschuldigd aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid bepaalt artikel 218 van het Sociaal Strafwetboek :

« Niet betaling van de diverse bijdragen aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid

Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die :

1° nagelaten heeft de voorschotten van sociale zekerheidsbijdragen en de sociale zekerheidsbijdragen te storten aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid binnen de door de Koning vastgestelde termijn, met toepassing van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;

[...]

Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers ».

Artikel 101 van het Sociaal Strafwetboek bepaalt :

« Sanctieniveaus

De inbreuken bedoeld in Boek 2 worden bestraft met een sanctie van niveau 1, niveau 2, niveau 3 of niveau 4.

De sanctie van niveau 1 bestaat uit een administratieve geldboete van 10 tot 100 euro.

De sanctie van niveau 2 bestaat uit hetzij een strafrechtelijke geldboete van 50 tot 500 euro, hetzij een administratieve geldboete van 25 tot 250 euro.

De sanctie van niveau 3 bestaat uit hetzij een strafrechtelijke geldboete van 100 tot 1.000 euro, hetzij een administratieve geldboete van 50 tot 500 euro.

De sanctie van niveau 4 bestaat uit hetzij een gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en een strafrechtelijke geldboete van 600 tot 6.000 euro of uit een van die straffen alleen, hetzij een administratieve geldboete van 300 tot 3.000 euro ».

Voorts bepaalt artikel 236 van het Sociaal Strafwetboek :

« Terugbetaling

Wanneer de benadeelde derden zich geen burgerlijke partij hebben gesteld, veroordeelt de rechter die de straf uitspreekt voorzien in de artikelen 218, 219, 220 en 221, of die de schuld vaststelt voor een inbreuk op deze bepalingen, de schuldenaar van onbetaalde bijdragen ambtshalve tot het betalen van de achterstallige bijdragen, de bijdrageopslagen en de verwijlinteresten.

Wanneer de benadeelde derden zich geen burgerlijke partij hebben gesteld, veroordeelt de rechter die de straf uitspreekt voorzien in artikel 233, § 1, 3°, of die de schuld vaststelt voor een inbreuk op die bepaling, de verdachte ambtshalve tot het terugbetalen van de onrechtmatig ontvangen bedragen, vermeerderd met de verwijlinteresten.

Wanneer er geen afrekening is met betrekking tot de in het eerste en tweede lid bedoelde bedragen of wanneer de afrekening betwist wordt en er in dit verband nadere informatie nodig is, houdt de rechter de beslissing over de ambtshalve veroordeling aan ».

B.4.3. De correctionele gevangenisstraffen van niveau 4 waarin artikel 221 van het Sociaal Strafwetboek voorziet in geval van bedrieglijke onderwerping, zijn niet dezelfde als de gevangenisstraffen van acht dagen tot drie maanden en geldboetes van 130 tot 2.500 euro, of een van die straffen alleen, waarin artikel 35, § 1, eerste lid, van de wet van 27 juni 1969 voorzag.

De bijkomende ambtshalve veroordeling in geval van bedrieglijke onderwerping waarin artikel 35, § 1, vierde lid, van de wet van 27 juni 1969 voorzag, is opgeheven.

B.4.4. Het komt niet het Hof, maar het verwijzende rechtscollege toe om, rekening houdend met de voormelde wijzigingen in de wetgeving met betrekking tot de bedrieglijke onderwerping aan de sociale zekerheid voor werknemers, alsook met het in artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten vervatte beginsel van de retroactiviteit van de mildere strafwet, te oordelen of artikel 35, § 1, vierde lid, van de wet van 27 juni 1969 nog kan worden toegepast.

B.5. De zaak dient te worden teruggezonden naar het verwijzende rechtscollege, opdat dit de zaak opnieuw kan beoordelen in het licht van de nieuwe bepalingen en kan oordelen of de prejudiciële vraag nog nodig is.

Om die redenen,

het Hof

zendt de zaak terug naar het verwijzende rechtscollege.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 1 maart 2012.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

M. Bossuyt.

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag over artikel 35, § 1, vierde lid, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, gesteld door het Hof van Beroep te Gent. Sociaal recht

  • Sociale zekerheid

  • Financiering

  • Bijdrage

  • Bedrieglijke onderwerping

  • Ambtshalve veroordeling.